id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200107.2N.1 Rolnummer: P.19.0804.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-01-16 Raadplegingen: 1119 - laatst gezien 2026-06-28 23:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.1 Fiche 1 Het vereiste opzet van kwaadwillige belemmering van het verkeer bestaat in het opzettelijk belemmeren van het verkeer als dusdanig; de gevaartoestand voor het verkeer die daardoor kan worden veroorzaakt, maakt geen deel uit van dat opzet, maar is slechts het door de wet vereiste gevolg dat uit het handelen van de dader moet voortvloeien; het enkele feit dat een misdrijf wordt gepleegd in het kader van een staking of betoging neemt het moreel bestanddeel voor het misdrijf kwaadwillige belemmering niet weg, ongeacht de beweegredenen voor die actie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERKEERSBELEMMERING Vrije woorden: Moreel bestanddeel - Kwaadwillig opzet - Begrip Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 406, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 4 Uit de artikelen 10 en 11 EVRM volgt dat het recht te staken of te betogen geen absolute rechten zijn, maar dat de uitoefening van die rechten onderhevig kan zijn aan beperkingen, mits die beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang en niet te beschouwen zijn als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de beschermende rechten in hun kern zouden worden aangetast; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van feiten die hij vaststelt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 10 Vrije woorden: Vrijheid van meningsuiting - Vakbondsactie - Wettelijke beperkingen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 10 en 11 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Het Herziene Europees Sociaal Handvest - 03-05-1996 - Art. 6.4 - 52 Link Justel databank 19960503-52 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 11 Vrije woorden: Vrijheid van vergaderen - Vakbondsactie - Wettelijke beperkingen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 10 en 11 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Het Herziene Europees Sociaal Handvest - 03-05-1996 - Art. 6.4 - 52 Link Justel databank 19960503-52 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Vrije woorden: Herzien Europees Sociaal Handvest - Recht op collectief onderhandelen - Beperkingen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 10 en 11 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Het Herziene Europees Sociaal Handvest - 03-05-1996 - Art. 6.4 - 52 Link Justel databank 19960503-52 Annotaties Publicaties: De Juristenkrant [Juristenkrant] - 2020, nr. 402, p. 1-
- - FLO, Jelle; Noot'Cassatie bevestigt veroordeling vakbondsman voor verkeersbelemmering' Tekst van de conclusie P.19.0804.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. De Smet: Bij arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 26 juni 2019 werd tegen eiser de eenvoudige schuldigverklaring uitgesproken, wegens schending van de vereiste van redelijke termijn van het strafproces, op grond van de tenlastelegging ‘kwaadwillige belemmering van het verkeer’ (art. 406, lid 1 Strafwetboek), als dader of mededader (art. 66 Sw.). De tenlastelegging werd concreet omschreven als ‘bij wijze van vakbondsactie, het organiseren en deelnemen aan niet-toegelaten wegblokkades op de grote toegangswegen tot de Antwerpse haven, met name door voertuigen en obstakels dwars over de weg op te stellen en voorwerpen zoals autobanden in brand te steken op de rijbaan, en door, na ontruiming door de politie, herhaaldelijk opnieuw de rijbaan op te lopen om voertuigen tegen te houden en te hinderen.’ De raadsman van eiser stelde tijdig cassatieberoep in en voert in een tijdig ingediende memorie twee middelen aan. A) Het moreel bestanddeel van art. 406, eerste lid, Sw. In een eerste middel, eerste onderdeel, voert eiser een schending aan van art. 406, eerste lid, Strafwetboek, in die zin dat het hof van beroep te Antwerpen vaststelde dat het handelen van eiser gericht was op belemmering van het verkeer, maar niet dat eiser wist dat door die wegbelemmeringen het verkeer gevaarlijk kon worden, terwijl het vereiste opzet van de strafbepaling inhoudt dat de dader het verkeer belemmerde en wist dat de door hem gewilde belemmering van die aard is dat ze het verkeer met vervoermiddelen gevaarlijk kan maken of verkeersongevallen kan veroorzaken. Beoordeling: Art. 406, eerste lid, Strafwetboek bestraft een handeling waarbij kwaadwillig het verkeer op een weg wordt belemmerd en die ‘het verkeer met’ of ‘het gebruik van vervoermiddelen’ gevaarlijk kan maken of die ongevallen kan veroorzaken . Voor een veroordeling is als moreel bestanddeel kwaadwillig opzet noodzakelijk . Het ‘gewoon’ wetens en willens handelen, om het verkeer te belemmeren, volstaat niet voor een veroordeling. Strafbaar is enkel de persoon die het verkeer wetens en willens belemmert met een ongeoorloofd doel, met de bedoeling te schaden, de belangen van de samenleving of andere weggebruikers aan te tasten . Uw Hof oordeelde daarover “het opzet om het verkeer zodanig te belemmeren dat het verkeer gevaarlijk kan worden en om daardoor de andere personen die deelnemen aan het verkeer te beletten hun weg of koers normaal te vervolgen” . Bij de beoordeling van het kwaadwillig opzet, moet de strafrechter nagaan of de gewilde handelingen van verkeersbelemmering een objectieve of potentiële gevaarsituatie deden ontstaan. Gaat het om een handeling die het verkeer gevaarlijk kan maken of verkeersongevallen kan veroorzaken? Irrelevant is de vraag of één van beide gevaren effectief is gerealiseerd . De gevaarlijke toestand in het verkeer maakt bijgevolg geen deel uit van het kwaadwillig opzet. Deze toestand is slechts een gevolg dat de strafwet verbindt aan een handeling die het verkeer belemmert . Het kwaadwillig opzet vereist niet dat de beklaagde met het opzettelijk belemmeren van het verkeer op de openbare weg de bedoeling had het verkeer met voertuigen gevaarlijk te maken of een ongeval te veroorzaken . Het concrete motief van de beklaagde is niet van belang. In zoverre het onderdeel uitgaat van aan andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. De feitenrechters oordelen onaantastbaar of een handeling van kwaadwillig belemmeren van het verkeer aanleiding kan geven tot een gevaarlijke toestand, en daardoor onder toepassing valt van art. 406, eerste lid, Strafwetboek. In het bestreden arrest is het moreel bestanddeel van het misdrijf voldoende toegelicht (p.15-18), en getoetst aan feitelijke omstandigheden, zoals aangehaald in p. 10-
- De gevaarlijke toestand als verboden gevolg van het kwaadwillig belemmeren van het verkeer, als onderdeel van art. 406 lid 1 Strafwetboek, is afdoende aangegeven in het bestreden arrest. Het hof van beroep heeft wettig geoordeeld dat voor strafbaarheid op basis van art. 406, eerste lid, Strafwetboek “een potentiële gevaarsituatie is vereist, zonder dat het noodzakelijk is dat de dader die situatie ook heeft gewild” (p. 12) en “het is niet vereist dat het gevaar of een ongeval zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Het scheppen van een mogelijks gevaarlijke verkeerssituatie als gevolg van de verkeersbelemmering volstaat” (p. 12). Art. 406 Strafwetboek behoort tot de categorie van ‘gevaarzettingsmisdrijven’: de overtreder die handelt met het oogmerk te schaden is strafbaar, ook indien zijn handelingen bij geen enkele gebruiker van een vervoermiddel een letsel heeft veroorzaakt . Op basis van de feitelijke omstandigheden, aan tegenspraak onderworpen, heeft het hof van beroep te Antwerpen wettig geoordeeld dat eiser heeft gehandeld met het door art. 406, lid 1, Strafwetboek vereiste opzet. Het onderdeel kan dus niet worden aangenomen. In zijn eerste middel, tweede onderdeel, voert eiser aan dat de appelrechters uit de feitelijke vaststellingen die zij deden, niet wettig hebben kunnen afleiden dat eiser handelde met de vereiste ‘kwaadwilligheid’. Eiser stelt dat de wegbelemmering ‘functioneel was’, in het kader van een stakingsactie en dus kaderde in een breder opzet, wat uitsluit dat de belemmering van het verkeer van meet af aan zou gericht geweest zijn op een toestand die gevaarlijk is voor de weggebruikers. Volgens eiser hebben de appelrechters niet vastgesteld dat eiser de vakbondsactie heeft afgewend van haar doel, wat uitsluit dat de belemmering van begin af aan gericht was op wegbelemmering en het doen ontstaan van een gevaarlijke toestand in het verkeer. Eiser werpt op, met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding (Parl. St. Kamer, 1961-62, nr. 424/2), dat de wetgever een onderscheid aanbracht tussen een niet-strafbare bewust gecreëerde wegbelemmering die louter is ingegeven door een stakingsactie en de doelbewust gecreëerde gevaarlijke toestand, buiten elke vakbondsactie om. Uit hun vaststellingen mocht het hof van beroep te Antwerpen niet wettig afleiden dat eiser met de vereiste kwaadwilligheid heeft gehandeld. Beoordeling: Art. 406 Strafwetboek bevat geen uitzondering voor verkeersbelemmeringen in het kader van een vakbondsactie. Het enkele feit dat een druk kruispunt wordt bezet in het kader van een vakbondsactie, doet het moreel bestanddeel van het misdrijf niet verdwijnen. De strafwet vereist geen bijzonder motief voor het plegen van kwaadwillige belemmering van het verkeer . Het kwaadwillig belemmeren van het verkeer volstaat reeds voor veroordeling, als daardoor een gevaarlijke toestand kan ontstaan. Uit de wetsgeschiedenis van art. 406 Strafwetboek, ingevoegd door artikel 2 Wet van 7 juni 1963, blijkt dat er rekening mee is gehouden dat vakbondsleden verkeersstromen kunnen beperken of stilleggen . Toepassing van deze strafbaarstelling mag het stakingsrecht niet op indirecte wijze aan banden leggen . Precies daarom werd de notie ‘kwaadwilligheid’ ingevoerd, als bijkomend onderdeel van het opzet, het wetens en willens handelen. Aanhoudende stakingen tegen de eenheidswet lagen aan de basis van de wet van 7 juni 1963, zoals in het bestreden arrest is vermeld (p. 15) . Het feit dat opzettelijke belemmering van het verkeer gericht is op het ondersteunen van syndicale eisen sluit toepassing van art. 406 Strafwetboek niet uit, voor zover deze belemmering de uiting is van kwaadwilligheid van de actievoerder . In zoverre het onderdeel uitgaat van aan andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Of eiser heeft gehandeld met de vereiste kwaadwilligheid, wordt soeverein door de feitenrechter vastgesteld. Het Hof van Cassatie gaat alleen na of de feitenrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trok die onverenigbaar zijn met die vaststellingen of die niet naar recht kunnen worden verantwoord. In bladzijden 16 tot 18 van het bestreden arrest is het kwaadwillig handelen voldoende toegelicht, op een wijze die in overeenstemming is met art. 406, eerste lid, Strafwetboek. Het onderdeel kan dus niet worden aangenomen. B) Toepassing van art. 406 Sw. in afweging met fundamentele grondrechten Eiser voert als tweede middel, een schending aan van de artikelen 10 en 11 EVRM en van art. 6 Herzien Europees Sociaal Handvest. Volgens eiser vereist het recht op vrije meningsuiting en het recht op vreedzame vergadering dat ‘de nationale wetgeving toestaat dat vakorganisaties opkomen voor de rechten van hun leden, waarbij de staking wordt erkend als belangrijk drukkingsmiddel dat deze organisaties moeten kunnen aanwenden’. Volgens eiser volgt uit rechtspraak van het Europees Hof te Straatsburg dat het stakingsrecht niet absoluut is, maar enkel onder strikte voorwaarden kan worden beperkt. Deze voorwaarden moeten restrictief en voorzichtig worden geïnterpreteerd, en houden in dat een beperking op het stakingsrecht, door toepassing van de strafwet, noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving en er voor de beperking aan het stakingsrecht een dwingende maatschappelijke behoefte (a pressing social need) moet bestaan. Het hof van beroep heeft niet naar recht geantwoord op het in conclusie opgeworpen argument dat vervolging van eiser wegens kwaadwillige belemmering in strijd is met deze beperkende voorwaarden, die uit de aangehaalde Verdragsbepalingen voortvloeien. Beoordeling. Werknemers hebben het recht zich aan te sluiten bij een vakbond en actie te voeren om rechtmatige eisen kracht bij te zetten. Het voeren van een syndicale actie maakt onlosmakelijk deel uit van het recht op vereniging, zoals beschermd door art. 11 EVRM . Het recht te betogen en te staken is evenwel niet absoluut . Het kan door lidstaten worden beperkt, onder strikte voorwaarden, die alleen betrekking kunnen hebben op de uitoefening van dit fundamenteel recht, en geen inperking houden van het recht zelf . Artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM laten beperkingen toe aan de grondrechten van vrijheid van meningsuiting, het recht op vreedzame vergadering en de vrijheid van vereniging, voor zover deze bij wet zijn voorzien, noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en gericht zijn op een specifiek wettig doel . Onder de noemer van wettig doel valt onder meer de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid van anderen of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De bij wet aangebrachte beperkingen op het recht tot staken en betogen moeten strikt worden geïnterpreteerd en steunen op overtuigende en dwingende redenen (covincing and compelling reasons) . Beperkingen aan het stakingsrecht, die kunnen ontstaan door toepassing van de strafwet, moeten in verhouding staan tot het nagestreefde wettig doel . Zij moeten ook steunen op voldoende relevante en toereikende redenen (relevant and sufficient reasons), die het stakingsrecht zelf niet mogen uithollen . Een betoging mag (haast onvermijdelijk) een zekere vorm van hinder en ongemak veroorzaken voor de bevolking en het normale verkeer stremmen . De overheid mag wel optreden, zelfs met strafsancties, tegen betogers die vrij hun mening konden uiten en opzettelijk het verkeer blijven hinderen, met als doel ernstige hinder te berokkenen aan weggebruikers, waardoor de rechten van anderen ernstig worden aangetast . De feitenrechter beschikt over enige marge om uit te maken of het vervolgen of bestraffen van handelingen die kwaadwillige belemmering van het verkeer uitmaken een toegelaten beperking inhoudt van het recht tot staken of betogen. De motivering op dit punt wordt getoetst door uw Hof, in het licht van de fundamentele grondrechten ingeroepen door eiser. In het bestreden arrest is vermeld dat wettelijke strafbepalingen, die de veiligheid en de vrijheid van alle burgers raken, niet zonder meer en op absolute wijze kunnen opzij worden geschoven door bepaalde fundamentele rechten, hoe waardevol deze ook zijn, zoals het recht op staken en op vergadering (p. 18). De appelrechters oordeelden verder dat het doelbewust creëren van een gevaarsituatie in het verkeer, strafbaar ingevolge art. 406 Strafwetboek, niet kan worden gerechtvaardigd door het recht op staken of het recht van vereniging (p. 19). De appelrechters stelden verder geen onevenredigheid vast tussen de toepassing van art. 406 Strafwetboek en de grondrechten vermeld inde artikelen 10 en 11 EVRM. Het voorkomen van ongevallen of van gevaarlijke situaties in het verkeer kan als noodzakelijk in een democratische samenleving worden beschouwd (p. 19). Met deze redenen heeft het hof van beroep, na beoordeling van een reeks feitelijke elementen, wettig beslist dat eisers veroordeling geen ongeoorloofde beperking inhoudt van het stakingsrecht en daarmee verband houdende grondrechten. Kwaadwillig opzet mag niet worden verward met het motief van de wetsovertreder. Het nastreven van een legitiem doel, zoals het collectief uiten van een mening of het voeren van syndicale actie, sluit kwaadwillig opzet in de zin van art. 406, eerste lid, Strafwetboek niet uit . Bovendien wordt het stakingsrecht onvermijdelijk begrensd door bescherming van grondrechten van anderen. In deze zaak rees het conflict tussen het recht op collectieve actie van vakbondsleden, als corollarium van art. 11 EVRM, en het recht op bescherming van de fysieke en morele integriteit van elke persoon, dat uit art. 8 EVRM kan worden afgeleid . Bij botsing van grondrechten past een zorgvuldige belangenafweging, waarbij het ene grondrecht niet geheel aan het andere wordt opgeofferd. Bij dit zoeken naar evenwicht mag het grondrecht de doorslag geven dat het minst aanleiding kan geven tot wettelijke beperkingen . Bij kwaadwillige belemmering van het verkeer (art. 406 Sw.) is deze afweging moeilijk te maken, aangezien de waarborgen van artikel 8 en 11 EVRM bij wet mogen worden ingeperkt, om een geoorloofd doel te beschermen, voor zover nodig in een democratische samenleving . Geval per geval moet worden beoordeeld of de fysieke integriteit van weggebruikers zwaarder doorweegt dan het recht op staken en betogen. Steeds moet de strafrechter nagaan of toepassing van art. 406 Strafwetboek strikt noodzakelijk is om in dit conflict van grondrechten voorrang te geven aan het recht op fysieke integriteit van weggebruikers. Binnen bepaalde grenzen dienen Staten maatregelen te nemen tegen schendingen van de persoonlijke integriteit van haar burgers door medeburgers . De strafbaarstelling van kwaadwillige belemmering van het verkeer is ingevoerd om de fysieke integriteit te beschermen van de reizigers, gebruikers en personeel van verkeer op wegen, waterwegen en spoorwegen . Het door eiser ingeroepen grondrecht van art. 11 EVRM heeft trouwens enkel betrekking op het vreedzaam vergaderen of betogen . Betogingen georganiseerd met kwaadwillig opzet, met het oogmerk te schaden, gericht op ordeverstoring of het in gevaar brengen van anderen, vallen buiten de beschermde sfeer van art. 11 EVRM. Het is alleen aan de feitenrechter om daarover uitspraak te doen. Dezelfde beginselen gelden voor de beoordeling van art. 6 Europees Sociaal Handvest, herziene versie van 1996, dat bepaalt in Deel I: “Alle werknemers en werkgevers hebben het recht collectief te onderhandelen”. Dat recht omvat volgens art. 6 Deel II, punt 4°: “het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten” . Met dit recht op onderhandelen is het recht op collectieve actie onlosmakelijk verbonden, of het nu gaat om een aangekondigde syndicale actie, of niet . In deel G1 van het Europees Sociaal Handvest, herziene versie, is bepaald dat aan grondrechten (zoals het recht op staken om collectief de belangen van werknemers te behartigen, art. 6) bij wet bepaalde beperkingen mogen worden aangebracht, voor zover deze beperkingen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en gericht zijn op een legitiem doel, dat bestaat in de bescherming van de rechten van vrijheden van anderen of bescherming van de openbare orde, nationale veiligheid, volksgezondheid of goede zeden. De geoorloofde beperkingen op de sociale grondrechten, in het nationaal recht uitgewerkt, kunnen uitsluitend worden toegepast voor het doel waarvoor zij zijn bestemd (deel G2 Europees Sociaal Handvest, herziene versie) . In het bestreden arrest is uitvoerig gemotiveerd dat door bepaalde handelingen onder leiding van eiser (zoals het aanbrengen van een bareel en een lint over de rijweg, het in brand steken van autobanden, het voor voertuigen staan van manifestanten, p.12) er voor gebruikers van het verkeer en de betogers zelf een gevaarlijke situatie is ontstaan, meer specifiek een risico op aanrijdingen, gevaarlijke toestanden door terugdraaiende voertuigen en opgehitste gemoederen tussen actievoerders en weggebruikers die lange tijd stilstonden (p. 12-13). In het bestreden arrest, onder de rubriek “toetsing aan de artikelen 10 en 11 EVRM” (p. 18-20), is standpunt ingenomen over de botsende grondrechten, met de overweging “De in aanmerking komende wettelijke strafbaarstellingen, die de veiligheid en de vrijheid van alle burgers raken, kunnen niet zonder meer en op absolute wijze opzij worden geschoven voor bepaalde fundamentele rechten, hoe waardevol en beschermingswaardig deze ook zijn. Daarmee wordt de syndicale vrijheid niet in het gedrang gebracht en het hof ziet niet in waarom syndicale actie een strafrechtelijk vrijgeleide zou noodzaken”. Met deze motivering heeft het rechtscollege in hoger beroep op wettige wijze beslist, op basis van feitelijke gegevens (p. 11-18), dat de veroordeling op basis van art. 406, eerste lid, Strafwetboek, de door eiser aangehaalde grondrechten niet uitholt of onevenredig beperkt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tenslotte, in het tweede middel, wordt opgekomen tegen een passage in het bestreden arrest, namelijk: “Gelet op wat vooraf voorafgaat, kan een overtreding van artikel 406, eerste lid, Strafwetboek en dus het doelbewust creëren van een potentiële gevaarsituatie in het verkeer, niet worden gerechtvaardigd door een recht van staken of een recht van verenigen. Die werking van het strafrecht heeft dan immers niet de staking zelf op het oog, maar wel de criminele ingesteldheid van de dader van de verkeersbelemmering. Het stakingsrecht en de overige reden kunnen ook worden uitgeoefend zonder dat daarbij verkeersbelemmering aan te pas komt’ en motivering “. Deze redenering miskent vermelde grondrechten van art. 10 en 11 EVRM en art. 6.
- Europees Sociaal Handvest . Ook blijkt er in deze zaak geen maatschappelijke nood tot bestraffing, aangezien de zaak met aanneming van verzachtende omstandigheden was aanhangig gemaakt en er aan eiser geen straf werd opgelegd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Eiser meent dat hij niet doelbewust een potentiële gevaarsituatie heeft gecreëerd en geen criminele ingesteldheid had. Beoordeling: Het middel is een herneming van de argumenten in het eerste middel, eerste en tweede onderdeel. Bovendien komt eiser op tegen een feitelijke beoordeling, waarvoor uw Hof niet bevoegd is. Besluit Er is geen reden voor het aanvoeren van ambtshalve middelen in cassatie. Verwerping van het cassatieberoep. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200107.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div