← België

BELGISCHE STAAT c. TANDARTSPRAKTIJK LUK DANEELS bvba

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.3 Rolnummer: C.17.0303.N Zaak: BELGISCHE STAAT c. TANDARTSPRAKTIJK LUK DANEELS bvba Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht - Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 1572 - laatst gezien 2026-06-19 04:39 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.3 Fiches 1 - 4 Het beroep van een werkgever tegen een beslissing van het paritair comité waarbij dit weigert om een toetredingsakte inzake niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen goed te keuren, is geen individueel geschil betreffende de toepassing van collectieve arbeidsovereenkomsten waarvan de kennisname, bij uitsluiting van de Raad van State, behoort tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE Vrije woorden: Afdeling bestuursrechtspraak - Rechtsmacht - Werkgever - Invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen - Negatieve beslissing paritair comité - Beroep bij de Raad van State - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 578, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Art. 14, § 1, 1° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 - 21-12-2007 - Art. 9 - 43 ELI link Pub nr 2007012809 Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Werkgever - Invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen - Negatieve beslissing paritair comité - Beroep bij de Raad van State - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 578, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Art. 14, § 1, 1° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 - 21-12-2007 - Art. 9 - 43 ELI link Pub nr 2007012809 Thesaurus CAS: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Vrije woorden: Werkgever - Invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen - Negatieve beslissing paritair comité - Beroep bij de Raad van State - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 578, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Art. 14, § 1, 1° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 - 21-12-2007 - Art. 9 - 43 ELI link Pub nr 2007012809 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Sociale zaken (bijzondere regels) Vrije woorden: Arbeidsrechtbank - Individueel geschil betreffende de toepassing van collectieve arbeidsovereenkomsten - Werkgever - Invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen - Negatieve beslissing paritair comité - Beroep bij de Raad van State - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 578, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij KB van 12 januari 1973 - 12-01-1973 - Art. 14, § 1, 1° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 - 21-12-2007 - Art. 9 - 43 ELI link Pub nr 2007012809 Tekst van de beslissing Nr. C.17.0303.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel, met kabinet te 1000 Brussel, Hertogstraat 61, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen TANDARTSPRAKTIJK LUK DANEELS bv, met zetel te 2340 Beerse, den Abt
  1. verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak van 4 mei
  2. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 30 juli 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 144 en 145 van de Grondwet; - de artikelen 8, 556, eerste lid, en 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten; - de artikelen 7 en 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State; - de artikelen 2, 3, 4, 5, 7, 8 en 9 van de wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008; - artikel 38, eerste lid, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités; - de artikelen 1, 3, 6, 12, 13, 14 en 15 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90 van 20 december 2007, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 februari 2008, zoals gewijzigd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90bis van 21 december 2010, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90 van 20 december 2007 betreffende de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 30 maart
  3. Aangevochten beslissing In het arrest nr. 238.088 van 4 mei 2017 oordeelt de Raad van State dat hij rechtsmacht ontbeert om van het voorliggende annulatieberoep kennis te nemen. De Raad van State verwerpt het beroep en verwijst de verzoekende partij in de kosten. De Raad van State neemt die beslissingen op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunen en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende: "Beoordeling
  4. Luidens artikel 14, § 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak, indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. In de voorliggende zaak ligt de vraag voor of het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep al dan niet betrekking heeft op een individueel geschil betreffende de toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. In dat geval is immers niet de Raad van State doch zijn de arbeidsgerechten bevoegd om van het gerezen geschil kennis te nemen. Aan het begrip ‘individueel geschil' in artikel 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek komt een ruime betekenis toe. Blijkens de parlementaire voorbereiding bij artikel 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek wordt de term ‘individuele geschillen' gebruikt in tegenstelling tot ‘collectieve geschillen' welke voortvloeien uit een staking of lock-out. Ze hebben derhalve betrekking op alle bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst en dit ongeacht of het geschil werd ingeleid door een individu of door een (beroeps)organisatie (Verslag namens de Commissie voor de Tewerkstelling, de Arbeid en de Sociale Voorzorg bij het ontwerp van wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, Parl. St. Senaat 1967-1968, nr. 78, 113).
  5. De te dezen voor de beoordeling van de rechtsmacht van de Raad van State relevante wettelijke en contractuele bepalingen worden hierna weergegeven.
  6. Hoofdstuk II van de wet van 21 december 2007 ‘betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008' (hierna: de wet van 21 december 2007) verleent zoals uit het opschrift ervan blijkt, uitvoering aan het interprofessioneel akkoord 2007-
  7. Krachtens artikel 2 van die wet is zij van toepassing op de werkgevers en de werknemers die onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 ‘betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités' ressorteren. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ‘betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008' dat heeft geleid tot de genoemde wet van 21 december 2007 kan worden gelezen dat met het voorstel wordt beoogd ‘een wettelijk kader te creëren voor de uitvoering van het derde ankerpunt van het interprofessioneel akkoord voor 2007-2008 met betrekking tot de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen zoals gepreciseerd in de gemeenschappelijke verklaring van de sociale partners van de Groep van 10 op 14 september 2007'. De uitvoering van dit punt, aldus die toelichting, wordt ‘eveneens vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad'. Diezelfde parlementaire voorbereiding benadrukt nog dat de voorwaarden, modaliteiten evenals de procedures voor de invoering van dergelijke voordelen ‘in hoofdzaak' worden geregeld in de genoemde cao en dat ‘[v]oor specifieke onderdelen [...] evenwel een wettelijk initiatief vereist [is]'. (Parl. St. Kamer 2007-2008, nr. 594/1, 3 en 4). Het genoemde hoofdstuk II van de wet van 21 december 2007 is van toepassing op de voordelen die vanaf 1 januari 2008 worden betaald of toegekend op basis van het genoemde hoofdstuk ‘en in overeenstemming met de procedure, de modaliteiten en de voorwaarden die zijn vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad' (art. 20 van de wet van 21 december 2007). De niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen waarvan aldus de voorwaarden, modaliteiten evenals de procedures ‘in hoofdzaak' worden geregeld in de eerdergenoemde cao gesloten in de Nationale Arbeidsraad, genieten krachtens de wet van 21 december 2007 een bijzondere sociaalrechtelijke en fiscaalrechtelijke behandeling (artikelen 11 tot 19 van de wet van 21 december 2007). Het gaat om collectieve stelsels van voordelen. Het begrip ‘collectief' in de wet van 21 december 2007 betekent dat het moet gaan om een regeling van voordelen die ten goede komen van een hele onderneming, een groep van ondernemingen of een welomschreven groep van werknemers, en die gebonden zijn aan collectieve resultaten die afhankelijk zijn van de verwezenlijking van collectieve doelstellingen (Parl. St. Kamer 2007-2008, 594/1, p. 4).
  8. Artikel 3 van (hoofdstuk II van) de wet van 21 december 2007 bepaalt de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen. Het betreft voordelen die ten goede komen van een hele onderneming, een groep van ondernemingen of een welomschreven groep van werknemers, en die gebonden zijn aan collectieve resultaten die afhankelijk zijn van de verwezenlijking van collectieve doelstellingen, op basis van objectieve criteria (art. 3 van de wet van 21 december 2007). Die voordelen hangen krachtens datzelfde artikel 3 af van ‘de verwezenlijking van duidelijk aflijnbare, transparante, definieerbare/meetbare en verifieerbare doelstellingen, met uitzondering van individuele doelstellingen en doelstellingen waarvan de verwezenlijking kennelijk zeker is op het ogenblik van de invoering van een systeem van resultaatsgebonden voordelen'. Uit de memorie van toelichting bij artikel 3 blijkt dat de uitsluiting van ‘doelstellingen waarvan de verwezenlijking kennelijk zeker is', ertoe strekt ‘te vermijden dat loon vermomd wordt onder de vorm van resultaatsgebonden voordelen, door de toekenning van die voordelen louter pro forma afhankelijk te maken van bepaalde doelstellingen. De beoordeling daarvan (lees: of het (al dan niet) gaat om doelstellingen waarvan de verwezenlijking kennelijk zeker is), valt onder het regime van de ‘marginale toetsing' bedoeld in artikel 9 van de wet van 21 december 2007 (zie infra), De uitsluiting geldt maar ‘wanneer er geen redelijke twijfel over bestaat dat de doelstelling ook zou zijn gehaald zonder het instellen van het systeem van resultaatsgebonden voordelen' (Parl. St Kamer 2007-2008, nr. 594/1, 5). Artikel 4 van diezelfde wet strekt ertoe de collectieve arbeidsovereenkomst die in de Nationale Arbeidsraad wordt gesloten ‘te machtigen tot het regelen van de procedure, de modaliteiten en de in acht te nemen voorwaarden voor de toekenning van de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen'. Artikel 4 van de meergenoemde wet van 21 december 2007 bepaalt dan ook dat de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen worden ingevoerd ‘in overeenstemming met de procedures, de modaliteiten en de voorwaarden die worden opgelegd door het genoemde hoofdstuk II, alsook door een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad'. Luidens artikel 5 van de wet van 21 december 2007 kan elke werkgever ‘in overeenstemming met de genoemde cao gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad' het initiatief nemen om niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen in te voeren, onverminderd een initiatief genomen in de schoot van het (bevoegde) paritaire comité of het paritaire subcomité. Op het niveau van de onderneming kunnen deze voordelen dan worden ingevoerd hetzij via een collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij, namelijk voor de werknemers voor wie er geen syndicale afvaardiging bestaat, naar keuze van de werkgever, ofwel via een collectieve arbeidsovereenkomst, ofwel via een toetredingsakte. Daarbij dient, volgens datzelfde artikel 5, steeds gebruik te worden gemaakt ‘van de modellen die als bijlage bij de cao, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad', zijn gevoegd. De artikelen 7 tot 10 van de wet van 21 december 2007 regelen de te volgen opmaak- en wijzigingsprocedure wanneer de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, zoals te dezen, worden ingevoerd via een zogenaamde toetredingsakte (Parl. St. Kamer, 2007-2008, nr. 594/1, 6). Artikel 7 betreft de eerste fase van de opmaakprocedure van de toetredingsakte (daarin begrepen het toekenningsplan). Luidens de parlementaire voorbereiding bij die bepaling is de opmaakprocedure van de toetredingsakte ‘identiek aan degene die wordt gebruikt voor de opstelling en wijziging van het arbeidsreglement - bij gebrek aan een ondernemingsraad - zoals bepaald door artikel 12 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, met dat verschil dat de interne procedure in de onderneming wordt beperkt tot de betrokken werknemers. Zoals in die procedure worden eventuele geschillen binnen de onderneming door het paritair comité - dat alsdan overeenkomstig het arrest nr. 199.861 van de Raad van State van 25 januari 2010 optreedt als scheidsgerecht - beslecht met een gekwalificeerde meerderheid bij elk van de partijen, d.w.z. enerzijds 75 pct. langs werkgeverszijde en anderzijds 75 pct. langs werknemerszijde' (Parl. St. Kamer 2007-2008, nr. 594/1, 6). Artikel 8 bepaalt wanneer de eerste fase van de opmaakprocedure is afgerond, dit is op het ogenblik waarop de toetredingsakte (met inbegrip van het toekenningsplan), eventueel gewijzigd door een (met een gekwalificeerde meerderheid genomen) beslissing van het paritair comité, door de werkgever wordt neergelegd bij de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Op dat ogenblik licht de werkgever alle werknemers van de onderneming door aanplakking van een bericht er over in dat een toetredingsakte is neergelegd ter griffie en overgemaakt aan het paritair comité. Artikel 9 van de meergenoemde wet beschrijft de tweede fase van de opmaakprocedure, met inbegrip van de voor het voorliggende geschil relevante vorm - en marginale controle. Na neerlegging van de toetredingsakte in overeenstemming met het hiervoor genoemde artikel 8, wordt de toetredingsakte (en het toekenningsplan) overgemaakt aan het bevoegde paritair comité ‘met het oog op de uitoefening van de vorm- en marginale controle waarin voorzien is door de collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad' (art. 9, § 1). Artikel 9 van de wet van 21 december 2007 wijst zodoende aan het (bevoegde) paritair comité de opdracht toe om binnen twee maanden de in de cao bedoelde vorm- en marginale controle uit te voeren. De beslissing van het paritair comité is enkel geldig wanneer zij tenminste 75 pct. van de stemmen door iedere partij uitgebracht, heeft bekomen. Wanneer de beslissing van het paritair comité positief is, dan is de toetredingsakte met inbegrip van het toekenningsplan goedgekeurd. Wanneer de beslissing van het paritair comité daarentegen negatief is, dan is de toetredingsakte met inbegrip van het toekenningsplan niet goedgekeurd. De motivering van deze (negatieve) beslissing moet de tekortkomingen nauwkeurig aanduiden. De beslissing van het paritair comité en desgevallend de motivering van deze beslissing, wordt meegedeeld aan de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die onmiddellijk de werkgever en de door de minister aangeduide ambtenaar inlicht. (art. 9, § 2). Wanneer de toetredingsakte met inbegrip van het toekenningsplan na afloop van de vorm- en marginale controleprocedure als goedgekeurd worden beschouwd, worden ze beschouwd als beantwoordend aan de voorwaarden inzake vorm- en marginale controle (art. 9, § 5).
  9. Uit wat hiervoor is uiteengezet, blijkt dat conform de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever de voorwaarden, modaliteiten en procedures voor de invoering van de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen ‘in hoofdzaak' worden geregeld in de genoemde cao, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad. Concreet gaat het te dezen om de (aan de wet van 21 december 2007 voorafgaande) collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90 van 20 december 2007 ‘betreffende niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, zoals die laatst is gewijzigd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90bis van 21 december 2010' (hierna: de CAO nr. 90). CAO nr. 90 is luidens artikel 21 ervan, gesloten voor onbepaalde tijd en in werking getreden ‘op dezelfde dag als de wet betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008, hoofdstuk II - Niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen' (dit is de wet van 21 december 2007), namelijk op 10 januari
  10. CAO nr. 90bis is overeenkomstig artikel 12 ervan in werking getreden op 1 april 2011 en heeft dezelfde geldigheidsduur als de CAO nr. 90 die ze wijzigt. Met toepassing van artikel 28 van de wet van 5 december 1968 ‘betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités' heeft de Nationale Arbeidsraad om algemeen verbindend verklaring van beide cao's verzocht hetgeen is gebeurd bij de koninklijke besluiten van 10 februari 2008 respectievelijk 30 maart
  11. Artikel 1 van de genoemde CAO nr. 90 bepaalt dat deze collectieve arbeidsovereenkomst de procedures, de voorwaarden en de nadere regels voor de invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen bepaalt die beantwoorden aan de definitie van artikel 3 van diezelfde CAO. De genoemde procedures en voorwaarden en nadere regels kunnen eventueel worden verduidelijkt door cao's op sector-, subsector- of ondernemingsniveau teneinde rekening te houden met de eigenheid van de verschillende bedrijfssectoren en ondernemingen. De definitie van de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen in artikel 3 van CAO nr. 90 van 20 december 2007 en in artikel 3 van de wet van 21 december 2007 stemmen woordelijk overeen. In de toelichting bij artikel 3 van CAO nr. 90 wordt voorts gesteld dat de uitsluiting van doelstellingen waarvan de realisatie kennelijk zeker is tot doel heeft te vermijden dat loon vermomd wordt onder de vorm van resultaatsgebonden voordelen, door de toekenning van die voordelen louter pro forma afhankelijk te maken van bepaalde doelstellingen. De beoordeling van die uitsluiting door het bevoegde paritair comité valt onder het in de CAO nr. 90 bepaalde regime van de marginale toetsing. Deze uitsluiting geldt maar wanneer er geen redelijke twijfel over bestaat dat de doelstelling ook zou zijn gehaald zonder het instellen van het systeem van resultaatsgebonden voordelen. Hoofdstuk V van CAO nr. 90 (artikelen 12 tot 15) handelt (specifiek) over de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen ingevoerd door middel van een toetredingsakte zoals dat te dezen het geval is. De toetredingsakte moet luidens artikel 12 van de CAO door de werkgever worden opgesteld overeenkomstig het model dat als bijlage 2 bij de CAO is gevoegd. De werkgever dient zich hierbij, dit is wat de te volgen procedure betreft, ‘strikt te houden aan de procedure voor de opstelling van de toetredingsakte, bepaald door de wet betreffende de uitvoering van het professionele akkoord 2007-2008, Hoofdstuk II Niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen'. Belangrijk is te benadrukken dat krachtens de wet van 21 december 2007 de inhoud, de aard en de draagwijdte van de vorm- en marginale controle in artikel 15 van CAO nr. 90 wordt vastgelegd en dus niet in de wet van 21 december 2007 zelf. Ook artikel 9, § 1, van de wet van 21 december 2007 verwijst naar de uitoefening van de vorm- en marginale controle ‘waarin voorzien is door de collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad'. Artikel 15 van de genoemde CAO nr. 90 omschrijft de vorm- en marginale controle. Dit artikel bepaalt: ‘§
  12. Er wordt een vormcontrole verricht. Die controle heeft geen betrekking op de opportuniteit van het plan. De controle heeft uitsluitend betrekking op de volgende elementen: 1° de verplichte vermeldingen van de toetredingsakte, zoals bepaald in artikel 13 van deze overeenkomst; 2° de verplichte vermeldingen van het toekenningsplan, zoals bepaald in artikel 8, met uitzondering van punt 70, vierde alinea b, van deze overeenkomst; 3° in geval van omzetting van een bestaand stelsel van resultaatsgebonden voordelen, of dat bestaande stelsel bij de toetredingsakte is gevoegd. §
  13. Met betrekking tot artikel 8, 1°, 2° en 7°, alinea's 1, 2 en 3 a van deze overeenkomst wordt een marginale controle verricht naar een duidelijke overtreding van de antidiscriminatiewetgeving. In het kader van die controle verifieert het paritair comité uitsluitend dat de vaststelling van de onderneming, de groep van ondernemingen of de welomschreven groep van werknemers waarvoor het voordeel wordt ingevoerd, de eventuele modulering van de voordelen alsook de berekeningselementen die het mogelijk maken het aandeel van elke werknemer te bepalen, niet stoelen op de volgende criteria: zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, fortuin, geloof of levensbeschouwing, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst, het feit dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of een duidelijk omschreven werk is gesloten alsook het feit dat de arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid is gesloten. §
  14. De vormcontrole van artikel 8, 7°, derde alinea, a, heeft alleen tot doel na te gaan dat niet is afgeweken van de pro rata temporis-regel voor de werknemers die in aanmerking komen voor het toekenningsplan en dat de afwijkende modaliteiten zijn beperkt tot de in dat artikel toegestane werknemerscategorieën'. Uit de toelichting bij artikel 15 van CAO nr. 90 blijkt dat de vorm- en marginale controle wordt verricht ‘volgens de procedure die is bepaald in de wet betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008, hoofdstuk II - Niet-recurrente voordelen', zijnde de wet van 21 december
  15. De inhoud van de vorm- en marginale controle daarentegen is bepaald in artikel 15 van CAO nr. 90 juncto de bepalingen van de cao waarnaar artikel 15 verwijst.
  16. Het bevoegde paritair comité, te dezen het paritair comité 330 voor de gezondheids-inrichtingen en -diensten, put zijn bevoegdheid om de vorm- en marginale controle uit te oefenen weliswaar uit de wet van 21 december 2007 doch is, zoals hoger is uiteengezet, voor wat die controle inhoudt en de daarbij te hanteren maatstaven en toetsingscriteria aangewezen op wat in CAO nr. 90 (en de erbij gevoegde bijlage 2) is bepaald. Dat betekent, concreet, dat het paritair comité wat de toetsingscriteria en maatstaven voor de te verrichten vorm- en marginale controle toepassing moet maken van hetgeen in artikel 15 van CAO nr. 90 (en de bepalingen waarnaar het verwijst), is vastgelegd. Aldus, bijvoorbeeld, heeft artikel 8 van CAO nr. 90 waarnaar het eerdergenoemde artikel 15 verwijst, betrekking op de verplichte vermeldingen in de toetredingsakte waaronder (onder meer) (i.) de objectief meetbare/verifieerbare doelstellingen, met uitsluiting van individuele doelstellingen, waaraan de voordelen gekoppeld zijn, (ii.) de referteperiode waarop de collectieve doelstellingen betrekking hebben, (iii.) een methode van follow-up en controle, (iv.) de geldigheidsduur van het plan, enzovoort. Het voorliggende vernietigingsberoep noopt de Raad van State ertoe te beoordelen of de negatieve beslissing van het paritair comité (en de motieven waarop die beslissing steunt) rechtens kan worden verantwoord binnen het kader van de aan het paritair comité toegekende vorm- en marginale controle waarin de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90 voorziet en waarvan diezelfde cao ook de aard en de inhoud bepaalt. De kennisneming van een dergelijk annulatieberoep zou de Raad van State er onvermijdelijk toe brengen te oordelen over de inhoud, betekenis, draagwijdte en toepassing van de in die collectieve arbeidsovereenkomst vervatte bepalingen en vereisten. Zelfs de vraag of de in de CAO nr. 90 vervatte vorm- en marginale controle een gebonden dan wel discretionaire bevoegdheid in hoofde van het bevoegde comité impliceert betreft een vraag die de inhoud, draagwijdte en toepassing van CAO nr. 90 raakt aangezien het precies die cao is die de door het paritair comité uit te oefenen controle omschrijft. Het beantwoorden van die rechtsvragen betreft een individueel geschil, te dezen ingeleid door een individuele werkgever, betreffende de toepassing van een cao. De oplossing daarvan komt de Raad van State niet toe nu de kennisneming van die geschillen op grond van artikel 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek krachtens de uitdrukkelijke wil van de wetgever de arbeidsgerechten toekomt.
  17. Conclusie, is dan ook dat de Raad van State rechtsmacht ontbeert om van het voorliggende annulatieberoep kennis te nemen." (blz. 3 tot en met blz. 13, bovenaan, van het arrest). Grieven 1.
  18. Met toepassing van artikel 7 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, hieronder afgekort als RvSt-wet, doet de afdeling bestuursrechtspraak bij wijze van arresten uitspraak in de gevallen voorzien bij deze wet en de bijzondere wetten. Op grond van artikel 14, § 1, 1°, van die wet, doet, indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, de afdeling bestuursrechtspraak uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. De bevoegdheid van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, moet worden bepaald aan de hand van het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het verzoek tot nietigverklaring. De Raad van State is zonder rechtsmacht om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een administratieve beslissing in zoverre de wet de kennisname van het geschil aan de rechtscolleges van de rechterlijke macht heeft toegewezen. 1.
  19. Luidens artikel 8 van het Gerechtelijk Wetboek is bevoegdheid de macht van de rechter om kennis te nemen van een vordering die voor hem is gebracht. Een rechter is slechts bevoegd wanneer hem de macht is verleend daadwerkelijk kennis te nemen van de eis die voor hem is gebracht. Krachtens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Geschillen over politieke rechten behoren krachtens artikel 145 van de Grondwet eveneens tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Artikel 556, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbanken en hoven kennis nemen van alle vorderingen, behalve die welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt. Uit die bepalingen volgt dat enkel de rechtbanken van de rechterlijke macht rechtsmacht hebben om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten van burgerlijke aard. 1.
  20. Artikel 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de arbeidsrechtbank kennis neemt van de individuele geschillen betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten. Uit de systematiek van de artikelen 578 tot 583 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat in artikel 578 de geschillen worden bedoeld die ontstaan tussen personen betrokken in een arbeidsverhouding in ondergeschiktheid, of een daarmee gelijkgestelde verhouding, dan wel tussen werknemers, voor zover die geschillen op de arbeidsverhouding betrekking hebben. 2.
  21. De wet van 21 december 2007 tot uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-08 bevat een hoofdstuk II met betrekking tot niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen. Luidens artikel 3 van die wet gaat het om de voordelen gebonden aan de collectieve resultaten van een onderneming of van een groep van ondernemingen ofwel van een welomschreven groep van werknemers, op basis van objectieve criteria. Deze voordelen hangen af van de verwezenlijking van duidelijk aflijnbare, transparante, definieerbare/meetbare en verifieerbare doelstellingen, met uitzondering van individuele doelstellingen en doelstellingen waarvan de verwezenlijking kennelijk zeker is op het ogenblik van de invoering van een systeem van resultaatsgebonden voordelen. De bepalingen van dat hoofdstuk zijn van toepassing op de werkgevers en de werknemers die onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités ressorteren, zo bepaalt artikel 2 van de wet van 21 december
  22. Luidens artikel 4 van de wet van 21 december 2007 worden de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen ingevoerd in overeenstemming met de procedures, de modaliteiten en de voorwaarden die worden opgelegd door onderhavig hoofdstuk, alsook door een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad. Artikel 5 van dezelfde wet bepaalt dat elke werkgever, in overeenstemming met de collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad, het initiatief kan nemen om niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen in te voeren, onverminderd een initiatief genomen in de schoot van het paritaire comité of het paritaire subcomité. Op het niveau van de onderneming kunnen deze voordelen, in overeenstemming met de collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad, worden ingevoerd via een collectieve arbeidsovereenkomst of, voor de werknemers voor wie er geen vakbondsafvaardiging bestaat, naar keuze van de werkgever, ofwel via een collectieve arbeidsovereenkomst, ofwel via een toetredingsakte. Voor de opmaak van de collectieve arbeidsovereenkomst of van de toetredingsakte dient in overeenstemming met de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90 van 20 december 2007, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de niet-recurrente bedrijfsgebonden voordelen gebruik gemaakt van de modellen die in bijlage bij deze collectieve arbeidsovereenkomst zijn opgenomen. Voor de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen die worden ingevoerd via toetredingsakte, bepaalt artikel 7 van de wet van 21 december 2007 de eerste fase van de procedure, de artikelen 8 tot 10 de tweede fase. Artikel 7 van de wet van 21 december 2007 regelt de opmaakprocedure van de toetredingsakte. Luidens artikel 8 van de wet van 21 december 2007 wordt de opmaakprocedure geacht te zijn afgelopen op het ogenblik waarop de toetredingsakte, eventueel gewijzigd ten gevolge van een beslissing van het paritaire comité, bij de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg is neergelegd. Zodra de eerste fase van de opmaakprocedure van de toetredingsakte afgelopen is, wordt deze toetredingsakte met inbegrip van het toekenningsplan van de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, opgesteld in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad, door de werkgever bij de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg neergelegd. Indien de griffie vaststelt dat de opmaakprocedure niet werd gevolgd, is deze neerlegging niet ontvankelijk. Samen met de neerlegging bij de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, deelt de werkgever via aanplakking van een bericht aan de werknemers mee dat een toetredingsakte met betrekking tot niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen bij hoger vermelde griffie werd neergelegd. Dit bericht moet vermelden dat deze toetredingsakte bij hoger vermelde griffie werd neergelegd en aan het paritaire comité werd overgemaakt. Overeenkomstig artikel 9, § 1, van de wet van 21 december 2007 maakt de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, na neerlegging van de toetredingsakte in overeenstemming met artikel 8, de toetredingsakte met inbegrip van het toekenningsplan over aan het bevoegde paritaire comité met het oog op de uitoefening van de vorm- en marginale controle waarin voorzien is door de collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad. Luidens artikel 9, § 2, van de wet van 21 december 2007 voert het bevoegde paritair comité de controles uit binnen de twee maanden na deze overdracht. De beslissing van het paritair comité is enkel geldig wanneer zij tenminste 75 pct. van de stemmen door ieder partij uitgebracht, heeft bekomen. Wanneer de beslissing van het paritair comité positief is, dan is de toetredingsakte met inbegrip van het toekenningsplan goedgekeurd. Wanneer de beslissing van het paritair comité negatief is, dan is de toetredingsakte met inbegrip van het toekenningsplan niet goedgekeurd. De motivering van deze beslissing moet de tekortkomingen van de toetredingsakte met inbegrip van het toekenningsplan nauwkeurig aanduiden. De beslissing van het paritair comité en desgevallend de motivering van deze beslissing, wordt meegedeeld aan de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die onmiddellijk de werkgever en de door de minister aangeduide ambtenaar inlicht. Het paritair comité kan, na ontvangst van een of meerdere welbepaalde dossiers, eveneens beslissen om over deze dossiers niet te beslissen. Deze beslissing alsook de mogelijke opmerkingen van de organisaties vertegenwoordigd in het paritair comité, worden overgemaakt aan de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, die onverwijld de door de minister aangeduide ambtenaar inlicht. Wanneer de toetredingsakte met inbegrip van het toekenningsplan na afloop van onderhavige controleprocedure als goedgekeurd worden beschouwd, worden ze ook beschouwd als beantwoordend aan de voorwaarden inzake vorm- en marginale controle waarin voorzien is in §§ 1 en 4 van dit artikel, zo bepaalt artikel 9, § 5, van de wet. 2.
  23. De collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90 van 20 december 2007, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, hieronder afgekort als CAO nr. 90, bepaalt luidens zijn artikel 1 de procedures, de voorwaarden en de nadere regels voor de invoering van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen die beantwoorden aan de definitie van artikel 3 van deze collectieve arbeidsovereenkomst. Artikel 3 van de CAO nr. 90 herhaalt de definitie zoals omschreven in de wet. In de toelichting bij dat artikel is vermeld dat de in dit artikel bedoelde doelstellingen zijn gekoppeld aan de onderneming die de niet-recurrente voordelen invoert en niet aan de individuele werknemers. Ook wordt verduidelijkt dat de uitsluiting van doelstellingen waarvan de realisatie kennelijk zeker is, zoals bepaald in artikel 3 van de CAO, tot doel heeft te vermijden dat loon vermomd wordt onder de vorm van resultaatsgebonden voordelen, door de toekenning van die voordelen louter pro forma afhankelijk te maken van bepaalde doelstellingen. De beoordeling daarvan valt onder het regime van de marginale toetsing. Deze uitsluiting geldt maar wanneer er geen redelijke twijfel over bestaat dat de doelstelling ook zou zijn gehaald zonder het instellen van het systeem van resultaatsgebonden voordelen; in een toekenningsplan waarbij een voordeel wordt toegekend wegens het gedeeltelijk bereiken van een doelstelling, mag deze gedeeltelijke realisatie niet kennelijk zeker zijn bij het instellen van het systeem. Luidens artikel 6, § 1, van de CAO nr. 90 worden voor de werknemers voor wie er geen vakbondsafvaardiging is, de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen ter keuze van de werkgever ingevoerd hetzij door een collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij door een toetredingsakte die wordt opgesteld volgens de procedure bepaald in de wet van 21 december
  24. Een plan voor de toekenning van de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen is opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst of in de toetredingsakte, zo bepaalt artikel 6, §
  25. Luidens artikel 12 van de CAO nr. 90 moet de toetredingsakte door de werkgever worden opgesteld overeenkomstig het model dat als bijlage 2 bij deze overeenkomst is gevoegd. De werkgever dient zich strikt te houden aan de procedure voor de opstelling van de toetredingsakte, bepaald door de wet van 21 december
  26. Artikel 13 van de CAO nr. 90 bepaalt de verplichte vermeldingen in de toetredingsakte. Artikel 14 van de CAO nr. 90 bepaalt dat, zodra de door de wet van 21 december 2007 vastgestelde procedure voor de opstelling van de toetredingsakte beëindigd is, de werkgever de toetredingsakte, die het plan voor de toekenning van de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen moet bevatten, moet neerleggen bij de griffie van de algemene directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. In de commentaar bij dat artikel wordt gesteld dat, vanaf het ogenblik dat de griffie vaststelt dat de toetredingsakte is opgesteld met toepassing van de opstellingsprocedure, bepaald door de wet, zij de toetredingsakte en het erin opgenomen plan aan het paritair comité bezorgt. Luidens artikel 15, § 1, van de CAO nr. 90 wordt een vormcontrole verricht. Die controle heeft geen betrekking op de opportuniteit van het plan. Het artikel bepaalt op welke elementen de controle uitsluitend betrekking heeft, nl. op: 1° de verplichte vermeldingen van de toetredingsakte, zoals bepaald in artikel 13 van deze overeenkomst, 2° de verplichte vermeldingen van het toekenningsplan, zoals bepaald in artikel 8, met uitzondering van punt 7°, vierde alinea b., van de CAO, 3° in geval van omzetting van een bestaand stelsel van resultaatsgebonden voordelen, of dat bestaande stelsel bij de toetredingsakte is gevoegd. Voorts wordt krachtens artikel 15, § 2, van de CAO nr. 90 met betrekking tot artikel 8, 1°, 2° en 7°, alinea's 1, 2 en 3 a, van die CAO een marginale controle verricht naar een duidelijke overtreding van de antidiscriminatiewetgeving. In het kader van die controle verifieert het paritair comité uitsluitend dat de vaststelling van de onderneming, de groep van ondernemingen of de welomschreven groep van werknemers waarvoor het voordeel wordt ingevoerd, de eventuele modulering van de voordelen alsook de berekeningselementen die het mogelijk maken het aandeel van elke werknemer te bepalen, niet stoelen op de volgende criteria: zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, fortuin, geloof of levensbeschouwing, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst, het feit dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of een duidelijk omschreven werk is gesloten alsook het feit dat de arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid is gesloten. Artikel 15, § 3, van de CAO nr. 90 voegt eraan toe dat de vormcontrole van artikel 8, 7°, derde alinea, a, alleen tot doel heeft na te gaan dat niet is afgeweken van de pro rata temporis-regel voor de werknemers die in aanmerking komen voor het toekenningsplan en dat de afwijkende modaliteiten zijn beperkt tot de in dat artikel toegestane werknemerscategorieën. 3.
  27. Blijkens artikel 38, eerste lid, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, hieronder afgekort als CAO-wet, hebben de paritaire comités en subcomités als opdracht:
  28. collectieve arbeidsovereenkomsten door de vertegenwoordigde organisaties tot stand te doen komen;
  29. geschillen tussen werkgevers en werknemers te voorkomen of bij te leggen;
  30. de Regering, de Nationale Arbeidsraad, de Centrale Raad voor het bedrijfsleven of de bedrijfsraden, op hun verzoek of op eigen initiatief, te adviseren over aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren;
  31. elke andere taak te vervullen die hun door of krachtens de wet is toevertrouwd. Uit die bepaling volgt dat de paritaire comités en subcomités geen taken kunnen vervullen die hun rechtstreeks zouden worden toevertrouwd bij een collectieve arbeidsovereenkomst, maar dat zij dat enkel kunnen in zover een collectieve arbeidsovereenkomst dat doet krachtens de wet. 3.
  32. Artikel 9, § 1, van de wet van 21 december 2007 belast het bevoegde paritaire comité met de uitoefening van de vorm- en marginale controle op de toetredingsakte die moet worden uitgewerkt door de collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad, waarvan sprake in artikel 4 van die wet en die moet gebeuren volgens de modaliteiten bepaald in artikel 9, § 2, van die wet. De in uitvoering van de voormelde wettelijke voorschriften tot stand gekomen bepalingen van de in artikel 4 van de wet van 21 december 2007 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad, zijnde de CAO nr. 90, zijn dan ook bepalingen die de werking van de paritaire comités regelen in de door de wet bedoelde aangelegenheid.
  33. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het annulatieberoep van de verweerder voor de Raad van State gericht is tegen de beslissing van het paritair comité 330 betreffende de toetredingsakte en het toetredingsplan in het raam van de regelgeving met betrekking tot niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, opgesteld op 13 juni 2013 in de onderneming van de verweerder, neergelegd onder het nummer 2013-
  34. Zoals het bestreden arrest aangeeft, noopt het vernietigingsberoep de Raad van State te beoordelen of de negatieve beslissing van het paritair comité rechtens kan worden verantwoord binnen het kader van de aan het paritair comité toegekende vorm- en marginale controle (blz. 12, tweede alinea, eerste zin, van het bestreden arrest). De Raad van State oordeelt in het bestreden arrest zonder rechtsmacht te zijn om van het hem voorgelegde annulatieberoep kennis te nemen op de gronden dat (blz. 12, tweede alinea, van het bestreden arrest): - het vernietigingsberoep de Raad van State noopt te beoordelen of de negatieve beslissing van het paritair comité, en de motieven waarop die beslissing steunt, rechtens kan worden verantwoord binnen het kader van de aan het paritair comité toegekende vorm- en marginale controle waarin de CAO nr. 90 voorziet en waarvan diezelfde collectieve arbeidsovereenkomst ook de inhoud bepaalt, - de kennisneming van een dergelijk annulatieberoep de Raad van State onvermijdelijk ertoe zou brengen te oordelen over de inhoud, betekenis, draagwijdte en toepassing van de in die collectieve arbeidsovereenkomst vervatte bepalingen en vereisten, - zelfs de vraag of de in de CAO nr. 90 vervatte vorm- en marginale controle een gebonden dan wel een discretionaire bevoegdheid in hoofde van het bevoegde paritair comité impliceert, een vraag betreft die de inhoud, draagwijdte en toepassing van de CAO nr. 90 raakt, aangezien het precies die cao is die de door het paritair comité uit te oefenen controle omschrijft, - het beantwoorden van die rechtsvragen een individueel geschil betreft, te dezen ingeleid door een werkgever, betreffende de toepassing van een cao, de oplossing daarvan niet de Raad van State toekomt aangezien de kennisneming van die geschillen op grond van artikel 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek krachtens de uitdrukkelijke wil van de wetgever de arbeidsgerechten toekomt. Door te oordelen dat de kennisneming van het voorliggende annulatieberoep de beoordeling van de inhoud, betekenis, draagwijdte en toepassing van de CAO nr. 90 raakt en aldus het geschil daartoe te vernauwen, terwijl het paritair comité zijn bevoegdheid en taak, blijkens artikel 38, eerste lid, 4, van de CAO-wet en artikel 9, § 1, van de wet van 21 december 2007 put uit de wet van 21 december 2007 en die wet ook, inzonderheid in artikel 9, § 2, geldigheidsvereisten stelt aan de beslissing van het paritair comité, miskent de Raad van State artikel 38 van de CAO-wet en de artikelen 2, 3, 4, 5, 7, 8 en 9 van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-
  35. Aangezien uit wat hierboven werd uiteengezet, inzonderheid onder 3.1 en 3.2, volgt dat het geschil niet zuiver de toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst betreft, oordeelt de Raad van State niet wettig zonder rechtsmacht te zijn om kennis te nemen van het geschil op het motief dat het geschil op grond van artikel 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek toekomt aan de arbeidsgerechten (schending van het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten en van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, 8, 556, eerste lid, en 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, 7 en 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, 38, eerste lid, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, 2, 3, 4, 5, 7, 8 en 9 van de wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 en 1, 3, 6, 12, 13, 14 en 15 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90 van 20 december 2007, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen). Aangezien artikel 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek enkel de individuele geschillen betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten toekent aan de arbeidsgerechten, zijnde geschillen ontstaan tussen personen betrokken in een arbeidsverhouding in ondergeschiktheid of daarmee gelijkgesteld, dan wel tussen werknemers, voor zover die geschillen op de arbeidsverhouding betrekking hebben, oordeelt de Raad van State niet wettig dat het voorliggende annulatieberoep een individueel geschil betreft als bedoeld in artikel 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Het voorliggende annulatieberoep werd weliswaar ingeleid door een werkgever, maar tegen een administratieve overheid, zodat van partijen betrokken in een arbeidsverhouding geen sprake is. Zodoende miskent de Raad van State artikel 578, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Door zich op die grond zonder rechtsmacht te verklaren, schendt de Raad van State eveneens het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten en de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, 8 en 556, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, 7 en 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9 en 10 van de wet 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 en 1, 3, 6, 12, 13, 14 en 15 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 90 van 20 december 2007, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  36. Krachtens artikel 14, § 1, 1°, Wet Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, bij wijze van arresten uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Hieruit volgt dat de Raad van State zonder rechtsmacht is om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van een administratieve overheid wanneer de wet de kennisname van het geschil aan de hoven en rechtbanken heeft toegewezen.
  37. Krachtens artikel 578, 3°, Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van de individuele geschillen betreffende de toepassing van de collectieve overeenkomsten. De toekenning van die bevoegdheid aan de arbeidsrechtbank sluit derhalve uit dat de Raad van State uitspraak doet over de in die wetsbepaling bedoelde individuele geschillen tussen bij een arbeidsverhouding betrokken partijen over de toepassing van collectieve arbeidsovereenkomsten waardoor zij gebonden zijn. Het beroep van een werkgever tegen een beslissing van het paritair comité waarbij dit weigert om een toetredingsakte inzake niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen bedoeld in de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008 goed te keuren, is geen individueel geschil betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten zoals bedoeld in artikel 578, 3°, Gerechtelijk Wetboek.
  38. Het arrest stelt vast dat het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring gericht is tegen de beslissing van het Paritair Comité nr. 330 voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten betreffende de toetredingsakte en het toekenningsplan in het raam van de regelgeving met betrekking tot niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, opgesteld op 13 juni 2013 in de onderneming van de verweerster, neergelegd onder het nummer 2013-
  39. Het oordeelt dat: - het vernietigingsberoep de Raad van State noopt te beoordelen of de negatieve beslissing van het paritair comité en de motieven waarop die beslissing steunt, rechtens kan worden verantwoord binnen het kader van de aan het paritair comité toegekende vorm- en marginale controle waarin de CAO nr. 90 voorziet en waarvan diezelfde collectieve arbeidsovereenkomst ook de inhoud bepaalt; - de kennisneming van een dergelijk annulatieberoep de Raad van State onvermijdelijk ertoe zou brengen te oordelen over de inhoud, betekenis, draagwijdte en toepassing van de in die collectieve arbeidsovereenkomst vervatte bepalingen en vereisten; - zelfs de vraag of de in de CAO nr. 90 vervatte vorm- en marginale controle een gebonden dan wel een discretionaire bevoegdheid in hoofde van het bevoegde paritair comité impliceert, een vraag betreft die de inhoud, draagwijdte en toepassing van de CAO nr. 90 raakt, aangezien het precies die cao is die de door het paritair comité uit te oefenen controle omschrijft; - het beantwoorden van die rechtsvragen een individueel geschil betreft, te dezen ingeleid door een werkgever, betreffende de toepassing van een cao; - de oplossing daarvan niet de Raad van State toekomt aangezien de kennisneming van die geschillen op grond van artikel 578, 3°, Gerechtelijk Wetboek krachtens de uitdrukkelijke wil van de wetgever aan de arbeidsgerechten toekomt.
  40. Het arrest dat met schending van artikel 578, 3°, Gerechtelijk Wetboek aanneemt dat het door de verweerster ingestelde annulatieberoep een individueel geschil betreffende de toepassing van collectieve arbeidsovereenkomsten is zoals bedoeld in die wetsbepaling, verantwoordt zijn beslissing dat de Raad van State rechtsmacht ontbeert om van het voorliggende annulatieberoep kennis te nemen niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, in verenigde kamers, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat het arrest zal worden overgeschreven in de registers van de Raad van State en dat daarvan melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Veroordeelt de verweerster tot de kosten. Verwijst de zaak naar de anders samengestelde afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die zich zal gedragen naar de beslissing van het Hof over het beslechte rechtspunt. Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.289,73 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, voorzitter ridder Jean de Codt, de sectievoorzitters Christian Storck, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Mireille Delange, en de raadsheren Michel Lemal, Bart Wylleman, Marie-Claire Ernotte, Koenraad Moens en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 27 november 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier-hoofd van dienst Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.3 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.611 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.146 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.557 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.905 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.937 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.