← België

FRIMPEX BVBA c. OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPI

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200102.1N.1 Rolnummer: C.13.0363.N Zaak: FRIMPEX BVBA c. OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPI Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-01-15 Raadplegingen: 254 - laatst gezien 2026-06-28 07:43 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200102.1N.1 Fiche Het tarief vermeld in artikel 47, §2, 7° Afvalstoffendecreet geldt als het gewone heffingstarief voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen; de heffingsplichtige die zich op het verlaagde tarief wil beroepen heeft de bewijslast dat hij de bij artikel 47, §2, 38° Afvalstoffendecreet vastgelegde gewichtspercentages heeft nageleefd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: Gewestbelastingen - Vlaams Gewest - Afvalstoffendecreet - Milieuheffing - Verlaagd tarief - Voorwaarden - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 02-07-1981 - Art. 47 - 30 ELI link Pub nr 1981001184 Tekst van de conclusie C.13.0363.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Situering Eiseres is een ophaler van afvalstoffen die worden geproduceerd in het Vlaamse Gewest en voert deze uit naar Duitsland. Overeenkomstig artikel 47, §2, 43° Afvalstoffendecreet is het ophalen van in het Vlaamse Gewest geproduceerde afvalstoffen om in het buitenland verwerkt te worden, heffingsplichtig. Het geschil tussen partijen betreft de milieuheffing voor het kalenderjaar
  2. Eiseres deed in haar kwartaalaangiften m.b.t. 2003 aangifte voor een bepaald tonnage aan afvalstoffen, onderworpen aan een bepaald tarief. Na controle te Duitsland, die bij verweerster leidde tot de vaststelling dat eiseres te veel afvalstoffen had aangegeven aan een verlaagd heffingstarief, werden 4 navorderingen opgelegd. De betwisting van deze navorderingen leidde tot een arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 26 maart 2013 waarbij de vordering van eiseres werd afgewezen als ongegrond. Eiseres komt op tegen dit arrest met drie middelen tot cassatie.
  3. Bespreking van het eerste middel 2.
  4. In het eerste middel wordt aangevoerd dat de appelrechters onwettig hebben beslist dat eiseres, die de toepassing van het verlaagd tarief inroept en op wie dus de bewijslast rust, niet aantoont dat er slechts sprake is van een afvalpercentage van 4% omdat het "aan de heffingsplichtige (is) om aan te tonen dat hij recht heeft op vrijstellingen, verminderingen of andere fiscale voordelen", inzonderheid de vermeende uitzondering van het verlaagde tarief op het volle tarief voorzien in artikel 47, §2, 7° van het Afvalstoffendecreet, terwijl evenwel de bewijslast dat het andere lagere tarief niet van toepassing is daarentegen op verweerster rust (Schending van de artikelen 1315, lid 1 BW, artikel 870 Ger.W. en de artikelen 47, §§1 en 2, 7°, 38° en 43°, en §2bis Afvalstoffendecreet). 2.
  5. De algemene regels inzake bewijslast zoals voorzien in de artikelen 1315 BW en 870 Ger.W. zijn ook in fiscale zaken van toepassing. Wat de verdeling van de bewijslast betreft, sluit ik mij aan bij de visie van auteur AFSCHRIFT. Deze vertrekt van de vaststelling dat in principe de administratie de bewijslast draagt van de rechtscreërende bestanddelen van haar vordering jegens de belastingschuldige. Op de vraag wie de bewijslast draagt wanneer het geschil betrekking heeft op de vraag of het normale tarief of een verminderd tarief moet worden toegepast, stelt hij: "Eerst moet bekeken worden of er een schaal met meerdere tarieven bestaat, dan wel of één enkel tarief de regel uitmaakt en de andere tarieven de uitzondering vormen. Wanneer er één schaal met meerdere tarieven is, moet de administratie, die de toepassing van een hoger tarief vordert, uiteraard aantonen dat de toepassingsvoorwaarden van dot hogere tarief vervuld zijn. De administratie is de eiser en draagt dan ook de aanvoeringslast en de bewijslast. Wanneer in het belastingsysteem één tarief daarentegen de regel uitmaakt en op grond van een andere bepaling onder bepaalde voorwaarden een ander - per hypothese lager - tarief kan worden toegepast, moet diegene die de toepassing van deze bepaling vordert, aantonen dat alle rechtscreërende bestanddelen van zijn recht voorhanden zijn."
(1)2.
  1. De in deze zaak toepasselijke wettelijke voorschriften van het Afvalstoffendecreet bepalen: Artikel 47, §1: "Aan een milieuheffing zijn onderworpen de uitbaters van de in §2, 1° tot en met 42° bedoelde vergunningsplichtige inrichtingen alsook de ophalers van de in §2, 43° bedoelde afvalstoffen". Artikel 47, §2, 7°: "Het bedrag van de milieuheffingen, bedoeld in §1 wordt vastgesteld op 49,58 EUR per ton voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen". Artikel 47, §2, 38°: "Het bedrag van de milieuheffingen, bedoeld in §1, wordt vastgesteld op 6,2 EUR/ton voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, en 1,24 EUR/ton voor het verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van recyclageresidu's van bedrijven die afvalstoffen afkomstig van selectieve inzamelingen, zoals onder die bepaling vermeld, gebruiken of voorsorteren als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten. De te storten of te verbranden restfractie moet na voorbehandeling kleiner zijn dan de vermelde percentages welke beschouwd moeten worden ten opzichte van de totale aanvoer van de betreffende afvalstoffen op jaarbasis in de vergunde inrichting (...)." 2.
  2. Artikel 47, §2, 7° Afvalstoffendecreet kan m.i. worden aanzien als het gewone heffingstarief waaraan alle heffingsplichtige bedrijven onderworpen zijn voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen. Afwijkend hiervan voorziet artikel 47, §2, 38°, Afvalstoffendecreet een verlaagde heffing voor het storten en voor het verbranden, waarvan heffingsplichtige bedrijven, onder bepaalde voorwaarden kunnen genieten wanneer het gaat over specifieke afvalstoffen. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van het decreet van het Vlaams Parlement van 5 juli 2002, dat aan de oorsprong ligt van het te dezen toepasselijke artikel 47, §2, 38° Afvalstoffendecreet, blijkt dat die bepaling ter bevordering van het hergebruik en de recyclage van afvalstoffen een verlaagd milieuheffingstarief inhoudt per afvalstroom voor het storten van recyclageresidu's en dat het verlaagde tarief slechts geldt op voorwaarde dat de bekomen restfractie per afvalstroom lager is dan het in laatstgenoemde bepaling vermelde gewichtspercentage. Indien de restfractie per afvalstroom boven dat gewichtspercentage blijft, is het gewone heffingstarief van toepassing
(2). De decreetgever heeft aldus zelf melding gemaakt van enerzijds een verlaagd milieuheffingstarief en anderzijds het gewone heffingstarief. Ook het Grondwettelijk Hof stelt vast dat de milieuheffing een gewoon heffingstarief kent voor de recyclageresidu's die boven de bij artikel 47, §2, 38°, Afvalstoffendecreet bepaalde gewichtspercenten blijven, waardoor het te kennen geeft dat er ook een afwijkend, bijzonder tarief bestaat voor recyclageresidu's die binnen de bij artikel 47, §2, 38°, Afvalstoffendecreet bepaalde gewichtspercenten blijven
(3). Er is dus m.i. een hiërarchie in de tarieven van de milieuheffing: als algemene regel geldt, voor het storten, het vol tarief van artikel 47, §2, 7°, Afvalstoffendecreet, terwijl, onder bepaalde voorwaarden, de heffingsplichtige een lager, buitengewoon tarief kan genieten. Uit wat voorafgaat lijkt mij te volgen dat de administratie die de toepassing vordert van het tarief van artikel 47, §2, 7°, Afvalstoffendecreet, in een geval waarin de belastingplichtige het tarief van artikel 47, §2, 38°, had toegepast, niet de bewijslast heeft dat dit laatste tarief niet toepasselijk is. Het is de heffingsplichtige die zich op het verlaagde tarief wil beroepen die moet aantonen dat alle rechtscreërende bestanddelen van zijn recht voorhanden zijn; m.a.w. de bewijslast heeft dat hij de artikel 47, §2, 38° Afvalstoffendecreet vastgelegde gewichtspercentages heeft nageleefd. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt m.i. naar recht. (...) 3. Besluit: Verwerping. ___________________________
(1)AFSCHRIFT, T., Bewijs in het fiscaal recht, Brussel, Larder, 2002, p. 16, nr. 196.
(2)Zie Parl. St. Vlaams Parlement, 2001-2002, nr. 1177/1 p. 11: "Al wat boven het vermelde gewichtspercentage zit, wordt belast aan het gewone heffingstarief". Zie ook de bewoordingen: "verlaagd tarief bij het storten of verbranden van hun recyclageresidu's".
(3)GwH 5 mei 2004, nr. 69/2004, nr. 88, p. 11, derde al. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200102.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200102.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.