id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.7 Rolnummer: F.19.0043.N Zaak: INTERMEDIAIR bvba contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-12-10 Raadplegingen: 813 - laatst gezien 2026-06-16 04:06 Versie(s): Vertaling FR Fiche Voor de waardering van het abnormaal en goedgunstig voordeel in de zin van artikel 26, eerste lid, WIB92 voorziet de wet niet in een wettelijk bewijsmiddel; bijgevolg kan de administratie, om de werkelijke waarde ervan te bepalen, gebruik maken van alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, gewone vermoedens inbegrepen, met uitzondering van de eed. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Winsten Vrije woorden: Abnormale of goedgunstige voordelen - Raming - Bewijsmiddelen van de administratie Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Annotaties Publicaties: Fiscale actualiteit [Fisc.Act.] - 2021, nr. 8, p. 1-
- - DELANOTE, Mark; Noot'Het ene voordeel is het andere niet' Tekst van de beslissing Nr. F.19.0043.N INTERMEDIAIR bv, met zetel te 1861 Meise, Drijpikkelstraat 49, bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0430.245.181, eiseres, met als raadsman mr. Wim Defoor, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal Centrum KMO Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 oktober
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 27 oktober 2020 een schriftelijk conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Artikel 26, eerste lid, WIB92 bepaalt dat wanneer een in België gevestigde onderneming abnormale en goedgunstige voordelen verleent, die voordelen, onverminderd de toepassing van artikel 49 WIB92 en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 54, bij haar eigen winst worden gevoegd, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van de verkrijger. Abnormale voordelen zijn die voordelen die, gelet op de economische omstandigheden van het ogenblik, strijdig zijn met de gewone gang van zaken, met de regels, of met de gevestigde handelsgebruiken. Goedgunstige voordelen zijn de voordelen die de onderneming verleent zonder dat er daarvoor een verbintenis of enige tegenwaarde bestaat. Het verleende abnormaal of goedgunstig voordeel dat als winst zal worden belast, moet worden gewaardeerd0 op de werkelijke waarde van dat voordeel. Deze werkelijke waarde wordt in feite beoordeeld door de rechter.
- Overeenkomstig artikel 340 WIB92 kan de administratie, ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld, alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met uitzondering van de eed. Voor de waardering van het abnormaal en goedgunstig voordeel in de zin van artikel 26, eerste lid, WIB92 voorziet de wet niet in een wettelijk bewijsmiddel. Bijgevolg kan de administratie, om de werkelijke waarde ervan te bepalen, gebruik maken van alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, gewone vermoedens inbegrepen, met uitzondering van de eed. In zoverre het middel aanvoert dat de waarde van het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van de woning noodzakelijk begroot dient te worden op de huurprijs die een derde voor de woning zou betalen zodat het bedoelde voordeel niet kan worden bepaald aan de hand van alle uitgaven die de verstrekker uit hoofde daarvan heeft gedragen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het bijgevolg naar recht.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het echtpaar S.-V. L. geen officieel mandaat in de vennootschap heeft; - de verweerder terecht stelt dat hij in die situatie voor de berekening van het voordeel geen beroep kan doen op artikel 18 KB WIB92; - geen wettelijke bepaling zich ertegen verzet dat de verweerder in die omstandigheden de waarde van het voordeel baseert op de werkelijke kosten. Door aldus de begroting door de verweerder van het bedoelde voordeel, bepaald op respectievelijk 37.611,33 euro voor het aanslagjaar 2011 en 28.079,71 euro voor het aanslagjaar 2012 en gebaseerd op alle kosten die in de boekhouding van de eiseres waren opgenomen met betrekking tot de woning, te bevestigen, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- De appelrechter oordeelt dat: - de vaststellingen die op 24 mei 2013 gedaan werden, ook “gedaan [werden] tijdens de controle van 31 mei 2013, waarbij [de controleambtenaren] met toestemming van de heer S. een rondleiding hebben gegeven in het huis en waarbij de boekhouding werd nagezien, wat geleid heeft tot de vastgestelde inbreuken”; - de boeken en documenten, gebruikt ter bepaling van het bedrag van de belastbare inkomsten, met toepassing van artikel 315 WIB92 werden voorgelegd. Het middel dat opkomt tegen het oordeel van de appelrechter dat tijdens de controle van 24 mei 2013 artikel 319 WIB92 niet werd geschonden en de grondrechten van de eiseres evenmin werden miskend, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 231,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 4 december 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201204.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div