← België

BELGISCHE STAAT c. INTERNATIONAL DITSTRIBUTION PARTNERS

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.10 Rolnummer: F.19.0086.N Zaak: BELGISCHE STAAT c. INTERNATIONAL DITSTRIBUTION PARTNERS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-06-21 Raadplegingen: 558 - laatst gezien 2026-06-16 04:06 Versie(s): Vertaling FR Fiche Teruggaaf van accijns is niet mogelijk voor het geval waarin de accijns betrekking heeft op een accijnsproduct dat bij vergissing werd uitgeslagen tot verbruik hier te lande; het loutere feit van een vergissing in de aangifte ten verbruik doet immers geen afbreuk aan de omstandigheid dat door die aangifte het accijnsproduct in België kan en mag worden verbruikt en er een accijnsschuld is ontstaan, ongeacht de doorverkoop en verzending van het accijnsproduct naar een buitenlandse afnemer

(1).
(1)Het Hof formuleerde in een arrest van dezelfde datum een identieke rechtsregel in de zaak F.19.0018.N. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Accijnzen - Vergissing in de aangifte ten verbruik - Teruggaaf - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 236 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Tekst van de beslissing Nr. F.19.0086.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie van de douane en accijnzen, gewestelijke directie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, tegen INTERNATIONAL DISTRIBUTION PARTNERS nv, met zetel te 2170 Antwerpen, Zuidkaai 5, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0462.015.354, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 januari 2019. Advocaat-generaal Johan Vander Fraenen heeft op 27 oktober 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 1, § 1, van de wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van koffie wordt op koffie, al dan niet cafeïnevrij, die hier te lande in verbruik wordt gesteld, een accijns geheven. Luidens artikel 38 van het ministerieel besluit van 23 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van koffie wordt de accijns op koffie bij invoer geïnd in hoofde van de aangever door middel van de aangifte ten verbruik die geldt inzake douane. 2. Artikel 8 van de wet van 13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel van koffie bepaalt dat de AWDA van toepassing is op de door deze wet ingevorderde accijnzen. 3. Krachtens artikel 21 AWDA wordt, onder de door de Koning te bepalen voorwaarden en eventuele beperkingen, teruggaaf van accijnzen verleend voor ingevoerde goederen waarvoor teruggaaf van invoerrechten wordt verleend of zou worden verleend indien de goederen niet vrij van invoerrecht waren krachtens hun aard of herkomst. Overeenkomstig artikel 2 van het ministerieel besluit van 8 juli 1980 betreffende de terugbetaling of de kwijtschelding van de accijnsrechten geïnd bij de invoer, wordt de accijns terugbetaald of kwijtgescholden in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden als bepaald in Verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 juli 1979 betreffende de terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten. Na de intrekking van voormelde Verordening door artikel 251.1, vierde streep, CDW, bepaalt artikel 236.1 CDW dat tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer kan worden overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220.2, werd geboekt. Artikel 220.2 CDW bepaalt dat, behalve in de gevallen bedoeld in artikel 217, eerste lid, tweede en derde alinea, niet tot boeking achteraf wordt overgegaan wanneer:
  1. a)het oorspronkelijke besluit om de rechten niet te boeken of een lager bedrag te boeken dan het wettelijk verschuldigde bedrag is genomen op grond van algemene bepalingen die naderhand bij een rechterlijke uitspraak ongeldig zijn verklaard;
  2. b)het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan;
  3. c)de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen de autoriteiten ontheffing verlenen van boeking achteraf van bedragen aan rechten die kleiner zijn dan een bepaald bedrag. Op grond van de voormelde bepalingen is teruggaaf van accijns niet mogelijk voor het geval waarin de accijns betrekking heeft op een accijnsproduct dat bij vergissing werd uitgeslagen tot verbruik hier te lande. Het loutere feit van een vergissing in de aangifte ten verbruik doet immers geen afbreuk aan de omstandigheid dat door die aangifte het accijnsproduct in België kan en mag worden verbruikt en er een accijnsschuld is ontstaan, ongeacht de doorverkoop en verzending van het accijnsproduct naar een buitenlandse afnemer. 4. Krachtens artikel 22 van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, kan, voor de tot verbruik uitgeslagen accijnsproducten en in de daarvoor in aanmerking komende gevallen, op verzoek van een bedrijf in het kader van de bedrijfsuitoefening de accijns worden teruggegeven door de belastingautoriteiten van de lidstaat waarin de uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden, wanneer die producten niet bestemd zijn om in die lidstaat te worden verbruikt. Uit artikel 3 van deze Richtlijn blijkt dat de bepalingen ervan enkel van toepassing zijn op communautaire accijnsproducten. Het genoemde artikel 22 is bijgevolg niet van toepassing op nationale accijnsproducten zoals koffie. 5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - van de litigieuze goederen (koffie) op 11 december 2009 en 8 februari 2010 te Antwerpen een aangifte tot in verbruikstelling in België was ingediend; - de koffie nog voor de aangiftes doorverkocht en geleverd werd aan een in Frankrijk gevestigde afnemer; - de aangifte tot in verbruikstelling in België niet anders kan zijn dan een materiële vergissing en geen met accijnzen belastbaar binnenlands verbruik is aangetoond; - geen accijnsschuld in België is ontstaan. 6. Door aldus de vordering van de verweerster tot teruggaaf van de geïnde accijnzen gegrond te verklaren met toepassing van de artikelen 236 CDW en 22 van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 4 december 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Vander Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.