← België

D. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.10 Rolnummer: P.20.0814.N Zaak: D. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-05-12 Raadplegingen: 884 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche Bij het onderzoek of de dader wist dat het gebruik van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en die van zijn schuldeisers of vennoten, is de strafrechter niet verplicht om elke daad van gebruik van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon afzonderlijk te toetsen aan het op dat ogenblik bestaande vermogen van de rechtspersoon en de inkomsten ervan, maar mag hij voor die toets de diverse zich in de tijd opvolgende daden van gebruik van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon als een geheel beschouwen en ze toetsen aan het globaal vermogen van de rechtspersoon

(1).
(1)Cass. 28 februari 2017, AR P.16.0261.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3, AC 2017, nr. 139; GwH 5 maart2006, nr. 40/2006, ro B.6 en B.
  1. Zie A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2005, 292-293; S. LOSSY, "Misbruik van vennootschapsgoederen", in Comm. Sr. 2019, 17-
  2. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Misbruik van vennootschapsvermogen - Betekenisvol nadeel van de vermogensbelangen - Kennis van het betekenisvol nadeel - Opeenvolgende daden van gebruik van goederen of van krediet van de vennootschap - Toetsing aan het globaal vermogen van de vennootschap - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 492bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0814.N J-C D V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jean-Baptiste Nottebaert, advocaat bij de balie Oudenaarde, tegen Johan BILLIET, met kantoor te 1050 Elsene, Louizalaan 146 bus 9, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van DEVOS-BOUWKANTOOR bv, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 juni
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerder zijn op 7 oktober 2020 en op 12 oktober 2020 ingediende memorie van antwoord per aangetekende brief heeft ter kennis gebracht van de eiser, zoals nochtans vereist door artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering. De memorie van antwoord is niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerder, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering, is eisers cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 461 Strafwetboek: het arrest houdt geen rekening met de financiële draagkracht van de vennootschap; het gaat bijgevolg niet op enkel het laatste cijfer van de balans voor te leggen; elk uitgave moet worden gekaderd binnen het vennootschapsvermogen en worden gesitueerd ten opzichte van de vennootschapspositie op het moment van de uitgave; er moet niet alleen naar de uitgavenzijde worden gekeken, maar ook naar de inkomens- en vermogenszijde; de strafrechter kan enkel een marginale toets doen op basis van het financieel draagvlak van de vennootschap; het misdrijf is geenszins bewezen; het openbaar ministerie houdt enkel een globaal cijfer voor.
  7. Artikel 461 Strafwetboek is vreemd aan de grief dat ten onrechte is schuldig verklaard aan het door artikel 492bis Strafwetboek strafbaar gestelde misbruik van vennootschapsgoederen. In zoverre faalt het middel naar recht.
  8. Artikel 492bis Strafwetboek vereist voor strafbaarheid dat de dader wist dat het gebruik van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon op betekenisvolle wijze in het nadeel was van de vermogensbelangen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten. Bij het onderzoek of aan die voorwaarde is voldaan, is de strafrechter niet verplicht om elke daad van gebruik van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon afzonderlijk te toetsen aan het op dat ogenblik bestaande vermogen van de rechtspersoon en de inkomsten ervan, maar mag hij voor die toets de diverse zich in de tijd opvolgende daden van gebruik van de goederen of van het krediet van de rechtspersoon als een geheel beschouwen en ze toetsen aan het globaal vermogen van de rechtspersoon. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling door de rechter van de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest steunt zich op de faillissementsmemorie die echter nooit aan de eiser is meegedeeld, zodat zijn recht van verdediging is miskend.
  11. Het recht van verdediging is in strafzaken afdoende gewaarborgd indien een partij kennis kan nemen van de stukken die het strafdossier samenstellen of die ter gelegenheid van de behandeling voor de rechter worden neergelegd. Niet is vereist dat die stukken ook aan de partijen worden meegedeeld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. De faillissementsmemorie maakt als stuk 17 deel uit van het dossier van de rechtspleging in eerste aanleg. De eiser kon dan ook van dit stuk kennis nemen en er tegenspraak over voeren. Zijn recht van verdediging is dan ook niet miskend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  13. Het middel voert aan "De geschonden wets artikelen worden niet vermeldt met als gevolg schending van het legaliteitsvereiste".
  14. Het middel verduidelijkt niet welke wetsbepalingen het arrest nalaat te vermelden. Het middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 229,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 1 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.