← België

INDUFIN NV c. Trelleborg Wheel Systems Belgium NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6 Rolnummer: P.20.0573.N Zaak: INDUFIN NV c. Trelleborg Wheel Systems Belgium NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-05-12 Raadplegingen: 1548 - laatst gezien 2026-06-19 23:30 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit de artikelen 871 en 877 Gerechtelijk Wetboek, die van toepassing zijn voor de strafgerechten wanneer die uitspraak doen over het bestaan en de omvang van de schade, volgt dat de rechter de mogelijkheid, maar niet de verplichting heeft om de overlegging van een stuk te bevelen; hij beslist onaantastbaar of de overlegging nodig is voor zijn oordeelsvorming. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Bevel tot overlegging van stukken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 871 en 877 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Vonnisgerechten - Burgerlijke vordering - Bevel tot overlegging van stukken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 871 en 877 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Vonnisgerechten - Bevel tot overlegging van stukken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 871 en 877 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 Het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht op wapengelijkheid valt, houdt in dat iedere partij in het proces dezelfde processuele middelen moet kunnen aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van en vrij tegenspraak moet kunnen voeren over de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter die van de zaak kennis neemt, worden voorgelegd

(1).
(1)Cass. 27 april 2010, AR P.10.0119.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.6, AC 2010, nr. 288; Cass. 16 oktober 1996, AR P.96.1278.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961016.6, AC 1996, nr. 385; GwH 1 december 1994, BS, 1995, p. 1100. Zie P. DUINSLAEGER, "Het recht op wapengelijkheid", RW 2015-16, 402-423
(420); C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en P. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 732-736. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op wapengelijkheid - Kennisname van processtukken - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 5 De rechter kan weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de procespartij haar verzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van haar vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen
(1).
(1)Cass. 15 juni 2012, AR C.11.0721.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120615.3, AC 2012, nr. 390; Cass. 31 januari 2012, AR P.11.1227.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120131.4, AC 2012, nr. 76; Cass. 9 mei 2005, AR S.04.0183.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050509.23, AC 2005, nr.
  1. Zie J. LAENENS, "Het bewijs en de onderzoeksmaatregelen", in De rol van de accountant en belastingconsulent, Die Keure, 2003, 37-40; B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia, 2007, 413; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 79-83; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 905; B. DE SMET, Deskundigen in het strafproces. Algemene beginselen, Kluwer, 2015, 47-
  2. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Vonnisgerechten - Verzoek tot aanstelling van een deskundige - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 962 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 6 Het recht op bewijs is het recht van elke procespartij om de bewijselementen over te leggen waarover zij zelf beschikt en om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover zij niet beschikt, zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen, waarover de rechter oordeelt; het recht op bewijs is geen onbeperkt recht en schakelt bijgevolg de beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit
(1).
(1)Cass. 11 september 2020, AR C.19.0448.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.1, AC 2020, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op bewijs - Overleggen van eigen stukken en doen overleggen van stukken van de tegenpartij - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0573.N INDUFIN nv, met zetel te 3001 Heverlee, Interleuvenlaan 15D1, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Lieven Annaert, advocaat bij de balie Brussel, tegen TRELLEBORG WHEEL SYSTEMS BELGIUM nv, met zetel te 9940 Evergem, Brugse Steenweg 7, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Charlotte Ponchaut, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 april
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
  3. Overeenkomstig artikel 429, derde en vierde lid, Wetboek van Strafvordering brengt de verweerder zijn memorie van antwoord per aangetekende brief ter kennis van de eiser en moet het bewijs van deze verzending ter griffie neergelegd worden binnen de acht vrije dagen vóór de rechtszitting.
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster haar memorie van antwoord aangetekend ter kennis van de eiseres heeft gebracht. De memorie van antwoord is niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, artikel 144 Grondwet, de artikelen 871, 876 en 877, zoals toepasselijk, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging, met inbegrip van de wapengelijkheid: het arrest weigert ten onrechte de overlegging van stukken door de verweerster te bevelen; de appelrechters oordelen dat eiseres' bewering dat de aankoopprijs werd verlaagd gelet op de aanwezige verontreiniging "door geen enkel element aannemelijk wordt gemaakt en niet relevant (is)", zonder verder onderzoek naar de aard en inhoud van deze stukken te voeren; de verweerster heeft het bezit noch de relevantie van deze documenten bij het beoordelen van het geschil ontkend; met dit oordeel miskennen de appelrechters dan ook de bewijskracht van zowel eiseres' als verweersters conclusie; de door de eiseres aangewezen stukken, die de verweerster niet overlegt en waarover de eiseres aldus geen tegenspraak kan voeren, zijn nochtans relevant om het bestaan en de omvang van de gevorderde schade te beoordelen.
  6. Het onderdeel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 6.3 EVRM, artikel 144 Grondwet en artikel 876 Gerechtelijk Wetboek schendt. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  7. Krachtens artikel 871 Gerechtelijk Wetboek kan de rechter aan iedere gedingvoerende partij bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit over te leggen. Artikel 877 Gerechtelijk Wetboek, zoals toepasselijk, bepaalt dat wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd. Deze bepalingen zijn voor de strafgerechten van toepassing wanneer die uitspraak doen over het bestaan en de omvang van de schade.
  8. Uit deze bepalingen volgt dat de rechter de mogelijkheid, maar niet de verplichting heeft om de overlegging van een stuk te bevelen. Hij beslist onaantastbaar of de overlegging nodig is voor zijn oordeelsvorming. In zoverre het onderdeel opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling, is het niet ontvankelijk.
  9. Het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht op wapengelijkheid valt en dat onder meer door artikel 6.1 EVRM wordt gewaarborgd, houdt in dat iedere partij in het proces dezelfde processuele middelen moet kunnen aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van en vrij tegenspraak voeren over de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter die van de zaak kennisneemt, worden voorgelegd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. De appelrechters oordelen dat: - de eiseres in het arrest van 24 maart 2017 reeds werd veroordeeld tot het betalen van een voorschot van 200.000,00 euro en het voorwerp van het thans nog hangende geschil enkel het gevolg is van het gegeven dat de door de verweerster voorgebrachte gegevens het hof van beroep niet in staat stelden om de schadevergoeding precies te bepalen; - over de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, de fout van de eiseres en de verdeling van de aansprakelijkheid tussen beide partijen voor de schade veroorzaakt door de verontreiniging reeds definitief werd beslist in dit tussenarrest; - de eiseres zich ten onrechte blijft beroepen op een exoneratiebeding in de verkoopovereenkomst, daar de schadevordering gebaseerd is op artikel 1382 Burgerlijk Wetboek en haar oorzaak vindt in een door de eiseres opzettelijk gepleegd strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf; - de beweerdelijk verlaagde verkoopprijs een louter speculatieve bewering van de eiseres betreft die door geen enkel element aannemelijk wordt gemaakt en niet relevant is; - het gegeven dat de verweerster op de hoogte was van de activiteiten van de eiseres alsook van de eventuele verontreiniging van het terrein niet verhindert dat de eiseres (eveneens) is gehouden tot vergoeding van de schade op grond van de bewezen verklaarde misdrijven; - het ingevolge het tussenarrest vaststaat dat de eiseres gehouden is tot het vergoeden van 50 procent van de schade, veroorzaakt door het achterlaten van solventen en van 100 procent van de schade, veroorzaakt door het achterlaten van rubber afvalstoffen; - er bijgevolg geen reden is om de verweerster te bevelen de door de eiseres opgesomde documenten te overleggen, noch om daarover een deskundige aan te stellen. Aldus steunen de appelrechters hun oordeelsvorming niet op stukken die niet aan de tegenspraak werden onderworpen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  11. Met het in het onderdeel vermelde oordeel geven de appelrechters geen uitlegging van de conclusies van de eiseres noch van de conclusies van de verweerster en kunnen ze dan ook de bewijskracht van deze akten niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  12. Voor het overige vereist het onderdeel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 144 Grondwet, artikel 6.1 EVRM en artikel 962 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest weigert ten onrechte de aanstelling van een gerechtsdeskundige te bevelen om, onder meer aan de hand van de door de eiseres aangewezen stukken, te onderzoeken of de verweerster kennis had van de aanwezige verontreiniging en of de exoneratieclausule in de notariële aankoopakte een financiële impact had bij het bepalen van de verkoopprijs en miskent aldus haar recht op bewijs; de appelrechters laten na hierbij verder onderzoek te voeren naar de aard en de inhoud van deze documenten, hoewel deze gegevens het verweer van de eiseres aannemelijk maken en verweersters aanvoering dat er geen stuk voorhanden is waaruit de verlaging van de aankoopprijs blijkt op deze documenten steunt.
  14. Het onderdeel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 144 Grondwet schendt. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  15. In zoverre het onderdeel eenzelfde strekking heeft als het eerste onderdeel is het om de redenen vermeld in het antwoord op dit onderdeel te verwerpen.
  16. Artikel 962, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de rechter, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan, deskundigen kan gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven. Krachtens die bepaling kan de rechter weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de procespartij haar verzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van haar vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen.
  17. Het recht op bewijs is het recht van elke procespartij om de bewijselementen over te leggen waarover zij zelf beschikt en om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover zij niet beschikt, zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen, waarover de rechter oordeelt. Het recht op bewijs is geen onbeperkt recht en schakelt bijgevolg de voormelde beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit.
  18. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  19. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel verantwoorden de appelrechters hun weigering tot het bevelen van het door de eiseres gevraagde deskundigenonderzoek naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
  20. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, zoals toepasselijk, artikel 1315, eerste lid, oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest bepaalt verschillende schadeposten in billijkheid zonder vast te stellen dat deze schade onmogelijk anders kan worden bepaald dan door een ex aequo et bono raming en laat tevens na de schadebepaling aan de concrete werkelijkheid aan te passen; door niet aan te duiden dat de verweerster zelf redelijke inspanningen heeft geleverd om een nauwkeurige schadebegroting mogelijk te maken, miskent het arrest tevens eiseres' recht van verdediging.
  21. De rechter beoordeelt onaantastbaar, maar binnen de perken van de conclusies van de partijen, het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade, alsook het bedrag van de vergoeding dat nodig is voor het volledige herstel van die schade. De rechter mag de schade naar billijkheid ramen mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door de schadelijdende partij voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.
  22. De appelrechters oordelen dat de verweerster bij de gevorderde kosten voor het beschrijvend bodemonderzoek, pilootproeven en bodemsanering ten onrechte geen rekening houdt met de verontreinigingen, waarvoor de eiseres geen verantwoordelijkheid draagt en treden hierbij de stelling van de eiseres bij dat bij de schadebepaling abstractie moet worden gemaakt van deze verontreinigingen. Zij oordelen tevens dat bij gebrek aan gegevens die toelaten een concrete opsplitsing te maken, in billijkheid 20 procent in mindering wordt gebracht van de factuurbedragen. Met deze redenen geven de appelrechters te kennen dat de omvang van deze schadeposten onmogelijk anders kan worden bepaald. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  23. Het recht van verdediging houdt niet in dat de rechter die de schade naar billijkheid raamt, uitdrukkelijk moet vaststellen dat de schadelijdende partij redelijke inspanningen heeft geleverd om een nauwkeurige schadebegroting mogelijk te maken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  24. In zoverre het middel aanvoert dat de vastgestelde schadevergoeding niet is aangepast aan de concrete werkelijkheid, vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,70 euro, waarvan 62,70 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 1 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210504.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221129.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230425.2N.20 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.001 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961016.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050509.23 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120131.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120615.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.