← België

B. contra PG BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

§ 4, en 42quinquies, § 1, Vreemdelingenwet.

Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: Unieburger familielid - Familielid van een migrerende werknemer - Verblijfstitel - Grondslag - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. C.20.0224.N M.B., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, met kantoor te 1000 Brussel, Poelaertplein 1, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 januari

  1. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 22 september 2020 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het bestreden arrest en de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser geboren is te Sint-Lambrechts-Woluwe op 28 december 1994 en de Britse nationaliteit heeft; - zijn vader, G.B., eveneens van Britse nationaliteit, sinds 1 december 1993 bij de Europese organisatie Eurocontrol te Brussel tewerkgesteld is; - de eiser sinds zijn geboorte over een bijzondere identiteitskaart beschikt, verstrekt door de FOD Buitenlandse zaken, Dienst Protocol, krachtens artikel 3, 3° en 5°, koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, in uitvoering van artikel 10, § 1, 1°, Vreemdelingenwet en artikel 22 van het Internationaal Verdrag van 13 december 1960 tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart "Eurocontrol", dat personeelsleden en hun inwonende gezinsleden vrijstelt van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie; - aan de eiser op 27 januari 2017 een document ter staving van duurzaam verblijf in België (E+ verblijfskaart) werd toegekend, krachtens artikel 42quinquies, § 5, Vreemdelingenwet en artikel 55 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat geldig is van 27 december 2016 tot en met 27 december 2021; - de eiser op 27 december 2017 voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Tervuren een verklaring heeft afgelegd tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit, krachtens artikel 12bis, § 1, 1°, WBN; - de Procureur des Konings te Leuven op 5 april 2018 een negatief advies heeft uitgebracht; - de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de verklaring van de eiser tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit op basis van artikel 12bis, § 1, 1°, WBN bij vonnis van 3 december 2018 heeft ingewilligd; - het bestreden arrest, na hoger beroep ingesteld door de Procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, voornoemde verklaring heeft afgewezen. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel
  2. Krachtens artikel 12bis, § 1, 1°, WBN, zoals hier van toepassing, kan de Belgische nationaliteit verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig artikel 15, de vreemdeling die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en in België geboren is en er sedert zijn geboorte zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd op grond van een wettelijk verblijf.
  3. Krachtens artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, WBN, zoals hier van toepassing, wordt onder wettelijk verblijf verstaan, wat de periode voorafgaand aan de indiening van het verzoek of de verklaring betreft: toegelaten of gemachtigd zijn om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om er zich te vestigen overeenkomstig de vreemdelingenwet of de regularisatiewet. Voor de burgers van de Europese Unie en hun familieleden bedoeld in artikel 40bis Vreemdelingenwet wordt de periode tussen de datum van de indiening van hun aanvraag en de datum waarop hun dat recht op verblijf is toegekend, gelijkgesteld aan een gemachtigd verblijf in de zin van paragraaf 2, 2°. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, welke documenten in aanmerking komen als bewijs van het in het eerste lid bedoelde verblijf.
  4. Artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot uitvoering van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken, zoals hier van toepassing, bepaalt dat de verblijfsdocumenten die in aanmerking moeten worden genomen als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, WBN zijn: 6° de "verklaring van inschrijving", opgesteld overeenkomstig de bijlage 8 van het vermelde koninklijk besluit van 8 oktober 1981, in uitvoering van artikel 42, §

§ 4

, Vreemdelingenwet; 7° het "document ter staving van duurzaam verblijf", opgesteld overeenkomstig de bijlage 8bis van voormeld koninklijk besluit van 8 oktober 1981, in uitvoering van artikel 42quinquies, § 5, Vreemdelingenwet.

  1. In de wetsgeschiedenis van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, WBN wordt vermeld dat de burgers van de Europese Unie en hun familieleden hun recht op verblijf rechtstreeks aan het Unierecht ontlenen, zoals blijkt uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zodat de erkenning van dat recht een declaratief karakter heeft (HvJ 14 april 2005, C-157/03, Commissie t. Spanje, r.o. 28; HvJ 23 maart 2006, C-408/03, Commissie t. België, r.o. 62-63; HvJ 21 juli 2011, C-325/09, Maria Dias, r.o. 48; HvJ 27 juni 2018, C-246/17, Diallo, r.o. 48). Dit betekent volgens de wetgever dat het geheel aan verblijfstitels voor de periode voorafgaand aan de nationaliteitsaanvraag in aanmerking moet worden genomen, met naleving van voormeld artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, voor de analyse of de aanvrager wel degelijk is toegelaten of gemachtigd geworden om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om er zich te vestigen overeenkomstig de vreemdelingenwet of de regularisatiewet.
  2. Het wettelijk verblijf zoals bedoeld in artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, WBN en dat in aanmerking wordt genomen voor de toepassing van artikel 12bis, § 1, 1°, WBN inzake de nationaliteitsverklaring, moet aldus in die zin worden uitgelegd dat de toelating of machtiging van de Unieburger die familielid is van een burger van de Unie die in het Rijk werknemer is, om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om er zich te vestigen overeenkomstig de vreemdelingenwet, rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht, zodra voldaan is aan de voorwaarden van de artikelen 7, eerste lid, d), of 16, lid 1, Richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, zoals omgezet in de artikelen 40bis, §

§ 4, en 42quinquies, § 1, Vreemdelingenwet.

Het bezit van de verblijfsdocumenten vermeld in artikel 4 koninklijk besluit van 14 januari 2013, die in aanmerking moeten worden genomen als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, WBN, vormt aldus geen voorwaarde voor zulk wettelijk verblijf van een Unieburger, dat met elk ander bewijsmiddel aangetoond kan worden, met inbegrip van het bijzondere verblijfsdocument toegekend krachtens artikel 3, 3° en 5°, koninklijk besluit van 30 oktober

  1. De afwezigheid van de verblijfsdocumenten vermeld in artikel 4 koninklijk besluit van 14 januari 2013 kan voor een Unieburger derhalve niet tot een verlies van dit wettelijk verblijfsrecht leiden.
  2. De appelrechters stellen vast dat de eiser een Unieburger is die sinds zijn geboorte wettelijk in het Rijk verblijft en familielid is van een burger van de Unie die in het Rijk werknemer is. Zij wijzen de verklaring van de eiser tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit op basis van artikel 12bis, § 1, 1°, WBN af op de gronden dat: - de eiser voor de periode voorafgaand aan zijn verklaring tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit afgelegd op 27 december 2017 niet toegelaten of gemachtigd was om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om er zich te vestigen "overeenkomstig de vreemdelingenwet" in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, WBN; - zijn recht op verblijf op het Belgisch grondgebied vanaf zijn geboorte niet werd gevestigd op basis van de artikelen 40bis en 42quinquies Vreemdelingenwet, maar wel op basis van artikel 22 van het Internationaal Verdrag van 13 december 1960 tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart "Eurocontrol", ter uitvoering waarvan hem een bijzondere identiteitskaart werd verstrekt op grond van artikel 3, 3° en 5°, koninklijk besluit van 30 oktober 1991; - de lijst van verblijfsdocumenten vermeld in artikel 4 koninklijk besluit van 14 januari 2013 die in aanmerking komen als bewijs van het wettelijk verblijf in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, WBN, bovendien limitatief is en de bijzondere identiteitskaart toegekend krachtens het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 niet begrepen wordt door één van de in die lijst opgesomde verblijfsdocumenten.
  3. Door aldus te oordelen dat de eiser niet toegelaten of gemachtigd is om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om er zich te vestigen overeenkomstig de vreemdelingenwet in de zin van artikel 7bis, § 2, eerste lid, 2°, WBN, en op die grond de verkrijging van de Belgische nationaliteit krachtens artikel 12bis, § 1, 1°, WBN af te wijzen, terwijl de lijst van verblijfsdocumenten vermeld in artikel 4 koninklijk besluit van 14 januari 2013 niet limitatief is voor Unieburgers, die hun rechtstreeks uit het Unierecht voortvloeiend verblijfsrecht kunnen aantonen met elk bewijsmiddel, inclusief het bijzonder verblijfsdocument toegekend krachtens artikel 3, 3° en 5°, koninklijk besluit van 30 oktober 1991, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (...) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 7 december 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201207.3N.6 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231023.3F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.