id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.15 Rolnummer: P.20.1163.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-12-07 Raadplegingen: 365 - laatst gezien 2026-06-19 19:54 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De feiten van de lijst van artikel 5, §2, Wet Europees Aanhoudingsbevel zijn niet strafrechtelijk omschreven, maar moeten generisch of criminologisch worden beschouwd, dus als een strafrechtelijk domein of een categorie van strafbare feiten; tot de strafbare feiten die in die lijst worden omschreven als de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen behoren bijgevolg ook het stellen van voorbereidende handelingen met het oog op de aanmaak, de verkoop, de levering of de illegale verschaffing van een in artikel 2bis, §1, Drugswet bedoelde stof, met het oog op het verbouwen van planten waaruit deze stoffen kunnen worden getrokken, zoals strafbaar gesteld door artikel 2bis, §6, Drugswet; de omstandigheid dat deze feiten in België werden strafbaar gesteld na de inwerkingtreding van de Wet Europees Aanhoudingsbevel doet daaraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5, § 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1 en 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5, § 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1 en 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5, § 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, §§ 1 en 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1163.N I en II G B V T, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Luc Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 november 2020. De eiser doet afstand van zijn op 16 november 2020 ingestelde cassatieberoep I. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van het specialiteitsbeginsel: het arrest oordeelt dat het ten laste van de eiser uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel nauwkeurig de feiten naar tijd en plaats preciseert om de tenuitvoerlegging toe te staan en dat de eventuele verdere toelichting in de nota hieraan geen afbreuk doet; nochtans zijn de feitelijkheden waarvan deze nota melding maakt geen loutere verduidelijking, maar betreffen ze nieuwe ruimere feiten; met het vermelde oordeel miskent het arrest het specialiteitsbeginsel. Het tweede onderdeel voert schending aan van van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 2, § 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oor-deelt terecht dat de inhoudelijke omschrijving van de strafbare feiten niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, maar verbindt daar ten onrechte niet het gevolg aan dat de in de appelconclusie door de eiser voorgehouden onduidelijkheid en onvolledigheid ervan een grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vormt. 2. Artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet zijn niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre faalt het middel naar recht. 3. Artikel 2, § 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat het Europees aanhoudingsbevel melding moet maken van de omschrijving van de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, daaronder begrepen tijdstip en plaats, ook van de mate waarin de gezochte persoon aan het misdrijf heeft deelgenomen. 4. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de in een Europees aanhoudingsbevel opgenomen vermeldingen voldoende precies zijn om een beoordeling van het door artikel 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel gewaarborgde specialiteitsbeginsel mogelijk te maken en dit ongeacht het oordeel of het Europees aanhoudingsbevel de door artikel 2, § 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel vereiste vermeldingen bevat. 5. Het arrest oordeelt met betrekking tot eisers aanvoering over het specialiteitsbeginsel dat het Europees aanhoudingsbevel voldoende nauwkeurig is gepreciseerd naar feiten, plaats en tijdstip om de tenuitvoerlegging ervan toe te laten en dat het geen vrijgeleide inhoudt. Het oordeelt ook dat de eventuele verdere toelichting in de nota daaraan geen afbreuk doet. In zoverre het middel opkomt tegen deze beoordeling van de feiten, is het niet ontvankelijk. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat geen dubbele incriminatie is vereist omdat de in het Europees aanhoudingsbevel bepaalde feiten zijn opgenomen in artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel; een van de feiten die aan de grondslag liggen van het Europees aanhoudingsbevel heeft betrekking op voorbereidingshandelingen voor de handel in verdovende middelen en deze feiten zijn niet opgesomd in het vermelde artikel 5, § 2, zodat de controle van de dubbele strafbaarstelling moet worden uitgevoerd. 7. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre faalt het middel naar recht. 8. De feiten van de lijst van artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel zijn niet strafrechtelijk omschreven, maar moeten generisch of criminologisch worden beschouwd, dus als een strafrechtelijk domein of een categorie van strafbare feiten. 9. Tot de strafbare feiten die door artikel 5, § 2, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel worden omschreven als de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen behoren bijgevolg ook het stellen van voorbereidende handelingen met het oog op de aanmaak, de verkoop, de levering of de illegale verschaffing van een in artikel 2bis, § 1, Drugwet bedoelde stof, of met het oog op het verbouwen van planten waaruit deze stoffen kunnen worden getrokken, zoals strafbaar gesteld door artikel 2bis, § 6, Drugwet. De omstandigheid dat deze feiten in België werden strafbaar gesteld na de inwerkingtreding van de Wet Europees Aanhoudingsbevel doet daaraan geen afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet. 11. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre faalt het middel naar recht. Eerste onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6, 5°, eerste streepje, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest beantwoordt niet het in de appelconclusie gedane verzoek om toepassing van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel en de daartoe aangevoerde argumenten. 13. Artikel 6, 1°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd ingeval de persoon op wie het bevel betrekking heeft in België wordt vervolgd wegens het feit dat aan het bevel ten grondslag ligt. Artikel 6, 5°, eerste streepje, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden geweigerd ingeval het bevel betrekking heeft op strafbare feiten die geheel of gedeeltelijk zijn gepleegd op het Belgische grondgebied of een plaats die daarmee wordt gelijk gesteld. 14. In zijn appelconclusie heeft de eiser zowel om de toepassing verzocht van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6, 1°, als van die van 6, 5°, eerste streepje, Wet Europees Aanhoudingsbevel en daartoe aangevoerd dat blijkt dat in België door de Belgische politie een inval werd gedaan, dat daarbij op het adres van de eiser te Meer containernummers en namen van bedrijven zijn gevonden, dat die bedrijven werden gevlagd en dat op 24 juni 2019 in de haven van Antwerpen een voor een gevlagd bedrijf bestemde container is onderschept waarin cocaïne werd gevonden. 15. Het arrest oordeelt dat er geen aanleiding is om toepassing te maken van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6, 1°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, er uit geen enkel objectief stuk blijkt dat er voor een feit dat ten grondslag ligt aan het Europees aanhoudingsbevel een vervolging in België zou worden ingesteld, de schriftelijke argumentatie van de eiser daaraan geen afbreuk doet en het grotendeels middelen betreft die ook in Nederland kunnen worden aangevoerd. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest niet alleen eisers verzoek om toepassing van artikel 6, 1°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, maar ook dat betreffende artikel 6, 5°, eerste streepje, Wet Europees Aanhoudingsbevel. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en van artikel 6, 1°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: de eiser beroept zich in zijn appelconclusie op de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6, 1°, Wet Europees Aanhoudingsbevel en hij verwijst daarvoor naar een passage uit rubriek
- e)strafbare feiten van het Europees aanhoudingsbevel; met het oordeel dat uit geen enkel stuk zou blijken dat er voor een feit dat ten grondslag ligt aan het Europees aanhoudingsbevel een vervolging in België zou kunnen worden ingesteld, miskent het arrest de bewijskracht van het Europees aanhoudingsbevel; uit dit Europees aanhoudingsbevel blijkt immers dat er in België een lopend onderzoek is, waaruit de strafvordering blijkt; in zoverre er sprake is van een huiszoeking, is er een gerechtelijk onderzoek en de opstart van een gerechtelijk onderzoek brengt altijd het instellen van de strafvordering mee. 17. Het arrest verwijst voor het door het onderdeel bekritiseerde oordeel niet naar het Europees aanhoudingsbevel, zodat het de bewijskracht ervan niet kan miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 18. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 Wet Europees Aanhoudingsbevel: de appelrechters beschikten over onvoldoende kennis om te kunnen oordelen of in België wegens feiten vermeld in het Europees Aanhoudingsbevel een vervolging was ingesteld; het openbaar ministerie weigerde immers om stukken bij te brengen die betrekking hebben op het al dan niet ingesteld zijn van de strafvordering. 20. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het openbaar ministerie heeft geweigerd de door het onderdeel bedoelde stukken bij te brengen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Vierde middel 21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet. 22. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre faalt het middel naar recht. Eerste onderdeel 23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt dat niet moet worden voorzien in een terugkeergarantie omdat de eiser een officiële woonplaats heeft in Nederland, terwijl de louter officiële woonplaats geen relevant criterium is om het bevorderen van de reclassering van de betrokken persoon te beoordelen; daartoe moet het onderzoeksgerecht zijn verbondenheid met België onderzoeken en meer bepaald of België voor hem de plaats is waarmee hij familiale, taalkundige, culturele, economische of andere banden heeft. 24. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het onderdeel weergegeven. Het oordeelt ook dat uit geen objectief stuk blijkt dat de eiser op duurzame wijze met België verbonden is en dat de voorgelegde stukken hieraan geen afbreuk doen. Met deze redenen en met het oordeel dat de eiser zijn officiële woonplaats heeft in Nederland verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat niet moet worden voorzien in een terugkeergarantie. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 25. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel: met het oordeel dat uit geen enkel stuk blijkt dat de eiser op een duurzame wijze met België verbonden is, miskent het arrest de bewijskracht van deze stukken; uit deze stukken is immers komen vast te staan dat hij reeds veertien jaar een vast verblijf heeft op het adres 2321 Meer, John Lijsenstraat 42. 26. De miskenning van de bewijskracht van een akte betreft de uitlegging van de bewoordingen daarvan, eventueel in samenhang met de stukken waarnaar die akte verwijst. Ze betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking door de rechter uit de akte. 27. Het arrest geeft geen uitlegging van de aangehaalde stukken, maar leidt er louter een gevolg uit af. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep I. Verwerpt het cassatieberoep II. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 86,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 1 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.