id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.3 Rolnummer: F.19.0126.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra OTIS nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht - Unierecht Invoerdatum: 2021-12-23 Raadplegingen: 1401 - laatst gezien 2026-06-19 23:20 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201204.1N.3 Fiche 1 Artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek vereist niet dat in het verzoekschrift tot cassatie, naast de schending van rechtstreeks werkende internationale verdragsbepalingen, ook de Belgische wet tot goedkeuring van dit verdrag wordt vermeld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Vereiste vermeldingen Vrije woorden: Wettelijke bepalingen - Rechtstreeks werkende internationale verdragsbepalingen - Belgische goedkeuringswet - Noodzaak tot vermelding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 2 - 3 Het beginsel van de Unietrouw, vervat in artikel 10 EG-Verdrag, vereist dat de nationale rechter artikel 53, 6°, WIB 1992 in die zin uitlegt dat het aftrekverbod ook van toepassing is op de door de Europese Commissie krachtens artikel 23, lid 2, a), Verordening 1/2003 opgelegde geldboeten wegens een inbreuk op artikel 81 of 82 EG-Verdrag, opdat de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unierechtelijke verbods- en sanctiebepalingen inzake het mededingingsrecht niet in gevaar wordt gebracht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Door Europese Commissie opgelegde geldboete wegens inbreuk op artikel 81 of 82 EG-Verdrag - Kartelboeten - Aftrekbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53, 6° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: Beginsel van de Unietrouw - Nationale rechter - Uitlegging nationale bepalingen in overeenstemming met het Unierecht - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53, 6° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2021, nr. 7, p. 552-
- - DE SMET, Liesbeth; VETTERS, Wim; Noot'Interessante rechtspraak inzake fiscale aftrekbarheid Europese kartelboete en minnelijke schikking... maar recente westwijziging beperkt relevantie voor de toekomst' NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2021, nr. 449, p. 732-
- - DE KONINCK, Constant; Noot'Kartelboetes zijn niet fiscaal aftrekbaar' JT-Journal des tribunaux - 2021, n° 39, p. 848-
- - FORIERS, Alain; Note'La recevabilité des moyens de cassation pris de la violation d'une convention internationale: un pas vers moins de formalisme?' Tekst van de beslissing Nr. F.19.0126.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van het Centrum Grote Ondernemingen Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3350, met keuze van woonplaats bij gerechtsdeurwaarder Luc Verhulst, met kantoor te 1150 Brussel, Banierenstraat 28, bus 3, eiser, tegen OTIS nv, met zetel te 1702 Dilbeek (Groot-Bijgaarden), Alfons Gossetlaan 28 A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0400.388.581, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 3 april
- Advocaat-generaal Johan Vander Fraenen heeft op 27 oktober 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Vander Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Ontvankelijkheid
- De verweerster werpt vier gronden van niet-ontvankelijkheid op: - het middel voldoet niet aan de vereisten van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek, aangezien het nalaat de wet te vermelden waarbij de als geschonden aangevoerde Unierechtelijke verdragsbepalingen werden goedgekeurd in de Belgische rechtsorde; - het middel is niet nauwkeurig, aangezien het niet preciseert welke als geschonden aangevoerde Unierechtelijke verdragsbepaling van toepassing zou zijn, namelijk huidig artikel 4, derde lid, VEU of voormalig artikel 10 EG-Verdrag; - het middel is niet nauwkeurig, aangezien het niet preciseert hoe het bestreden arrest de als geschonden aangevoerde Unierechtelijke verdragsbepalingen inzake het beginsel van de Unietrouw zou schenden; - het middel is niet nauwkeurig en onvolledig aangezien het niet in de uiteenzetting van het middel zelf preciseert volgens welke Europese rechtspraak kartelboeten niet fiscaal aftrekbaar zouden mogen zijn.
- Artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek vereist dat in het verzoekschrift tot cassatie de wettelijke bepalingen worden vermeld waarvan de schending wordt aangevoerd. De grieven van de eiser volgen uit de aangevoerde schending van de op het geschil toepasselijke Unierechtelijke verdragsbepaling inzake het beginsel van de Unietrouw, namelijk artikel 10 EG-Verdrag, die volstaat om tot vernietiging te leiden als het middel gegrond is. De grieven van de eiser volgen niet uit een schending van de Belgische wet die dit verdrag heeft goedgekeurd, zodat het middel daarvan geen melding behoeft te maken. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- Het middel voert in de eerste plaats schending aan van artikel 10 EG-Verdrag, waarvan het preciseert dat het van toepassing is op het geschil, en verwijst enkel volledigheidshalve naar artikel 4, derde lid, VEU. Ook de tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- Het middel voert duidelijk aan dat het bestreden arrest de verdragsbepalingen inzake het beginsel van de Unietrouw heeft geschonden door te oordelen dat de Unierechtelijke bepalingen, met name de artikelen 81 tot 83 EG-Verdrag, zoals uitgelegd door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geen invulling kunnen geven aan artikel 53, 6°, WIB
- De derde grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- De toelichting bij een middel kan een onduidelijkheid in dat middel ophelderen door een gegeven dat reeds in de uiteenzetting ervan aanwezig is duidelijker naar voren te brengen, maar kan geen leemte in die uiteenzetting verhelpen. Het middel voert in de uiteenzetting zelf duidelijk aan dat het bestreden arrest de verdragsbepalingen inzake het beginsel van de Unietrouw heeft geschonden door bij de uitleg van artikel 53, 6°, WIB92 te weigeren de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de artikelen 81 tot 83 EG-Verdrag toe te passen, en brengt in de toelichting uitsluitend duidelijker naar voren over welke rechtspraak het gaat. De vierde grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 10, eerste lid, EG-Verdrag, dat het beginsel van de Unietrouw bevat en zoals van toepassing op het geschil, treffen de lidstaten alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak. Krachtens het tweede lid van voormelde bepaling onthouden zij zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat voormeld artikel 10 EG-Verdrag, dat voor alle met overheidsgezag beklede instanties van de lidstaten geldt, dus ook – in het kader van hun bevoegdheden – voor de rechterlijke instanties, de nationale rechter verplicht om de nationale bepalingen die hij moet toepassen, zoveel mogelijk in overeenstemming met de eisen van het Unierecht uit te leggen (HvJ 13 november 1990, C-106/89, Marleasing, r.o. 8; HvJ 26 september 2000, C-262/97, Engelbrecht, r.o. 38-40; HvJ 27 oktober 2009, C-115/08, Land Oberösterreich / CEZ as, r.o. 138). Indien een dergelijke Unierechtsconforme toepassing onmogelijk is, is de nationale rechter gehouden de volle werking van het Unierecht te vrijwaren en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke met het Unierecht strijdige bepaling van de nationale wetgeving buiten toepassing te laten (HvJ 4 februari 1988, 157/86, Murphy, r.o. 11; HvJ 22 juni 2010, gevoegde zaken C-188/10 en C-189/10, Melki, r.o. 43).
- Krachtens artikel 53, 6°, WIB92, zoals van toepassing op het geschil, worden niet als aftrekbare beroepskosten aangemerkt, geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel
- Het Hof van Justitie oordeelt in vaste rechtspraak dat een door de Europese Commissie krachtens artikel 23, tweede lid, a), Verordening 1/2003 van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (hierna “Verordening 1/2003”) opgelegde geldboete enerzijds tot doel heeft de ongeoorloofde gedragingen van de betrokken ondernemingen tegen te gaan en, anderzijds, zowel die ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan te weerhouden om in de toekomst de Unierechtelijke mededingingsregels te schenden, zodat een dergelijke geldboete zowel een bestraffende als een afschrikkende werking heeft (HvJ 15 juli 1970, 41/69, ACF Chemiefarma nv, r.o. 173; HvJ 29 juni 2006, C-289/04 P, Showa Denko, r.o. 16 en C-308/04 P, SGL Carbon, r.o. 37).
- In zijn arrest van 11 juni 2009, C-429/07, Inspecteur van de Belastingdienst / X BV, r.o. 39, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de fiscale aftrekbaarheid van een door de Europese Commissie opgelegde geldboete kan raken aan de doeltreffendheid van de door de Unierechtelijke mededingingsautoriteit opgelegde sanctie en aldus aan de coherente toepassing van de mededingingsrechtelijke verbodsbepalingen vervat in de artikelen 81 en 82 EG-Verdrag. Indien zulke geldboete voor een vennootschap volledig of gedeeltelijk aftrekbaar zou zijn van haar belastbare winst, zou dit immers tot gevolg hebben dat de last van de betrokken boete door een verlaging van de belastingdruk gedeeltelijk zou worden gecompenseerd.
- Uit voormelde rechtspraak volgt aldus kennelijk dat het beginsel van de Unietrouw, vervat in artikel 10 EG-Verdrag, vereist dat de nationale rechter artikel 53, 6°, WIB92 in die zin uitlegt dat het aftrekverbod ook van toepassing is op de door de Europese Commissie krachtens artikel 23, tweede lid, a), Verordening 1/2003 opgelegde geldboeten wegens een inbreuk op artikel 81 of 82 EG-Verdrag, opdat de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unierechtelijke verbods- en sanctiebepalingen inzake het mededingingsrecht niet in gevaar wordt gebracht.
- Noch uit voormeld artikel 53, 6°, WIB92 noch uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de toepassing van het aftrekverbod in elk geval heeft willen beperken tot strafrechtelijke geldboeten, derwijze dat de door de Europese Commissie krachtens artikel 23, tweede lid, a), Verordening 1/2003 opgelegde geldboeten wegens een inbreuk op artikel 81 of 82 EG-Verdrag, die krachtens artikel 23, vijfde lid, van voormelde verordening geen strafrechtelijk karakter hebben, van die toepassing uitgesloten zouden zijn.
- De appelrechters oordelen dat: - geen enkele Unierechtelijke bepaling invulling kan geven aan artikel 53, 6°, WIB92, aangezien België inzake het nationale belastingrecht zijn regelgevende bevoegdheid niet heeft overgedragen aan de Europese Unie; - het beginsel van de Unietrouw niet toelaat aan te nemen dat, zonder uitdrukkelijke wetsbepaling, de wetgevende bevoegdheid inzake de fiscale aftrekbaarheid van kartelboeten zou zijn overgedragen aan de Europese Unie; - de Belgische wetgever weliswaar kan worden gevraagd op grond van de Unietrouw te handelen, doch het niet aan enige andere macht dan de wetgevende staat om Belgische fiscale bepalingen ruimer te interpreteren dan zoals bedoeld door de Belgische fiscale wetgever; - de interpretatie dat het bestraffend karakter van een kartelboete zou moeten worden “verzwaard” op grond van de aangevoerde Unietrouw, noch steun vindt in de Belgische wettelijke bepalingen noch in de Unierechtelijke bepalingen; - een algemene aftrekbeperking in de lidstaten voor kartelboeten teneinde tot een “sanctieverzwaring” te leiden, discriminaties teweeg zou brengen tussen ondernemingen gevestigd in verschillende lidstaten, gezien het verschillend tarief van de vennootschapsbelasting in ieder van die staten en het verschillend effect van een dergelijke Europeesrechtelijk opgelegde fiscale aftrekbeperking; - na onderzoek van de parlementaire voorbereiding niet kan worden besloten dat in artikel 53, 6°, WIB92 met zekerheid andere geldboeten bedoeld zijn dan deze van strafrechtelijke aard en niet op een positieve wijze is aangetoond dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bedoeld dat de aftrekbeperking van voormelde bepaling ook uitwerking heeft voor administratieve geldboeten, waaronder de door de Europese Commissie opgelegde kartelboeten.
- Door aldus na te laten bij de uitleg van artikel 53, 6°, WIB92 rekening te houden met het beginsel van de Unietrouw, en op die grond te oordelen dat de toepassing van het aftrekverbod in voormelde bepaling zich niet uitstrekt tot de door de Europese Commissie krachtens artikel 23, tweede lid, a), Verordening 1/2003 opgelegde geldboeten wegens een inbreuk op artikel 81 of 82 EG-Verdrag, schenden de appelrechters artikel 10 EG-Verdrag, dat voornoemd beginsel bevat. Het middel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 4 december 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Vander Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201204.1N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240502.1N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240502.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div