id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.15 Rolnummer: P.20.1160.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Strafrecht Invoerdatum: 2020-12-17 Raadplegingen: 881 - laatst gezien 2026-06-17 07:30 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit de bepalingen van artikel 14.1 van het Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen en van artikel 21, § 1, van de Wet van 21 mei 2013 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op het toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie, volgt niet dat een strafuitvoeringsrechtbank die op basis van de op het ogenblik van de behandeling van de zaak beschikbare gegevens moet oordelen over een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling, het gewijsde van de herroeping door een Belgische strafuitvoeringsrechtbank van de door een strafuitvoeringsrechtbank in een andere lidstaat toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling, niet in aanmerking moet nemen
(1)Kaderbesluit 2008/947/JBZ, Pb.L. 16 december 2008, afl 337, 102 zoals gewijzigd door het Kaderbesluit Raad nr. 2009/299/JBZ, 26 februari 2009 tot wijziging van kaderbesluit 2002/584/JBZ, kaderbesluit 2005/214/JBZ, kaderbesluit 2006/783/JBZ, kaderbesluit 2008/909/JBZ en kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces, Pb.L. 27 maart 2009, afl. 81, 24; Wet van 21 mei 2013, BS 13 juni 2013; J. VAN GAEVER, "Wordt Michelle Martin straks opgenomen in een Kroatisch klooster? Een toelichting bij het Kaderbesluit Probatie", T. Strafr., 2014/2, 91-
- Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Kaderbesluit Wederzijdse Erkenning Proeftijdbeslissingen - Voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend door een andere lidstaat - Wet Wederzijdse Erkenning Probatie - Herroeping door een Belgische strafuitvoeringsrechtbank - Verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling - Beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank - Omvang Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen - 27-11-2008 - Art. 14.1 Wet 21 mei 2013 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op het toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese unie - 21-05-2013 - Art. 21, § 1 - 14 ELI link Pub nr 2013009242 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Europese Unie - Kaderbesluit Wederzijdse Erkenning Proeftijdbeslissingen - Voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend door een andere lidstaat - Wet Wederzijdse Erkenning Probatie - Herroeping door een Belgische strafuitvoeringsrechtbank - Verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling - Beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank - Omvang Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen - 27-11-2008 - Art. 14.1 Wet 21 mei 2013 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op het toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese unie - 21-05-2013 - Art. 21, § 1 - 14 ELI link Pub nr 2013009242 Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Europese Unie - Kaderbesluit Wederzijdse Erkenning Proeftijdbeslissingen - Voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend door een andere lidstaat - Wet Wederzijdse Erkenning Probatie - Herroeping door een Belgische strafuitvoeringsrechtbank - Verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling - Beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank - Omvang Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen - 27-11-2008 - Art. 14.1 Wet 21 mei 2013 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op het toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese unie - 21-05-2013 - Art. 21, § 1 - 14 ELI link Pub nr 2013009242 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1160.N W R, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 13 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE PROCEDURE
- Bij arrest van het hof van assisen van het Departement Nord (Frankrijk) van 23 oktober 2009 werd de eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaar wegens zedenmisdrijven ten aanzien van minderjarigen. Sedert 2006 verbleef hij voor deze feiten in voorlopige hechtenis in Frankrijk.
- Bij vonnis van 19 juni 2017 stelde de strafuitvoeringsrechtbank te Rijsel (Frankrijk) de eiser in voorwaardelijke vrijheid. Eén van de voorwaarden betrof het verbod op het hebben of dragen van een wapen. De proeftijd vatte aan op het ogenblik van de overbrenging van de eiser naar België op 8 december
- Bij vonnis van 3 januari 2018 herriep de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, eisers invrijheidstelling wegens de niet-naleving van de voorwaarde van het verbod op wapenbezit. De schending van deze voorwaarde was op 8 december 2017 vastgesteld te Gent, waarna de eiser reeds voorlopig was aangehouden. Tegen het vonnis van 3 januari 2018 werd geen rechtsmiddel ingesteld.
- Bij arrest van 24 maart 2020 sprak het hof van beroep te Gent de eiser vrij van de telastlegging om op 8 december 2017 zonder vergunning een vergunningsplichtig wapen, namelijk een vuurwapen en bijhorende munitie, voorhanden te hebben gehad. Dit arrest verkreeg kracht van gewijsde.
- Op 10 december 2019 diende de eiser een schriftelijk verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling in op de griffie van de gevangenis te Merksplas. De strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen behandelde de zaak op tegenspraak op de rechtszittingen van 2 juli 2020, 15 september 2020 en 3 november
- Bij vonnis van 13 november 2020 wees de strafuitvoeringsrechtbank eisers verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling en de overige verzoeken af.
- Het cassatieberoep dat de eiser op 17 november 2020 heeft ingesteld, is gericht tegen dit vonnis. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het op 14 december 2020 ter griffie ingediend stuk
- Dit stuk werd ingediend meer dan vijf dagen na het instellen van het cassatieberoep en is bijgevolg op grond van artikel 97, § 1, tweede lid, Wetboek strafvordering niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Artikel 96, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat voor de veroordeelde cassatieberoep openstaat tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de toekenning, de afwijzing, de herziening of de herroeping van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten, evenals de overeenkomstig Titel XI genomen beslissingen. De bijzondere strafuitvoeringsmodaliteit van de uitgaansvergunning die de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig artikel 59 Wet Strafuitvoering kan toestaan, is geen uitvoeringsmodaliteit bepaald in Titel V van de wet, noch een bijzondere voorwaarde als bedoeld in Titel XI van dezelfde wet. Tegen de beslissing over dergelijke bijzondere strafuitvoeringsmodaliteit staat voor de veroordeelde geen cassatieberoep open. In zoverre gericht tegen de afwijzing van de gevraagde uitgaansvergunningen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek: de rechters die het vonnis hebben gewezen, waren niet aanwezig op alle rechtszittingen waarop de zaak werd behandeld; dit was niet het geval op de rechtszitting van 2 juli 2020 waar de eiser een conclusie en stukken neerlegde, de zaak werd behandeld en verder uitgesteld naar de rechtszitting van 15 september 2020; blijkens het proces-verbaal van deze laatste rechtszitting liet de strafuitvoeringsrechtbank na de zaak ab initio te hernemen.
- Volgens artikel 779 Gerechtelijk Wetboek kan het vonnis, op straffe van nietigheid, enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die alle rechtszittingen over de zaak moeten hebben bijgewoond.
- De enkele omstandigheid dat een proces-verbaal van de rechtszitting niet vermeldt dat de behandeling van de zaak in haar geheel werd hernomen, houdt niet noodzakelijk in dat dit niet het geval is geweest. Het Hof kan uit de stukken van de rechtspleging afleiden of de behandeling van de zaak na wijziging van de samenstelling van de zetel al dan niet volledig is hernomen.
- Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 2 juli 2020 blijkt dat de eiser en zijn raadsman na de adviezen van de directeur en het openbaar ministerie te hebben gehoord, toelichting hebben verstrekt bij de neergelegde conclusie en stukken, waarbij om eisers voorwaardelijke invrijheidstelling en ondergeschikt om de toekenning van een uitgaansvergunning werd verzocht. Op verzoek van eisers raadsman werd de zaak uitgesteld naar de rechtszitting van 15 september
- Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 15 september 2020 blijkt dat de raadsman van de eiser een nieuwe conclusie heeft neergelegd en deze heeft toegelicht. Ter rechtszitting verzocht de raadsman opnieuw om eisers voorwaardelijke invrijheidstelling en ondergeschikt om de toekenning van een uitgaansvergunning. Bijkomend verzocht hij om de toepassing van artikel 21 van de wet inzake de wederzijdse erkenning van buitenlandse vonnissen en ondergeschikt om daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De directeur en het openbaar ministerie verleenden opnieuw advies. Vervolgens stelde de strafuitvoeringsbank de zaak nogmaals uit opdat een stuk kon worden bijgebracht. Uit het voorgaande volgt dat de zaak op de rechtszitting van 15 september 2020 in haar geheel werd hernomen. Bijgevolg is het vonnis gewezen door rechters die alle rechtszittingen over de zaak hebben bijgewoond. Het middel mist feitelijke grondslag. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 14 van het Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (hierna Kaderbesluit Probatie) en artikel 21, § 1, van de Wet van 21 mei 2013 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op het toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (hierna Wet Wederzijdse Erkenning Probatie): de strafuitvoeringsrechtbank oordeelt ten onrechte dat zij als gevolg van het gewijsde van het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 3 januari 2018 niet kan vaststellen dat de eiser geen enkele voorwaarde heeft geschonden en hij dus niet in vrijheid kan worden gesteld onder de voorwaarden bepaald in het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Rijsel (Frankrijk); eisers vrijspraak door het hof van beroep te Gent voor het feit van de niet-nageleefde voorwaarde vormt een nieuw element waaruit noodzakelijk volgt dat de herroeping van 3 januari 2018 voorbarig was; de strafuitvoeringsrechtbank is niet gebonden door eerdere beslissingen over strafuitvoeringsmodaliteiten en moet enkel toezien op de naleving van de opgelegde voorwaarden zonder dat bij afwezigheid van enige niet-naleving een vervolgbeslissing kan worden genomen.
- Artikel 14.1 Kaderbesluit Probatie bepaalt: "De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat is bevoegd alle vervolgbeslissingen in verband met (...) een voorwaardelijke invrijheidstelling (...) te geven, met name in geval van niet-naleven van een proeftijdvoorwaarde (...). Deze vervolgbeslissingen omvatten met name: a) het wijzigen van de in de proeftijdvoorwaarde of de alternatieve straf vervatte verplichtingen of instructies, en het wijzigen van de duur van de proeftijd, b) (...) het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling, (...)." Artikel 14.2 Kaderbesluit Probatie voegt daaraan toe dat deze beslissingen en alle verdere gevolgen van het vonnis worden beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. Artikel 21, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning Probatie bepaalt dat het toezicht op de straf of maatregel wordt beheerst door het Belgische recht, met inbegrip van de te nemen beslissingen wanneer de veroordeelde persoon de opgelegde voorwaarden niet naleeft.
- Uit deze bepalingen volgt niet dat een strafuitvoeringsrechtbank die op basis van de op het ogenblik van de behandeling van de zaak beschikbare gegevens moet oordelen over een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling, het gewijsde van de herroeping door een Belgische strafuitvoeringsrechtbank van de door een strafuitvoeringsrechtbank in een andere lidstaat toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling, niet in aanmerking moet nemen.
- Het enkele feit dat een Belgisch strafgerecht vrijspreekt wegens het bezit zonder vergunning van een vergunningsplichtig wapen en bijhorende munitie houdt niet noodzakelijk in dat de voor een invrijheidstelling opgelegde voorwaarde van het verbod op wapenbezit niet werd overtreden.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het vonnis (p. 2-3) oordeelt dat: - de voorwaardelijke invrijheidstelling van de eiser werd herroepen bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Gent van 3 januari 2018 wegens het schenden van de voorwaarde "geen wapen hebben of dragen"; - de rechtsmacht van de strafuitvoeringsrechtbank over het al dan niet herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling dan ook volledig uitgeput is en dat zij op het vonnis van 3 januari 2018, dat een eindvonnis is, niet meer kan terugkomen; - de strafuitvoeringsrechtbank niet meer kan vaststellen dat de eiser geen voorwaarde heeft geschonden die zijn bepaald in het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Rijsel (Frankrijk) van 19 juni 2017 en dat zij hem onder die voorwaarden niet in vrijheid kan stellen. Het vonnis dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 47 EU-Handvest Grondrechten en de artikelen 10 en 11 Grondwet: de strafuitvoeringsrechtbank laat na gevolg te geven aan de vrijspraak van de eiser op 24 maart 2020, waardoor de herroeping van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling van 3 januari 2018 onwettig is gebleken; aldus kan de eiser niet meer tegen deze herroeping opkomen; bijgevolg wordt de eiser op een ongelijke wijze behandeld, aangezien artikel 67 Wet Strafuitvoering noch andere herzieningsprocedures hem daartoe de mogelijkheid bieden. Het onderdeel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schenden de artikelen 67 van de Wet betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden van 17 mei 2006, de artikelen 443 en volgende van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1132 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel (right to an effective remedy) zoals voorzien in artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en het recht van verdediging en het recht op toegang tot een rechter zoals voorzien in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, doordat personen die werden veroordeeld in een criminele of correctionele zaak of tegen wie een in kracht van gewijsde getreden beslissing van een burgerlijk gerecht is gewezen, de mogelijkheid hebben de herziening of de herroeping van gewijsde te vragen van in kracht van gewijsde getreden beslissingen, terwijl personen wiens strafuitvoeringsmodaliteit werd herroepen door een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank, doch waarvan de oorzaak achteraf is weggevallen, niet over deze mogelijkheid beschikken?"
- Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.
- De prejudiciële vraag die uitgaat van de in het eerste onderdeel aangevoerde onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 15 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240625.2N.28 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250528.2F.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div