← België

W. contra DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.11 Rolnummer: P.20.0988.N Zaak: W. contra DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-02-09 Raadplegingen: 985 - laatst gezien 2026-06-20 06:43 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Geen enkele bepaling verplicht de rechter in strafzaken een deskundigenonderzoek te bevelen enkel omdat het resultaat ervan bewijs à décharge voor de beklaagde zou kunnen opleveren; de rechter oordeelt integendeel onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van een dergelijke onderzoekshandeling

(1); aldus belet niets die rechter om, mits naleving van zijn motiveringsverplichting, de aanstelling van een deskundige te weigeren wanneer een partij haar verzoek tot deskundigenonderzoek niet grondt op een aannemelijk gegeven of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen.
(1)Cass. 1 december 2020, AR P.20.0573.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6, AC 2020, nr. 732; Cass. 11 september 2020, AR C.19.0448.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.1, AC 2020, nr. 525; Cass. 31 januari 2012, AR P.11.1227.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120131.4, AC 2012, nr. 76; Cass. 15 juni 2012, AR C.11.0721.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120615.3, AC 2012, nr. 390 en Cass. 9 mei 2005, AR S.04.0183.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050509.23, AC 2005, nr.
  1. Zie J. LAENENS, "Het bewijs en de onderzoeksmaatregelen", in De rol van de accountant en belastingconsulent, Die Keure, 2003, 37-40; B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia, 2007, 413; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 79-83; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 905; B. DE SMET, Deskundigen in het strafproces. Algemene beginselen, Kluwer, 2015, 47-
  2. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Vonnisgerechten - Aanstelling van een deskundige - Verzoek van de beklaagde tot aanstelling van een deskundige - Noodzaak van een deskundigenonderzoek - Beoordeling Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Aanstelling van een deskundige - Verzoek van de beklaagde tot aanstelling van een deskundige - Noodzaak van een deskundigenonderzoek - Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.20.0988.N I K F W, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pascal Mallien, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Meir 24, waar de eiser woonplaats kiest, II C W, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Jan Belde, advocaat bij de balie Dendermonde, tegen WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, met kantoor te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19 bus 22, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 juni 2018 (arrest I), 2 januari 2019 (arrest II) en 9 september 2020 (arrest III). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest III. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres II voert geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  3. Artikel 419 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat niemand een tweede maal cassatieberoep kan instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet.
  4. Bij arrest van 21 mei 2019 heeft het Hof het cassatieberoep van de eiser I tegen de arresten I en II verworpen omdat het voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk was. In zoverre het cassatieberoep I is gericht tegen de arresten I en II, is het niet ontvankelijk.
  5. In zoverre de cassatieberoepen zijn gericht tegen de vrijspraken van de eisers door het arrest III, zijn zij bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep II is betekend aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen en aan de verweerder, zoals vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing over de herstelvordering, is het cassatieberoep II niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser I
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I zijn memorie aangetekend ter kennis heeft gebracht van het openbaar ministerie bij het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen en aan de verweerder, zoals vereist door artikel 429 Wetboek van Strafvordering. In zoverre zij betrekking heeft op de beslissing over de herstelvordering, is de memorie niet ontvankelijk. Eerste middel
  8. Het middel voert schending aan van de artikelen 448 en volgende, in het bijzonder artikel 463 Wetboek van Strafvordering: het arrest I, bekrachtigd bij het arrest II en impliciet bij het arrest III, verklaart de valsheidsvordering van de eiser I tegen het proces-verbaal van de rechtszitting van 23 mei 2016 voor de eerste rechter ten onrechte niet ontvankelijk; het arrest III, gewezen na arrest van het Hof van 21 mei 2019, doet ten onrechte geen uitspraak over het valsheidsincident en corrigeert de fout van het arrest II niet, hoewel het van valsheid betichte stuk een essentieel bewijsstuk was om te oordelen over het verzet van de eiser I.
  9. In zoverre het middel schending aanvoert van wetsbepalingen die het enkel aanduidt met "en volgende", is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  10. Het arrest I verklaart onder meer het hoger beroep van de eiser I ontvankelijk en de door hem ingestelde valsheidsvordering niet ontvankelijk. Het arrest II oordeelt, met verwijzing naar de redenen van het arrest I, onder meer dat de eerste rechter het verzet van de eiser I terecht ongedaan heeft verklaard. Het arrest III doet uitspraak over de gegrondheid van het hoger beroep van de eiser I.
  11. De appelrechters konden in het arrest III niet meer terugkomen op hun beslissingen over eisers valsheidsvordering en de ongedaanverklaring van zijn verzet, aangezien zij hun rechtsmacht daarover hadden uitgeput in de arresten I en II. Dat zij in het arrest III vermelden de arresten I en II verder uit te werken en in het arrest III een vergissing in het arrest II rechtzetten, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  12. Voor het overige is het middel in werkelijkheid gericht tegen de arresten I en II en is het evenmin ontvankelijk. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 14.5 IVBPR en artikel 187 Wetboek van Strafvordering: het arrest II bevestigt de ongedaanverklaring van het verzet van de eiser I op grond van het valse proces-verbaal van de rechtszitting van 23 mei 2016; het garanderen van een dubbele aanleg veronderstelt dat men allereerst het verzet gegrond had moeten verklaren en de zaak vervolgens terug had moeten verwijzen naar de eerste rechter om recht te spreken over de gegrondheid van de zaak, waarna er opnieuw hoger beroep had kunnen worden aangetekend; het arrest III corrigeert de fout van het arrest II niet.
  14. Het middel is in zijn geheel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM, artikel 14.2.e IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 28bis, § 3, Wetboek van Strafvordering: het arrest III verwerpt het verzoek van de eiser I om, gelet op de vooringenomenheid en de partijdigheid van de wooninspecteur, een tegensprekelijk deskundigenonderzoek te bevelen over de zogenaamde inbreuken op de Vlaamse Wooncode; het steunt die beslissing op de enkele reden dat de procureur des Konings waakt over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld; die reden volstaat niet om eisers verzoek, dat strekt tot het verkrijgen van bewijs à décharge, af te wijzen; minstens is het arrest aldus niet afdoende met redenen omkleed.
  16. Artikel 6.3.d EVRM en artikel 14.2.e IVBPR, die betrekking hebben op het recht om getuigen à charge of à décharge te ondervragen of te doen ondervragen, zijn vreemd aan de grief die verband houdt met de aanstelling van een deskundige.
  17. Geen enkele bepaling verplicht de rechter in strafzaken een deskundigenonderzoek te bevelen enkel omdat het resultaat ervan bewijs à décharge voor de beklaagde zou kunnen opleveren. Die rechter oordeelt integendeel onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van een dergelijke onderzoekshandeling. Aldus belet niets die rechter om, mits naleving van zijn motiveringsverplichting, de aanstelling van een deskundige te weigeren wanneer een partij haar verzoek tot deskundigenonderzoek niet grondt op een aannemelijk gegeven of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen.
  18. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  19. Het arrest III (p. 21-22) beantwoordt het vermelde verweer als volgt: - het hof van beroep is van oordeel dat de materiële vaststellingen van de wooninspecteur, zoals vermeld in proces-verbaal en gefotografeerd, voldoende duidelijk zijn om te kunnen oordelen over de telastleggingen en de opmerkingen en bezwaren gemaakt door de eisers in conclusie; - waar de eiser I in zijn conclusie laat uitschijnen dat de vaststellingen van de wooninspecteur niet objectief zouden zijn en hij door deze dienst zou worden geviseerd, wijst het hof van beroep aan de hand van artikel 28bis, § 3, Wetboek van Strafvordering erop dat de procureur des Konings in een opsporingsonderzoek waakt over de wettigheid van de bewijsmiddelen - dus in dit geval ook over de vaststellingen van de wooninspecteur - en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld, dat het openbaar ministerie daarbij ook tot bewijs van het tegendeel vermoed wordt loyaal op te treden en dat het toekomt aan de partij die voorhoudt dat het openbaar ministerie deloyaal is geweest om die aanvoering enigszins aannemelijk te maken, wat betekent dat die partij nauwkeurige en objectieve gegevens moet aanbrengen; - het hof van beroep is van oordeel dat de eiser I niet aannemelijk maakt dat er sprake zou zijn van partijdigheid of vooringenomenheid bij de vaststellingen van de wooninspectie, noch dat het openbaar ministerie zich deloyaal zou hebben gedragen door zich te steunen op dergelijke bewijsmiddelen; - het tegendeel wordt alleszins niet aangetoond door de bewering van de eiser I over de spanningen tussen hem en de ambtenaar W.M.; - zelfs indien die bewering voor waar wordt aangenomen, wordt hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de vaststellingen van de wooninspecteur partijdig zijn geweest of dat het openbaar ministerie zich deloyaal heeft gedragen. Met die redenen, die niet alle steunen op artikel 28bis, § 3, Wetboek van Strafvordering, is de beslissing om hier geen deskundigenonderzoek te bevelen regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 192,50 euro waarvan de eiser I 150,70 euro is verschuldigd en de eiseres II 41,80 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 29 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230425.2N.20 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050509.23 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120131.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120615.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200911.1N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.