id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.3 Rolnummer: P.20.0866.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-05-12 Raadplegingen: 1010 - laatst gezien 2026-06-19 19:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter oordeelt onaantastbaar of cannabis een samenstelling bevat van delta-9-tetrahydrocannabinol en delta-9-tetrahydrocannabinolic acid groter dan 0.2; hij is daarbij niet gebonden aan enig bijzonder bewijsmiddel zoals een wetenschappelijke analyse van de cannabis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt; hij kan zijn oordeel gronden op alle hem regelmatig overgelegde en aan tegenspraak onderworpen gegevens; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond ervan niet kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Cannabis - Vereiste van een THC-gehalte van meer dan 0,2 - Beoordeling door de feitenrechter - Wettigheidscontrole door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Artt. 1 en 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 KB 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen - 06-09-2017 - Bijlage 1A - 03 ELI link Pub nr 2017031231 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Vonnisgerechten - Verdovende middelen - Cannabis - Vereiste van een THC-gehalte van meer dan 0,2 - Wettigheidscontrole door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Artt. 1 en 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 KB 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen - 06-09-2017 - Bijlage 1A - 03 ELI link Pub nr 2017031231 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0866.N I Y B E F, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Berchem, Elisabethlaan 122, waar de eiser woonplaats kiest, II R T, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. John Maes en mr. Mounir Souidi, advocaten bij de balie Antwerpen, III M T, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, alle cassatieberoepen tegen
- OPDRACHTHOUDENDE VERENIGING FLUVIUS ANTWERPEN, met zetel te 2660 Antwerpen, Antwerpsesteenweg 260, burgerlijke partij,
- INTERCOMMUNALE VERENIGING VOOR ENERGIELEVERINGEN IN MIDDEN-VLAANDEREN, afgekort INTERGEM, met zetel te 9200 Dendermonde, Franz Courtensstraat 11, burgerlijke partij, verweersters, met als raadsman mr. Laurent Mortelmans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 juli
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep III
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep is betekend aan de verweersters, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissingen van het arrest over de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweersters, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser II
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II zijn memorie ter kennis heeft gebracht van de verweersters, zoals nochtans vereist door artikel 429 Wetboek van Strafvordering. In zoverre zij betrekking heeft op de verweersters, is de memorie van de eiser II niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het motiveringsbeginsel: het arrest beoordeelt de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak verkeerd en houdt niet afdoende rekening met die redelijke termijn; het oordeelt ten onrechte dat er geen sprake kan zijn van een onverantwoorde vertraging in het onderzoek en de strafvervolging; de rechtspleging ten gronde nam bijna drie en een half jaar in beslag, waarbij vooral de inleidingszitting voor het hof van beroep op zich liet wachten; het arrest beoordeelt de redelijke termijn slechts op grond van de zogezegde complexiteit van de zaak en het aantal beklaagden, zonder hierop dieper in te gaan en zonder te motiveren waarom de zaak complex zou zijn.
- Na de criteria voor het bepalen van de redelijke termijn te hebben opgesomd, verwijst het arrest (p. 26-28 en 77-78) naar een geheel van feitelijke omstandigheden op grond waarvan het oordeelt dat de zaak complex en omvangrijk is en het gerechtelijk onderzoek dienvolgens niet onredelijk lang heeft geduurd. Het vermeldt ook de gegevens op grond waarvan het oordeelt dat de procedure tot aan het beroepen vonnis niet onredelijk lang heeft geduurd. Verder motiveert het waarom de redelijke termijn in de loop van de procedure in hoger beroep wel is overschreden. Meer bepaald schrijft het die overschrijding toe aan de lange duur alvorens het openbaar ministerie de zaak voor het hof van beroep heeft ingeleid. Ten slotte beoordeelt het de impact van die overschrijding op de bewijsvoering en het recht van verdediging van de eiser I, alsook op de straftoemeting. Daarmee is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II en middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 2, tweede lid, Strafwetboek, de artikelen 1 en 2bis Drugwet en de artikelen 2, 12° en 18°, 3, 6, § 1, 50 en 61 van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen, psychotrope stoffen, alsmede van de bijlage IA bij dat koninklijk besluit: het arrest gaat na of de eisers reguliere landbouwers zijn geweest en of zij een regulier landbouwbedrijf hebben uitgebaat; daarmee antwoordt het op het verweer van de eisers dat er op grond van het vermelde koninklijk besluit enkel nog sprake is van een strafbare inbreuk inzake cannabis indien bij het aantreffen ervan de som van Δ9-THC en THCA groter is dan 0,2 procent, wat hier niet kan worden vastgesteld bij gebrek aan een wetenschappelijke analyse van staalnames; op die grond kan het arrest niet oordelen dat het THC-gehalte van de cannabis niet bewezen dient te worden; aldus voegt het immers een voorwaarde aan de wet toe waarin deze niet voorziet en past het een strengere strafwet toe dan van toepassing op het moment van de uitspraak.
- De bijlage IA bij het koninklijk besluit van 6 september 2017 (Belgisch Staatsblad 26 september 2017, p. 88171) bepaalt: "Cannabis = de bloeiende of vruchtdragende bloemtoppen van de cannabis planten (waarvan het hars niet onttrokken is); Cannabishars/extracten/ tincturen = het afgescheiden hars, puur of opgezuiverd, verkregen van de cannabisplant; EN waarbij telkens de som van Δ9-THC (delta-9-tetrahydrocannabinol) en THCA (delta-9-tetrahydrocannabinolic acid) groter is dan 0,2."
- De rechter oordeelt onaantastbaar of cannabis voldoet aan die voorwaarde. Hij is daarbij niet gebonden aan enig bijzonder bewijsmiddel zoals een wetenschappelijke analyse van de cannabis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt. Hij kan zijn oordeel gronden op alle hem regelmatig overgelegde en aan tegenspraak onderworpen gegevens. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die geen verband ermee houden of op grond ervan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt: - in het koninklijk besluit van 6 september 2017 wordt hetzelfde drempelgehalte gehanteerd als in de Europese regeling voor landbouwsubsidies teneinde onschuldige verschijningsvormen en variaties van hennep met een zeer laag THC uit te sluiten van het toepassingsgebied van de Drugwet; - de cannabis die is bestemd om te gebruiken als genotsmiddel is in beginsel evenwel niet afkomstig van de hennep uit de gesubsidieerde landbouw, gelet op het verwaarloosbare THC-gehalte van 0,2 procent van deze hennep. Bij de hennep die wordt geteeld in het kader van de gesubsidieerde landbouw handelt het bovendien om landbouwgewassen gekweekt onder strikte, wettelijk omschreven voorwaarden, die onder meer betrekking hebben op de controle van de THC-waarde van de gewassen; - in casu staat het in het licht van de totaliteit van de dossierelementen vast dat de eisers II en III de illegale teelt van cannabis als genotsmiddel nastreefden en er bijgevolg noodzakelijkerwijze sprake was van de teelt van cannabis met een hoger THC-gehalte dan 0,2 procent. Uit niets blijkt dat die eisers reguliere landbouwers waren of dat zij een regulier landbouwbedrijf uitbaatten. De cannabisplantages werden integendeel op illegale en verborgen wijze ingericht en geëxploiteerd in panden die daartoe in beginsel niet waren bestemd en die in de regel werden bewoond door gewone burgers (niet landbouwers) met financiële problemen. De eisers hebben trouwens tijdens het hele vooronderzoek geen melding gemaakt van het feit dat zij reguliere landbouwers waren of een regulier landbouwbedrijf uitbaatten of dat de door hen geteelde cannabis een THC-gehalte van minder of gelijk aan 0,2 procent had. Hetzelfde geldt voor de andere personen betrokken bij de inrichting of exploitatie van de cannabisplantages. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de cannabis die het voorwerp van de vervolgingen uitmaakt, voldoet aan de voormelde voorwaarde van bijlage IA bij het koninklijk besluit van 6 september
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM en de artikelen 190, derde lid, en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest weigert de aanvankelijke medebeklaagden V. en B. ter rechtszitting als getuigen te horen; die weigering en de motivering ervoor stroken niet met de invulling die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft aan de toepasselijke criteria.
- Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen.
- In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Dit sluit niet uit dat de beoordeling van een criterium de beoordeling van de andere criteria kan versterken, vervolledigen of verduidelijken.
- Het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria onaantastbaar te oordelen of het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd miskent. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel in de kritiek op de hier bedoelde beoordeling door het arrest opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- De rechter dient geen getuigenverhoor te bevelen van een medebeklaagde die is verschenen op dezelfde rechtszitting als de beklaagde ten aanzien waarvan die medebeklaagde belastende verklaringen heeft afgelegd. De beklaagde kan immers aan de rechter vragen ter rechtszitting met de medebeklaagde te worden geconfronteerd en kan daar alle vragen voorstellen of opmerkingen maken om de belastende verklaringen te weerleggen of ze te doen aanpassen of verduidelijken. Daarvoor is geen formeel verzoek van de beklaagde vereist noch een formele beslissing van de rechter. De rechter kan rekening ermee houden dat de beklaagde op een vroegere rechtszitting in de gelegenheid is geweest om een dergelijke confrontatie te vragen of aan te gaan, maar dat niet heeft gedaan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Wanneer de ogenschijnlijke vrees van een getuige voor de beklaagde of met de beklaagde in verband staande personen van zulke aard is dat die vrees een ernstige reden kan zijn om de getuige niet ter rechtszitting te horen, moet de rechter onderzoeken of er objectieve en dus door bewijselementen ondersteunde gegevens zijn die deze vrees rechtvaardigen.
- Het arrest oordeelt dat er ernstige redenen voorliggen om V. en B. niet te horen als getuige ter rechtszitting, gelet op het risico van beïnvloeding, intimidatie, bedreiging en geweld. Het wijst op het criminele milieu waarin de feiten werden gepleegd, het feit dat meerdere oorspronkelijke medebeklaagden bij hun verhoor hebben laten verstaan angst te hebben voor de eiser II of met hem verbonden personen en naar de vrees van B. voor zijn veiligheid en die van zijn gezin. Het illustreert dat laatste met een citaat uit het verhoor van B.
- Het arrest oordeelt ook dat de eventueel belastende verklaringen tijdens het vooronderzoek van V. en D. zeker niet de enige of doorslaggevende elementen zijn waarop het hof van beroep de schuldigverklaring van de eiser II steunt. Het verwijst in het bijzonder naar de resultaten van het telefonieonderzoek, getoetst aan de andere dossierelementen zoals de resultaten van de observaties, waaruit de betrokkenheid van de eiser II bij de feiten van de telastlegging A.III blijkt.
- Het arrest oordeelt ten slotte dat er voor het niet horen van V. en B. ter rechtszitting voldoende compenserende factoren in de vorm van procedurele waarborgen voor de eiser II zijn. Het onderstreept dat de eiser II de mogelijkheid heeft gehad om voor de eerste rechter geconfronteerd te worden met oorspronkelijk medebeklaagde V. die ter rechtszitting van 12 januari 2018 in persoon aanwezig was om haar middelen van verdediging aan te brengen en uit niets blijkt dat de eiser II toen enig initiatief daartoe heeft genomen. Het wijst met opgave van redenen ook op de relativiteit van de verklaringen van V. en B. in het licht van alle aan tegenspraak onderworpen gegevens waarmee rekening wordt gehouden, alsmede op het feit dat uit niets blijkt dat de verklaringen van V. en B. het resultaat kunnen zijn van enige vorm van beïnvloeding of van enige kwaadwillige afspraak met als doel de eiser II of enige andere beklaagde te schaden.
- Uit het geheel van deze redenen kan het arrest wettig afleiden dat het horen van V. en B. ter rechtszitting niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding en dat de gevoerde strafvervolging, in zijn geheel beschouwd en rekening gehouden met alle relevante belangen, eerlijk verloopt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen van de eisers II en III, heeft het arrest ten aanzien van die eisers kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissingen over hun onmiddellijke aanhouding, de cassatieberoepen geen bestaansreden meer hebben. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 124,40 euro, waarvan de eiser I, II en III elk 41,80 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 1 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div