← België

D. contra FLEXTRONICS LOGISTICS BV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 Rolnummer: P.20.0784.N Zaak: D. contra FLEXTRONICS LOGISTICS BV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-05-12 Raadplegingen: 2151 - laatst gezien 2026-06-19 06:28 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.5 Fiches 1 - 3 De rechter oordeelt op grond van de omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en van de stukken waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen, onaantastbaar welk precies feit het voorwerp van de betichting uitmaakt en of de beklaagde beschikt over voldoende informatie om zich daarop te verdedigen; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die ermee geen verband houden of op grond ervan niet kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en in stukken van het strafdossier - Onaantastbare beoordeling door de vonnisrechter - Wettigheidscontrole door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Recht van verdediging - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en in stukken van het strafdossier - Wettigheidscontrole door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Vrije woorden: Strafzaken - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Recht van verdediging - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en in stukken van het strafdossier - Wettigheidscontrole Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Noch artikel 6.1 of 6.3.a EVRM, noch enig algemeen rechtsbeginsel legt enige bijzondere vorm op voor wat betreft de wijze waarop de vervolgde partij op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; een beklaagde moet niet tot in de details worden ingelicht over de redenen van de beschuldiging; vereist is enkel dat hij met de gegevens waarover hij redelijkerwijze kan beschikken, voldoende informatie heeft om zich naar behoren te kunnen verdedigen tegen die beschuldiging
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de telastlegging - Wijze van verstrekken van informatie - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Wijze van verstrekken van informatie - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 6 - 7 Bij een vervolging wegens valsheid in geschriften is het niet vereist dat de akte van aanhangigmaking uitdrukkelijk verwijst naar bepaalde stukken van het strafdossier of de beklaagde uitdrukkelijk inlicht over de precieze onjuistheden die elke akte bevat of over de mate waarin elke akte vals is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Valsheid in geschrifte - Akte van aanhangigmaking - Informatie over de valsheid - Grens Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Valsheid in geschrifte - Artikel 6.3.a, EVRM - Akte van aanhangigmaking - Informatie over de valsheid - Grens Fiches 8 - 10 Niets belet dat het openbaar ministerie in de loop van het proces voor de vonnisrechter nadere informatie bijbrengt over de redenen van de beschuldiging en dat de rechter met die informatie rekening houdt om de beoordelen of de beklaagde weet waarop hij zich precies moet verdedigen; het enkele feit dat kennisgeving van die informatie een gevolg is van het verweer van de beklaagde of pas in de procedure in hoger beroep wordt bijgebracht of vervolledigd, impliceert niet dat de beklaagde niet onverwijld in kennis is gesteld van de redenen van de beschuldiging; daarvoor is enkel vereist dat hij na ontvangst van die informatie kan beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Bijkomende informatie over de telastlegging op vraag van de beklaagde tijdens de procedure in hoger beroep - Recht op voldoende tijd en faciliteiten voor zijn verdediging - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Vrije woorden: Recht op voldoende tijd en faciliteiten voor zijn verdediging - Onnauwkeurige omschrijving van de telastlegging - Bijkomende informatie op vraag van de beklaagde tijdens de procedure in hoger beroep - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Onnauwkeurige omschrijving van de telastlegging - Bijkomende informatie op vraag van de beklaagde tijdens de procedure in hoger beroep - Recht op voldoende tijd en faciliteiten voor zijn verdediging - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 11 Het staat aan een beklaagde om, aan de hand van de vermeldingen in de akte van aanhangigmaking zoals eventueel gespecifieerd in bijkomend overgelegde stukken en van de gegevens van het strafdossier, na te gaan voor welke precieze feiten hij wordt vervolgd; dat de telastlegging geen verwijzing naar een proces-verbaal bevat of de beklaagde wordt vervolgd voor een groot aantal misdrijven, doet daaraan geen afbreuk; bij dat oordeel of de beklaagde tijdig en afdoende op de hoogte is gebracht van een beschuldiging kan de rechter rekening houden met onder meer de omvang van diens verweer tegen de beschuldiging
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Verband tussen de akte van aanhangigmaking en bijkomende stukken en gegevens van het strafdossier - Vervolging voor een groot aantal misdrijven - Verweer dat de beklaagde voert tegen de beschuldiging - Beoordeling - Voorwaarden Fiche 12 Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbaar vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Valsheid in geschriften - Beschermd geschrift - Geschrift dat zich opdringt aan het openbaar vertrouwen - Begrip Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 13 Een geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding ervan door de bestemmeling, dringt zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen; dit is evenwel anders wanneer controle van de in het geschrift voorkomende vermeldingen door de bestemmeling onmogelijk is of deze controle door toedoen van de uitreiker onmogelijk is gemaakt; hieruit volgt dat een factuur een beschermd geschrift uitmaakt wanneer de opsteller ervan op het moment waarop hij niet-geleverde prestaties aanrekent, ook al zijn die prestaties gedetailleerd weergegeven, weet dat die factuur in werkelijkheid niet kan worden gecontroleerd omdat hijzelf de controle ervan voor de bestemmeling doet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Valsheid in geschriften - Beschermd geschrift - Factuur - Controle op gefactureerde prestaties - Voorwaarden Fiche 14 Listige kunstgrepen als bestanddeel van oplichting zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op afgifte of levering van de zaak; louter leugenachtige beweringen leveren slechts listige kunstgrepen op wanneer zij gepaard gaan met uitwendige handelingen die er enige geloofwaardigheid aan verlenen; dergelijke handelingen kunnen onder meer bestaan in een geheel van praktijken die niet als dusdanig maar wel in hun geheel genomen een listige kunstgreep uitmaken omdat zij gezamenlijk determinerend zijn voor de navolgende afgifte van gelden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Listige kunstgrepen - Leugenachtige beweringen - Uitwendige handelingen - Determinerend voor de afgigte van gelden - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 15 Listige kunstgrepen kunnen worden opgeleverd door een geheel van geënsceneerde feiten die gedeeltelijk voor en gedeeltelijk na de afgifte of levering van de zaak plaatsvinden; dit is onder meer het geval wanneer een persoon een leugenachtige belofte doet om een derde te overtuigen hem gelden af te leven en volgend op die afgifte met deze derde een overeenkomst sluit die aan deze belofte bijkomende geloofwaardigheid verleent, aangezien die gedragingen deel uitmaken van eenzelfde enscenering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Listige kunstgrepen - Geheel van geënsceneerde feiten - Feiten voor en na de afgifte of levering van de zaak - Voorwaarden Fiche 16 Het plaatsen van een illegaal vermogensvoordeel bestaande in cash gelden, cheques of buitenlandse overschrijvingen op een bankrekening, het afhalen van deze gelden via een bankcheque en het deponeren van de gelden op een andere rekening van dezelfde titularis kan een door artikel 505, eerste lid, 3° en 4° Strafwetboek bedoelde verrichting zijn, voor zover ze telkens geschiedt met het vereiste opzet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwasmisdrijf - Vermogensvoordeel - Verhullen van de illegale herkomst - Verrichtingen via rekeningen van de dader van het basismisdrijf - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 17 - 18 Bij de beoordeling van verduistering of verspilling van roerende zaken binnen een vennootschapsverband is de rechter, gelet op het beginsel van de autonomie van het strafrecht, niet noodzakelijk gebonden aan de bevoegdheden die de vennootschapswetgeving formeel toewijst aan een vennootschapsorgaan zoals de raad van bestuur of aan beweerde vermogensrechtelijke gevolgen die daaruit voortvloeien; bijgevolg kan de rechter op grond van de feiten die hij onaantastbaar vaststelt oordelen dat een welbepaalde natuurlijke persoon misbruik van vertrouwen heeft gepleegd ten nadele van de vennootschap, ongeacht of de geldtransactie die het voorwerp uitmaakt van dat misdrijf is gedekt door een beslissing van diens raad van bestuur. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Precair bezit van een roerende zaak - Verduistering of verspilling van zaken in een vennootschapsverband - Opname van gelden van de vennootschap - Toewijzing van de transactie aan een natuurlijke persoon - Goedkeuring van de transactie door de raad van bestuur - Beoordeling door de rechter - Autonomie van het strafrecht - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Precair bezit van een roerende zaak - Verduistering of verspilling van zaken in een vennootschapsverband - Opname van gelden van de vennootschap - Toewijzing van de transactie aan een natuurlijke persoon - Goedkeuring van de transactie door de raad van bestuur - Autonomie van het strafrecht - Gevolg Fiche 19 Misbruik van vertrouwen vereist als materieel bestanddeel een verduistering of verspilling; een verduistering is een wederrechtelijke toe-eigening van hetgeen ter bede is toevertrouwd en kan bestaan in het feit dat de bestuurder van een vennootschap zich persoonlijk gelden van die vennootschap toe-eigent
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Materieel bestanddeel - Verduistering van een roerende zaak - Wederrechtelijke toe-eigening van hetgeen ter bede is toevertrouwd - Verduistering van gelden van een vennootschap door de bestuurder - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 20 Het feit dat de bestuurder de persoonlijke toe-eigening van gelden van de vennootschap boekhoudkundig registreert als een schuld die hij is aangegaan ten opzichte van de vennootschap houdt een strafbare verduistering van gelden in wanneer de bestuurder reeds op het moment van toe-eigening weet dat hij niet bij machte zal zijn die schuldvordering aan te zuiveren; in dat gval vervangt hij immers een reëel actiefbestanddeel van de vennootschap, dit is het verduisterde geld, door een fictief bestanddeel, namelijk een oninbare schuldvordering; een dergelijke handelwijze poogt enkel de werkelijke aard van de materiële verduistering te verhullen en houdt geen verband met het bedrieglijk opzet van de bestuurder. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Materieel bestanddeel - Verduistering - Wederrechtelijke toe-eigening van gelden van de vennootschap door de bestuurder - Registratie van de geldopnames in de boekhouding (rekening-courant) - Omzetting van een actief naar een fictief bestanddeel - Verhulling van de verduistering - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0784.N L E A D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Karolien Van de Moer, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen 1. FLEXTRONICS CYPRUS ltd, met zetel te Nicosia (Cyprus), Sofouli Street 2, Chanteclair Blgd. 2nd floor, burgerlijke partij, 2. FLEXTRONICS LOGISTICS bv, met zetel te Venray 5807, GA Oostrum LB (Nederland), Nobelstraat 10-14, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3012 Leuven, Kolonel Begaultlaan 1A/51, waar de verweerster woonplaats kiest, 3. FLEXTRONICS BEERSE nv, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 331-333, burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 juni 2020. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, veertien middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 5 november 2020 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 1 december 2020 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. De eiser heeft op 24 november 2020 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. In zoverre gericht tegen de beslissingen van het arrest die de eiser vrijspreken van de hem ten laste gelegde feiten, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2. Het arrest bevat voor wat betreft de verweersters 1 en 3 geen beschikkingen die nadelig zijn voor de eiser. In zoverre gericht tegen die verweersters, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest verwerpt eisers verweer dat de strafvordering met betrekking tot de telastleggingen A.I, 1, 3, 4, 5 en 6 (valsheid in geschriften) niet ontvankelijk is; het oordeelt dat de eiser wel degelijk weet voor welke feiten hij zich moet verdedigen en de juridische kwalificaties voldoende duidelijk, ondubbelzinnig en gedetailleerd zijn; de vervolgende partij moet de vervolgde partij onverwijld en in bijzonderheden op de hoogte brengen van de aard en de reden van de beschuldiging; dit moet volledig en gedetailleerd gebeuren in de akte van aanhangigmaking of in een bijgevoegde nota, waarin desgevallend uitdrukkelijk moet worden verwezen naar een of meerdere processen-verbaal uit het strafdossier; per factuur moet worden aangegeven welke onjuistheid wordt vermeld; het volstaat niet dat een beklaagde "voldoende" is geïnformeerd over de feiten waarop hij zich dient te verdedigen; de vervolgde persoon moet niet in het strafdossier nakijken voor welke materiële feiten hij zou kunnen worden vervolgd, zeker niet wanneer de telastlegging geen enkele verwijzing naar enig proces-verbaal bevat; door de vaagheid van de telastleggingen kan de eiser niet per factuur de hem verweten valsheden achterhalen; in antwoord op het verweer van de eiser heeft het openbaar ministerie pas in de loop van de procedure voor de eerste rechters en de appelrechters een uitleg gegeven over de als vals bestempelde facturen, die dan nog gedeeltelijk en ontoereikend was; de eiser is dan ook niet enkel niet in de bijzonderheden, maar ook niet onverwijld in kennis gesteld van de reden van de beschuldiging; mede omdat de telastleggingen slaan op maar liefst 62 facturen, kan het arrest het verweer van de eiser niet wettig verwerpen op grond van de vaststellingen die het bevat; evenmin kan het arrest dat verweer verwerpen op grond van het feit dat de eiser uitgebreid verweer ten gronde heeft gevoerd; een beklaagde kan zich in de gegeven omstandigheden immers niet ten volle verdedigen en de eiser heeft daarvoor voorbehoud gemaakt. 4. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 5. Artikel 6.3.a EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging. Deze bepaling bedoelt met "de redenen" de ten laste gelegde strafbare feiten en met "de aard" de juridische kwalificatie van die feiten. 6. De rechter oordeelt op grond van de omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en van de stukken waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen, onaantastbaar welk precies feit het voorwerp van de betichting uitmaakt en of de beklaagde beschikt over voldoende informatie om zich daarop te verdedigen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die geen verband ermee houden of op grond ervan niet kunnen worden verantwoord. 7. Noch artikel 6.1 of 6.3.a EVRM, noch enig algemeen rechtsbeginsel legt enige bijzondere vorm op voor wat betreft de wijze waarop de vervolgde partij op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. 8. Een beklaagde moet niet tot in de details worden ingelicht over de redenen van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Vereist is enkel dat hij met de gegevens waarover hij redelijkerwijze kan beschikken, voldoende informatie heeft om zich naar behoren te kunnen verdedigen tegen die beschuldiging. 9. Niet vereist is dat een akte van aanhangigmaking uitdrukkelijk verwijst naar bepaalde stukken van het strafdossier of dat deze akte een beklaagde die is vervolgd voor valsheden in meerdere akten, uitdrukkelijk inlicht over de precieze onjuistheden die elke akte bevat of over de mate waarin elke akte vals is. 10. Niets belet dat het openbaar ministerie in de loop van het proces voor de vonnisrechter, al dan niet op diens vraag, nadere informatie bijbrengt over de redenen van de beschuldiging en dat de rechter met die informatie rekening houdt om te beoordelen of de beklaagde al dan niet weet waarop hij zich precies moet verdedigen. Het enkele feit dat de kennisgeving van die informatie niet in of tegelijk met de akte van aanhangigmaking ter kennis van de beklaagde wordt gebracht, dat zij een gevolg is van diens verweer of dat zij pas in de procedure in hoger beroep wordt bijgebracht of vervolledigd, impliceert niet dat de beklaagde niet onverwijld in kennis is gesteld van de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging. Daarvoor is enkel vereist dat de beklaagde na de ontvangst van die informatie kan beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging, zoals bepaald in artikel 6.3.b EVRM. 11. Het staat wel degelijk aan een beklaagde om, aan de hand van de vermeldingen in de akte van aanhangigmaking zoals eventueel gespecificeerd in bijkomend overgelegde stukken en van de gegevens van het strafdossier, na te gaan voor welke precieze feiten hij wordt vervolgd. Dat de telastlegging geen verwijzing naar een proces-verbaal bevat of dat de beklaagde wordt vervolgd voor een groot aantal misdrijven, doet daaraan geen afbreuk. 12. Bij het oordeel of een beklaagde tijdig en afdoende op de hoogte is gebracht van een beschuldiging, kan de rechter onder meer rekening houden met de omvang van het verweer dat die beklaagde tegen die beschuldiging heeft gevoerd. 13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 14. Op grond van omstandige en precieze redenen oordeelt het arrest (p. 60-67) onder meer dat: - het enkele gegeven dat het voorwerp van het misdrijf algemeen is bepaald, niet tot gevolg heeft dat de strafvordering daardoor niet ontvankelijk is; - op grond van de omschrijving van de feiten in de verwijzingsbeschikking en de stukken van het strafdossier zoals ook toegelicht in de nota's van het openbaar ministerie, het duidelijk is welke feiten precies aan de eiser ten laste worden gelegd en welke de juridische kwalificaties zijn die eraan worden gegeven; - het voor de strafbaarheid van de eiser niet relevant is of de vermeldingen in de geveinsde facturen volledig of gedeeltelijk onjuist zijn. 15. Op grond van het geheel van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de strafvordering niet onontvankelijk is wegens miskenning van eisers recht van verdediging of recht op een eerlijk proces ingevolge de wijze waarop de telastleggingen A.I., 1, 3, 4, 5 en 6 feitelijk zijn omschreven. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 16. Het middel voert schending aan van de artikelen 196 en 197 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan valsheid in geschriften met betrekking tot 16 facturen, voorwerp van de telastleggingen A.I, 1, 3, 4, 5 en 6; valsheid is een aflopend misdrijf; omstandigheden zoals de latere aanvaarding of weigering van de factuur door de bestemmeling heeft niet tot gevolg dat een dergelijk geschrift, dat op het moment van de eventuele waarheidsvermomming en dus vóór de controle ervan geen maatschappelijke bewijswaarde had, alsnog een strafrechtelijk beschermd geschrift wordt; de voormelde facturen bevatten een beschrijving van de geleverde diensten, zodat de bevoegde persoon binnen de factuurbestemmeling deze kon nazien en vervolgens kon aanvaarden of verwerpen; het arrest (p. 69-71) oordeelt dat de facturen zich opdringen aan het openbaar vertrouwen en het onmogelijk was controle uit te oefenen op de juistheid ervan omdat de eiser verantwoordelijk was voor zowel het opstellen als het goedkeuren van de facturen, er geen gedetailleerde, onderliggende prestaties werden vermeld, de facturen in de boekhouding werden ingeschreven ter verantwoording van transacties en er steeds controlerende overheden betreffende de facturen zijn; uit die redenen kan het arrest niet wettig afleiden dat de facturen door de strafwet beschermde geschriften zijn; wanneer de persoon die bij de factuurbestemmeling bevoegd is om de inkomende facturen te controleren ook de verantwoordelijke is van de uitgaande facturen bij de factuuropsteller en de factuur de gefactureerde prestaties omschrijft, is deze persoon goed geplaatst om de controle te doen en moeten de geleverde prestaties in de factuur niet steeds gedetailleerd worden omschreven, zodat de factuur op het ogenblik van het opstellen en van de beweerde waarheidsvermomming geen maatschappelijke bewijswaarde had; latere verwerking in de boekhouding en mogelijke latere controle door overheidsinstanties kan de factuur achteraf niet doen wijzigen in een door de wet beschermd geschrift. 17. Het misdrijf valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan. Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten. 18. Een geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding ervan door de bestemmeling, dringt zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen. Dit is evenwel anders wanneer controle van de in het geschrift voorkomende vermeldingen door de bestemmeling onmogelijk is of deze controle door toedoen van de uitreiker onmogelijk is gemaakt. 19. Hieruit volgt dat een factuur wel degelijk een beschermd geschrift uitmaakt wanneer de opsteller ervan op het moment waarop hij niet-geleverde prestaties aanrekent, weet dat die factuur in werkelijkheid niet kan worden gecontroleerd omdat hijzelf de controle ervan voor de bestemmeling doet. In dat geval maakt het niet uit hoe gedetailleerd de gefactureerde prestaties zijn vermeld, aangezien op die vermeldingen hoe dan ook geen objectieve controle mogelijk is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 20. Uit de redenen op grond waarvan het arrest (p. 71-146) de eiser schuldig verklaart aan de bewezen gebleven telastleggingen A, B en C.I tot C.III, zoals aangepast, blijkt dat de eiser van meet af aan wist dat controle van de facturen waarin hij bedrieglijk onterechte prestaties van hemzelf of van derden aanrekende, niet mogelijk was omdat hijzelf instond voor de aanvaarding en de betaling van die facturen. Uit die redenen kan het arrest wettig afleiden dat die facturen zich aan het openbaar vertrouwen opdrongen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 21. Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel 22. Het onderdeel voert miskenning aan van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: de telastlegging B.I.2, die aanvankelijk luidde: "door het opzetten en aanwenden op listige wijze (onder meer door het opstellen en aanwenden van de valse stukken, cfr. supra) van een ganse constructie, een systeem waarbij ten onrechte en listig krediet/vermogen werd verkregen gebaseerd op onder meer onbestaande bestellingen/vorderingen (valse bestelorders-denkbeeldig krediet)", wordt door het arrest aangevuld met de vermelding: "en het voorwendsel dat de als tegenwaarde voor de aandelen van N.V. WAEGENER GROUP en WAEGENER INTERNATIONAL AG te ontvangen gelden zullen worden ingebracht en/of zullen worden gebruikt tot het verzekeren van de verdere werking van de NV WAEGENER GROUP"; anders dan de aanvulling voorgesteld in de nota van het openbaar ministerie in hoger beroep, waarop de eiser zich heeft kunnen verdedigen, viseert de door de appelrechters aangebrachte aanvulling niet eveneens het gebruik van de ontvangen gelden om de verdere werking van Waegener R&D nv te verzekeren; het arrest verwerpt eisers verweer in zoverre dat betrekking had op Waegener R&D nv en oordeelt dat dit een andere rechtspersoon betreft; de eiser heeft zich niet kunnen verdedigen op de eigen, beperkte aanvulling van de telastlegging B.I.2 door de appelrechters. 23. Het arrest (p. 58-59,
  1. y)oordeelt dat de eiser standpunt heeft kunnen innemen over de telastlegging B.I.2 zoals aangevuld door de appelrechters, niet enkel op grond van de nota van het openbaar ministerie in hoger beroep, maar ook omdat de eiser daarvan ter rechtszitting is verwittigd. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: in antwoord op het verweer van de eiser dat hij niet onverwijld en in bijzonderheden op de hoogte is gebracht van de aard en de reden van de beschuldiging vervat in de telastlegging B.I.2, meer bepaald voor wat betreft de gebruikte listige kunstgrepen, oordeelt het arrest dat die listige kunstgrepen worden verduidelijkt in de nota van het openbaar ministerie in hoger beroep; de eiser had hetzelfde verweer ook reeds gevoerd in eerste aanleg; wanneer het openbaar ministerie in die omstandigheden pas voor het eerst in hoger beroep in een schriftelijke nota toelicht welke de listige kunstgrepen waren als determinerend element voor de afgifte van de gelden, is de eiser daarvan niet onverwijld in kennis gesteld; in de verwerping van dit verweer van de eiser tegen de telastlegging B.I.2, die ook geen verwijzing naar enig proces-verbaal bevat, verwijzen de appelrechters enkel naar de inhoud van het dossier en beoordelen zij ten onrechte eisers verweer over de ontvankelijkheid van de strafvordering op grond van de omvang van zijn verweer ten gronde. 25. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, is het om de daar vermelde redenen te verwerpen. 26. Het enkele feit dat het openbaar ministerie voor het eerst in hoger beroep de listige kunstgrepen verduidelijkt die ten grondslag liggen aan een telastlegging van oplichting, impliceert niet dat de beklaagde niet onverwijld is ingelicht over de reden van de tegen hem ingebrachte betichting van oplichting, ook al had de beklaagde het gebrek aan duidelijkheid reeds in eerste aanleg aangevoerd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 27. Voor het overige specificeert het arrest (p. 104-121) in de redenen op grond waarvan het de telastlegging B.I.2 bewezen verklaart, de stukken en handelingen waarop het (p. 63,
  2. e)doelt bij de verwerping van eisers hier bedoelde verweer. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Vierde middel 28. Het middel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat een determinerende listige kunstgreep vanwege onder meer de eiser erin bestond dat hij, als een van de verkopers van aandelen in Waegener International ag en Waegener Group nv, tijdens de onderhandelingen die aan de afgifte van de gelden voorafgingen, aan de kopers mondeling heeft voorgehouden dat hij de af te geven gelden nadien onmiddellijk zou herinvesteren in de vennootschap; dit is echter geen listige kunstgreep omdat een dergelijk mondeling voorwenden van een later gebruik van de af te geven gelden uitsluitend een leugenachtige bewering uitmaakt die niet gepaard gaat met uitwendige handelingen die aan deze leugenachtige bewering enige geloofwaardigheid verlenen. 29. Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak die een ander toebehoort, hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen, met het oogmerk zich die zaak toe te eigenen. 30. Listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op de afgifte of de levering van de zaak. Bijgevolg leveren louter leugenachtige beweringen slechts listige kunstgrepen op wanneer zij gepaard gaan met uitwendige handelingen die er enige geloofwaardigheid aan verlenen. Dergelijke handelingen kunnen onder meer bestaan in een geheel van praktijken die niet als dusdanig maar wel in hun geheel genomen een listige kunstgreep uitmaken omdat zij gezamenlijk determinerend zijn voor de navolgende afgifte van gelden. 31. Bovendien moeten listige kunstgrepen in de regel voorafgaan aan de afgifte of de levering omdat zij determinerend moeten zijn voor die afgifte of levering. Dit belet echter niet dat listige kunstgrepen ook kunnen worden opgeleverd door een geheel van geënsceneerde feiten die gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk volgend op de afgifte of de levering van de zaak plaatsvinden. Dit is onder meer het geval wanneer een persoon een leugenachtige belofte doet om een derde te overtuigen hem gelden af te geven, volgend op die afgifte met deze derde een overeenkomst sluit die aan deze belofte bijkomende geloofwaardigheid verleent. Die gedragingen maken immers deel uit van eenzelfde enscenering. 32. Het arrest (p. 108-121) oordeelt dat het hier om meer gaat dan loutere leugenachtige beweringen of voorspellingen, namelijk om het opzetten van een gans systeem met het oog op het overtuigen van de kopers om aan de prijs van 3.000.000,00 euro aandelen te kopen die in werkelijkheid geen waarde hadden. Door het voorleggen van een orderboek met onwaarheden en een valse boekhouding van Waegener R&D nv werden leugenachtige voorspellingen gemaakt over de commerciële verwachtingen van de vennootschap. Daarbij heeft de eiser toegezegd een overeenkomst te zullen sluiten waarin hij zich ertoe verbond om de door hem ontvangen tegenwaarde van de aandelen te investeren in Waegener Group nv. Daartoe heeft hij evenwel nooit de intentie gehad, hoewel hij wist dat dit determinerend was voor de kopers. Na ontvangst van de gelden zijn dan de overeenkomsten van 5 januari 2012 gesloten inzake de verkoop van de aandelen en de herinvestering van de gelden. Behoudens enkele betalingen om geen argwaan van de kopers te wekken, heeft de eiser zich de ontvangen gelden toegeëigend. Aldus oordeelt het arrest dat al de voormelde handelingen, waarvan een gedeelte plaatsvond vóór de afgifte van de gelden en een gedeelte erna, deel uitmaakten van eenzelfde enscenering of constructie waarbij de leugenachtige beweringen wel degelijk werden veruitwendigd aan de hand van onjuiste stukken en dat die gehele enscenering de listige kunstgreep uitmaakt zoals bedoeld in de telastlegging B.I.2. Die beslissing is naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel Eerste onderdeel 33. Het onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: de appelrechters oordelen dat de oplichting voltrokken is op 5 januari 2012 door de afgifte aan de eiser van 1.500.000,00 euro; verder oordelen zij dat latere betalingen door de eiser tot 16 januari 2012 deel uitmaken van het geheel van de handelingen die de eiser heeft gesteld om de oplichting "uit te voeren"; aldus betrekken zij nog feiten na de datum van voltrekking van de oplichting bij het uitvoeren en dus het plegen van de oplichting en miskennen zij het aflopend karakter van dat misdrijf. 34. Het arrest (p. 111, tweede alinea, en p. 121,
  3. b)oordeelt: - "Teneinde argwaan te vermijden van [de verweerster 2] werden een aantal betalingen door [de eiser] uitgevoerd ten behoeve van WAEGENER. Het betreft (...). Het hof (van beroep) is van oordeel dat deze stortingen te beschouwen zijn als handelingen die [de eiser] na de voltrekking van de oplichting heeft gesteld om de bekomen geldsommen te kunnen behouden en geen argwaan te wekken bij zijn slachtoffers."; - "De stortingen (...) zijn te beschouwen als handelingen die [de eiser] na de voltrekking van de oplichting heeft gesteld om de bekomen geldsommen te kunnen behouden en geen argwaan te wekken bij zijn slachtoffers. Ze maken deel uit van het geheel van handelingen die [de eiser] heeft gesteld om de oplichting uit te voeren. Dit zijn geen witwastransacties daar de overdrachten niet gesteld zijn met de bedoeling de illegale herkomst van de gelden te verbergen (...)." Daarmee oordeelt het arrest niet dat die uitgaven van de eiser constitutief zijn voor het plegen van het misdrijf oplichting, maar motiveert het enkel waarom de eiser die uitgaven nog na de voltrekking van dat misdrijf heeft gedaan en waarom die uitgaven desondanks geen voorwerp uitmaken van een navolgend witwasmisdrijf. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 35. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt, enerzijds, dat de oplichting is voltrokken op 5 januari 2012 en, anderzijds, dat de betalingen door de eiser op 8, 9, 10, 11 en 16 januari 2012 deel uitmaken van het geheel van de handelingen die de eiser heeft gesteld om de oplichting uit te voeren; die redenen zijn tegenstrijdig. 36. Het onderdeel is afgeleid uit de onjuiste lezing van het arrest zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 37. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: enerzijds oordeelt het arrest dat de eiser geen enkele intentie had om de geldwaarde van 1.500.000,00 euro die hij had ontvangen voor de aandelen, te herinvesteren in Waegener Group nv; anderdeels oordeelt het dat de eiser na de ontvangst van de koopsom van de aandelen, voor in totaal 749.450,00 euro aan betalingen ten behoeve van Waegener Group nv en Waegener R&D nv heeft gedaan, alsook dat een deel van het geld naar de eiser en zijn familie stroomde, wat overeenstemt met het standpunt in de appelnota van het openbaar ministerie dat van de aan de eiser overgemaakte gelden een bedrag van 775.000,00 euro niet terechtkwam bij Waegener; bijgevolg heeft de eiser bijna de helft van het ontvangen geld besteed aan Waegener en berust het bewezen verklaren van de telastlegging B.I.2 voor het volledige door de eiser ontvangen bedrag van 1.500.000,00 euro op een tegenstrijdige redenering. 38. Het arrest oordeelt dat de kopers van de aandelen de gelden nooit aan de beklaagden zouden hebben afgegeven zonder de toezegging van de beklaagden om de volledige koopsom te herinvesteren in Waegener Group nv. Het oordeelt verder ook zoals aangehaald in het antwoord op het eerste onderdeel en (p. 118-120): - "[De eiser] maakt niet aannemelijk dat de transferten waarvan hij melding maakt op p 88 van zijn syntheseberoepsconclusies, overdrachten waren die een kapitalisatie van WAEGENER GROUP NV tot gevolg hadden of die in het belang waren van WAEGENER GROUP NV. Hij maakt zelfs niet aannemelijk dat zij met WAEGENER GROUP NV verband hielden. Evenmin is het aannemelijk dat hij schulden van WAEGENER R&D NV betaalde (de overeenkomst voorzag overigens ook niet in een lening van 1.500.000 EURO aan WAEGENER R&D NV). Het geld ging rechtstreeks van de rekening van [de eiser] weg naar andere entiteiten."; - "De verwijzingen van [de eiser] naar de verklaringen van [J.H.] en [R.R.] dienaangaande, maken niet aannemelijk dat de transacties van na 05.01.2012 betrekking hadden op WAEGENER GROUP NV. (...)". In zoverre het onderdeel geen acht slaat op die redenen, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 39. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest is afgeleid uit die onvolledige lezing. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Zesde middel 40. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat uit de bewoordingen van de beroepsakte niet blijkt dat de verweersters zich hebben beperkt tot listige kunstgrepen door gebruik van het orderboek; in hun grievenformulier vermelden de verweersters: "de eerste rechter verwijst ten onrechte naar het eigen uitgebreid boekenonderzoek van maanden door Flextronics" en "de eerste rechter stelt ten onrechte dat het orderboek niet determinerend zou zijn geweest voor de beslissing om de aandelenovereenkomst te sluiten"; zodoende halen de verweersters als determinerende listige kunstgreep voor de afgifte van de in de telastlegging B.I.2 bedoelde gelden uitsluitend het specifieke element van het orderboek aan; door anders te oordelen, miskent het arrest de bewijskracht van het vermelde grievenformulier. 41. Het arrest (p. 113,
  4. f)oordeelt: "Voor zover dit al relevant zou zijn voor de beoordeling van de schuldvraag, stelt het hof (van beroep) vast dat [de verweersters] zich in hoger beroep niet enkel beroepen op het voorgelegde orderboek als listige kunstgreep maar ook op de constructie die beklaagden gehanteerd hebben, waaronder het voorhouden tijdens de onderhandelingen dat zij zich zouden verbinden om de tegenwaarde van de aandelen onverwijld te herinvesteren in WAEGENER GROUP NV terwijl zij daartoe geen enkele intentie hadden. Uit de bewoordingen van de beroepsakte blijkt niet dat [de verweersters] zich beperkt hebben tot listige kunstgrepen door gebruik van het orderboek. Dat [de verweersters] zich in hun vordering in eerste aanleg beperkt hebben tot motieven op basis van de omschrijving van het ten laste gelegde feit zoals het toen voorlag, betekent niet dat er geen andere listige kunstgrepen ten aanzien van hen werden gehanteerd. Uit het feitelijk relaas van [de verweersters] is het belang van de verbintenissen tot herinvestering in WAEGENER GROUP NV altijd gebleken." 42. Met die redenen geeft het arrest van het grievenformulier van de verweersters een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het middel mist feitelijke grondslag. Zevende middel 43. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eiser niet kan worden bijgetreden waar hij een lager bedrag van 775.000,00 euro vooropstelt als de geldsom verkregen uit de telastlegging B.I.2; de eiser heeft echter in zijn syntheseappelconclusie juist benadrukt dat dit lager bedrag afkomstig is van de nieuwe nota van het openbaar ministerie in hoger beroep; aldus geeft het arrest van eisers conclusie een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan; minstens antwoordt het arrest niet op het in eisers conclusie onderbouwde verweer dat dit lagere bedrag van 775.000,00 euro van de beweerde oplichting precies het nieuwe standpunt van het openbaar ministerie in hoger beroep is zoals uitdrukkelijk volgt uit diens nota. 44. In zijn syntheseappelconclusie (p. 85-93) heeft de eiser aangevoerd dat er volgens het openbaar ministerie in hoger beroep een bedrag van 775.000,00 euro van het ontvangen bedrag van 1.500.000,00 euro zou zijn doorgestroomd naar Waegener. Hij heeft daaruit afgeleid dat de oplichting maximaal kon slaan op 775.000,00 euro en heeft vervolgens dat standpunt betwist. 45. Het arrest (p. 117,
  5. o)oordeelt: "Er werd afgifte bekomen van 3.000.000,00 EUR, nl. in vier schijven van 750.000,00 EUR, door het gebruik van de vermelde listige kunstgrepen. Waar [de eiser] een lager bedrag vooropstelt als uit het misdrijf bekomen geldsom (775.000,00 EUR in syntheseberoepsbesluiten p. 85 en 93) op basis van de sommen die hij beweerdelijk nadien wel zou gebruikt hebben voor WAEGENER, kan dat niet worden bijgetreden". Met navolgende redenen (p. 117, p, tot 121, t), alsook met de redenen vermeld in het antwoord op het vijfde middel vermeldt het arrest waarom de telastlegging B.I.2 niet kan worden beperkt tot een lager bedrag dan de volledig door de eiser ontvangen som van 1.500.000,00 euro. Verder vermeldt het arrest (p. 112-113,
  6. o)waarom het openbaar ministerie in hoger beroep geen nieuwe feiten aanhangig heeft gemaakt. Ten slotte heeft de eiser in zijn syntheseappelconclusie (p. 154) zelf aangevoerd dat de schade van de verweerster ten hoogste kan slaan op de helft van het bedrag van 775.000,00 euro, dit is een bedrag van 375.500,00 euro. Aldus geeft het arrest van eisers syntheseappelconclusie een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en beantwoordt het zijn verweer over het voorwerp van de oplichting. Het middel mist feitelijke grondslag. Achtste middel 46. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser dat de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 2 moet worden beperkt tot hoogstens 750.000,00 euro als zijnde de koopsom die deze partij bij de aandelentransactie aan de eiser heeft betaald; aldus is de veroordeling van de eiser tot betaling van het bedrag van 1.500.000,00 euro aan de verweerster 2 niet naar van recht gemotiveerd. 47. Het arrest (p. 182) oordeelt onder meer: "[De verweerster 2] vordert de solidaire en in solidum veroordeling van [de eiser] en [V.L.] tot betaling aan haar van een schadevergoeding van 1.500.000,00 EUR provisioneel (...). [De verweerster 2] bewijst dat zij schade heeft geleden als gevolg van het lastens [de eiser] en [beklaagde V.L.] bewezen verklaarde feit van de tenlastelegging B.I.2. Als gevolg van de door beklaagden gepleegde oplichting gaf zij op 05.01.2012 in totaal 1.500.000,00 EUR af aan beklaagden. Zonder de oplichting had zij deze gelden niet afgegeven. Het oorzakelijk verband tussen de schade en het bewezen verklaarde misdrijf sub B.I.2 is bewezen." Vervolgens verwerpt het arrest (p. 193) het door de verweerster 2 gevraagde provisionele karakter van de schadevergoeding en veroordeelt het (p. 199) de eiser en de medebeklaagde solidair tot betaling aan de verweerster 2 van 1.500.000,00 euro in hoofdsom. 48. Het arrest dat aldus oordeelt dat de verweerster 2 aan de eiser en V.L. gezamenlijk het bedrag van 1.500.000,00 euro heeft afgegeven en die beklaagden hoofdelijk veroordeelt tot het betalen van een schadevergoeding aan de verweerster gelijk aan dat bedrag, verwerpt en beantwoordt het verweer van de eiser. Het middel mist feitelijke grondslag. Negende middel Eerste onderdeel 49. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het feit dat de eiser een geldsom, te dezen 1.000.000,00 euro, afneemt van een bankrekening op zijn naam met een bankcheque getrokken op zijn naam en deze bankcheque vervolgens deponeert op een rekening eveneens op zijn naam bij een andere bank, het tweede of derde witwasmisdrijf oplevert; die gedraging houdt echter noch qua handeling noch qua opzet enige verheling in zich, wat nochtans de kern van die misdrijven uitmaakt; het betreft namelijk tweemaal een bankrekening op naam van dezelfde titularis met een opname niet in contanten maar in een bankcheque op diens naam, zodat deze banktransacties in alle transparantie verlopen en geheel traceerbaar en reconstrueerbaar zijn naar rekeningtitularis, trekker en begunstigde van de uitgeschreven cheque die steeds dezelfde persoon is, zonder enige verheling of verdoezeling. 50. Artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bestraft zij die de zaken, bedoeld in artikel 42, 3°, omzetten of overdragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden. Artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek bestraft zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, bedoelde zaken verhelen of verhullen, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen. 51. De voormelde handelwijze van de eiser heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat hij geen door de vermelde bepalingen strafbaar gestelde gedraging kan hebben gesteld met het daar telkens vereiste opzet. Het staat daarentegen aan de feitenrechter om op grond van de concrete gedragingen van de beklaagde te oordelen of de constitutieve bestanddelen van die misdrijven wat hem betreft zijn vervuld. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die geen verband ermee houden of op grond ervan niet kunnen worden verantwoord. 52. Het arrest (p. 122,
  7. c)oordeelt onder meer: - "De hiernavolgende transacties, zoals vervolgd sub D.III, betreffen overdrachten of omzettingen van illegale vermogensvoordelen die [de eiser] bekomen heeft uit het bewezen verklaarde misdrijf sub B.1.2 en die hij heeft uitgevoerd met de bedoeling de illegale herkomst van de gelden te verbergen, te verdoezelen of zich te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden. Via al deze transacties werd de illegale oorsprong van de geldsommen die uit het misdrijf B.1.2 waren bekomen, ook verheeld of verhuld."; - "Door deze overdracht van illegale vermogensvoordelen via het optrekken van een cheque, waarbij vervolgens drie dagen gewacht werd om het geld erna te storten op een andere persoonlijke rekening van [de eiser], handelde [de eiser] met het opzet de illegale herkomst van de geldsom te verdoezelen of de dader te helpen ontkomen aan de gevolgen van zijn daden. Dat betreft natuurlijk ook een handeling waardoor wetens en willens de illegale oorsprong, de vindplaats en de eigendom van deze geldsom aan illegaal vermogensvoordeel wordt verhuld en waarbij vaststaat dat [de eiser] de illegale herkomst van deze geldsom kende voor hij de overdracht uitvoerde. De handelswijze van [de eiser], toont zijn bedrieglijk opzet in deze aan, ook voor de daarop volgende transacties. Indien hij dit allemaal open en bloot had willen doen, zoals hij voorhoudt in syntheseberoepsbesluiten, dan had hij het geld ten belope van 1.000.000,00 EUR gewoon overgeschreven van zijn ene rekening naar de andere. Door het procedé (een cheque uitschrijven, 3 dagen wachten en dan storten op een andere rekening) dat hij gehanteerd heeft, heeft hij er net alles aan gedaan om elk verband tussen de transacties te verbergen, zodat verborgen werd dat de 1.000.000,00 EUR die op 09.01.2012 gecrediteerd werd op de bankrekening 320-0682380-55 op naam van [de eiser], afkomstig was van de oplichting van [de verweersters 1 en 2]. Het bedrieglijk opzet van [de eiser] is dienaangaande bewezen." Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser het misdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, heeft gepleegd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 53. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek: het arrest kwalificeert het in debet trekken van een bedrag van 1.000.000,00 euro op een bankrekening naar een bankcheque en het vervolgens storten in credit van de gelden van deze bankcheque op een andere bankrekening uitdrukkelijk als een omzetting in de zin van artikel 505, eerste lid, Strafwetboek; een dergelijke omzetting bestaat in het converteren van strafrechtelijke vermogensvoordelen in andere valuta of waarden; de opname van gelden op een bankrekening, niet in contanten maar via een bankcheque, en het navolgend deponeren van de gelden van de bankcheque op een andere bankrekening is dan geen hier bedoelde omzetting, daar de gelden op de twee kwestieuze bankrekeningen en op de bankcheque giraal geld blijven en niet geconverteerd worden in chartaal geld. 54. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel beperkt het arrest de strafbare handelingen van de telastlegging D.III die het bewezen verklaart niet louter tot de omzetting van illegale vermogensvoordelen, maar begrijpt het daaronder ook de overdracht ervan, dit is hier het overplaatsen van gelden van de ene naar de andere bankrekening. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Derde onderdeel 55. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser enerzijds schuldig aan de witwasmisdrijven van de telastlegging D.III; die telastlegging bevat een ruime incriminatieperiode tussen 4 januari 2012 en 16 april 2013, die het arrest niet aanpast; anderzijds oordeelt het arrest dat de eiser enkel op 6 en 9 januari 2012 een witwashandeling verrichtte; die redenen zijn tegenstrijdig. 56. Een motivering is enkel tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen. Dit is niet het geval met de door het onderdeel bekritiseerde redenen. De data van de witwasverrichtingen die het arrest bepaalt, vallen immers binnen de vooropgestelde incriminatieperiode. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tiende middel Eerste onderdeel 57. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastlegging C.I ten nadele van Waegener R&D nv en Waegener Group nv; het oordeelt dat, zelfs indien deze handelingen zouden zijn goedgekeurd door de raad van bestuur, dat niet belet dat er sprake is van misbruik van vertrouwen en dat een goedkeuring door de raad van bestuur, waarin de eiser een zeer belangrijke stem had, niet exonereert van een strafrechtelijke aansprakelijkheid; de raad van bestuur van de naamloze vennootschap is het orgaan van bestuur én vertegenwoordiging van deze vennootschap, die onder meer als volle bevoegdheid heeft het geheel of gedeeltelijk vervreemden van het vennootschapsvermogen; indien de voltallige raad van bestuur goedkeuring geeft voor het uitvoeren van bepaalde geldtransacties zal ingevolge deze goedkeuring van het bestuursorgaan, de vennootschap zelf en dus de eigenaar van de gelden de betreffende geldtransacties uitvoeren, zodat bij gebrek aan precair bezit het misdrijf van misbruik van vertrouwen in de zin van artikel 491 Strafwetboek uitgesloten is. 58. De bekritiseerde redenen van het arrest (p. 130,
  8. l)hebben geen betrekking op Waegener R&D nv, maar enkel op Waegener Group nv. Evenmin blijkt uit die redenen dat de eventuele goedkeuring van de geldoverdrachten zou zijn gebeurd door een voltallige raad van bestuur. In zoverre het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag. 59. Gelet op het beginsel van de autonomie van het strafrecht, staat het aan de strafrechter te oordelen wie binnen een vennootschapsverband werkelijk de in artikel 491 Strafwetboek bedoelde zaken heeft bedrieglijk heeft verduisterd of verspild. De rechter is daarbij niet noodzakelijk gebonden aan de bevoegdheden die de vennootschapswetgeving formeel toewijst aan een vennootschapsorgaan zoals de raad van bestuur of aan beweerde vermogensrechtelijke gevolgen die daaruit voortvloeien. Bijgevolg kan de rechter op grond van de feiten die hij onaantastbaar vaststelt, oordelen dat een welbepaalde natuurlijke persoon het misdrijf van misbruik van vertrouwen ten nadele van de vennootschap heeft gepleegd, ongeacht of de geldtransactie die het voorwerp van dat misdrijf uitmaakt, is gedekt door een beslissing van diens raad van bestuur. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel 60. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat, indien de transacties vermeld in de telastlegging C.I in debet werden geboekt op rekeningen-courant bij Waegener R&D nv of Waegener Group nv, dit niet tot gevolg heeft dat het geen verduisteringen of verspillingen kunnen zijn in de zin van artikel 491 Strafwetboek, daar de eiser geen enkele intentie had om de debetzijde van zijn rekening-courant daadwerkelijk aan te zuiveren en hij aldus bedrieglijk handelde, waardoor het geld verdween bij uitgave uit het vermogen van de vennootschap; het correct boeken van geldtransacties verricht door een bestuurder van een vennootschap op de debetzijde van zijn rekening-courant in de vennootschap houdt geen definitieve verduistering of verspilling in van een vennootschapsactief en dus van enig vermogen van deze vennootschap; door die boeking vertoont deze rekening-courant immers een debetstand waardoor de vennootschap voor het geboekte bedrag een vordering verkrijgt op haar bestuurder en de bestuurder een schuld heeft ten aanzien van de vennootschap; op deze wijze wordt niets uit het vermogen van de vennootschap verduisterd of verspild; met de reden dat de eiser geen enkele intentie had om de debetzijde van zijn rekening-courant daadwerkelijk aan te zuiveren, verwart het arrest het moreel bestanddeel van bedrieglijk opzet met het materieel bestanddeel van verduistering of verspilling van het misdrijf van misbruik van vertrouwen; door de boeking in debet in rekening-courant heeft de vennootschap immers als actiefbestanddeel een vordering op haar bestuurder, ongeacht diens intentie. 61. Misbruik van vertrouwen vereist als materieel constitutief bestanddeel een verduistering of een verspilling. Een verduistering zoals hier bedoeld is een wederrechtelijke toe-eigening van hetgeen ter bede is toevertrouwd. Die verduistering kan bestaan in het feit dat de bestuurder van een vennootschap zich persoonlijk gelden van die vennootschap toe-eigent. Het feit dat die bestuurder deze toe-eigening boekhoudkundig registreert als een schuld die hij is aangegaan ten opzichte van de vennootschap, doet geen afbreuk aan het bedoelde constitutief bestanddeel van het misdrijf, wanneer de bestuurder reeds op het moment van de toe-eigening weet dat hij niet bij machte zal zijn die schuldvordering aan te zuiveren. In dat geval vervangt hij immers enkel een reëel actiefbestanddeel van de vennootschap, dit is het verduisterde geld, door een fictief actiefbestanddeel, namelijk een oninbare schuldvordering van de vennootschap op zichzelf. Een dergelijke handelwijze poogt enkel de werkelijke aard van de materiële verduistering te verhullen en houdt geen verband met het bedrieglijk opzet van de bestuurder. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde onderdeel 62. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 491 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan het in de telastlegging C.I bepaalde misbruik van vertrouwen ten nadele van Waegener Group nv voor wat betreft de stortingen aan Urban Capital nv voor de debetverrichtingen ten belope van 372.450,00 euro; in de tweede tabel van de telastlegging C.I komen echter ook twee creditverrichtingen voor op de rekening van Waegener Group nv vanuit Urban Capital nv, zodat er slechts een definitief bedrag van 323.450,00 euro is terechtgekomen bij Urban Capital nv; dat wordt duidelijk aangegeven in deze tabel op het einde van alle vermelde geldtransacties naar Urban Capital nv en in de nota van het openbaar ministerie in hoger beroep; aldus verklaart het arrest de eiser schuldig aan misbruik van vertrouwen voor een hoger geldbedrag dan bepaald in de telastlegging en de appelnota van het openbaar ministerie, zonder hierbij te overwegen dat het misdrijf werd gepleegd voor een hoger bedrag dan hetgeen het openbaar ministerie zelf ten laste legt. 63. Uit de formulering van de telastlegging C.I en de erbij vermelde tabellen volgt niet dat de vervolging van de eiser voor aan Urban Capital nv overgemaakte gelden beperkt is tot een debetsaldo van 323.450,00 euro. Bijgevolg kan uit het gegeven dat het arrest de bewezenverklaring van die telastlegging niet beperkt tot dat bedrag, niet worden afgeleid dat het de eiser veroordeelt voor een niet vervolgd feit. Dit volgt evenmin uit de door het openbaar ministerie aan de appelrechters overgelegde nota die deze telastlegging verduidelijkt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 64. Het arrest (p. 127, e en p. 128-132) oordeelt: "De schuld van [de eiser] ten aanzien van de benadeelde WAEGENER GROUP NV aan de feiten van de tenlastelegging C.I is bewezen voor wat betreft de stortingen (...) aan URBAN CAPITAL NV tussen 22.09.2010 en 09.02.2012, doch enkel voor de debet-verrichtingen ten belope van 372.450 EUR." en motiveert vervolgens dat oordeel. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Elfde middel 65. Het middel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat, indien de transacties vermeld in de telastlegging C.II in debet werden geboekt op rekeningen-courant bij Waegener Group nv, dit niet tot gevolg heeft dat het geen verduisteringen of verspillingen kunnen zijn in de zin van artikel 491 Strafwetboek, daar de eiser geen enkele intentie had om de debetzijde van zijn rekening-courant daadwerkelijk aan te zuiveren en hij aldus bedrieglijk handelde, waardoor het geld verdween bij uitgave uit het vermogen van de vennootschap; met deze redenen verwarren de appelrechters het moreel bestanddeel van bedrieglijk opzet met het materieel bestanddeel van verduistering of verspilling van het misdrijf van misbruik van vertrouwen en beslissen zij onwettig tot het bestaan van verduistering of verspilling als constitutief bestanddeel van misbruik van vertrouwen ten nadele van Waegener Group nv; door de boeking in debet in de rekening-courant van de eiser heeft Waegener Group nv immers als actiefbestanddeel een vordering op de eiser als haar bestuurder voor de bedragen van de betreffende geldtransacties, ongeacht of deze bestuurder nu al dan niet de intentie heeft tot het aanzuiveren van de debetzijde van zijn rekening-courant. 66. Het middel dat dezelfde strekking heeft als het tiende middel, tweede onderdeel, faalt om dezelfde reden naar recht. Twaalfde middel Eerste onderdeel 67. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake de bewijslast in strafzaken: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging C.III, onder meer wegens een reeks overschrijvingen die de eiser heeft gedaan op zijn persoonlijke bankrekening ten nadele van Waegener R&D nv; in een omstandig verweer heeft de eiser voor de appelrechters aangevoerd dat hij herhaaldelijk via zijn persoonlijke bankrekening en dus met eigen middelen schuldeisers van Waegener R&D nv en lonen van werknemers van Waegener R&D nv heeft betaald, zodat hij zelf schuldeiser werd ten aanzien van die vennootschap en de betalingen aan hem zoals vermeld in de telastlegging C.III perfect verklaarbaar en verantwoord waren vanuit zijn vorderingen op Waegener R&D nv; mede ter ondersteuning van dit verweer heeft hij verwezen naar conformerende verklaringen die meerdere financiële werknemers van Waegener R&D nv tijdens het strafonderzoek hebben afgelegd; tegenover dat verweer kan het arrest uit de vaststellingen die het bevat, niet wettig afleiden dat de eiser zijn desbetreffende verweer tegen de telastlegging C.III voor wat betreft de betalingen op zijn persoonlijke rekening niet aannemelijk maakt. 68. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 69. Het arrest (p. 143-145) oordeelt onder meer dat: - de eiser geld moest aan Waegener R&D nv, niet omgekeerd; - de eiser nooit met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij betalingen heeft gedaan voor Waegener R&D nv; - de verklaringen van de financiële personeelsleden geen verklaring geven voor de transacties, noch geloofwaardig maken dat deze geldtransfers bedrijfsgebonden zouden zijn of een verantwoording zouden hebben; - uit deze verklaringen, die in het arrest worden aangehaald, globaal blijkt dat de eiser nooit een verantwoording kon geven voor de transacties en er dan maar op rekening-courant werd geboekt; - er bancaire onderzoeken werden gedaan naar de transacties op de rekeningen van Waegener R&D nv en daaruit niet blijkt dat de eiser regelmatig geld zou hebben overgemaakt aan Waegener R&D nv voor het betalen van kosten van die vennootschap, zoals hij beweert; - de eiser op geen enkel ogenblik geloofwaardig heeft gemaakt dat de debetverrichtingen terugbetalingen waren van voorschotten, leningen of betalingen die hij had gedaan voor Waegener R&D nv; - de bewering dat geen onderzoek zou zijn gedaan naar de onderliggende grondslag van de betalingen strijdig is met de inhoud van het strafdossier. Er werden talrijke getuigen ondervraagd, de boekhouding werd nagekeken, de rekeningen werden gecontroleerd en de eiser werd bij herhaling in de mogelijkheid gesteld zijn uitleg te geven over de volgens de onderzoekers verdachte transacties. Uit die vaststellingen kan het arrest wel degelijk de schuld van de eiser aan de telastlegging C.III voor wat betreft de aan hemzelf overgemaakte bedragen afleiden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 70. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat, indien de transacties vermeld in de telastlegging C.III in debet werden geboekt op rekeningen-courant bij Waegener R&D nv, dit niet tot gevolg heeft dat het geen verduisteringen of verspillingen kunnen zijn in de zin van artikel 491 Strafwetboek, daar de eiser geen enkele intentie had om de debetzijde van zijn rekening-courant daadwerkelijk aan te zuiveren en hij aldus bedrieglijk handelde, waardoor het geld verdween bij uitgave uit het vermogen van de vennootschap; het correct boeken van geldtransacties verricht door een bestuurder van een vennootschap op de debetzijde van zijn rekening-courant in de vennootschap houdt geen definitieve verduistering of verspilling in van een vennootschapsactief en dus van enig vermogen van deze vennootschap; door die boeking vertoont deze rekening-courant immers een debetstand waardoor de vennootschap voor het geboekte bedrag een vordering verkrijgt op haar bestuurder en de bestuurder een schuld heeft ten aanzien van de vennootschap; op deze wijze wordt niets uit het vermogen van de vennootschap verduisterd of verspild; met de reden dat de eiser geen enkele intentie had om de debetzijde van zijn rekening-courant daadwerkelijk aan te zuiveren, verwart het arrest het moreel bestanddeel van bedrieglijk opzet met het materieel bestanddeel van verduistering of verspilling van het misdrijf van misbruik van vertrouwen; door de boeking in debet op rekening-courant heeft de vennootschap immers als actiefbestanddeel een vordering op haar bestuurder, ongeacht diens intentie. 71. Het onderdeel dat dezelfde strekking heeft als het tiende middel, tweede onderdeel, faalt om dezelfde reden naar recht. Derde onderdeel 72. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest verwerpt eisers verweer zoals vermeld in het eerste onderdeel op grond van de reden dat er bancaire onderzoeken werden gedaan naar de transacties op de rekeningen van Waegener R&D nv en daaruit niet bleek dat de eiser "regelmatig geld zou overgemaakt hebben aan Waegener R&D NV, zoals hij beweert" en dat de stukken van het strafdossier de gezegdes van de eiser dienaangaande niet ondersteunen, alsmede dat uit de overzichten uit het strafdossier niet blijkt dat de eiser veel stortingen aan Waegener R&D nv heeft gedaan die dergelijke terugbetalingen zouden verklaren; met deze redenen geeft het arrest aan de synthese-beroepsconclusie van de eiser een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan; de eiser heeft in zijn verweer tegen de telastlegging C.III inzake de gelden naar zijn persoonlijke bankrekening namelijk niet ingeroepen dat hij regelmatig gelden zou hebben overgemaakt of gestort aan Waegener R&D nv om dan hiermee kosten van Waegener R&D nv te betalen, maar integendeel dat hij schulden van Waegener R&D nv en lonen van werknemers van Waegener R&D nv rechtstreeks heeft betaald vanuit zijn persoonlijke bankrekening, wat in het strafdossier onder meer wordt bevestigd in de verklaringen van financieel directeur M.D. en de interne boekhouders van Waegener R&D nv. 73. Het arrest verwerpt eisers bedoelde verweer niet enkel op grond van de hier bekritiseerde redenen, maar ook op grond van de volgende reden: "De verklaringen van de financiële personeelsleden geven geen verklaring voor deze transacties, noch maken zij geloofwaardig dat deze geldtransferts bedrijfsgebonden zouden zijn of een verantwoording zouden hebben. Globaal blijkt uit die verklaringen dat [de eiser] nooit een verantwoording kon geven voor de transacties en dat er dan maar op R/C werd geboekt. [D.M.], financieel verantwoordelijke bij WAEGENER R&D NV in 2010, stuurde een email (p. 396) waarin hij de afwezigheid van onderbouwing van de facturen van URBAN CAPITAL NV aan WAEGENER R&D NV aankaartte. Hij dreigde met de afbouw van de rekening-courant. In zijn verhoor wees hij er op dat er geen verantwoording was voor de betalingen van WAEGENER R&D NV aan [de eiser] en diens firma URBAN CAPITAL NV (p. 499). Ook de verwijzing naar de verklaring van [A.V.] brengt geen soelaas. Zij verklaarde dat [de eiser] allerlei privé-uitgaven deed met het geld van de vennootschap. Uit haar tweede verhoor (p. 854) blijkt dat [de eiser] de controle over de betalingen hield omdat hij wou beslissen welke leveranciers betaald werden en welke niet. [W.M.] verklaarde dat de rekening-courant zwaar in het voordeel van WAEGENER R& D NV was." 74. Het onderdeel dat geen acht slaat op die redenen, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Dertiende middel Eerste onderdeel 75. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat, indien de transacties vermeld in de telastlegging C.IV in debet werden geboekt op rekeningen-courant bij Waegener R&D nv of Waegener Group nv, dit niet tot gevolg heeft dat het geen verduisteringen of verspillingen kunnen zijn in de zin van artikel 491 Strafwetboek, daar de eiser geen enkele intentie had om de debetzijde van zijn rekening-courant daadwerkelijk aan te zuiveren en hij aldus bedrieglijk handelde, waardoor het geld verdween bij uitgave uit het vermogen van de vennootschap; het correct boeken van geldtransacties verricht door een bestuurder van een vennootschap op de debetzijde van zijn rekening-courant in de vennootschap houdt geen definitieve verduistering of verspilling in van een vennootschapsactief en dus van enig vermogen van deze vennootschap; door die boeking vertoont deze rekening-courant immers een debetstand waardoor de vennootschap voor het geboekte bedrag een vordering verkrijgt op haar bestuurder en de bestuurder een schuld heeft ten aanzien van de vennootschap; op deze wijze wordt niets uit het vermogen van de vennootschap verduisterd of verspild; met de reden dat de eiser geen enkele intentie had om de debetzijde van zijn rekening-courant daadwerkelijk aan te zuiveren, verwart het arrest het moreel bestanddeel van bedrieglijk opzet met het materieel bestanddeel van verduistering of verspilling van het misdrijf van misbruik van vertrouwen; door de boeking in debet op rekening-courant heeft de vennootschap immers als actiefbestanddeel een vordering op haar bestuurder, ongeacht diens intentie. 76. Het onderdeel dat dezelfde strekking heeft als het tiende middel, tweede onderdeel, faalt om dezelfde reden naar recht. Tweede onderdeel 77. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66 en 491 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser mede schuldig aan het gebruik van een kredietkaart van Waegener R&D nv door zijn partner I.C. voor een bedrag van 13.475,47 euro omdat hij noodzakelijke hulp heeft geboden bij het plegen van het misdrijf door aan I.C. een kredietkaart te geven en toe te laten dat zij deze gebruikte voor privé-uitgaven; aldus wordt de eiser schuldig verklaard als deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan het hoofdmisdrijf van misbruik van vertrouwen gepleegd door zijn partner; daar de partner van de eiser geen bestuurder is van Waegener R&D nv, minstens dat dit niet wordt vastgesteld in het arrest en evenmin wordt vastgesteld dat zij op een andere wijze een precair bezit heeft verkregen over de gelden van deze nv, kan deze partner geen dader van misbruik van vertrouwen zijn ten nadele van Waegener R&D nv en kan de eiser bij gebrek aan een door een derde gepleegd hoofdmisdrijf van misbruik van vertrouwen ook geen strafbare deelnemer aan dit misdrijf zijn. 78. Het plegen van misbruik van vertrouwen ten nadele van een vennootschap vereist niet dat de dader een bestuurder van die vennootschap is. 79. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet uitdrukkelijk motiveren op grond van welke rechtsverhouding de dader van dat misdrijf het precaire bezit heeft van de zaak die hij verduistert of verspilt. 80. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 81. Het arrest (p. 147,
  9. c)oordeelt: "[De eiser] had, als bestuurder en volmachthebber, een kredietkaart op deze rekening van WAEGENER R&D NV aan zijn partner [I.C.] gegeven. Aldus heeft hij haar noodzakelijke hulp geboden om ten aanzien van WAEGENER R&D NV het precair bezit van deze voormelde geldsommen, die op deze rekening stonden en die ze had door het bezit van de kredietkaarten, te misbruiken.", alsook (p. 148, d): "De privé-uitgaven met de kaart van [I.C.] situeren zich in een periode waarin WAEGENER R&D NV een schuldvordering had op [I.C.] en niet omgekeerd. Haar rekening-courant was negatief." Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 82. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest veroordeelt de eiser voor de telastlegging C.IV zonder volledig te antwoorden op zijn verweer dat de tabel van uitgaven met gebruik van de kredietkaarten onder meer een hele reeks van geldopnamen in België en in het buitenland bevat in een tijdsperiode van 3 jaar en 2 maanden en dat zulke geldopnamen ook kunnen verricht en verantwoord zijn door betalingen voor de werking van Waegener R&D nv, alsook dat het strafonderzoek geen sluitend bewijs bevat dat de geldopnamen met onder meer de kredietkaart op naam van de eiser privé-uitgaven zijn; meer bepaald beantwoordt het arrest (p. 149,
  10. g)het verweer van de eiser uitsluitend met betrekking tot de betalingen in het buitenland, maar niet met betrekking tot de geldopnamen in België in functie van de werking van de Belgische vennootschap. 83. Het arrest (p. 149-150,
  11. h)oordeelt onder meer ook dat gelet op de aard van de aangekochte producten en de etablissementen waar de kredietkaarten werden gebruikt alsook de prestaties die ermee werden betaald, zoals blijkt uit het strafdossier, het niet geloofwaardig is dat de onder de telastlegging C.IV vermelde betalingen waarvoor is geoordeeld dat misbruik van vertrouwen bewezen is, enige bedrijfsgebonden verantwoording zouden kunnen hebben. 84. Het onderdeel dat geen acht slaat op die reden, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Veertiende middel Eerste onderdeel 85. Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging: het arrest herkwalificeert meer geldtransacties van de witwastelastlegging D.I.1 naar misbruik van vertrouwen dan gevraagd door het openbaar ministerie; op die niet gevraagde herkwalificaties heeft de eiser zich niet kunnen verdedigen. 86. Het arrest (p. 58,
  12. y)oordeelt dat de partijen standpunt hebben kunnen innemen over alle door de appelrechters doorgevoerde herkwalificaties, aanpassingen, verbeteringen en specificering aan de telastleggingen op grond van onder meer de behandeling ter rechtszitting van het hof van beroep. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 87. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer tegen het voorstel tot herkwalificatie van de geldtransacties uit tabel 6 van de telastlegging D.I.1 naar misbruik van vertrouwen voor een totaal bedrag van 348.549,38 euro. 88. Met de redenen op grond waarvan het arrest (p. 125-153) de eiser schuldig verklaart aan de bewezen gebleven feiten van de telastleggingen C, in het bijzonder de telastleggingen C.III, en D.I.1, verwerpt en beantwoordt het het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 89. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 705,10 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 1 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 Gerelateerde publicatie(
  13. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230426.2F.14 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250521.2F.13 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250528.2F.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211013.2F.15 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240417.2F.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.