id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201208.2N.6 Rolnummer: P.20.1132.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-07-14 Raadplegingen: 568 - laatst gezien 2026-06-20 09:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche De loutere omstandigheid dat er een reclasseringsplan voorligt zoals bedoeld in artikel 48 Wet Strafuitvoering, impliceert niet dat er geen tegenaanwijzingen voor het toekennen van een strafuitvoeringsmodaliteit voorhanden kunnen zijn zoals bedoeld in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsmodaliteiten - Tegenaanwijzingen - Reclasseringsplan - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Artt. 47, § 1, en 48 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1132.N C S B, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiseres, met als raadsman mr. Samuel Debruyne, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Sint-Pieterskaai 73/B, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis nr. 2051/20 van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 4 november
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering: het vonnis oordeelt dat de voorwaarden voor de toekenning van het elektronisch toezicht niet zijn vervuld, hoewel formeel wordt gesteld dat de eiseres beschikt over een reclasseringsplan; in het reclasseringsplan van de eiseres wordt tegemoetgekomen aan de wettelijke tegenaanwijzingen voor het toekennen van het elektronisch toezicht; de afwijzing van die strafuitvoeringsmodaliteit kan niet naar recht worden verantwoord door de reden dat de eiseres zich nog langer dient te bewijzen op basis van de weg van de geleidelijkheid, te meer daar de eiseres slechts een nieuw verzoek om elektronisch toezicht kan indienen vanaf 3 november 2021, wat al te laattijdig is.
- De loutere omstandigheid dat er een reclasseringsplan voorligt zoals bedoeld in artikel 48 Wet Strafuitvoering, impliceert niet dat er geen tegenaanwijzingen voor het toekennen van een strafuitvoeringsmodaliteit voorhanden kunnen zijn zoals bedoeld in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel aanvoert dat het reclasseringsplan tegemoetkomt aan de wettelijke tegenaanwijzingen, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de strafuitvoeringsrechtbank over de feiten en is het niet ontvankelijk.
- Het vonnis wijst het verzoek om elektronisch toezicht niet af op grond van de in het middel weergegeven redenen. Het oordeelt immers dat de eiseres volgens het verslag van de gerechtspsychiater als prototype oplichtster een hoog risico op recidive heeft, dat er op heden geen accurate inschatting van de noodzakelijke recidivebeperkende reclasseringselementen kan worden gemaakt en dat er op vandaag onvoldoende kan worden tegemoetgekomen aan het risico op recidive door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Voorts oordeelt het vonnis dat de eiseres van start dient te gaan met de afbetaling van de burgerlijke partijen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel aanvoert dat de in het vonnis bepaalde datum waarop de eiseres een nieuw verzoek kan indienen al te laattijdig is, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de strafuitvoeringsrechtbank over de feiten en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces, het vertrouwensbeginsel en de motiveringsverplichting: het vonnis wijst het verzoek om elektronisch toezicht af zonder te antwoorden op de middelen en stukken van de eiseres in verband met haar tewerkstelling, opleiding, huisvesting, de inspanningen om haar schulden af te betalen en haar voornemen om een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling op te maken, het gegeven dat de risico's op het lastigvallen van de slachtoffers klein is, het gegeven dat zij via een therapeute wordt begeleid en het gegeven dat er thans corona-crisismaatregelen gelden; het vonnis miskent aldus de motiveringsverplichting, waardoor ook het recht van verdediging van de eiseres is miskend.
- De rechter moet niet antwoorden op een stuk, maar enkel op een bij conclusie aangevoerd middel of verweer waaruit een bepaald rechtsgevolg wordt afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het vonnis wijst het verzoek om elektronisch toezicht af op grond van de in het antwoord op het eerste middel weergegeven redenen. Het oordeelt daarbij dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan door het reclasseringsplan van de eiseres en de door haar neergelegde stukken, ook al blijkt daaruit dat zij kan worden tewerkgesteld, dat een psychologe zich engageert om maandelijks een gesprek met haar te hebben en dat zij op financieel vlak een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling zal opmaken. Met die redenen beantwoordt het vonnis de in het middel aangehaalde conclusie. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het middel volledig afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman, en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 december 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201208.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div