id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.2 Rolnummer: P.20.0682.N Zaak: OMNIPLEX NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Unierecht Invoerdatum: 2021-05-13 Raadplegingen: 897 - laatst gezien 2026-06-19 20:14 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Met de CITES-Wijzigingsverordening is vanaf 14 december 2019, dit is na de vervolgde feiten, de annotatie #5 voor Pericopsis elata vervangen door de annotatie #17 die vermeldt: "Stammen of blokken, planken, vellen fineer, gelaagd/geplakt hout en bewerkt hout", waarbij de term "bewerkt hout" in de bijlage "Opmerkingen over de interpretatie van de bijlagen A, B, C en D" gedefinieerd wordt als: "hout (niet-ineengezette plankjes voor parketvloeren daaronder begrepen), waarvan ten minste één zijde of uiteinde over de gehele lengte is geprofileerd (geploegd, van sponningen voorzien, afgerond met V-verbinding of dergelijke), ook indien geschaafd, geschuurd of in de lengte verbonden"; hieruit volgt dat vanaf 14 december 2019 niet enkel "verzaagd hout", maar ook "bewerkt hout" onderworpen is aan de vergunningsplicht doch dat impliceert niet dat "verzaagd hout" dat een verdere bewerking heeft ondergaan, vóór die datum niet viel onder de vergunningsplicht
(1).
(1)Ten tijde van de feiten was Pericopsis elata (Afrormosia) in bijlage B van de CITES-Verordening voorzien van een annotatie #5: "ter omschrijving van stammen of blokken, planken en vellen fineer" en vielen aldus enkel dergelijke stammen of blokken, planken en vellen fineer onder de vergunningsplicht; met de term "planken" wordt "verzaagd hout" bedoeld; zie Cass. 21 mei 2019, AR P.18.1247.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.2, AC 2019, nr. 303, met concl. van advocaat-generaal m.o. A. WINANTS. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten - CITES-Verordening - Uitvoeringsverordening van de Cites-Verordening - Begrip "verzaagd hout" - Bewerking - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: CITES-Verordening - Uitvoeringsverordening van de Cites-Verordening - Begrip "verzaagd hout" - Bewerking - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.0682.N
- OMNIPLEX nv, met zetel te 8530 Harelbeke, Damweg 9, beklaagde,
- P M P V, beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 mei 2020, op verwijzing bij het arrest van het Hof van 21 mei
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eisers hebben op 10 december 2020 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8.5 van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna CITES-Verordening): het arrest oordeelt dat de verbodsbepaling van voormeld artikel 8.5 van toepassing is op het door de eisers vanuit Kameroen ingevoerde Afrormosia-hout, voorwerp van de telastlegging B, louter omdat dit hout verzaagd is in de zin van de Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van CITES-Verordening (hierna CITES-Uitvoeringsverordening); het arrest onderzoekt niet of het hout in kwestie een verdergaande bewerking heeft ondergaan en dus bewerkt hout is; anders dan het arrest oordeelt, is dit criterium nochtans belangrijk omdat verzaagd hout onder de vergunningsplicht valt en bewerkt hout niet; verzaagd hout is niet hetzelfde als bewerkt hout, wat blijkt uit de definitie van bewerkt hout volgens de Verordening (EU) 2019/2117 van de Commissie van 29 november 2019 tot wijziging van de CITES-Verordening (hierna CITES-Wijzigingsverordening); de eisers hadden expliciet aangegeven dat het hout in kwestie in Kameroen was gekalibreerd en geschaafd, zodat de appelrechters niet zonder na te gaan of er hierdoor sprake was van bewerkt hout dan wel van louter verzaagd hout konden beslissen dat het hout onderhevig was aan de bedoelde vergunningsplicht.
- Artikel 8.1 CITES-Verordening verbiedt onder meer de verwerving voor commerciële doeleinden van specimens van de in bijlage A genoemde soorten. Dat verbod geldt overeenkomstig artikel 8.5 CITES-Verordening ook voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B, behalve indien is aangetoond dat die specimens werden verkregen overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna. Dit laatste houdt onder meer in dat een vergunning is vereist voor de uitvoer en invoer van die specimens.
- Ten tijde van de feiten was Pericopsis elata (Afrormosia) in bijlage B van de CITES-Verordening voorzien van een annotatie #5: "ter omschrijving van stammen of blokken, planken en vellen fineer". Aldus vielen enkel dergelijke stammen of blokken, planken en vellen fineer onder de vergunningsplicht.
- Met de term "planken" wordt "verzaagd hout" bedoeld. In bijlage VII bij de CITES-Uitvoeringsverordening wordt "verzaagd hout" omschreven als "hout dat gewoon in de lengterichting is verzaagd of tot profielhout is verwerkt; meestal meer dan 6 mm dik".
- Met de CITES-Wijzigingsverordening is vanaf 14 december 2019, dit is na de vervolgde feiten, de annotatie #5 voor Pericopsis elata vervangen door de annotatie #
- Deze vermeldt: "Stammen of blokken, planken, vellen fineer, gelaagd/geplakt hout en bewerkt hout". "Bewerkt hout" wordt in de bijlage "Opmerkingen over de interpretatie van de bijlagen A, B, C en D" gedefinieerd als: "Hout (niet-ineengezette plankjes voor parketvloeren daaronder begrepen), waarvan ten minste één zijde of uiteinde over de gehele lengte is geprofileerd (geploegd, van sponningen voorzien, afgerond met V-verbinding of dergelijke), ook indien geschaafd, geschuurd of in de lengte verbonden."
- Hieruit volgt dat vanaf 14 december 2019 niet enkel "verzaagd hout", maar ook "bewerkt hout" onderworpen is aan de vergunningsplicht. Dat impliceert echter niet dat "verzaagd hout" dat een verdere bewerking heeft ondergaan, vóór die datum niet viel onder de vergunningsplicht. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het stond aan de appelrechters om op grond van de hen regelmatig overgelegde en aan tegenspraak onderworpen gegevens te oordelen of het door de eisers ingevoerde hout van de Pericopsis elata beantwoordt aan de definitie "verzaagd hout" of dat het zodanig is bewerkt dat het niet meer aan die definitie voldoet.
- Voor de appelrechters hebben de eisers aangevoerd dat het hout in kwestie "bewerkt hout" was omdat het was gekalibreerd en geschaafd. Het arrest (p. 11-12) oordeelt daarover als volgt: - "(...) voor de beoordeling van de inbreuken vermeld in de telastlegging B [is] enkel de toetsing aan de criteria en begrippen "stammen", "verzaagd hout" of "fineerbladen" relevant. Of het hout al dan niet bewerkt is, in de zin zoals door [de eisers] voorgehouden, is geen relevant criterium, zodat het hof (van beroep) niet moet ingaan op de diverse argumenten van [de eisers] die op dit criterium steunen. Deze argumentatie van [de eisers] mist trouwens feitelijke grondslag, nu uit het proces-verbaal nr. 63/CITES/761/2017 van 1 augustus 2017 volgt dat het in geen geval gaat om "producten van een tweede transformatie"; - "Het hof (van beroep) stelt op grond van de dossiergegevens vast dat de bundels Afrormosia-hout die voorwerp zijn van de telastleggingen verzaagd hout betroffen waarvoor de vermelde verbodsbepaling geldt. Anders dan [de eisers] voorhouden is er geen twijfel over de vraag of de invoer van bewerkt Afrormosia-hout al of niet vergunningsplichtig is, gezien het verzaagd karakter van het hout de toepassing van de verbodsbepaling meebrengt"; - "De vaststellingen in het proces-verbaal nr. 63/CITES/761/2017 van 1 augustus 2017 van de FOD Volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu bevestigt de gegevens van het strafdossier. Hieruit volgt dat de bewuste ladingen slaan op planken die CITES-plichtig zijn"; - "Het gegeven dat het zogenaamd gekalibreerde Afrormosia betrof, doet geen afbreuk aan het feit dat het verzaagd hout betrof, zoals hiervoor vermeld". Aldus oordeelt het arrest dat het hout in kwestie "verzaagd hout" uitmaakt dat onder de verbodsbepaling van artikel 8.5 CITES-Verordening valt en dat het feit dat dit hout vóór de uitvoer uit Kameroen zou zijn bewerkt in die zin dat het was gekalibreerd en geschaafd, daaraan geen afbreuk doet. Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest verwerpt het verweer van de eisers dat de telastlegging B niet bewezen is omdat het ging om bewerkt hout; het verwijst daarvoor alleen naar het verslag van de houtdeskundige H.B., dat is opgenomen in het proces-verbaal nr. 63/CITES/761/2017; het legt niet uit waarom het verslag van de door de eisers geraadpleegde technische raadsman R.V., waarop de eisers steunden voor hun betwisting van de telastlegging B en van het verslag van H.B., minder betrouwbaar is dan het verslag van H.B. en verduidelijkt niet waarom de kritiek van de eisers op het verslag van H.B. geen weerslag heeft op de beslissing over de betrouwbaarheid van het verslag; hierdoor beantwoordt het arrest dit verweer van de eisers niet, maakt het de beslissing niet begrijpelijk en laat het aan het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen door na te gaan of de appelrechters alle regelmatig voorgelegde bewijselementen in hun besluitvorming hebben betrokken en dus het recht op tegenspraak van de eisers daadwerkelijk hebben geëerbiedigd; de appelrechters konden uit het vermelde proces-verbaal niet wettig afleiden dat er geen sprake was van bewerkt hout, aangezien dat proces-verbaal geen melding maakt van de notie "bewerkt hout" zoals thans omschreven in de CITES-Wijzigingsverordening; ook de appelrechters toetsen de feitelijke vaststellingen in dat proces-verbaal niet aan de notie "bewerkt hout"; evenmin werd in dat proces-verbaal getoetst aan de notie "verzaagd hout".
- In zoverre het middel aanvoert dat het arrest uit het proces-verbaal nr. 63/CITES/791/2017 niet wettig kan afleiden dat er geen sprake is van bewerkt hout, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
- De rechter in strafzaken beoordeelt onaantastbaar in feite de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbare oordeel van de appelrechters, is het evenmin ontvankelijk.
- De rechter voldoet aan de uit artikel 6.1 EVRM voortvloeiende motiveringsverplichting indien hij met betrekking tot de beslissing op de strafvordering de voornaamste redenen vermeldt die hem hebben overtuigd van de schuld van de beklaagde en dit ongeacht of een conclusie werd ingediend. Hij moet daarbij, op een wijze die beknopt mag zijn, de voornaamste redenen opgeven zonder dat die noodzakelijk betrekking moeten hebben op alle bestanddelen van de bewezen verklaarde misdrijven.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt.
- Het arrest oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het eerste middel, alsook dat: - de CITES-diensten geen belanghebbende partij zijn en waarom dat zo is; - geen enkel element erop wijst dat de CITES-inspecteurs onvoldoende onpartijdigheid aan de dag zouden hebben gelegd; - uit niets volgt dat de door de CITES-inspectie gedane vaststellingen onvoldoende betrouwbaar zouden zijn om als bewijs in aanmerking te nemen; - de enkele omstandigheid dat de inspectie ambtenaar H.B. de opdracht gaf een verslag op te stellen, niet meebrengt dat dit verslag geen bewijswaarde heeft of als subjectief of onbetrouwbaar moet worden geweerd; - de eisers tegenspraak hebben kunnen voeren over het verslag van H.B.
- Uit het geheel van die redenen blijkt dat het arrest de schuldigverklaring van de eisers aan de telastlegging B steunt op de overeenstemming van de gegevens van het strafdossier met het vermelde proces-verbaal van de CITES-diensten en het daarin begrepen verslag van H.B., waarvan de betrouwbaarheid en de bewijswaarde door de eisers niet worden weerlegd. Daarmee vermeldt het arrest de voornaamste overwegingen die de appelrechters hebben overtuigd van de schuld van de eisers en op grond waarvan zij het verweer van de eisers verwerpen dat onder meer was gesteund op de bevindingen van hun technisch raadsman R.V., laat het toe de beslissing te begrijpen en beantwoordt het het verweer van de eisers dat het hout in kwestie "bewerkt hout" is. Het moet verder niet antwoorden op de argumenten van de eisers tot staving van dat verweer, die geen afzonderlijk verweer uitmaakten. Evenmin belet die motivering het wettigheidstoezicht van het Hof. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het eveneens niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest steunt de beoordeling van de strafmaat onder meer op de vaststelling dat er ten gevolge van de bewezen verklaarde feiten geen enkele garantie meer is dat het ingevoerde hout afkomstig is van legale kap van Afrormosia-hout; het beantwoordt niet het verweer van de eisers dat uit geen enkel element van het strafdossier blijkt dat het hout illegaal is gekapt en dat het legale karakter van het hout is aangetoond op basis van de bijgebrachte uitvoervergunning van de Kameroense autoriteiten, zodat de inbreuk enkel van administratieve aard is; aldus is het arrest niet naar recht gemotiveerd.
- Het arrest (p. 15-16 en 18-19) oordeelt onder meer dat: - uit de dossiergegevens volgt dat de eiser 2 actief de aard van het geleverde hout hielp verdoezelen; - uit de dossiergegevens volgt dat de eisers heel goed op de hoogte waren van de aard van het te leveren en geleverde hardhout en dat dit wel degelijk Afrormosia-hout betrof; - er nog bijkomende zendingen Afrormosia werden getraceerd die zonder vergunning werden ingevoerd onder andere handelsbenamingen en met voorlegging van valse of vervalste documenten, hetgeen volgens de douane-inspectie opzettelijk gebeurde; - de door de eisers aangevoerde toelichting betreffende de goederen- en documentenstroom geen afbreuk doet aan hun schuld; - de eisers telkens heel goed vooraf wisten dat de leveringen betrekking hadden op Afrormosia-hout; - het feit dat in de documenten regelmatig bewust werd gepoogd de aard van het hout te verdoezelen dit duidelijk bevestigt en manifest de voorgehouden goede trouw weerlegt; - het internationale karakter van de handel in tropische houtsoorten een strikte naleving van de opgelegde formaliteiten vergt teneinde het controlesysteem intact te houden. Door bij de vermelde leveringen van Afrormosia-hout de regels niet na te leven hebben de eisers enkel oog gehad voor eigen financiële be-langen en het voortbestaan van het faunasysteem verder mee onder druk gezet. Zij onttrokken de geleverde partijen Afrormosia aan het controlesysteem, zodat er ook geen enkele garantie meer is dat deze afkomstig zijn van legale kap van deze door het CITES-verdrag beschermde houtsoort. Met die redenen, alsmede met redenen die wijzen op het maatschappelijk belang van de regelgeving, de ernst van de feiten, de nood tot maatschappelijke vergelding en het voorkomen van verdere misdrijven, verantwoordt het arrest de aan de eisers opgelegde strafmaat rekening houdend met de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt en beantwoordt het hun bedoelde verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 3 en 8 Probatiewet: het arrest weigert de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf te gelasten omdat de opgelegde geldboete voor geen van de eisers sociale declassering meebrengt of hun sociale reclassering op onevenredige wijze in het gedrang brengt; die voorwaarde is op grond van artikel 3, tweede lid, Probatiewet echter enkel als aanvullende voorwaarde van toepassing wanneer tot opschorting wordt beslist door het onderzoeksgerecht; bijgevolg motiveert het arrest niet naar recht de weigering om opschorting of uitstel te verlenen en voegt het een toepassingsvoorwaarde toe die de Probatiewet niet stelt.
- Noch artikel 3, tweede lid, Probatiewet noch enige andere bepaling belet het vonnisgerecht om bij zijn oordeelsvorming over het al dan niet toestaan van opschorting of uitstel, acht te slaan op de impact die de op te leggen straf kan hebben op de sociale declassering of mogelijkheid tot reclassering van de beklaagde.
- De verplichting voor de rechter om het toestaan of het weigeren van opschorting of uitstel te motiveren volgt bij afwezigheid van conclusie niet uit artikel 149 Grondwet, maar uit de artikelen 3, vierde lid, laatste zin, en 8, § 1, vierde lid, Probatiewet.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers aan de appelrechters een gemotiveerd verzoek tot het verlenen van opschorting of uitstel hebben gedaan.
- Het arrest motiveert de aan de eisers opgelegde effectieve straffen, alsmede het niet toestaan van opschorting of uitstel, met de redenen vermeld in het antwoord op het derde middel en met volgende redenen: - de voor elke eiser bepaalde geldboete is passend en noodzakelijk als maatschappelijke vergelding en om de eisers die nog actief zijn in de bewuste sector aan te sporen voortaan de regelgeving na te leven; - de opgelegde geldboete brengt voor geen van de eisers sociale declassering mee of brengt hun sociale reclassering op onevenredige wijze in het gedrang, zodat er geen grond is om de opschorting van de uitspraak van de veroordeling of het uitstel van de tenuitvoerlegging van de veroordeling te gelasten; - de eiser 2 heeft bovendien een eerder ongunstig strafregister en werd al eerder meermaals veroordeeld wegens onder meer milieumisdrijven. Aldus is de beslissing om aan de eisers geen opschorting of uitstel toe te staan regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 69,30 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman, en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 15 december 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div