← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.13 Rolnummer: P.20.1159.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-05-12 Raadplegingen: 760 - laatst gezien 2026-06-19 19:53 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het onderzoeksgerecht oordeelt bij de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het vermoeden van eerbiediging van fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat te weerleggen; die beoordeling heeft enkel betrekking op het concrete geval van de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en niet op andere gevallen

(1).
(1)Cass. 28 maart 2014, AR P.14.0402.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.5, AC 2014, nr. 215; Cass. 19 november 2013, AR P.13.1765.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131119.5, AC 2013, nr. 615; Cass. 23 januari 2013, AR P.13.0087.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.1, AC 2013, nr. 55; Cass. 25 november 2009, AR P.09.1624.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091125.1, AC 2009, nr. 697; Cass. 10 maart 2020, AR P.20.0242.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.21, AC 2020, nr. 179; Cass. 24 maart 2020, AR P.20.0320.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.2N.20, AC 2020, nr.
  1. Zie M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY et D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, 2017, 8ste ed., T. II, 1806-1810; J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Kluwer, 2013, 86-
  2. Specifiek over de verenigbaarheid van de Zweedse regels over voorlopige hechtenis met artikel 5 EVRM zie HvJ 12 december 2019, zaak PPU, C-625/19, §51-53, www.curia.europa.eu Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Verplichte weigeringsgronden - Eerbied voor fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat - Vermoeden van eerbiediging van grondrechten - Kennelijk gevaar van aantasting grondrechten - Beoordeling - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Preambule, overweging 10 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Onderzoeksgerechten - Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging - Verplichte weigeringsgronden - Eerbied voor fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat - Vermoeden van eerbiediging van grondrechten - Kennelijk gevaar van aantasting grondrechten - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Preambule, overweging 10 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging - Verplichte weigeringsgronden - Eerbied voor fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat - Vermoeden van eerbiediging van grondrechten - Kennelijk gevaar van aantasting grondrechten - Beoordeling - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Preambule, overweging 10 Fiches 4 - 6 Het onderzoeksgerecht dat zich op basis van informatie die het dossier bevat en die door de partijen werd voorgelegd voldoende voorgelicht acht over de draagwijdte van de regelgeving in de uitvaardigende staat is niet verplicht aanvullende informatie in te winnen bij de uitvaardigende staat alvorens zich uit te spreken over de verplichte weigeringsgrond van artikel 4, 5° Wet Europees aanhoudingsbevel; uit het enkele feit dat in bepaalde rechtsleer vragen worden gesteld over de verenigbaarheid van het recht van de uitvaardigende staat met een EVRM-bepaling volgt niet dat het onderzoeksgerecht daarover noodzakelijkerwijze aanvullende informatie moet inwinnen. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Verplichte weigeringsgronden - Eerbied voor fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat - Onderzoek naar de verenigbaarheid van het recht van de uitvaardigende lidstaat met het EVRM - Informatie in het dossier en aangebracht door de partijen - Inwinnen van informatie bij de uitvaardigende lidstaat - Voorwaarde Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging - Verplichte weigeringsgrond - Eerbied voor fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat - Onderzoek naar de verenigbaarheid van het recht van de uitvaardigende lidstaat met het EVRM - Informatie in het dossier en aangebracht door de partijen - Inwinnen van informatie bij de uitvaardigende lidstaat - Voorwaarde Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging - Verplichte weigeringsgrond - Eerbied voor fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat - Onderzoek naar de verenigbaarheid van het recht van de uitvaardigende lidstaat met het EVRM - Informatie in het dossier en aangebracht door de partijen - Inwinnen van informatie bij de uitvaardigende lidstaat - Voorwaarde Fiches 7 - 10 Uit de artikelen 5.1.c en 5.3 EVRM volgt dat een rechterlijke autoriteit dient te oordelen of rekening houdend met deze verdragsbepalingen en de nationale regelgeving een voorlopige hechtenis wettig en noodzakelijk is en blijft, alsook of de duur van die hechtenis nog wel redelijk is; een stelsel waarbij het loutere feit van een verdenking wegens een bepaald misdrijf verplicht tot voorlopige hechtenis is strijdig met deze bepalingen, maar uit deze bepalingen volgt niet dat een verdachte over een absoluut recht op vrijlating onder voorwaarden of tegen een borgsom moet beschikken. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Verplichte weigeringsgrond - Eerbied voor fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat - Controle op de wettigheid, noodzaak en redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Vrijlating onder voorwaarden in de uitvoerende lidstaat - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 5.1.c en 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Eerbied voor fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat - Controle op de wettigheid en noodzaak van de voorlopige hechtenis - Vrijlating onder voorwaarden in de uitvoerende lidstaat - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 5.1.c en 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Eerbied voor fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat - Controle op de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Vrijlating onder voorwaarden in de uitvoerende lidstaat - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 5.1.c en 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging - Verplichte weigeringsgronden - Eerbied voor fundamentele rechten in de uitvaardigende lidstaat - Controle op de wettigheid, noodzaak en redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Vrijlating onder voorwaarden in de uitvoerende lidstaat - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 5.1.c en 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1159.N K K C M, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadslieden mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie Leuven, en mr. Arhan Askarovitch-Egamberdiev, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 november 2020, gewezen op verwijzing ingevolge arrest van het Hof van 31 maart
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 6 VEU, artikel 6 Handvest Grondrechten Europese Unie, de artikelen 1, derde lid en 15.
  5. Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat de Zweedse rechter in ieder geval een afweging moet maken tussen het door de hechtenis beoogde doel en de belangen van de verdachte en dat de stelling van de eiser die uitgaat van een verplichting van detentie waaraan nauwelijks te ontkomen valt, berust op een verkeerde lezing van de toepasselijke Zweedse wetgeving, doctrine en rechtspraak, zoals die aan de appelrechters werden voorgelegd; uit deze vaststelling kan het arrest evenwel niet wettig afleiden dat het Zweedse systeem inzake voorlopige hechtenis in concrete gevallen zou garanderen dat van een vrijheidsbeneming enkel sprake kan zijn wanneer dit noodzakelijk is en dat het aldus voldoet aan de vereiste van strikte noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis die volgt uit artikel 5.1 EVRM; de loutere afweging tussen de belangen van de verdachte en de belangen van de overheid kan niet worden vereenzelvigd met een noodzakelijkheidstoets; door de overlevering niet uit te stellen en de uitvaardigende autoriteit niet te verzoeken de bij appelconclusie gepreciseerde aanvullende informatie te verstrekken, miskent het arrest eisers recht van verdediging; het wordt hem immers onmogelijk gemaakt om dat wat hij minstens aannemelijk maakt op grond van de informatie waarover hij redelijkerwijze kan beschikken, door bewijsmateriaal afkomstig van de Zweedse autoriteiten te laten bevestigen.
  6. Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: "De tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt in volgende gevallen geweigerd: ... ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie."
  7. Uit de overweging 10 van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
  8. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het voormelde vermoeden te weerleggen.
  9. Die beoordeling hoeft enkel betrekking te hebben op het concrete geval van de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en niet op andere gevallen.
  10. Indien het onderzoeksgerecht zich op basis van de informatie die het dossier bevat en die door de partijen werd overgelegd voldoende voorgelicht acht over de draagwijdte van de regelgeving in de uitvaardigende staat verplichten de in het middel vermelde bepalingen of het recht van verdediging het onderzoeksgerecht niet om vooraleer zich over de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel uit te spreken over die regelgeving aanvullende informatie in te winnen bij de uitvaardigende staat. Uit het enkele feit dat in bepaalde rechtsleer vragen worden gesteld over de verenigbaarheid van het recht van de uitvaardigende staat met een EVRM-bepaling volgt niet dat het onderzoeksgerecht daarover noodzakelijkerwijze aanvullende informatie moet inwinnen.
  11. Het Hof gaat bij de voormelde beoordeling na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  12. De appelrechters oordelen met betrekking tot de aangevoerde miskenning van eisers fundamentele rechten omdat zijn voorlopige hechtenis in Zweden niet in overeenstemming zou zijn met artikel 5.1 EVRM als volgt: - hoofdstuk 24, sectie 1, van het Zweedse Wetboek van Strafprocesrecht bepaalt de voorwaarden om een persoon verdacht van het plegen van een misdrijf voorlopig in hechtenis te nemen; - uit de lezing van deze wetgeving, zoals door de partijen meegedeeld, blijkt vooreerst dat de voorlopige hechtenis slechts mogelijk is wanneer het misdrijf waarvan de betrokkene verdacht wordt, strafbaar is met een maximumstraf van minstens één jaar hechtenis; - de Zweedse wetgeving maakt vervolgens een onderscheid tussen de misdrijven waarvoor de wet een minimumstraf voorziet die lager is dan twee jaar hechtenis en deze die strafbaar zijn met een minimumstraf van twee jaar of hoger; - voor de eerste categorie is voorlopige hechtenis slechts mogelijk indien de betrokkene hetzij vluchtgevaarlijk is, hetzij het onderzoek dreigt te belemmeren, hetzij recidivegevaarlijk is; - voor de tweede categorie, waaronder de eiser ressorteert, gelden deze drie nietcumulatieve voorwaarden niet, maar wel dat een dergelijke persoon in hechtenis wordt gehouden tenzij het duidelijk is dat de hechtenis niet gerechtvaardigd is; - voor de beide categorieën geldt dat een voorlopige hechtenis enkel kan worden opgelegd indien de reden van de hechtenis zwaarder weegt dan de inbreuk op of benadeling van de belangen van de verdachte of van derden; - uit hetgeen voorafgaat blijkt dat, in tegenstelling tot hetgeen de eiser voorhoudt, de voorlopige hechtenis voor de zwaarste van beide categorieën van misdrijven geenszins een automatisme is en dat de rechter in ieder geval een afweging moet maken tussen het door de hechtenis beoogde doel en de be-langen van de verdachte; - er wordt enkel uitgegaan van de veronderstelling dat bij zwaardere misdrijven er in de regel gevaar bestaat voor ontsnapping, samenspanning of voortzetting van criminele activiteiten; - de stelling van de eiser, die uitgaat van een verplichting van detentie, waaraan nauwelijks te ontkomen valt, berust dan ook op een verkeerde lezing van de toepasselijke Zweedse wetgeving, doctrine en rechtspraak, zoals deze werd voorgelegd aan de kamer van inbeschuldigingstelling; - uit een geciteerd arrest van 19 december 1985 blijkt dat het Hooggerechtshof ook bij de zwaarste categorie van misdrijven alsnog overgaat tot een individuele afweging van de criteria van toepassing op de lagere categorie.
  13. Het arrest oordeelt bovendien ook als volgt: - volgens het Zweedse recht berust de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging noodzakelijkerwijze op een door een rechterlijke instantie genomen beslissing om de betrokkene in voorlopige hechtenis te nemen; - bij het nemen van een dergelijke beslissing wordt steeds beoordeeld of die maatregel wel evenredig is; - het evenredigheidsonderzoek dat de rechter zal uitvoeren in het kader van een onderzoek naar de noodzaak van een voorlopige hechtenis zal mede betrekking hebben op de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel; - volgens het Zweedse recht heeft een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel wordt gezocht zonder beperking in de tijd het recht om een beroep in te stellen tegen de beslissing waarbij zijn voorlopige hechtenis is gelast, zelfs na de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel en na zijn aanhouding in de uitvoerende staat. Met het geheel van die redenen geven de appelrechters te kennen dat het Zweedse stelsel voldoet aan de vereiste van strikte noodzakelijkheid van artikel 5.1 EVRM. Op grond van het geheel van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de appelrechters voldoende geïnformeerd zijn en dat het opvragen van bijkomende informatie aan de Zweedse autoriteiten bijgevolg niet nodig is, alsook dat geen miskenning te ontwaren valt van eisers door artikel 5 EVRM gewaarborgde rechten. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 6 VEU, artikel 6 Handvest Grondrechten Europese Unie, artikel 1, derde lid, Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onmogelijkheid naar Zweeds recht om, wanneer een in voorlopige hechtenis geplaatste persoon wordt verdacht van een misdrijf waarvoor geen lagere straf is voorzien dan een gevangenisstraf van twee jaar, onder voorwaarden te worden vrijgelaten, geen miskenning van enig fundamenteel recht inhoudt, in de mate waarin een invrijheidstelling mogelijk is zonder voorwaarden; aldus beslist het ten onrechte dat de tenuitvoerlegging van het tegen de eiser uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel niet moet worden geweigerd; minstens doen de weergegeven bepalingen van het Zweedse recht en interpretatie die daaraan wordt gegevens door het arrest ernstige vragen rijzen over de verenigbaarheid van de onmogelijkheid van een invrijheidstelling onder voorwaarden met de in het middel vermelde internationale bepalingen. Er wordt gevraagd de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: "Is de onmogelijkheid naar Zweeds recht, voor een persoon die verdacht wordt van een misdrijf waarvoor geen lagere straf is voorzien dan een gevangenisstraf van twee jaar en die zich hiervoor in voorlopige hechtenis bevindt, om onder voorwaarden te worden vrijgelaten, verenigbaar met artikel 1, lid 3, Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, in samenhang met artikel 6 VEU, artikel 6 Handvest Grondrechten Europese Unie en artikel 5 EVRM?"
  15. Artikel 5.1.c EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg: c) indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gevangen gehouden teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer redelijke termen aanwezig zijn om te vermoeden, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat het noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan." Artikel 5.3 EVRM bepaalt: "Eenieder die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid 1 c) van dit artikel moet onmiddellijk voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene in rechte."
  16. Uit deze bepalingen volgt dat is vereist dat een rechterlijke autoriteit oordeelt of rekening houdend met de vermelde verdragsbepalingen en de nationale regelgeving een voorlopige hechtenis wettig en noodzakelijk is en blijft, alsook of de duur van die hechtenis nog wel redelijk is. Een stelsel waarbij het loutere feit van een verdenking wegens een bepaald misdrijf verplicht tot voorlopige hechtenis, is strijdig met deze bepalingen. Uit deze bepalingen volgt evenwel niet dat een verdachte over een absoluut recht op vrijlating onder voorwaarden of tegen een borgsom moet beschikken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel oordeelt het onderzoeksgerecht onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het vermelde vermoeden van vertrouwen tussen de lidstaten te weerleggen. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekkingen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  18. Het arrest oordeelt met betrekking tot de aangevoerde miskenning van eisers fundamentele rechten wegens de onmogelijkheid van een vrijlating onder voorwaarden als volgt: - in de veronderstelling dat de geciteerde rechtsleer en het korte citaat uit de voorbereidende werken de algemeen gangbare opvatting weergeven van Zweedse rechtspratici en overeenstemt met de toonaangevende Zweedse rechtspraak, moet worden vastgesteld dat hieruit geen miskenning van enig fundamenteel recht kan worden afgeleid; - er wordt enkel gesteld dat voor de zwaarste categorie misdrijven een vrijlating met het verbod het land niet te verlaten of de verplichting zich op bepaalde tijden te melden bij de politie, geen wettelijk alternatief is voor de hechtenis; - hiermee is evenwel niet gezegd dat een vrijlating onder voorwaarden is uitgesloten, maar enkel dat bij een eventuele vrijlating geen voorwaarden meer kunnen worden opgelegd; - er moet worden verwezen naar het gegeven dat een persoon die het voorwerp uitmaakt van een Europees aanhoudingsbevel zonder beperking in de tijd beroep kan instellen tegen de beslissing waarbij de voorlopige hechtenis wordt gelast en dat bij de beoordeling van dit beroep de Zweedse rechter de evenredigheid van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel zal beoordelen en desgevallend de betrokkene in vrijheid zal stellen zonder het opleggen van bijkomende voorwaarden. Op grond van deze redenen kan het arrest wettig oordelen dat de beweerde onmogelijkheid tot vrijlating onder voorwaarden eisers fundamentele rechten niet miskent. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  19. De prejudiciële vraag, die zoals blijkt uit het voorgaande uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 41,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 1 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091125.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131119.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.21 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.