← België

V. contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Vonnisgerechten - Hoger beroep - Grievenformulier - Tijdig aanvoeren van grieven - Ontbreken van datumstempel - Inventaris van het dossier Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRIFFIE.

GRIFFIER Vrije woorden: Strafzaken - Hoger beroep - Grievenformulier - Tijdig aanvoeren van grieven - Ontbreken van datumstempel - Inventaris van het dossier Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.0746.N S M A J V D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen

  1. A L, burgerlijke partij,
  2. G G, burgerlijke partij,
  3. D V, burgerlijke partij,
  4. GREY bv, met zetel te 8510 Kortrijk (Marke), Cyriel Verschaevestraat 2, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 juni
  5. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  6. Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastlegging F.
  7. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het bewijs dat het grievenformulier van het openbaar ministerie effectief op 18 juli 2018 ter griffie werd ingediend, wordt geleverd door de datum die bij dat grievenformulier is vermeld in de inventaris die is opgemaakt door de griffier van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, naar aanleiding van het overmaken van het dossier aan het hof van beroep overeenkomstig artikel 207 Wetboek van Strafvordering; aldus kent het arrest aan deze inventaris een bewijskracht toe die hij niet heeft; wanneer immers op deze inventaris ook een datum van het geïnventariseerde stuk wordt vermeld, is dat enkel een weergave van de datum die op dat stuk voorkomt en geen bewijs van het feit dat de in dat stuk weergegeven handeling ook effectief op die datum is gesteld.
  9. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt, kortom wanneer de rechter het geschrift doet liegen. Daarentegen miskent de rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, de bewijskracht van die akte niet.
  10. Het onderdeel verwijt het arrest niet dat het aan de inventaris een vermelding toeschrijft die deze niet bevat of het bestaan ontkent van een vermelding die deze inventaris wel bevat, maar wel dat het een onjuist gevolg uit de inventaris afleidt. Dit betreft geen grief over de miskenning van de bewijskracht van dat stuk. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat het openbaar ministerie zijn grievenformulier tijdig heeft ingediend op grond van de datum vermeld in de inventaris van het strafdossier, verschaft het arrest niet de vereiste zekerheid over het tijdig indienen van dat grievenformulier.
  12. Wanneer het dossier van de rechtspleging een grievenschrift bevat waarop geen datumstempel van de griffie is aangebracht, oordelen de appelrechters op grond van de hen regelmatig voorgelegde en aan tegenspraak onderworpen gegevens onaantastbaar op welke datum dat formulier ter griffie is neergelegd.
  13. De appelrechters kunnen de datum van de neerlegging van het grievenformulier onder meer afleiden uit de datum die bij dat formulier is vermeld in de inventaris van het hen overgemaakte dossier. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve middel Geschonden bepaling - Artikel 149 Grondwet
  14. Artikel 149 Grondwet vereist dat de beslissing van de vonnisrechter redenen bevat die het Hof in staat stellen zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
  15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - de eiser is vervolgd voor een feit van valsheid in geschriften, gesitueerd te Veurne op 12 mei 2007 (telastlegging E.2), alsmede voor het gebruik van het in die telastlegging vermelde valse stuk, gesitueerd te Veurne op niet nader te bepalen tijdstippen van 12 mei 2007 tot heden (telastlegging F.2); - de eiser is ook vervolgd voor een feit van valsheid in geschriften, gesitueerd te De Panne op 17 augustus 2007 (telastlegging E.3), alsmede voor het gebruik van het in die telastlegging vermelde valse stuk, gesitueerd te De Panne (na heromschrijving te Veurne) op niet nader te bepalen tijdstippen van 17 augustus 2007 tot heden (telastlegging F.3); - het beroepen vonnis heeft de eiser vrijgesproken voor de telastleggingen E.2 en F.2 en heeft ten laste van de eiser de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitgesproken voor de telastleggingen E.3 en F.3; - het openbaar ministerie heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.
  16. Het arrest (p. 14-15) stelt vast dat het openbaar ministerie de volgende grieven aanvoert: "- in het grievenformulier door het openbaar ministerie zelf gedateerd op 18 juli 2018, door aankruising van de rubriek "Andere". Het openbaar ministerie verduidelijkt in deze rubriek: "Gelet op het aangetekende hoger beroep en de neergelegde grievenformulieren van de burgerlijke partijen V D, BVBA Grey, L A en G G volgt het openbaar ministerie de ingestelde hoger beroepen en tekent het ook hoger beroep aan wat de vrijspraak betreft van de partij C J C, Anubis BVBA, G H, GEDECO Bvba, S C en [de eiser] voor wat betreft de tenlastelegging E2, E3, F2, D en H elk voor wat betreft hun respectievelijk aandeel in deze tenlasteleggingen"; - in het grievenformulier door het openbaar ministerie zelf gedateerd op 19 juli 2018, door aankruising van de rubrieken "Straf en/of maatregel" en "Andere". Het openbaar ministerie specificeert in deze beide rubrieken dat het met betrekking tot de beklaagden J C C, de bvba Anubis, H G, de bvba Gedeco Invest en C S volgberoep aantekent. Door deze volgberoepen geeft het openbaar ministerie te kennen dat het, binnen de perken van het hoger beroep van de beklaagden, tegen het bestreden vonnis dezelfde grieven aanvoert als deze beklaagden. Verder stelt het openbaar ministerie de wenselijkheid van een strengere bestraffing te willen laten beoordelen door het hof (van beroep)." Daarnaast oordeelt het arrest (p. 16): "(...) Dit betekent dat het hof (van beroep) op strafgebied enkel nog gevat is om kennis te nemen van de strafvordering lastens (...) [de eiser], enkel voor wat betreft de telastleggingen E.2 en F.2." Uit die redenen lijkt, eensdeels, te volgen dat het openbaar ministerie zijn grieven ten aanzien van de eiser heeft beperkt tot de beslissing over zijn vrijspraak voor de telastleggingen E.2 en F.
  17. Het arrest (p. 16, 17, 18, 45 en 46): - oordeelt dat ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep van het openbaar ministerie de beslissing van het beroepen vonnis definitief is met betrekking tot de schuld van de eiser aan de telastleggingen E.3 en F.3; - verbetert de telastleggingen F.2 en F.3 door onder meer de incriminatieperiode te wijzigen in "van 24 juli 2007 tot 20 november 2007"; - spreekt de eiser vrij voor de telastlegging F.2; - oordeelt dat de strafvordering voor de telastlegging E.2 ten aanzien van de eiser niet is verjaard wegens samenloop met de verbeterde telastlegging F.3; - verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging E.2 en spreekt te zijnen laste de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uit voor de telastleggingen E.2, E.3 en F.
  18. Uit die redenen lijkt, anderdeels, te volgen dat de grieven van het openbaar ministerie ten aanzien van de eiser ook slaan op de beslissing over de straftoemeting met betrekking tot de telastlegging F.
  19. Hieruit volgt dat het arrest het Hof niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en aldus niet regelmatig met redenen is omkleed. Overige middelen
  20. De middelen, die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand zoals voormeld. Vernietigt het bestreden arrest wat betreft de beslissing over de tegen de eiser ingestelde strafvordering, met uitzondering evenwel van de beslissing van niet-vervallenverklaring van het hoger beroep van het openbaar ministerie en de vrijspraak van de eiser voor de telastlegging F.
  21. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een derde van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 200,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 1 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231018.2F.8 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231128.2N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.