← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 28q

uater, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafvordering - Ontvankelijkheid - Vervolgingen - Vervolgingsbeleid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 28q

uater, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Non-discriminatiebeginsel - Strafvordering - Ontvankelijkheid - Openbaar ministerie - Vervolgingen - Vervolgingsbeleid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 28q

uater, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Non-discriminatiebeginsel - Strafvordering - Ontvankelijkheid - Openbaar ministerie - Vervolgingen - Vervolgingsbeleid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 28quater, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.0693.N I 1. D M V, beklaagde, 2. R R A A D, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Jan Leysen, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. II SMG bv, met zetel te 9320 Aalst (Erembodegem), Watermolenstraat 20, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc Serge Defrenne, met kantoor te 9090 Melle, Brusselsesteenweg 326, beklaagde, eiseres. III N A M V, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Sammy Bouzoumita, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Sleepstraat 172, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 mei 2020. De eisers I.1 en I.2 voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eisers I.1 en I.2 Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM: de appelrechters oordelen dat het bewijs van het moreel element van het misdrijf losstaat van het legaliteitsbeginsel; het legaliteitsbeginsel vereist evenwel dat een misdrijf duidelijk wordt gedefinieerd in de strafwet, zodat voldoende duidelijk en voorzienbaar is wanneer iemand dader of mededader kan zijn van een misdrijf en het onderscheid kan worden gemaakt tussen strafbare en niet-strafbare gedragingen; het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord. 2. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en, zo nodig, met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen. 3. Bij de beoordeling van de legaliteit van een strafbepaling dient de rechter onder meer rekening te houden met het vereiste van een moreel element dat bij elk misdrijf voorhanden moet zijn. Hiervan onderscheiden is de beoordeling van het bewijs van dat moreel element. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de conclusies van de beklaagde of zijn raadsman: het arrest beantwoordt niet de appelconclusie van de eisers I.1 en I.2 waarin zij hadden aangevoerd dat het onduidelijk is waar de verbalisanten de oplijsting van de toeristische verkeerswegen hebben teruggevonden, dat dit zeker niet is in het koninklijk besluit van 8 januari 1958 houdende bepaling van de toeristische verkeerswegen waarvoor regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken (hierna "KB 1958 Toeristische Verkeerswegen"), noch in het koninklijk besluit van 14 december 1959 waarbij regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken (hierna "KB 1959 Aanplakking"), terwijl uit het legaliteitsbeginsel voor de wetgever nochtans de verplichting voortvloeit om duidelijke en heldere strafwetten te maken die zekerheid scheppen over de grenzen van strafbare en niet-strafbare gedragingen; met de enkele vaststelling dat de reglementering kan worden geraadpleegd, beantwoordt het arrest niet het verweer dat de lijsten met toeristische verkeerswegen onvindbaar zijn en er derhalve geen zekerheid bestaat over de grens tussen strafbare en niet-strafbare gedragingen; aldus miskent het arrest de motiveringsplicht. 5. Het arrest beperkt zich niet tot de vaststelling dat de reglementering kan worden geraadpleegd. Het voegt daar ook nog aan toe (p. 8 en p. 11) dat: - voor zover de koninklijke besluiten of de bijlagen niet online raadpleegbaar zijn, men zich onder meer tot de bevoegde overheidsdienst kan wenden om nadere informatie en documentatie te verkrijgen; - de eisers I.1 en I.2 als eigenaar de mogelijkheid hadden te weten dat er een vergunningsplicht was en ook zij daarvan moesten uitgaan, onder meer gelet op de opvallende plaats die dergelijke reclamepanelen innemen in het (straat)beeld of de omgeving en gelet op de toch wel hoge vergoedingen die zij ontvingen. Met die redenen verwerpt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66, derde lid, en 100 Strafwetboek, artikel 200 Wetboek diverse rechten en taksen en de artikelen 1 en 8 KB 1959 Aanplakking: de regels inzake strafbare deelneming, opgenomen in hoofdstuk VII van het Strafwetboek, zijn bij gebrek aan een uitdrukkelijke bepaling die in de toepassing ervan voorziet, niet van toepassing op bijzondere strafwetten, waaronder het KB 1959 Aanplakking; door de eisers I.1 en I.2 te veroordelen wegens hun noodzakelijke medewerking aan het misdrijf, beschouwt het arrest hen als strafbare deelnemers en is de beslissing niet naar recht verantwoord. 7. Artikel 200, tweede lid, Wetboek diverse rechten en taksen, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, bepaalt dat de overtredingen van de koninklijke besluiten, ter uitvoering van dit artikel genomen, worden gestraft met een boete van 50,00 euro tot 2.000,00 euro en dat het bepaalde in het eerste boek van het Strafwetboek van toepassing is op die overtredingen. Bijgevolg zijn ook de artikelen van hoofdstuk VII van het Strafwetboek met betrekking tot de strafbare deelneming van toepassing op de in die bepaling bedoelde misdrijven, waaronder de inbreuken op het KB 1959 Aanplakking. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 200 Wetboek diverse rechten en taksen en de artikelen 1 en 8 KB 1959 Aanplakking: voor de strafbaarheid van een inbreuk op het verbod om langs toeristische verkeerswegen aanplakbrieven aan te brengen of te behouden of enig ander visueel reclame- of publiciteitsmiddel te gebruiken, is een algemeen opzet vereist; door de eisers I.1 en I.2 te veroordelen omdat zij hun onroerend goed ter beschikking hebben gesteld terwijl zij moesten weten dat er een vergunningsplicht was en zij zonodig zelf dienden te informeren naar de toepasselijke regelgeving, stelt het arrest bij de eisers I.1 en I.2 slechts onachtzaamheid vast, namelijk een miskenning van de algemeen geldende zorgvuldigheidsplicht op grond waarvan men zich in het rechtsverkeer dermate bedachtzaam en omzichtig dient te gedragen dat handelingen of onthoudingen geen gevolgen kunnen veroorzaken die strafrechtelijk beschermde rechtsgoederen of rechtsbelangen aantasten. 9. Wanneer de wet bij een delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, bestaat de schuld in beginsel uit het feit dat de dader ofwel de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, ofwel onachtzaam handelde, tenzij die laatste schuldvorm door de aard van het misdrijf of de wil van de wetgever uitgesloten is. 10. Het misdrijf dat erin bestaat om langs toeristische verkeerswegen aanplakbrieven aan te brengen of te behouden of enig ander visueel reclame- of publiciteitsmiddel te gebruiken, kan uit zijn aard zelf slechts het gewild gevolg zijn van een vrijwillig gestelde handeling. 11. Het arrest oordeelt niet dat de eisers I.1 en I.2 onachtzaam hebben gehandeld. Het oordeelt integendeel (p. 11) dat de eisers I.1 en I.2 hun onroerend goed ter beschikking hebben gesteld om de reclameborden aan te bevestigen en dat zij bijgevolg noodzakelijke medewerking verleenden aan het misdrijf. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Middelen van de eiseres II Eerste middel 12. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR, de artikelen 12 en 14 Grondwet en artikel 2 Strafwetboek, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de toepasselijke strafbepalingen duidelijk en afdoende voorzienbaar zijn en de strafvordering ontvankelijk is; een strafbepaling voldoet slechts aan het vereiste van de legaliteit wanneer de als strafbaar gestelde gedraging op voldoende precieze wijze wordt omschreven, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorspelbaar is; de strafbaarstelling van de overtreding van het verbod om langs toeristische verkeerswegen publiciteitsmiddelen aan te brengen door het KB 1959 Aanplakking voldoet niet aan dit vereiste; op grond van de bepalingen van dit koninklijk besluit en van de bijlage bij het KB 1958 Toeristische Verkeerswegen is het niet duidelijk welke wegen worden beschouwd als toeristische verkeerswegen die onder het publiciteitsverbod vallen; immers zijn er meer dan tien koninklijke besluiten waardoor zowel een gespecialiseerd studiebureau als het gemeentebestuur, dat zelfs een aanslag vestigde op de reclamepanelen, het toepasselijke besluit niet kunnen nagaan; bovendien maakt de bijlage bij het KB 1958 Toeristische Verkeerswegen gebruik van verouderde benamingen, waardoor het onmogelijk is te weten over welke verkeerswegen het gaat, en kan die bijlage niet worden geraadpleegd via de webstek van het Belgisch Staatsblad. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters antwoorden niet op de appelconclusie van de eiseres II waarin werd aangevoerd dat de beoordeling van de redelijke voorzienbaarheid van de strafbepaling moet worden getoetst aan vier criteria, namelijk de vereiste van een moreel element in elk misdrijf, de interpretatie van de strafbepaling in het licht van de doelstellingen van de wetgever en de wetsgeschiedenis, de door de rechtscolleges gegeven interpretatie van de strafbepaling en de bijzondere hoedanigheid of functie van de persoon tot wie de strafbepaling zich richt, zijn bijzondere vertrouwdheid met de materie of het gegeven dat hij beroepsmatig beschikt of kan beschikken over goede informatie; bijgevolg is het arrest, in zoverre het verzuimt te toetsen aan de voormelde vier criteria, niet regelmatig met redenen omkleed en ook niet naar recht verantwoord. 13. In zoverre de onderdelen betrekking hebben op de overweging van het arrest dat het bewijs van het moreel element van het misdrijf losstaat van het legaliteitsbeginsel, hebben ze eenzelfde strekking als het eerste onderdeel van het eerste middel van de eisers I.1 en I.2, en moeten ze om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen worden verworpen. 14. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en, zo nodig, met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen. 15. Artikel 200 Wetboek diverse rechten en taksen en artikel 1 KB 1959 Aanplakking omschrijven op een precieze wijze de strafbaar gestelde gedraging, bestaande in de overtreding van het verbod om op bepaalde plaatsen, waaronder toeristische verkeerswegen, aanplakbrieven aan te brengen of te behouden en enig ander visueel reclame- of publiciteitsmiddel te gebruiken. De kwalificatie van een weg als een toeristische verkeersweg houdt geen verband met de interpretatie van die misdrijfomschrijving. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht. 16. Wanneer de wet bij een misdrijfomschrijving verwijst naar bestuursrechtelijke gegevens die deel uitmaken van de strafbaarstelling, vereist het legaliteitsbeginsel dat de persoon op wie die strafbaarstelling van toepassing is, die bestuursrechtelijke gegevens redelijkerwijze kan kennen of er kennis kan van nemen, zodat de strafbaarheid van de strafbaar gestelde gedraging voor hem voorzienbaar is. De legaliteit van de strafbaarstelling van de overtreding van het verbod om onder meer op de door de bevoegde overheid aangewezen toeristische verkeerswegen aanplakbrieven aan te brengen of te behouden en enig ander visueel reclame- of publiciteitsmiddel te gebruiken, veronderstelt dan ook dat de betrokkene redelijkerwijze kan weten of een weg waarlangs hij dergelijke publiciteit wil aanbrengen, als een toeristische verkeersweg moet worden beschouwd. 17. Uit de enkele omstandigheid dat er geen geconsolideerde lijst van toeristische verkeerswegen voorhanden is, de nummering van die wegen is gewijzigd en niet via een webstek van de overheid kan worden nagegaan of een bepaalde weg als een toeristische verkeersweg moet worden beschouwd, kan niet worden afgeleid dat de betrokkene redelijkerwijze niet kon weten of een bepaalde weg als een toeristische verkeersweg moet worden beschouwd. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht. 18. Volgens artikel 1 KB 1958 Toeristische Verkeerswegen worden onder de toeristische verkeerswegen begrepen : 1° de autosnelwegen en de toegangswegen bedoeld bij artikel 1 van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen; 2° de wegen die lopen door de landschappen bedoeld bij het koninklijk besluit van 5 december 1957 houdende bepaling van de landschappen waarvoor regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken, en de wegen die deze landschappen begrenzen; 3° de wegen vermeld in de bijlage bij dit besluit. 19. De toeristische verkeerswegen waarop artikel 1 KB 1959 Aanplakking van toepassing is, zijn niet beperkt tot deze die worden vermeld in de bijlage bij het KB 1958 Toeristische Verkeerswegen. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht. 20. De appelrechters (p. 7-8 en 10) oordelen dat: - de draagwijdte van de wetsbepalingen afdoende voorzienbaar is en de wetsbepalingen in duidelijke bewoordingen zijn gesteld, zodat de eisers konden uitmaken of hun gedrag al dan niet strafbaar is; - het loutere gegeven dat de wetgeving volgens de eisers verouderd, complex en versnipperd zou zijn, op zich geen miskenning inhoudt van het legaliteitsbeginsel; - de reglementering wel degelijk kan worden geraadpleegd, waarbij men, voor zover de (bijlagen van

  1. de)koninklijke besluiten niet online raadpleegbaar zijn, zich onder meer tot de bevoegde overheidsdienst kan wenden om nadere informatie en documentatie te verkrijgen; - de loutere bewering dat de eiseres II slecht werd geadviseerd, zelfs door een geschikt persoon, evenmin volstaat om te stellen dat een normaal vooruitziend persoon onmogelijk de draagwijdte van de wetgeving kan inschatten; - de eiseressen II en III als professionelen actief zijn in de sector van de reclamepanelen, zodat van hen zeker mag worden verwacht dat zij minstens deze voor hun sector essentiële wetgeving kennen; - het feit dat de reclameborden bij de lokale overheid zouden zijn aangegeven en werden getaxeerd niet meebrengt dat de eiseressen II en III er konden van uitgaan dat de toestand wettelijk was. 21. Het arrest beantwoordt aldus de appelconclusie van de eiseres II in verband met de redelijke voorzienbaarheid van het misdrijf en stelt naar recht vast dat het voor de eiseres II redelijk voorzienbaar was dat er sprake was van toeristische wegen waarop de verbodsbepaling van artikel 1 KB 1959 Aanplakking van toepassing is. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Tweede middel 22. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15 IVBPR en de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet: het appelgerecht acht zich niet bevoegd om te oordelen over het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie en oordeelt dat niet is aangetoond dat de vervolging tegen de eiseres II willekeurig of arbitrair zou zijn; het prerogatief van het openbaar ministerie om bij toepassing van artikel 28quater Wetboek van Strafvordering te oordelen over de opportuniteit van een strafvervolging houdt niet in dat de vervolging arbitrair of willekeurig mag zijn, wat door de rechter kan worden getoetst; in haar appelconclusie heeft de eiseres II aangevoerd dat er sprake is van meerdere reclamepanelen in hetzelfde arrondissement geplaatst door andere personen, waaronder het gemeentebestuur, waartegen niet wordt opgetreden; het arrest dat nalaat te antwoorden op die argumenten is niet regelmatig met reden omkleed en ook niet naar recht verantwoord, daar er sprake is van een onaanvaardbare ongelijke behandeling, waardoor de strafvordering tegen de eiseres II blijk geeft van een arbitraire en willekeurige vervolging en een miskenning inhoudt van het gelijkheids- en wettigheidsbeginsel. 23. Overeenkomstig artikel 28quater, eerste lid, Wetboek van Strafvordering oordeelt de procureur des Konings over de opportuniteit van de vervolging. Het komt de strafrechter niet toe de bij hem aanhangig gemaakte strafvervolging op haar opportuniteit te toetsen. De loutere omstandigheid dat een beklaagde wordt vervolgd terwijl anderen, die in dezelfde of gelijkaardige omstandigheden een gelijkaardig misdrijf zouden hebben gepleegd, niet worden vervolgd, neemt de strafbaarheid van het door de eerstgenoemde gepleegde misdrijf niet weg en impliceert niet dat de tegen hem ingestelde strafvordering arbitrair, willekeurig en derhalve niet-ontvankelijk zou zijn, noch dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn miskend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 24. Het arrest (p. 8) oordeelt dat: - het gegeven dat volgens de beklaagden in andere arrondissementen voor gelijkaardige feiten geen vervolging meer wordt ingesteld, niet is aangetoond; - het hof van beroep niet te oordelen heeft over de diverse reclameborden die de eiseres II aan haar stukkenbundel voegt ter ondersteuning van haar stelling dat andere overtreders ongemoeid zouden worden gelaten; - het hof van beroep niet bevoegd is om te oordelen over het vervolgingsbeleid dat alleen toekomt aan het openbaar ministerie; - de omstandigheid dat ten aanzien van de eisers, waaronder de eiseres II, wel vervolging werd ingesteld, op zich niet aantoont dat deze willekeurig of arbitrair is; - uit het enkele feit dat het openbaar ministerie voor elk geval afzonderlijk oordeelt of het wenselijk is vervolging in te stellen, geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel kan worden afgeleid; - de omstandigheid dat het openbaar ministerie een bepaalde verdachte wel en een andere verdachte van wie wordt beweerd dat die zich in dezelfde toestand bevindt, niet vervolgt, de strafbaarheid niet wegneemt van de verdachte die wel vervolgd wordt en de geldigheid van de strafvordering niet aantast. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat er geen sprake is van een willekeurige of arbitraire vervolging door het openbaar ministerie en beantwoorden ze het desbetreffende verweer van de eiseres II. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel 25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest veroordeelt de eiseres II en de eiseres III elk tot een effectieve geldboete van 50,00 euro en verantwoordt die straf door hun strafverleden, namelijk het blanco strafregister van de eiseres II enerzijds en de omstandigheid dat de eiseres III reeds een veroordeling heeft opgelopen wegens een verkeersinbreuk anderzijds; aldus wordt een identieke straf opgelegd op basis van tegenstrijdige, minstens dubbelzinnige redenen. 26. Het arrest (p.12) verantwoordt de aan de eiseressen II en III opgelegde straffen niet louter door hun strafverleden, maar ook door de omstandigheid dat zij wetens en willens jarenlang hebben gehandeld in strijd met de verbodsbepalingen over het maken van publiciteit langs een als toeristisch aangewezen weg, dat zij op die manier hebben bijgedragen tot de teloorgang van het toeristisch karakter van de betrokken weg en dat zij daarbij enkel geldgewin voor ogen hadden. Bij het bepalen van de omvang van de geldboete houdt het arrest rekening met de duur van de feiten, het aantal inbreuken en het gegeven dat, wat de eiseres II betreft, de feiten werden gepleegd met een illegaal winstoogmerk en in een professioneel kader, en, wat de eiseres III betreft, het gegeven dat de feiten beroepshalve werden gepleegd met een illegaal winstoogmerk. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 10 Grondwet: het arrest veroordeelt de eiseres II en de eiseres III tot een identieke straf op grond van hun strafverleden, dat fundamenteel verschillend is; door geen rekening te houden met dit fundamentele verschil, miskennen de appelrechters het gelijkheidsbeginsel. 28. De aangevoerde onwettigheid is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde tegenstrijdigheid of dubbelzinnigheid in de motivering. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Middelen van de eiseres III Eerste middel Eerste onderdeel 29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12, 14 en 149 Grondwet, artikel 200 Wetboek diverse rechten en taksen en de artikelen 1 en 8 KB 1959 Aanplakking, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken: het arrest oordeelt dat de strafbepaling voldoet aan de vereiste voorzienbaarheid, zonder te antwoorden op de appelconclusie van de eiseres III; in die conclusie had de eiseres III aangevoerd dat bij de beoordeling van de redelijke voorzienbaarheid van de strafbepaling rekening moet worden gehouden met vier voorwaarden, namelijk de interpretatie van de strafbepaling in het licht van de doelstellingen van de wetgever en de wetsgeschiedenis, het vereiste van een moreel element in elk misdrijf, de bijzondere hoedanigheid of functie van de persoon tot wie de strafbepaling zich richt en de door de rechtscolleges gegeven interpretatie van de strafbepaling; met het antwoord dat het in gevaar brengen van de verkeersveiligheid geen constitutief bestanddeel uitmaakt van het misdrijf en dat het moreel element losstaat van het legaliteitsbeginsel, antwoordt het arrest bovendien niet op een regelmatige wijze op de argumenten van de eiseres III dat de doelstelling van de wetgever strekte tot het verzekeren van de verkeersveiligheid en dat rekening moet worden gehouden met het vereiste van een moreel element in elk misdrijf. 30. Het arrest (p. 10, laatste alinea) oordeelt dat het al dan niet in gevaar brengen van de verkeersveiligheid geen constitutief bestanddeel uitmaakt van de telastlegging. Hiermee beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiseres III dat de doelstelling van de wetgever volgens haar zou bestaan in het verzekeren van de verkeersveiligheid en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 31. Door te oordelen dat het moreel element van het misdrijf betrekking heeft op het bewijs van de toerekenbaarheid van een misdrijf, wat losstaat van het legaliteitsbeginsel, beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiseres III dat om de voorzienbaarheid van een norm na te gaan ook rekening moet worden gehouden met het vereiste van een moreel element in elk misdrijf. Om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel van de eisers I.1 en I.2 verantwoorden zij hun beslissing in dit verband ook naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 32. Met de redenen, vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiseres II, beantwoorden de appelrechters de overige in het onderdeel vermelde verweermiddelen van de eiseres III met betrekking tot het legaliteitsbeginsel en verantwoorden zij naar recht de beslissing dat de draagwijdte van de strafbepaling afdoende voorzienbaar is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 33. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, de artikelen 12 en 14 Grondwet, artikel 200 Wetboek diverse rechten en taksen en de artikelen 1 en 8 KB 1959 Aanplakking, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken: het arrest oordeelt dat de reglementering van de toeristische wegen wel degelijk kan worden geraadpleegd en dat, voor zover de (bijlagen van
  2. de)koninklijke besluiten niet online raadpleegbaar zijn, men zich onder meer tot de bevoegde overheidsdiensten kan wenden om nadere informatie en documentatie te verkrijgen; aldus stelt het arrest niet in concreto vast dat de reglementering raadpleegbaar is en oordeelt het niet wettig dat die reglementering voorzienbaar is. 34. Met het oordeel dat de reglementering van de toeristische wegen kan worden geraadpleegd en dat, voor zover de (bijlagen van
  3. de)koninklijke besluiten niet online raadpleegbaar zijn, men zich onder meer tot de bevoegde overheidsdiensten kan wenden om nadere informatie en documentatie te verkrijgen, stellen de appelrechters vast dat de eiseres III wel degelijk in staat was om de reglementering over de toeristische wegen te kennen. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Tweede middel 35. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 71 Strafwetboek, artikel 200 Wetboek diverse rechten en taksen en de artikelen 1 en 8 KB 1959 Aanplakking, alsook miskenning van de bewijsregels in strafzaken: het arrest oordeelt dat er geen sprake is van enige grond van rechtvaardiging, schuldontheffing en niet-toerekeningsvatbaarheid; evenwel kon de eiseres III als normaal vooruitziend persoon onmogelijk inschatten dat de reclamepanelen wederrechtelijk waren aangebracht, gelet op de omstandigheid dat de bijlagen bij de koninklijke besluiten niet raadpleegbaar waren, zij werd geadviseerd door een professionele firma en zij zelfs werd belast op de reclamepanelen door de gemeentelijke overheid; door de aldus aangevoerde dwaling als rechtvaardigingsgrond te verwerpen, legt het arrest de bewijslast in dit verband ten onrechte niet bij het openbaar ministerie. 36. Het arrest (p. 8 en 10) oordeelt dat: - de reglementering van de toeristische wegen wel degelijk kan worden geraadpleegd en dat, voor zover de (bijlagen van
  4. de)koninklijke besluiten niet online raadpleegbaar zijn, men zich onder meer tot de bevoegde overheidsdiensten kan wenden om nadere informatie en documentatie te verkrijgen; - de eiseres III als zaakvoerder, thans bestuurder, van de eiseres II wetens en willens handelde; - de eiseressen II en III beiden professioneel actief zijn in de sector waarop de telastleggingen betrekking hebben en zich derhalve terdege dienden te informeren; - de loutere bewering dat de eiseressen II en III slecht werden geadviseerd, zelfs door een geschikt persoon, waaromtrent de eiseressen II en III niet enig stuk voorleggen, op zich niet volstaat om te stellen dat een normaal vooruitziend persoon onmogelijk de draagwijdte van de wetgeving kon inschatten, noch om een wetens en willens handelen uit te sluiten; - het feit dat de reclameborden bij de lokale overheid zouden zijn aangegeven en werden getaxeerd, evenmin meebrengt dat de eiseressen II en III er konden van uitgaan dat de toestand wettelijk was. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat er geen sprake is van enige grond van rechtvaardiging, schuldontheffing en niet-toerekeningsvatbaarheid, zonder de bewijslast in dit verband op de eiseres III te leggen. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 37. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn wat de eiseressen II en III betreft overeenkomstig de wet gewezen en bevatten wat de eisers I betreft geen onwettigheden die hen kunnen grieven. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 125,40 euro waarvan de eiser I, II en III elk 41,80 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 15 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.14 Gerelateerde publicatie(
  5. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081125.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150429.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.