← België

D. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.5 Rolnummer: P.20.0650.N Zaak: D. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-02-09 Raadplegingen: 713 - laatst gezien 2026-06-19 19:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 4, § 3, eerste lid, en 10 Wet van 19 maart 2017 en artikel 6 KB van 26 april 2017 volgt dat in appelprocedures de bijdrageplicht aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand slechts van toepassing is wanneer het rechtsmiddel is ingesteld na 30 april

  1. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - Inleiding van de zaak vóór 1 mei 2017 - Grens Wettelijke bepalingen: Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Artt. 4, § 3, eerste lid, en 10 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 KB 26 april 2017 tot uitvoering van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 26-04-2017 - Art. 6 - 01 ELI link Pub nr 2017030252 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Allerlei Vrije woorden: Gerechtskosten - Procedure voor de feitenrechter - Bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - Grens Wettelijke bepalingen: Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Artt. 4, § 3, eerste lid, en 10 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 KB 26 april 2017 tot uitvoering van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 26-04-2017 - Art. 6 - 01 ELI link Pub nr 2017030252 Tekst van de beslissing Nr. P.20.0650.N M C J D P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sam Reniers, advocaat bij de balie Leuven, tegen Anna Maria VANDERLEENEN, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 109/3, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement C&M CONSTRUCT bv, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 25 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissingen die hem veroordelen op burgerrechtelijk gebied. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de feiten van de telastlegging E. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 489, 2°, Strafwetboek: de appelrechters verklaren de eiser enerzijds niet schuldig aan het geheel of gedeeltelijk hebben doen verdwijnen van de bedrijfsboekhouding, maar anderzijds wel aan het niet-medewerken met de curator door haar deze boekhouding ook na herhaalde oproepingen niet te hebben overgedragen; aldus is het arrest tegenstrijdig en dubbelzinnig gemotiveerd.
  5. Een motivering is tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen. Zij is dubbelzinnig wanneer zij in de ene lezing wettig en in de andere lezing onwettig is.
  6. Het is tegenstrijdig noch dubbelzinnig zowel te oordelen dat een beklaagde een bestaande boekhouding niet bedrieglijk heeft weggemaakt als te oordelen dat hij nalaat deze boekhouding, waarvan hij geacht wordt deze onder zich te hebben, te bezorgen aan de curator. Het middel mist feitelijke grondslag. Eerste middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: de eerste rechter veroordeelde de eiser tot een hoofdgevangenisstraf van achttien maanden en een bestuurs- en handelsverbod van vijf jaar, telkens met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van vijf jaar, alsook tot een geldboete van 500,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 3.000,00 euro; na vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn bevestigt het arrest de geldboete, maar veroordeelt het de eiser tot een hoofdgevangenisstraf van tien maanden met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van vijf jaar en tot een effectief bestuurs- en handelsverbod van drie jaar; daardoor heeft de bestraffing niet enkel pecuniaire gevolgen, maar raakt het de eiser ook intenser, namelijk in zijn werksituatie; ondanks de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn is de totaliteit van de uitgesproken straf bijgevolg zwaarder geworden; doordat de appelrechters deze strafverzwaring niet met eenparigheid uitspreken, schenden zij de geviseerde wetsbepaling.
  8. Het is de hoofdstraf die de zwaarte van de straf bepaalt, zonder dat de bijkomende straffen in aanmerking dienen te worden genomen. Er is aldus geen strafverzwaring wanneer de appelrechter de door de eerste rechter als hoofdstraf opgelegde gevangenisstraf verlaagt, de geldboete bevestigt en de duur van het bestuurs- en handelsverbod vermindert en, anders dan de eerste rechter, voor deze verboden geen uitstel verleent. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 4, § 3, eerste lid, en 10 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2017 en in werking getreden op 1 mei
  9. Artikel 4, § 3, eerste lid, van de voormelde wet van 19 maart 2017 bepaalt dat, behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet of indien de rechter oordeelt dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevindt waarbij hij beroep zou kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand, iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon wordt veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
  10. Artikel 10 van de voormelde wet bepaalt dat deze wet in werking treedt op de door de Koning bepaalde datum en dat de bepalingen ervan van toepassing zijn op de in deze wet bedoelde zaken die vanaf deze datum zijn ingeleid. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 26 april 2017 tot uitvoering van de voormelde wet van 19 maart 2017 bepaalt dat deze wet in werking treedt op 1 mei
  11. Uit die bepalingen volgt dat in appelprocedures de bijdrageplicht slechts van toepassing is wanneer het rechtsmiddel is ingesteld na 30 april
  12. Met een verklaring van 30 maart 2017 stelde de eiser hoger beroep in tegen het vonnis van de correctionele rechtbank Leuven van 28 februari
  13. Het arrest veroordeelt hem niettemin tot betaling van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van 20,00 euro. Deze veroordeling schendt de in het middel vermelde bepalingen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand zoals hierboven bepaald. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot betaling aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van een bijdrage van 20,00 euro. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 117,70 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 29 december 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210119.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.