← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201208.2N.4 Rolnummer: P.20.0683.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-07-14 Raadplegingen: 1037 - laatst gezien 2026-06-19 23:17 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval, strafbaar gesteld krachtens de artikelen 4.2.1,5°, a), en 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, is geen aflopend misdrijf, maar een gewoontemisdrijf; met gewoonlijk gebruik beoogt de decreetgever geen vergunningsplicht voor het toevallig opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval, maar vereist hij een gebruik van de grond met een zekere regelmaat over een zekere periode vooraleer een stedenbouwkundige vergunning noodzakelijk is; het misdrijf bestaat van zodra door meerdere handelingen van gebruik zonder dat daartoe de nodige vergunning was verkregen, het gewoonlijk gebruik ontstaat, wat de rechter onaantastbaar in feite beoordeelt

(1).
(1)Cass. 30 januari 2018, AR P.16.1161.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180130.1, AC 2018, nr. 62; Cass. 7 maart 2017, AR P.15.1340.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.3, AC 2017, nr. 159. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval - Vergunningsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Artt. 4.2.1, 5°, a), en 6.1.1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Gewoontemisdrijf Vrije woorden: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval - Begrip Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Artt. 4.2.1, 5°, a), en 6.1.1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval - Ontstaan van het gewoonlijk gebruik - Beoordeling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Artt. 4.2.1, 5°, a), en 6.1.1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiches 4 - 5 Het gewoonlijk gebruik blijft bestaan zolang de grond verder wordt gebruikt voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval, namelijk omdat er positieve daden worden gesteld waarbij met een zekere regelmaat wordt overgegaan tot het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen materialen, materieel of afval op de bewuste grond; de verjaring van de strafvordering neemt dan ook slechts een aanvang op het ogenblik dat de grond niet langer wordt gebruikt voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval door positieve daden van het stallen en verwijderen van voertuigen met een zekere regelmaat. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval - Duurtijd - Gevolg Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Vermoeden van vergunning - Gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval - Aanvang verjaringstermijn - Wijze Fiche 6 Het in artikel 4.2.14, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalde vermoeden van vergunning geldt niet voor de in artikel 4.2.1, 5°,
  1. a)en b), Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omschreven vergunningsplichte handelingen van het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval, of voor het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - Gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval - Vermoeden van vergunning - Toepassing Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Artt. 4.2.1, 5°,
  2. a)en b), en 4.2.14, § 2 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0683.N L A V D, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tanja Smit, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 222, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 mei 2020. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De partij die cassatieberoep instelt, moet het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem in-gestelde burgerlijke rechtsvordering". 2. Met deze bepaling heeft de wetgever aan de eisers in cassatie een algemene verplichting tot betekening opgelegd, met als enige en dus strikt te interpreteren uitzondering het geval waarbij het cassatieberoep uitgaat van een vervolgde partij tegen een beslissing op de strafvordering zelf en daarmee gelijk te stellen gevallen. 3. Volgens artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals van toepassing tot 1 maart 2018, kan de rechtbank naast de straf de in dat artikel vermelde herstelmaatregelen bevelen. Dit gebeurt onder meer op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur. De herstelvordering wordt volgens artikel 6.1.41, § 4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals van toepassing tot 1 maart 2018, bij het parket ingeleid bij gewone brief. Volgens artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals van toepassing vanaf 1 maart 2018, - beveelt de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, een herstelmaatregel zoals nader bepaald in dat artikel (§ 1, eerste lid); - wordt onder bevoegde overheid onder meer de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur in naam van het Vlaams Gewest verstaan (§ 2); - wordt de herstelvordering van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur ingeleid met een gewone brief bij het openbaar ministerie (§ 3, eerste lid). 4. Het openbaar ministerie is bevoegd om de door de herstelvorderende overheid per brief geformuleerde herstelvordering voor de strafrechter uit te oefenen, inclusief het aanwenden van rechtsmiddelen en dit ongeacht of de herstelvorderende overheid zich als procespartij heeft gemanifesteerd. 5. De beslissing van de strafrechter over een door de herstelvorderende overheid ingediende herstelvordering is een maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt. 6. Uit het voorgaande volgt dat hij tegen wie op grond van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een herstelmaatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat betreft die beslissing niet alleen moet laten betekenen aan de eiser tot herstel, in zoverre deze zich als procespartij heeft gemanifesteerd, maar ook aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen. 7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht. In zoverre ook gericht tegen de beslissing waarbij lastens de eiser een herstelmaatregel werd bevolen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. 8. Het derde en het vijfde middel hebben uitsluitend betrekking op de beslissing op de herstelvordering. Aangezien eisers cassatieberoep tegen de beslissing op de herstelvordering niet ontvankelijk is, behoeven die middelen geen antwoord. Eerste middel 9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, artikel 65 Strafwetboek en de artikelen 4.2.1.5°, a), en 6.1.1, eerste lid, 1°, thans 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: de motivering van het arrest is onwettig en de appelrechters maken een onjuiste toepassing van de wet; het arrest oordeelt dat de feiten werden gepleegd met eenzelfde misdadig opzet en samen een voortgezet misdrijf vormen, waarbij de verjaring pas een aanvang neemt vanaf het laatste feit, namelijk 26 januari 2018, maar laat na te motiveren welke afzonderlijke daden te beschouwen zijn als handelingen met ruimtelijke implicaties; het zonder vergunning gewoonlijk gebruiken van een perceel voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen of van allerlei materialen, materieel of afval, is een aflopend misdrijf, waarbij het daarop volgende verdere gebruik moet wordt beschouwd als een gedepenaliseerde toestand van instandhouding; het arrest maakt hierbij ook onterecht een onderscheid tussen het onvergund gewoonlijk gebruiken van een grond en het onvergund wijzigen van de hoofdfunctie van een gebouw. 10. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk. 11. Krachtens de artikelen 4.2.1, 5°),
  3. a)en 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening is strafbaar het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval zonder een voorafgaande stedenbouwkundige vergunning. 12. Met gewoonlijk gebruik beoogt de decreetgever geen vergunningsplicht voor het toevallig opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval, maar vereist hij een gebruik van de grond met een zekere regelmaat over een zekere periode vooraleer een stedenbouwkundige vergunning noodzakelijk is. Het misdrijf bestaat van zodra door meerdere handelingen van gebruik zonder dat daartoe de nodige vergunning was verkregen, het gewoonlijk gebruik ontstaat, wat de rechter onaantastbaar in feite beoordeelt. Dit misdrijf is geen aflopend misdrijf, waarbij de strafbaarheid volgt uit een eenmalige gedraging, maar een gewoontemisdrijf. 13. Het gewoonlijk gebruik blijft bestaan zolang de grond verder wordt gebruikt voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval, namelijk omdat er positieve daden worden gesteld waarbij met een zekere regelmaat wordt overgegaan tot het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval op de bewuste grond. Tot zolang is er geen sprake van het voortdurend misdrijf van instandhouding, dit is de loutere onthouding om door enige handeling aan het bestaan van de gecreëerde toestand van onrechtmatig gebruik van de grond een einde te maken. De verjaring van de strafvordering neemt dan ook slechts een aanvang op het ogenblik dat de grond niet langer wordt gebruikt voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval door positieve daden van het stallen en verwijderen van voertuigen met een zekere regelmaat. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Het arrest stelt niet vast dat, nadat er een toestand was ontstaan van gewoonlijk gebruik van de grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, materialen, materieel of afval, de eiser zich heeft beperkt tot de instandhouding van die toestand. Het arrest (p. 11, eerste alinea) oordeelt integendeel dat uit de dossiergegevens blijkt dat er blijvend handelingen tot gebruik van de grond in de voormelde zin werden gesteld. Tevens stelt het arrest vast (p. 12) dat er sprake is van een opvallende en storende wijze van stapelen van de containers en dat de eiser jarenlang heeft gezorgd voor een voor de omgeving en omwonenden erg storend uitzicht door onder meer het stapelen van containers, wat nog meer klemt in woongebied en nog meer in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waardoor wordt vastgesteld dat die handelingen ruimtelijke implicaties hebben. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 15. De aard van de door de artikelen 4.2.1.5°, a), en 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde handelingen valt niet te vergelijken met de aard van de door de artikelen 4.2.1, 6°, en 6.2.1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde handelingen, die betrekking hebben op het zonder vergunning geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed waarvan de functiewijziging als vergunningsplichtig is aangemerkt, zodat de daders van deze misdrijven zich niet in een vergelijkbare rechtstoestand bevinden. In zoverre faalt het middel het naar recht. Tweede middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 4.2.14, § 1, en § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het decretale vermoeden van vergunning geldt ook voor het gewoonlijke gebruik van de grond voor het opslaan van voertuigen en materialen, wat als een praetoriaans vermoeden moet worden beschouwd; daar er reeds vóór het jaar 2000 voertuigen werden gestald op het perceel, zijn de handelingen van de eiser gedekt door het vermoeden van vergunning; aan dit vermoeden wordt geen afbreuk gedaan door een tijdelijke periode van onbruik, zodat de appelrechters uit de vaststelling dat er op het perceel tijdelijk geen autohandel aanwezig was, namelijk tussen mei 2012 en 1 januari 2016, niet wettig konden afleiden dat er geen sprake was van een vermoeden van vergunning. 17. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 4.2.14, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk. 18. Het in artikel 4.2.14, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalde vermoeden van vergunning geldt niet voor de in artikel 4.2.1, 5°, a), en b), Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omschreven vergunningsplichtige handelingen van het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval, of voor het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 19. Het arrest oordeelt niet dat er geen sprake is van een vermoeden van vergunning omdat er een tijdelijke periode van onbruik is geweest, met name omdat er tussen mei 2012 en 1 januari 2016 geen autohandel aanwezig was op het perceel. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 20. Met een geheel van redenen oordeelt het arrest (p. 7-12) dat de eiser in de periode van 1 september 2010 tot en met 26 januari 2018 blijvend handelingen tot gebruik is blijven stellen zonder een tussentijdse onderbreking die tot verjaring leidt, waaronder het plaatsen van containers in 2010 en 2016, waardoor het gewoonlijk gebruik van een grond zonder vergunning niet wordt vermoed te zijn vergund maar integendeel werd voortgezet, zonder dat hieraan afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat de eiser reeds voordien op die plaats voertuigen stalde en te koop aanbood en dat ook vóór hij het perceel in het jaar 2000 aankocht een andere handelaar hier voertuigen verkocht. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat er geen sprake is van een vermoeden van vergunning en dat de telastlegging, die betrekking heeft op het zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning gewoonlijk gebruiken van het perceel voor het parkeren van voertuigen, het stapelen van containers met aanhorigheden en de opslag van allerhande materiaal, bewezen is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel 21. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 149 Grondwet: het arrest stelt niet wettig vast dat er geen sprake is van onoverwinnelijke rechtsdwaling; in de authentieke akte van 11 januari 2000 werd vermeld dat er voor het onroerend goed geen stedenbouwmisdrijven bekend zijn, waardoor de eiser als elk redelijk en vooruitziend persoon ervan kon uitgaan dat er geen vergunningsplicht bestond voor de activiteiten die al jaren op het perceel werden uitgevoerd; het arrest antwoordt ook niet op de desbetreffende conclusie van de eiser, die zich bovendien baseerde op de informatie over het vermoeden van vergunning op de webstek van "wonen Vlaanderen", die bij de eiser een rechtmatig vertrouwen heeft gewekt. 22. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk. 23. De eiser heeft zich ter ondersteuning van zijn verweer op grond van onoverwinnelijke dwaling voor de appelrechters niet gebaseerd op de authentieke akte van 11 januari 2000. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt immers dat de eiser in zijn op 17 april 2020 neergelegde syntheseconclusie bij het overzicht van de "feiten en antecedenten" melding heeft gemaakt van de vermeldingen in de authentieke akte van 11 januari 2000, maar bij zijn in ondergeschikte orde gevoerde verweer over de onoverwinnelijke dwaling (p. 29, nr. 4.6) niet naar die akte heeft verwezen. De eiser beperkte zich in dit verband immers tot het verweer dat hij meende zich te kunnen beroepen op het vermoeden van vergunning, te meer omdat hij in al die jaren (tot in 2016) hierover nooit werd aangesproken. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 24. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is, en is het niet ontvankelijk. Zesde middel 25. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 3, vierde lid, en 8, § 1, eerste lid, Probatiewet: het arrest veroordeelt de eiser tot een geldboete zonder de keuze van die straf te motiveren en zonder te motiveren waarom werd geweigerd in te gaan op het verzoek van de eiser om hem de opschorting van de uitspraak toe te kennen of de straf met uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen. 26. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in de gevallen dat de wet aan de rechter de vrije beoordeling overlaat, de rechter nauwkeurig maar op een wijze die beknopt mag zijn de redenen moet vermelden waarom hij de straf of maatregel en de maat ervan uitspreekt. Artikel 3, vierde lid, en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet schrijven voor dat de beslissing waarbij de opschorting en in voorkomend geval de probatie-opschorting, respectievelijk het uitstel en het probatie-uitstel, wordt toegestaan of geweigerd, met redenen moet zijn omkleed overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Het arrest (p. 12-13) vermeldt nauwkeurig de redenen van de aan de eiser opgelegde geldboete en van de weigering om in te gaan op eisers verzoek om hem de opschorting van de uitspraak toe te kennen of de straf met uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 107,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman, en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 december 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201208.2N.4 Gerelateerde publicatie(
  4. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180130.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.