uater, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafvordering - Ontvankelijkheid - Vervolgingen - Vervolgingsbeleid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
uater, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Non-discriminatiebeginsel - Strafvordering - Ontvankelijkheid - Openbaar ministerie - Vervolgingen - Vervolgingsbeleid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
uater, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Non-discriminatiebeginsel - Strafvordering - Ontvankelijkheid - Openbaar ministerie - Vervolgingen - Vervolgingsbeleid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
P.20.0693.N I 1. D M V, beklaagde, 2. R R A A D, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Jan Leysen, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. II SMG bv, met zetel te 9320 Aalst (Erembodegem), Watermolenstraat 20, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc Serge Defrenne, met kantoor te 9090 Melle, Brusselsesteenweg 326, beklaagde, eiseres. III N A M V, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Sammy Bouzoumita, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Sleepstraat 172, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 mei 2020. De eisers I.1 en I.2 voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eisers I.1 en I.2 Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM: de appelrechters oordelen dat het bewijs van het moreel element van het misdrijf losstaat van het legaliteitsbeginsel; het legaliteitsbeginsel vereist evenwel dat een misdrijf duidelijk wordt gedefinieerd in de strafwet, zodat voldoende duidelijk en voorzienbaar is wanneer iemand dader of mededader kan zijn van een misdrijf en het onderscheid kan worden gemaakt tussen strafbare en niet-strafbare gedragingen; het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord. 2. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en, zo nodig, met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen. 3. Bij de beoordeling van de legaliteit van een strafbepaling dient de rechter onder meer rekening te houden met het vereiste van een moreel element dat bij elk misdrijf voorhanden moet zijn. Hiervan onderscheiden is de beoordeling van het bewijs van dat moreel element. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de conclusies van de beklaagde of zijn raadsman: het arrest beantwoordt niet de appelconclusie van de eisers I.1 en I.2 waarin zij hadden aangevoerd dat het onduidelijk is waar de verbalisanten de oplijsting van de toeristische verkeerswegen hebben teruggevonden, dat dit zeker niet is in het koninklijk besluit van 8 januari 1958 houdende bepaling van de toeristische verkeerswegen waarvoor regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken (hierna "KB 1958 Toeristische Verkeerswegen"), noch in het koninklijk besluit van 14 december 1959 waarbij regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken (hierna "KB 1959 Aanplakking"), terwijl uit het legaliteitsbeginsel voor de wetgever nochtans de verplichting voortvloeit om duidelijke en heldere strafwetten te maken die zekerheid scheppen over de grenzen van strafbare en niet-strafbare gedragingen; met de enkele vaststelling dat de reglementering kan worden geraadpleegd, beantwoordt het arrest niet het verweer dat de lijsten met toeristische verkeerswegen onvindbaar zijn en er derhalve geen zekerheid bestaat over de grens tussen strafbare en niet-strafbare gedragingen; aldus miskent het arrest de motiveringsplicht. 5. Het arrest beperkt zich niet tot de vaststelling dat de reglementering kan worden geraadpleegd. Het voegt daar ook nog aan toe (p. 8 en p. 11) dat: - voor zover de koninklijke besluiten of de bijlagen niet online raadpleegbaar zijn, men zich onder meer tot de bevoegde overheidsdienst kan wenden om nadere informatie en documentatie te verkrijgen; - de eisers I.1 en I.2 als eigenaar de mogelijkheid hadden te weten dat er een vergunningsplicht was en ook zij daarvan moesten uitgaan, onder meer gelet op de opvallende plaats die dergelijke reclamepanelen innemen in het (straat)beeld of de omgeving en gelet op de toch wel hoge vergoedingen die zij ontvingen. Met die redenen verwerpt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66, derde lid, en 100 Strafwetboek, artikel 200 Wetboek diverse rechten en taksen en de artikelen 1 en 8 KB 1959 Aanplakking: de regels inzake strafbare deelneming, opgenomen in hoofdstuk VII van het Strafwetboek, zijn bij gebrek aan een uitdrukkelijke bepaling die in de toepassing ervan voorziet, niet van toepassing op bijzondere strafwetten, waaronder het KB 1959 Aanplakking; door de eisers I.1 en I.2 te veroordelen wegens hun noodzakelijke medewerking aan het misdrijf, beschouwt het arrest hen als strafbare deelnemers en is de beslissing niet naar recht verantwoord. 7. Artikel 200, tweede lid, Wetboek diverse rechten en taksen, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, bepaalt dat de overtredingen van de koninklijke besluiten, ter uitvoering van dit artikel genomen, worden gestraft met een boete van 50,00 euro tot 2.000,00 euro en dat het bepaalde in het eerste boek van het Strafwetboek van toepassing is op die overtredingen. Bijgevolg zijn ook de artikelen van hoofdstuk VII van het Strafwetboek met betrekking tot de strafbare deelneming van toepassing op de in die bepaling bedoelde misdrijven, waaronder de inbreuken op het KB 1959 Aanplakking. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 200 Wetboek diverse rechten en taksen en de artikelen 1 en 8 KB 1959 Aanplakking: voor de strafbaarheid van een inbreuk op het verbod om langs toeristische verkeerswegen aanplakbrieven aan te brengen of te behouden of enig ander visueel reclame- of publiciteitsmiddel te gebruiken, is een algemeen opzet vereist; door de eisers I.1 en I.2 te veroordelen omdat zij hun onroerend goed ter beschikking hebben gesteld terwijl zij moesten weten dat er een vergunningsplicht was en zij zonodig zelf dienden te informeren naar de toepasselijke regelgeving, stelt het arrest bij de eisers I.1 en I.2 slechts onachtzaamheid vast, namelijk een miskenning van de algemeen geldende zorgvuldigheidsplicht op grond waarvan men zich in het rechtsverkeer dermate bedachtzaam en omzichtig dient te gedragen dat handelingen of onthoudingen geen gevolgen kunnen veroorzaken die strafrechtelijk beschermde rechtsgoederen of rechtsbelangen aantasten. 9. Wanneer de wet bij een delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, bestaat de schuld in beginsel uit het feit dat de dader ofwel de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, ofwel onachtzaam handelde, tenzij die laatste schuldvorm door de aard van het misdrijf of de wil van de wetgever uitgesloten is. 10. Het misdrijf dat erin bestaat om langs toeristische verkeerswegen aanplakbrieven aan te brengen of te behouden of enig ander visueel reclame- of publiciteitsmiddel te gebruiken, kan uit zijn aard zelf slechts het gewild gevolg zijn van een vrijwillig gestelde handeling. 11. Het arrest oordeelt niet dat de eisers I.1 en I.2 onachtzaam hebben gehandeld. Het oordeelt integendeel (p. 11) dat de eisers I.1 en I.2 hun onroerend goed ter beschikking hebben gesteld om de reclameborden aan te bevestigen en dat zij bijgevolg noodzakelijke medewerking verleenden aan het misdrijf. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Middelen van de eiseres II Eerste middel 12. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR, de artikelen 12 en 14 Grondwet en artikel 2 Strafwetboek, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de toepasselijke strafbepalingen duidelijk en afdoende voorzienbaar zijn en de strafvordering ontvankelijk is; een strafbepaling voldoet slechts aan het vereiste van de legaliteit wanneer de als strafbaar gestelde gedraging op voldoende precieze wijze wordt omschreven, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorspelbaar is; de strafbaarstelling van de overtreding van het verbod om langs toeristische verkeerswegen publiciteitsmiddelen aan te brengen door het KB 1959 Aanplakking voldoet niet aan dit vereiste; op grond van de bepalingen van dit koninklijk besluit en van de bijlage bij het KB 1958 Toeristische Verkeerswegen is het niet duidelijk welke wegen worden beschouwd als toeristische verkeerswegen die onder het publiciteitsverbod vallen; immers zijn er meer dan tien koninklijke besluiten waardoor zowel een gespecialiseerd studiebureau als het gemeentebestuur, dat zelfs een aanslag vestigde op de reclamepanelen, het toepasselijke besluit niet kunnen nagaan; bovendien maakt de bijlage bij het KB 1958 Toeristische Verkeerswegen gebruik van verouderde benamingen, waardoor het onmogelijk is te weten over welke verkeerswegen het gaat, en kan die bijlage niet worden geraadpleegd via de webstek van het Belgisch Staatsblad. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters antwoorden niet op de appelconclusie van de eiseres II waarin werd aangevoerd dat de beoordeling van de redelijke voorzienbaarheid van de strafbepaling moet worden getoetst aan vier criteria, namelijk de vereiste van een moreel element in elk misdrijf, de interpretatie van de strafbepaling in het licht van de doelstellingen van de wetgever en de wetsgeschiedenis, de door de rechtscolleges gegeven interpretatie van de strafbepaling en de bijzondere hoedanigheid of functie van de persoon tot wie de strafbepaling zich richt, zijn bijzondere vertrouwdheid met de materie of het gegeven dat hij beroepsmatig beschikt of kan beschikken over goede informatie; bijgevolg is het arrest, in zoverre het verzuimt te toetsen aan de voormelde vier criteria, niet regelmatig met redenen omkleed en ook niet naar recht verantwoord. 13. In zoverre de onderdelen betrekking hebben op de overweging van het arrest dat het bewijs van het moreel element van het misdrijf losstaat van het legaliteitsbeginsel, hebben ze eenzelfde strekking als het eerste onderdeel van het eerste middel van de eisers I.1 en I.2, en moeten ze om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen worden verworpen. 14. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en, zo nodig, met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen. 15. Artikel 200 Wetboek diverse rechten en taksen en artikel 1 KB 1959 Aanplakking omschrijven op een precieze wijze de strafbaar gestelde gedraging, bestaande in de overtreding van het verbod om op bepaalde plaatsen, waaronder toeristische verkeerswegen, aanplakbrieven aan te brengen of te behouden en enig ander visueel reclame- of publiciteitsmiddel te gebruiken. De kwalificatie van een weg als een toeristische verkeersweg houdt geen verband met de interpretatie van die misdrijfomschrijving. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht. 16. Wanneer de wet bij een misdrijfomschrijving verwijst naar bestuursrechtelijke gegevens die deel uitmaken van de strafbaarstelling, vereist het legaliteitsbeginsel dat de persoon op wie die strafbaarstelling van toepassing is, die bestuursrechtelijke gegevens redelijkerwijze kan kennen of er kennis kan van nemen, zodat de strafbaarheid van de strafbaar gestelde gedraging voor hem voorzienbaar is. De legaliteit van de strafbaarstelling van de overtreding van het verbod om onder meer op de door de bevoegde overheid aangewezen toeristische verkeerswegen aanplakbrieven aan te brengen of te behouden en enig ander visueel reclame- of publiciteitsmiddel te gebruiken, veronderstelt dan ook dat de betrokkene redelijkerwijze kan weten of een weg waarlangs hij dergelijke publiciteit wil aanbrengen, als een toeristische verkeersweg moet worden beschouwd. 17. Uit de enkele omstandigheid dat er geen geconsolideerde lijst van toeristische verkeerswegen voorhanden is, de nummering van die wegen is gewijzigd en niet via een webstek van de overheid kan worden nagegaan of een bepaalde weg als een toeristische verkeersweg moet worden beschouwd, kan niet worden afgeleid dat de betrokkene redelijkerwijze niet kon weten of een bepaalde weg als een toeristische verkeersweg moet worden beschouwd. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht. 18. Volgens artikel 1 KB 1958 Toeristische Verkeerswegen worden onder de toeristische verkeerswegen begrepen : 1° de autosnelwegen en de toegangswegen bedoeld bij artikel 1 van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen; 2° de wegen die lopen door de landschappen bedoeld bij het koninklijk besluit van 5 december 1957 houdende bepaling van de landschappen waarvoor regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken, en de wegen die deze landschappen begrenzen; 3° de wegen vermeld in de bijlage bij dit besluit. 19. De toeristische verkeerswegen waarop artikel 1 KB 1959 Aanplakking van toepassing is, zijn niet beperkt tot deze die worden vermeld in de bijlage bij het KB 1958 Toeristische Verkeerswegen. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht. 20. De appelrechters (p. 7-8 en 10) oordelen dat: - de draagwijdte van de wetsbepalingen afdoende voorzienbaar is en de wetsbepalingen in duidelijke bewoordingen zijn gesteld, zodat de eisers konden uitmaken of hun gedrag al dan niet strafbaar is; - het loutere gegeven dat de wetgeving volgens de eisers verouderd, complex en versnipperd zou zijn, op zich geen miskenning inhoudt van het legaliteitsbeginsel; - de reglementering wel degelijk kan worden geraadpleegd, waarbij men, voor zover de (bijlagen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.