id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201211.1N.14 Rolnummer: C.18.0380.N Zaak: D. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-05-13 Raadplegingen: 749 - laatst gezien 2026-06-16 04:08 Versie(s): Vertaling FR Fiche De erkenning van het bestaan van een verbintenis en van de uitvoering ervan is onsplitsbaar zonder dat de onsplitsbaarheid de regels van de bewijslast wijzigt; diegene die de bekentenis van het bestaan van een verbintenis als bewijs van het bestaan van de verbintenis inroept, kan de in dezelfde bekentenis aangevoerde uitvoering van de verbintenis niet buiten beschouwing laten
(1).
(1)Zie Cass. 10 mei 2013, AR C.11.0781.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130510.2, AC 2013, nr.
- Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bekentenis Vrije woorden: Onsplitsbare bekentenis - Verbintenis - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1315, eerste lid, en 1356, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0380.N J. D., eiser, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, tegen M. V., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 5 februari
- Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid
- De verweerster voert een eerste grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel komt in essentie op tegen de beslissing van de appelrechter dat de eiser de bewijslast draagt van het feit dat hij beweerdelijk 49.200 euro aan de verweerster ter beschikking zou hebben gesteld, waarna zij deze gelden in zijn opdracht op de vennootschapsrekening heeft gestort, en dit in uitvoering van de betalingsverplichting van de eiser voor diens aankoop van 80 pct. van de aandelen van MJ QUORUM nv; de wettelijke basis voor de verdeling van de bewijslast is gelegen in zowel artikel 1315 Oud Burgerlijk Wetboek als artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing; het middel laat na ook schending aan te voeren van artikel 870 Gerechtelijk Wetboek.
- De in het middel als geschonden vermelde wetsbepalingen volstaan om tot cassatie te kunnen leiden. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- De verweerster voert een tweede grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel kan niet tot cassatie leiden en heeft dus geen belang omdat de beslissing ook wordt verantwoord door de niet-bekritiseerde reden dat de eiser het bestaan van een lastgeving tussen partijen nooit heeft betwist.
- Anders dan waarvan de grond van niet-ontvankelijkheid uitgaat, laat de appelrechter zijn beslissing niet steunen op de vaststelling dat de eiser nooit heeft betwist dat hij de verweerster opdracht heeft gegeven het kapitaal te volstorten voor zijn aandeel, maar oordeelt hij dat dit niet volstaat. De tweede grond van niet-ontvankelijkheid die op een onjuiste lezing van het arrest berust, moet eveneens worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 1356, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek mag een bekentenis niet gesplitst worden ten nadele van diegene die ze heeft gedaan. De erkenning van het bestaan van een verbintenis en van de uitvoering ervan is onsplitsbaar in de zin van die bepaling. Deze onsplitsbaarheid wijzigt de regels van de bewijslast niet.
- Overeenkomstig artikel 1315, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek moet diegene die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan ervan bewijzen. Indien hij de bekentenis van diegene die zich heeft verbonden als bewijs van het bestaan van de verbintenis inroept, kan hij de in dezelfde bekentenis aangevoerde uitvoering van de verbintenis niet buiten beschouwing laten. Diegene die zich verbonden heeft dient deze aanvoering die geen exceptie is in de zin van artikel 1315, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, niet te bewijzen.
- De appelrechter oordeelt dat: - de meest voor de hand liggende rechtsgrond in de verhouding tussen de vennoot die voor een andere vennoot het kapitaal volgestort heeft, is deze van de lastgeving, waarbij de verweerster hier de lasthebber is; - de eiser haar opdracht heeft gegeven het kapitaal te volstorten voor zijn aandeel; - de eiser deze opdracht niet alleen nooit heeft betwist, en integendeel argumenteert dat hij zelf de opdracht gaf gelden door te storten, die hij naar eigen zeggen ter beschikking stelde van de verweerster; - de eiser niet naar genoegen van recht bewijst dat hij 49.200 euro aan de verweerster ter beschikking heeft gesteld, die zij in zijn opdracht op de vennootschapsrekening moest storten om zijn betalingsverplichting voor de aankoop van 80 pct. van de aandelen van MJ QUORUM nv na te komen; - uit wat voorafgaat volgt dat de verweerster met eigen gelden de volstortingsplicht van de beide vennoten nagekomen is; - minstens niet bewezen is dat het met gelden van of voor de eiser was. Met die redenen splitst de appelrechter de bekentenis van de eiser en schendt hij zodoende de artikelen 1315, 1354 en 1356 Oud Burgerlijk Wetboek. Het middel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 11 december 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201211.1N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130510.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div