← België

ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200109.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 januari 2020

Art. 159

- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Artikel 159, Grondwet 1994 - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 159

- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 3 - 4 De omstandigheid dat een bestuurshandeling na het verstrijken van de termijn van zes maanden waarvan sprake in artikel 18 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet meer voor nietigverklaring vatbaar is, verhindert in de regel niet dat de hoven en rechtbanken deze op grond van artikel 159 Grondwet buiten toepassing kunnen laten

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Vrije woorden: Taak van de rechter - Niet meer voor vernietiging vatbare bestuurshandeling - Artikel 159, Grondwet 1994 - Toepassing Wettelijke bepalingen:

Art. 159- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 06-01-1989 - Art.

18 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Artikel 18 - Niet meer voor vernietiging vatbare bestuurshandeling - Artikel 159, Grondwet 1994 - Toepassing Wettelijke bepalingen:

Art. 159- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 06-01-1989 - Art.

18 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw [TROS] - DE PRETER, FILIP; Noot " Een onwettige last is ook een onverschuldigde last." - 2019, nr. 95, p. 244-

  1. Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.4 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.4 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.4 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.4 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.4 2020-01-09 C.18.0146.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
  2. Feiten en procedure Het Decreet van 27 maart 2009 betreffende het Grond- en pandenbeleid voerde de verplichting in om in alle nieuwe grote bouw- en verkavelingsprojecten te voorzien in een sociaal woonaanbod, begroot als een percentage van het totaal aantal te realiseren woningen of kavels. Aan de verkavelaar werd een "sociale last" opgelegd om dit sociaal percentage te realiseren, hetzij via uitvoering in natura hetzij via het betalen van een bijdrage voor het gemeentelijk woonbeleid. Tegen deze regeling werden procedures gevoerd voor het Grondwettelijk Hof. Op prejudiciële vraag van het Grondwettelijk Hof oordeelde het Hof van Justitie in algemene zin dat een sociale last een beperking vormt van het vrij verkeer van kapitaal maar die beperking gerechtvaardigd kan zijn door eisen voortvloeiend uit het beleid inzake sociale huisvesting aangezien zij beoogt te verzekeren dat personen met een laag inkomen of andere sociaal zwakkere groepen voldoende woningaanbod hebben. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de door het voormeld decreet opgelegde zware last evenwel niet evenredig is met de nagestreefde doelstelling en vernietigde bij arrest nr. 145/2013 van 7 november 2013, zoals verbeterd door een beschikking van 18 december 2013, met terugwerkende kracht de artikelen uit het Decreet betreffende het Grond- en Pandenbeleid die deze sociale lasten vastlegden, wegens strijdigheid met het vrij verkeer van kapitaal. Dit arrest werd op 10 februari 2014 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Het college van burgemeester en schepenen van eerste verweerster leverde op 27 februari 2012 een verkavelingsvergunning af aan eiseres. waarin onder meer als voorwaarde werd opgenomen dat de kavels slechts te koop zouden worden aangeboden nadat de vereiste sociale lasten, verschuldigd krachtens het Decreet betreffende het Grond- en Pandenbeleid in de gemeentekas zouden zijn gestort. Eiseres betaalde deze bijdrage. Op 28 mei 2014, binnen een termijn van zes maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, dagvaardde eiseres eerste verweerster voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tot terugbetaling van de door haar betaalde sociale last en dit op grond van onverschuldigde betaling. In tegenstelling tot de eerste rechter, verklaren de appelrechters deze vordering ongegrond. Zij wijzen op artikel 18 Bijz.W.Gw.H. krachtens hetwelk, niettegenstaande de door de wetten en bijzondere verordeningen bepaalde termijnen verstreken zijn, tegen de handelingen en verordeningen van de verschillende bestuursorganen, (...), voor zover die gegrond zijn op een bepaling van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, (...) elk administratief of rechterlijk beroep kan worden ingesteld dat daartegen openstaat, binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad. Nu eiseres niet aantoonde dat zij de aan haar verleende verkavelingsvergunning had aangevochten bij de deputatie van de provincie Antwerpen o.g.v. artikel 4.7.21 Vlaams Decreet Ruimtelijke Ordening binnen de zes maanden na de publicatie van het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof, kon volgens de appelrechters aan de verkavelingsvergunning geen gebrek aan rechtsgeldigheid meer worden verweten, was deze definitief en onherroepelijk geworden en blijft zij verder bestaan in de rechtsorde zonder dat zij nog buiten toepassing kan worden verklaard op grond van artikel 159 Grondwet. Aldus was, is en blijft de verkavelingsvergunning de oorzaak van de betaling van de sociale last en wordt door de eiseres niet het bewijs van een onverschuldigde betaling geleverd. Tegen dit arrest van 15 januari 2018 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiseres twee middelen aan. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert eiseres aan dat de appelrechters met dit oordeel hun plicht, op grond van artikel 159 Grondwet, om de interne en externe wettigheid te onderzoeken van elke bestuurshandeling waarop een aanspraak, een verweer of een exceptie is gegrond, hebben miskend, aangezien deze plicht niet wordt aangetast door de omstandigheid dat de bestuurshandeling niet meer voor nietigverklaring vatbaar is en dus definitief is geworden. In deze zaak rijst met andere woorden de vraag of een rechter een bestuurshandeling, die is gesteund op een door het Grondwettelijk Hof vernietigde norm, op grond van artikel 159 Grondwet buiten toepassing kan laten wanneer werd nagelaten tegen deze bestuurshandeling zelf op te treden binnen de zes maanden na de publicatie van het vernietigingsarrest in het Belgisch Staatsblad conform artikel 18 Bijz.W.Gw.H..
  3. Bespreking 2.
  4. Als gevolg van het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof verdwijnt de ongrondwettig bevonden wet/decreet/ordonnantie uit de rechtsorde en kan niemand er zich nog op beroepen. Krachtens artikel 9, §1, Bijz.W.Gw.H. hebben de door het Hof gewezen vernietigingsarresten een absoluut gezag van gewijsde vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. De vernietiging heeft (in de regel)

(1)terugwerkende kracht, wat betekent dat de vernietigde ‘wet' geacht wordt nooit te hebben bestaan
(2). Iedere handeling van de bestuursoverheid moet een wettelijke basis hebben. Bestuurshandelingen verliezen hun rechtsgrond wanneer de wet, het decreet of de ordonnantie waarop zij steunen, vernietigd wordt door het Grondwettelijk Hof. De wetgever opteerde er evenwel voor om bestuurshandelingen (en rechterlijke uitspraken) die op grond van een vernietigde ‘wet' zijn genomen, niet als gevolgen van deze wet, maar als gevolgen van het optreden van de uitvoerende (of rechterlijke) macht te aanzien
(3)zodat bestuurshandelingen niet van rechtswege uit de rechtsorde verdwijnen wanneer de ‘wet' waarop zij steunen door het Grondwettelijk Hof wordt vernietigd
(4). Evenwel moet dit worden onderscheiden van de rechtsgeldigheid van de bestuurshandeling die wel als een gevolg van de vernietigde wetskrachtige akte wordt beschouwd en dus door de vernietiging ervan wordt aangetast. Door de vernietiging van de norm blijft de bestuurshandeling dus in beginsel bestaan maar wordt de rechtsgeldigheid ervan aangetast. Aangezien de normale rechtsmiddelen tegen deze bestuurshandeling in de meeste gevallen wegens het verstrijken van de termijnen niet meer kunnen aangewend worden voorziet voormeld artikel 18 Bijz.W.Gw.H. in een vordering tot intrekking en de heropening van de termijn om op basis van het aldus ontstaan gebrek aan rechtsgeldigheid de betrokken beslissing aan te vechten en deze uit de rechtsorde te laten verwijderen. De beslissing wordt dus vernietigbaar
(5)en dit gedurende zes maand te rekenen vanaf de bekendmaking van het vernietigingsarrest in het Belgisch Staatsblad
(6). Hiermee wou de wetgever een evenwicht houden tussen de belangen van de rechtszoekenden die voordeel kunnen halen uit de vernietiging enerzijds en de rechtszekerheid anderzijds. De bestuurshandelingen die op basis van een vernietigde norm werden genomen, krijgen door de vernietiging dus een vernietigbaar karakter dat wordt gemilderd door bepalingen die de mogelijkheid om het effect van de vernietiging te laten doorwerken naar de gevolgakten, beperkt in de tijd. Dat de termijn ingevolge artikel 18 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof wordt heropend, schept in hoofde van de rechtszoekende dus een mogelijkheid, maar beperkt ze ook
(7). 2.2. Krachtens artikel 159 Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Onder ‘wetten' worden niet enkel de formele wetten bedoeld, maar tevens de rechtsnormen van gelijke en hogere rang, zoals de internationale normen met rechtstreekse werking, grondwetsbepalingen, decreten, ordonnanties en algemene rechtsbeginselen
(8). 2.2.1. In de rechtspraak van uw Hof wordt aan voormeld artikel een algemene draagwijdte verleend. Uw Hof oordeelt dat artikel 159 Grondwet een bijzondere verwoording vormt van het algemeen rechtsbeginsel van de normenhiërarchie, die net zoals het legaliteitsbeginsel grondwettelijke waarde heeft en volgens hetwelk de rechter geen toepassing mag maken van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden
(9). Bijgevolg hebben, aldus uw Hof, de met eigenlijke rechtspraak belaste organen krachtens deze bepaling de bevoegdheid en de plicht de interne en externe wettigheid van elke administratieve handeling te onderzoeken waarop een vordering, verweer of exceptie gegrond is
(10). Het verbiedt de rechter om de besluiten van de uitvoerende macht toe te passen wanneer ze in strijd zijn met een hogere rechtsnorm
(11). Uw Hof maakt hierbij geen onderscheid tussen de akten die het beoogt, zodat deze bepaling eveneens toepasselijk is op niet-verordenende beslissingen van het bestuur en op de bestuurshandelingen, ook al zijn deze van individuele aard
(12). Uw Hof oordeelt, weliswaar in oudere rechtspraak, dat de beoordeling van de wettigheid van een schadeberokkenende administratieve beslissing niet ophoudt tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken te behoren doordat die administratieve beslissing aanleiding kon geven tot een annulatieberoep bij de Raad van State
(13). Die bevoegdheid wordt evenmin aangetast door de omstandigheid dat tegen die administratieve beslissing een administratief beroep werd ingesteld maar dit wegens laattijdigheid niet ontvankelijk werd verklaard, noch doordat de administratieve beslissing voor geen nietigverklaring meer vatbaar is en dus definitief is geworden
(14). Ook de omstandigheid dat de administratieve beslissing al dan niet subjectieve rechten heeft doen ontstaan tast de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken om de wettigheid ervan te toetsen niet aan
(15). Uw Hof gaf aldus steeds voorrang aan de legaliteit en dit ingevolge de algemene draagwijdte van artikel 159 Grondwet of de hiërarchie der rechtsbronnen
(16). 2.2.2. In de rechtspraak van de Raad van State daarentegen wordt de stabiliteit en het eerbiedigen van de verkregen rechten vooropgesteld
(17)en wordt geoordeeld dat met het verstrijken van de wettelijke termijn waarbinnen individuele bestuurshandelingen middels een annulatieberoep kunnen worden aangevochten, voor de Raad ook de mogelijkheid verdwijnt om toepassing te maken van artikel 159 Grondwet
(18). Ook vanuit het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en het vereiste van een coherente rechtsbescherming, is tegen de ruime toepassing van artikel 159 Grondwet een zeker verzet waar te nemen
(19). Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat hoewel de incidentele rechterlijke wettigheidstoetsing van bestuurshandelingen, bepaald in artikel 159 Grondwet, oorspronkelijk als absoluut kon worden opgevat, andere grondwetsbepalingen en bepalingen van internationale verdragen niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten om de draagwijdte ervan te bepalen en deze toetsing moet worden geïnterpreteerd in samenhang met het beginsel van rechtszekerheid zodat, hoewel artikel 159 Grondwet dit niet uitdrukkelijk voorziet, een beperking van de wettigheidstoets verantwoord kan zijn om de naleving van andere grondwetsbepalingen of fundamentele rechten te verzekeren
(20). Zo heeft het EHRM herhaaldelijk aanvaard dat handelingen van overheden hun uitwerking behouden, ondanks de onregelmatigheid ervan, wegens de verplichte naleving van het beginsel van rechtszekerheid
(21). De ruime toepassing van artikel 159 Grondwet zou ook het administratief beroep de facto buitenspel zetten, wat vanuit proceseconomisch oogpunt niet wenselijk is, aangezien de bedoeling van het administratief beroep net ligt in het ontlasten van het gerechtelijk apparaat. De voorwaarde om het administratief beroep uit te putten, lijkt dan evenwel enkel zinvol indien de administratieve beroepsinstantie een effectief wettigheidstoezicht kan uitoefenen en zij derhalve zelf een onwettige bestuurshandeling buiten toepassing kan laten
(22). Het "onverjaarbaar karakter" van de exceptie van onwettigheid staat dus op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel
(23). Om die rechtszekerheid te bieden wordt in de rechtsleer gepleit voor de theorie van de formele rechtskracht, die in de Nederlandse rechtspraak is ontwikkeld en in essentie inhoudt dat de gewone rechter terugtreedt, niet alleen wanneer de bestuursrechter zich reeds over de wettigheid van een bestuurshandeling heeft uitgesproken, maar ook wanneer de bestuursrechter zich over de wettigheid had kunnen uitspreken maar die handeling hem niet (tijdig) werd voorgelegd. Na het verstrijken van de beroepstermijn zou de exceptie van onwettigheid niet meer mogen worden toegepast ten aanzien van rechtsverlenende individuele bestuurshandelingen, op voorwaarde althans dat de partij die om die toepassing verzoekt de betrokken bestuurshandeling "zonder enige twijfel" had kunnen aanvechten
(24). Bestuurshandelingen met algemene draagwijdte zouden buiten die regeling vallen, zodat de wettigheid ervan nog steeds ten allen tijde incidenteel voor de rechter kan worden betwist
(25). Dit voorstel ligt in lijn met de beperking waaraan de Europese exceptie van onwettigheid met het oog op de rechtszekerheid is onderworpen, en die inhoudt dat een individuele Unierechterlijke akte in beginsel niet langer incidenteel kan worden betwist wanneer zij niet binnen de termijn voor het indienen van het rechtstreeks beroep werd bestreden, wat spoort met de rechtspraak van de Raad van State
(26). 2.3. Terugvordering van het onverschuldigd betaalde is enkel aan twee voorwaarden onderworpen, enerzijds een betaling, anderzijds het onverschuldigd karakter daarvan, dit wil zeggen, het ontbreken van een oorzaak
(27). Waar de solvens de bedoeling moet gehad hebben een (weliswaar veronderstelde) schuld te betalen
(28), heeft elkeen die een betaling ontvangt die niet aan hem verschuldigd is, de wettelijke verbintenis om terug te betalen wat hij heeft ontvangen. De betaling kan onder andere haar grondslag vinden in een overeenkomst of in een wet in de brede zin van het woord. Van een onverschuldigde betaling zal dan sprake zijn indien betaald wordt ( werd) hoewel er geen schuld (meer) bestaat
(29). Als betalingen zijn gebeurd op grond van een overheidsmaatregel die een betalingsverplichting oplegt, en deze overheidsmaatregel wordt naderhand strijdig bevonden met een hiërarchisch hogere norm, zoals een EU-rechterlijke regeling, is de betaling onverschuldigd verricht omdat geen rekening kan worden gehouden met de wettelijke of reglementaire grondslag die strijdt met de hiërarchisch hogere norm
(30). Te dezen verloor niet de verkavelingsvergunning op zich maar de sociale last die werd opgelegd in de verkavelingsvergunning haar rechtsgeldigheid door de retroactieve vernietiging van de rechtsgrond ervan in het Grond- en pandendecreet. Deze last, die wordt geacht niet te hebben bestaan, maakt immers juridisch geen deel uit van de eigenlijke vergunning, maar wordt opgelegd bijkomend aan de vergunning
(31). Het vormt dus een van de vergunning afsplitsbare handeling die kan ingetrokken worden zonder de verkavelingsvergunning zelf in te trekken. Indien de vergunninghouder de opgelegde last niet wenst te realiseren is het aangewezen deze uit de vergunning en dus uit het rechtsverkeer te halen door de intrekking van de beslissing tot het opleggen van de sociale last te vorderen. Indien de sociale last evenwel, zoals te dezen het geval was, reeds is uitgevoerd wordt in de rechtsleer geoordeeld dat het evident is dat de uitvoering/betaling van de sociale last kan worden teruggevorderd op grond van een onverschuldigde betaling
(32). Doordat de vernietigde decreetgeving volgens het oordeel van het Grondwettelijk Hof strijdig was met het recht van de Europese Unie, dienen alle bestuursorganen het opleggen van dergelijke sociale lasten achterwege te laten en dient een overheid, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie, bestuurshandelingen die strijden met het Unierecht buiten toepassing te laten. Het is om die reden niet noodzakelijk dat met toepassing van artikel 18 Bijz.W.Gw.H. een administratief of jurisdictioneel beroep wordt ingesteld
(33). De vergunninghouder kan zich buiten de toepassing van artikel 18 Bijz.W.Gw.H., perfect tegen de nadelige gevolgen van het opleggen van die sociale last verdedigen door zich te beroepen op het gezag van gewijsde van het arrest van het Grondwettelijk Hof enerzijds en artikel 159 Grondwet anderzijds zodat het onevenredig zou zijn van hem te eisen dat hij zijn vergunning ter herbeoordeling moet voorleggen. Artikel 18 Bijz.W.Gw.H. geeft een bijkomende mogelijkheid om in het belang van de rechtszekerheid onwettige beslissingen uit het rechtsverkeer te verwijderen, zodat wanneer de procedure van artikel 18 Bijz.W.Gw.H. niet gevolgd is, dit niet betekent dat de sociale last die formeel nog in de vergunning staat, daardoor ineens wettig zou zijn
(34). Terwijl door een vernietiging in het kader van een administratief of justitieel beroep de administratieve handeling erga omnes uit de rechtsorde verdwijnt, wordt deze in het kader van het wettigheidstoezicht door de hoven en rechtbanken in het concrete geschil buiten toepassing gelaten maar blijft ze voor het overige in de rechtsorde bestaan
(35). Het toekennen van een bijzonder beroep tegen bepaalde bestuurshandelingen zorgt dus voor een toegevoegde "zijdelingse" bescherming, die evenwel niet in de plaats komt van het wettigheidstoezicht op grond van artikel 159 Grondwet. Het tegenovergestelde standpunt zou een interpretatie van wetten in ongrondwettelijke zin impliceren
(36). Artikel 159 Grondwet draagt aan elke rechter zonder onderscheid op om de wettelijkheid van de bestuurshandeling te onderzoeken wanneer die een noodzakelijk element is bij de beoordeling van de zaak. Dat geldt ook wanneer de partij die de onwettelijkheid inroept verzuimd heeft de bestuurshandeling aan te vechten hetzij voor een andere rechter, hetzij in het kader van een georganiseerd administratief beroep
(37). 2.4. Uw Hof heeft zich tot op heden nog niet uitgesproken over de te dezen voorliggende verhouding tussen artikel 18 Bijz.W.Gw.H. en artikel 159 Grondwet. In een arrest van 8 mei 2014 oordeelde het Hof wel in het kader van een vordering tot terugbetaling van milieuheffingen, dat op grond van voormeld artikel 18 elk rechtsmiddel tegen de handelingen en verordeningen van bestuursorganen die gegrond zijn op een bepaling van een wet, decreet of ordonnantie die door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, binnen de zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof moet worden ingesteld [zodat] de belastingplichtige die een belasting heeft betaald die haar grondslag vindt in een door het Grondwettelijk Hof vernietigde bepaling, de vordering op grond van onverschuldigde betaling dient in te stellen binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof
(38). In zijn eensluidende conclusie vóór dit arrest wees advocaat-generaal Van Ingelgem er op dat deze oplossing beantwoordt aan de bekommernis en de bedoeling van de wetgever om de gevolgen van een vernietigingsarrest in het kader van de rechtszekerheid te temperen, met dien verstande dat de gevolgakte (d.w.z. de handelingen die werden gesteld in uitvoering van een vernietigde wet, decreet of ordonnantie), slechts binnen een korte termijn (vanaf de bekendmaking van het vernietigingsarrest in het Belgisch Staatsblad) kan worden aangevochten en de situatie waarin dit kan gebeuren op beperkende wijze in deze bijzondere wet gepreciseerd zijn. 2.5. Gelet op wat voorafgaat komt het mij voor dat, nu artikel 159 Grondwet de grondwettelijke verankering is van het legaliteitsbeginsel en een bepaling uit een bijzondere wet ingevolge de hiërarchie der rechtsnormen, geen afbreuk kan doen aan een grondwetsbepaling, de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken om op grond van artikel 159 GW de wettigheid van administratieve beslissingen te toetsen aan hogere normen niet kan worden aangetast door het feit dat de beslissing op grond van artikel 18 Bijz.W.Gw.H. niet meer vatbaar is voor vernietiging. Dit klemt des te meer nu de door uw Hof opgelegde vereiste dat op grond van artikel 18 Bijz.W.Gw.H. elk rechtsmiddel tegen de handelingen en verordeningen van bestuursorganen die gegrond zijn op een bepaling van een wet, en dus ook een vordering op grond van onverschuldigde betaling, moet zijn ingesteld binnen de zes maanden na de bekendmaking van het vernietigingsarrest in het Belgisch staatsblad, wat te dezen het geval is, de rechtszekerheid voldoende waarborgt. De appelrechters die oordelen dat bij gebrek aan tijdig administratief beroep, aan de vergunning geen gebrek aan rechtsgeldigheid meer kan worden verweten verantwoorden bijgevolg hun beslissing niet naar recht. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _________________________
(1)Het Grondwettelijk Hof kan de werking in de tijd van zijn vernietigingsarrest immers matigen op grond van artikel 8, lid 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof (J. VANDE LANOTTE, G. GOEDERTIER, m.m.v. T. DE PELSMAEKER, Handboek Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2013, 1415), maar paste dit bij arrest nr.145/2013 niet toe, niettegenstaande dit werd gevorderd.
(2)J. VANDE LANOTTE, G. GOEDERTIER, m.m.v. T. DE PELSMAEKER, Handboek Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2013, 1415.
(3)G. GOEDERTIER, "De rechtsgevolgen van de arresten van het Grondwettelijk Hof", T.Not. 2008,
(206)208; L. PROOT, "Sociale lasten na de vernietiging door het Grondwettelijk Hof: over and out?" in Rechtskroniek voor het Notariaat nr. 25,
(89)100; J. VANDE LANOTTE, G. GOEDERTIER, m.m.v. T. DE PELSMAEKER, Handboek Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2013, 1417.
(4)M. BECKERS, L'autorité et les effets des arrêts de la cour d'arbitrage, Brussel, Story-Scientia, 1987, 107; L. DE GEYTER, "Commentaar bij art. 10-18 Bijz.Wet 6 januari 1989" in Publiek Procesrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., nr. 5; P.-J. DEFOORT, "Rechtsgevolgen van de vernietiging van de sociale last door het Grondwettelijk Hof", TROS 2013, afl. 72, nr. 8; G. GOEDERTIER, "De rechtsgevolgen van de arresten van het Grondwettelijk Hof", T.Not. 2008,
(206)208; L. PROOT, "Sociale lasten na de vernietiging door het Grondwettelijk Hof: over and out?" in Rechtskroniek voor het Notariaat nr. 25,
(89)100; J. VANDE LANOTTE, G. GOEDERTIER, m.m.v. T. DE PELSMAEKER, Handboek Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2013, 1417; O. VERHULST, "De vernietiging in de bestuurspraktijk" in X., Grond- en Pandendecreet. De gevolgen van de vernietiging, Antwerpen, Intersentia, 2016,
(179)182.
(5)Senaat 1983-84, nr. 579-3, 20; M. BECKERS, L'autorité et les effets des arrêts de la cour d'arbitrage, Brussel, Story-Scientia, 1987, 107.
(6)P.-J. DEFOORT, "Rechtsgevolgen van de vernietiging van de sociale last door het Grondwettelijk Hof", TROS 2013, afl. 72, nr. 8. Zie ook: J. VELAERS, Van Arbitragehof tot Grondwettelijk Hof, Antwerpen, Maklu, 1990, 315.
(7)F. JUDO, "Artikel 18 Bijz.Wet GWH: meer dan een vrome aansporing" (noot onder het bestreden arrest), NjW 2018, 890.
(8)A. ALEN en J. THEUNIS, "Praktische vragen over de ‘exceptie' van onwettigheid in artikel 159 Grondwet" in Themis Staatsrecht 54, Brugge, die Keure, 2009, 13; J. VANDE LANOTTE, G. GOEDERTIER, m.m.v. T. DE PELSMAEKER, Handboek Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2013, 797.
(9)Cass. 8 april 2003, NjW 2003, 778. Zie ook Cass. 21 april 2011, AR C.08.0452.F (krachtens het legaliteitsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel van de normenhiërarchie, die allebei grondwettelijke waarde hebben en waarvan artikel 159 van de Grondwet een bijzondere verwoording vormt).
(10)Cass. 23 oktober 2006, AR S.05.0042.F, AC 2006, nr. 502 Zie ook Cass. 12 september 1997, Arr.Cass. 1997, 812
(11)J. VANDE LANOTTE, G. GOEDERTIER, m.m.v. T. DE PELSMAEKER, Handboek Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2013, 798.
(12)Cass. 12 september 1997, AR C.96.0340.F, AC 1997, nr. 349; Cass. 10 november 1992, AC 1991-92, nr. 725; Cass. 24 november 1988, AR 8242, AC 1988-89, nr. 180.
(13)Cass. 12 september 1997, AR C.96.0340.F, AC 1997, nr. 349 (impliciet); Cass. 7 november 1975, AC 1976, 316.
(14)Cass. 7 november 1975, AC 1976, 316.
(15)A. ALEN en J. THEUNIS, "Praktische vragen over de ‘exceptie' van onwettigheid in artikel 159 Grondwet" in Themis Staatsrecht 54, Brugge, die Keure, 2009, 11.
(16)Cfr. A. ALEN en J. THEUNIS, "Praktische vragen over de ‘exceptie' van onwettigheid in artikel 159 Grondwet" in Themis Staatsrecht 54, Brugge, die Keure, 2009, 11.
(17)A. ALEN en J. THEUNIS, "Praktische vragen over de ‘exceptie' van onwettigheid in artikel 159 Grondwet" in Themis Staatsrecht 54, Brugge, die Keure, 2009, 11.
(18)RvSt nr. 173.992, 16 augustus 2007 (Het in het eerste middel ingeroepen artikel 159 van de Grondwet leidt ter zake niet tot een andere conclusie nu dit artikel de Raad van State niet toelaat om een eventuele onregelmatigheid van een definitief geworden, vroegere individuele maatregel, in aanmerking te nemen als middel tot nietigverklaring van een latere akte (r.o. 3.2.a)); RvSt nr. 136.037, 14 oktober 2004 (Overwegende dat de verzoekende partijen niet betwisten dat er op 13 juli 1993 een bouwvergunning voor de opslagloods werd verleend en dat deze niet met een annulatieberoep werd bestreden; dat die vergunning dan ook definitief is en dat zij als een individuele beslissing niet op grond van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing kan worden gelaten (r.o. 3.3.6.)).
(19)A. ALEN en J. THEUNIS, "Praktische vragen over de ‘exceptie' van onwettigheid in artikel 159 Grondwet" in Themis Staatsrecht 54, Brugge, die Keure, 2009, 11.
(20)GwH 9 februari 2012, nr.18/2012, B.8.1 en B.8.2.
(21)EHRM 26 juni 1996, Mika t. Oostenrijk; EHRM 16 maart 2000, Walden t. Liechtenstein; EHRM 6 november 2003, Roshka t. Rusland; EHRM 22 juli 2010, P.B. en J.S. t. Oostenrijk.
(22)A. ALEN en J. THEUNIS, "Praktische vragen over de ‘exceptie' van onwettigheid in artikel 159 Grondwet" in Themis Staatsrecht 54, Brugge, die Keure, 2009, 15-16.
(23)J. BOUCKAERT en G. SCHAIKO, "Omtrent de verkavelingsvergunning recente evoluties in de rechtspraak en bedenkingen", TROS 2013, 70-71, nr. 38.
(24)J. THEUNIS, "De exceptie van onwettigheid: mag het iets meer zijn," (noot onder Antwerpen 29 september 2016), Limb.Rechtsl. 2018,
(127)129.
(25)J. THEUNIS, "De techniek van het buiten toepassing verklaren: de invloed van het Europese recht op de exceptie van onwettigheid" in Invloed van het Europese recht op het Belgisch privaatrecht, Antwerpen, Intersentia, 2012,
(101)128.
(26)J. THEUNIS, "De techniek van het buiten toepassing verklaren: de invloed van het Europese recht op de exceptie van onwettigheid" in Invloed van het Europese recht op het Belgisch privaatrecht, Antwerpen, Intersentia, 2012,
(101)113.
(27)Cass. 22 oktober 1992, AR F.1205 F, AC 1991-92, nr. 685.
(28)J. ROODHOOFT, De quasi-contracten, BHVR, 2018, nr. 2207.
(29)J. ROODHOOFT, De quasi-contracten, BHVR, 2018, nr. 2209.
(30)I. CLAEYS en L. VAN VALCKENBORGH, Overzicht van rechtspraak verbintenissenrecht (1992-2017), Onverschuldigde betaling, TPR, 2017-4, 1432.
(31)L. PROOT, "Sociale lasten na de vernietiging door het Grondwettelijk Hof: over and out?" in Rechtskroniek voor het Notariaat nr. 25,
(89)102 en 105-106.
(32)P.-J. DEFOORT, "Rechtsgevolgen van de vernietiging van de sociale last door het Grondwettelijk Hof", TROS 2013, afl. 72, nr. 28; L. PROOT, "Sociale lasten na de vernietiging door het Grondwettelijk Hof: over and out?" in Rechtskroniek voor het Notariaat nr. 25,
(89)123.
(33)F. CHARLIER, De socialelastenregeling vernietigd. Gevolgen voor de notariële praktijk, T. Not. 2014-1, 18.
(34)J. GHYSELS, "Het Grond- en Pandendecreet gedeeltelijk vernietigd. Een overzicht van de vernietigde bepalingen en de rechtsgevolgen van de vernietiging" in Grond- en Pandendecreet. De gevolgen van de vernietiging, Antwerpen, Intersentia, 2016, 36 en 41-44; M. BECKERS, L'autorité et les effets des arrêts de la Cour d'arbitrage, Brussel, Story-scientia, 1987, 142.
(35)Cfr. A. ALEN en J. THEUNIS, "Praktische vragen over de ‘exceptie' van onwettigheid in artikel 159 Grondwet" in Themis Staatsrecht 54, Brugge, die Keure, 2009,15; J. VANDE LANOTTE, G. GOEDERTIER, m.m.v. T. DE PELSMAEKER, Handboek Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2013, 800.
(36)K. LEUS en B. MARTEL, "De wettigheidstoets van artikel 159 van de Grondwet. Procedurele benadering - de toepassing van artikel 159 GW als exceptie" in I. COOREMAN (ed), De wettigheidstoets van artikel 159 van de Grondwet, Brugge, Die Keure, 2010 42 met verwijzing naar P. VAN ORSHOVEN, Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen, Antwerpen, Kluwer, 1987, 473.
(37)K. LEUS en B. MARTEL, "De wettigheidstoets van artikel 159 van de Grondwet. Procedurele benadering - de toepassing van artikel 159 GW als exceptie" in I. COOREMAN (ed), De wettigheidstoets van artikel 159 van de Grondwet, Brugge, Die Keure, 2010 40 en 43 met verwijzing naar M. BOES, "De beslagrechter, administratieve beroepen en artikel 159 van de Grondwet", TROS 2005, 255.
(38)Cass.8 mei 2014, AR C.13.0153.N, AC 2014, nr. 327 met gelijkluidende conclusie van advocaat-generaal VAN INGELGEM. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200109.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.