id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200109.8 Rolnummer: C.19.0188.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-01-31 Raadplegingen: 755 - laatst gezien 2026-06-29 06:54 Fiche 1 Artikel 19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, is enkel van toepassing op beslissingen die de rechter uitspreekt binnen dezelfde rechtspleging wat niet het geval is wanneer de rechter enerzijds uitspraak doet in het kader van een hoger beroep tegen een eindvonnis en anderzijds in het kader van een nadien, in een afzonderlijke procedure, ingesteld hoger beroep tegen een tussenvonnis
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Eindvonnis - Rechterlijke uitspraak in twee van elkaar te onderscheiden rechtsplegingen - Artikel 19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Artikel19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, is enkel van toepassing op beslissingen die de rechter uitspreekt binnen dezelfde rechtspleging wat niet het geval is wanneer de rechter enerzijds uitspraak doet in het kader van een hoger beroep tegen een eindvonnis en anderzijds in het kader van een nadien, in een afzonderlijke procedure, ingesteld hoger beroep tegen een tussenvonnis
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Vrije woorden: Hoger beroep tegen eindvonnis - Nadien ingesteld hoger beroep tegen tussenvonnis - Afzonderlijke rechtsplegingen - Artikel 19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet enkel uit tot hetgeen de rechter over een betwist punt heeft beslist, maar ook tot hetgeen de noodzakelijke, zij het impliciete grondslag van zijn beslissing vormt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Gezag van het rechterlijk gewijsde - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet - 21-12-2018 - zoals van kracht voor de wijziging ervan bij - 09 ELI link Pub nr 2018015683 Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.8 2020-01-09 C.19.0188.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure Voor de vrederechter werd betwisting gevoerd over de hoegrootheid van de te betalen huurprijs door verweerster aan eisers in hun hoedanigheid van nieuwe eigenaars van het onroerend goed. Eisers vorderden de veroordeling van de verweerster tot maandelijkse betaling van de geïndexeerde huurgelden voor een bedrag van 405 euro. De vrederechter oordeelde in een tussenvonnis van 30 januari 2017 dat de te indexeren basishuurprijs 123,95 euro bedroeg, nu een (mondeling overeengekomen) verhoging van de huurprijs tot 405 euro niet bewezen werd. In een eindvonnis van 19 juni 2017 oordeelde de vrederechter, op tegenvordering van de verweerster tot terugbetaling van de teveel betaalde huurgelden, op basis van dit bedrag van 123,95 euro, dat eisers aan verweerster een bedrag van 1260 euro aan teveel betaalde huurgelden moesten terugbetalen voor de periode van december 2015 tot en met augustus
- Eisers stelden in een eerste procedure voor de appelrechter uitsluitend hoger beroep in tegen het eindvonnis van de vrederechter van 19 juni
- Zij vorderden in hoofdorde de veroordeling van de verweerster tot maandelijkse betaling van de geïndexeerde huurgelden voor een bedrag van 405 euro per maand vanaf 1 juli 2016 en, in ondergeschikte orde, de veroordeling van de verweerster tot betaling van een huurprijs voor een bedrag van 265 euro per maand, maar waarbij eveneens bepaalde herstellingswerken ten laste van de verweerster zouden worden gelegd. Verweerster hield haar tegenvordering aan in terugbetaling van de teveel betaalde huurgelden. Hoewel zij daartoe de mogelijkheid hadden stelden eisers geen hoger beroep in tegen het tussenvonnis van de vrederechter van 30 januari 2017, waarin het bedrag van de te indexeren basishuurprijs werd vastgesteld. Bij vonnis in hoger beroep van 14 maart 2018 oordeelde de appelrechter dat het tussenvonnis van 30 januari 2017 gezag van gewijsde heeft nu hiertegen geen hoger beroep werd ingesteld. Eisers werden op basis van het daarbij vastgestelde bedrag van de te indexeren basishuurprijs, namelijk 123,95 euro, veroordeeld aan verweerster een bedrag van 1320,89 euro aan teveel betaalde huurgelden terug te betalen voor de periode van december 2015 tot en met augustus
- Na dit vonnis van 14 maart 2018 hebben eisers in een tweede procedure hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van de vrederechter van 30 januari
- Zij vorderden de veroordeling van verweerster tot betaling van de geïndexeerde huurgelden voor een bedrag van 405 euro per maand vanaf 1 oktober
- In het bestreden vonnis van 10 oktober 2018 verklaart de appelrechter het hoger beroep ontvankelijk, nu dit hoger beroep een ander voorwerp heeft - meer bepaald de betaling van de geïndexeerde huurprijs voor de gehele periode vanaf 1 oktober 2015 - dan de beslissing in het vonnis in hoger beroep van 14 maart 2018 dat betrekking had op de terugbetaling van de teveel betaalde huurgelden voor de periode van december 2015 tot en met augustus
- De appelrechter oordeelt ten gronde evenwel dat het vonnis in hoger beroep van 14 maart 2018 gezag van gewijsde heeft betreffende de vaststelling inzake het bedrag van de te betalen huurprijs, zodat zij thans niet meer anders kan oordelen betreffende dit bedrag vanaf 1 oktober
- Tegen dit vonnis van 10 oktober 2018 voeren eisers één middel aan bestaande uit drie onderdelen.
- Bespreking 2.
- De ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen het tussenvonnis dat werd ingesteld nadat uitspraak werd gedaan over het hoger beroep tegen het eindvonnis staat niet principieel ter discussie. Te dezen hadden partijen daadwerkelijk de mogelijkheid om, met toepassing van artikel 1050, tweede lid Gerechtelijk Wetboek gelijktijdig met het hoger beroep tegen het eindvonnis van de vrederechter, ook hoger beroep aan te tekenen tegen het tussenvonnis van de vrederechter teneinde over het betwiste geschilpunt, namelijk het bedrag van de huurprijs, tegenspraak te voeren, maar zij hebben dit niet gedaan. Artikel 1050, tweede lid Gerechtelijk Wetboek bevat evenwel geen enkele restrictie die het alsnog instellen van een hoger beroep tegen een tussenvonnis na de uitspraak over het hoger beroep tegen het eindvonnis zou verhinderen voor zover dit tussenvonnis een eindbeslissing vormt en zolang dit vonnis niet werd betekend waardoor de beroepstermijn dus niet is beginnen lopen. 2.
- Ook niet ter discussie staat de beslissing van de appelrechter in het (eerste) vonnis van 14 maart 2018 dat zij niet zonder miskenning van het gezag van gewijsde van het tussenvonnis van de vrederechter waarbij de hoegrootheid van de huurprijs werd bepaald en waartegen geen hoger beroep werd aangetekend, hierover thans anders zou kunnen oordelen. Deze beslissing ligt immers in lijn met de rechtspraak van uw Hof
(1)dat, hoewel artikel 1068, eerste lid Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep, het hoger beroep tegen een vonnis dat de eerste rechter na een voorafgaand vonnis heeft gewezen, de in dat laatste vonnis gewezen eindbeslissingen niet aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep indien tegen dat vonnis geen hoger beroep is ingesteld. De rechter in beroep die opnieuw uitspraak doet over een geschilpunt waarover de eerste rechter een eindbeslissing heeft gewezen in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek in een vonnis waartegen geen hoger beroep is ingesteld pleegt derhalve machtsoverschrijding. 2.
- De vraag die zich te dezen wel stelt is of het gezag van gewijsde van een (eerste) vonnis van de appelrechter zich ook uitstrekt tot die punten waarover de appelrechter in dat vonnis niet zelf heeft beslist, maar waarvoor hij zich gebonden achtte door het gezag van gewijsde van het tussenvonnis van de eerste rechter waartegen geen hoger beroep werd ingesteld. Ter beoordeling hiervan dienen de grenzen van het concept "gezag van gewijsde" scherp gesteld te worden. 2.
- In het Belgisch procesrecht wordt aanvaard dat het gezag van gewijsde een negatief en een positief aspect behelst. 2.4.
- Het negatieve aspect impliceert dat de rechter over een ingestelde vordering waaromtrent al eerder tussen dezelfde partijen in een vonnis werd beslist, niet nog eens mag beslissen. Het is, krachtens artikel 25 Gerechtelijk Wetboek bijgevolg niet mogelijk een vordering, waarover reeds uitspraak is gedaan, opnieuw in te stellen. Indien dit toch gebeurt kan de tegenpartij krachtens artikel 27 Gerechtelijk Wetboek een exceptie van gewijsde inroepen. Indien deze exceptie wordt aangenomen, leidt dit tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering
(2). Opdat dit negatieve aspect uitwerking kan krijgen, moeten de voorwaarden van artikel 23 Gerechtelijk Wetboek strikt worden nageleefd. Het is dus noodzakelijk dat het voorwerp van de vordering hetzelfde blijft, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust (ongeacht de ingeroepen rechtsgrond) en dat zij tussen dezelfde partijen bestaat die in dezelfde hoedanigheid optreden
(3). 2.4.2. Indien de vordering in een tweede geding een ander voorwerp of een andere oorzaak heeft geldt deze onmogelijkheid niet, maar zal de rechter bij het instellen van de eis wel gebonden zijn door bepaalde elementen die reeds in het eerste vonnis zijn beslist. Dit positieve aspect van het gezag van gewijsde houdt in dat wat in een rechterlijke uitspraak is beslist tussen de partijen als rechtens waar geldt en niet meer in twijfel kan worden getrokken
(4). Het positieve aspect betreft dus niet de ontvankelijkheid van de vordering maar wel de beoordeling ten gronde
(5). De rechter is bij het nemen van de nieuwe beslissing ten gronde gebonden door de geschilpunten, dus de betwiste rechtsvragen waarover partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en die de eerste rechter reeds heeft beslecht tussen dezelfde partijen
(6). Hij is verplicht rekening te houden met het verworven deel van de vroegere beslissing en mag geen aanspraak inwilligen die in tegenspraak is met de eerdere rechterlijke uitspraak. Het gezag van gewijsde heeft immers een preventief/anticipatief aspect. Het strekt ertoe onverenigbaarheden of tegenstrijdigheden tussen gerechtelijke beslissingen die tussen dezelfde partijen zijn gewezen, te vermijden
(7). 2.5. Met betrekking tot de contouren van (dit positieve aspect van) het gezag van gewijsde oordeelt uw Hof evenwel in vaststaande rechtspraak, dat "uit de omstandigheid dat het voorwerp en de oorzaak van een definitief beslechte rechtsvordering niet dezelfde zijn als die van een latere rechtsvordering tussen dezelfde partijen, niet noodzakelijk volgt dat die overeenstemming ontbreekt voor elke aanspraak of betwisting die een partij in het ene of het andere geding aanvoert, noch, bijgevolg, dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met wat vroeger is beslist. Het gezag van gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist, en tot wat, om reden van het geschil dat voor hem is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, al weze het impliciet, van zijn beslissing uitmaakt."
(8)Het is dan ook in het licht van het bovenstaande dat de vraag rijst of een vaststelling door de appelrechter waarover hij niet zelf heeft beslist maar waaromtrent hij zich gebonden achtte door het gezag van gewijsde van een niet beroepen tussenvonnis van de eerste rechter -te dezen dus het bedrag van de huurprijs- ook een noodzakelijke grondslag van de beslissing kan uitmaken -te dezen de beslissing inzake de becijfering van de teveel betaalde huurgelden-, die dus ook met een (positief) gezag van gewijsde wordt omkleed. 2.6. Volgens een strikte, traditionele visie, lijkt deze vraag negatief te moeten worden beantwoord. Het (positief) gezag van gewijsde kleeft immers enkel aan een eindvonnis in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek waarvan, volgens Uw Hof in de regel slechts sprake kan zijn wanneer de rechter een beslissing neemt over een geschilpunt, dit is een punt waarover tussen partijen betwisting bestond en waarover zij het debat hebben gevoerd
(9)en een " vaststelling in een rechterlijke beslissing die niet het voorwerp is geweest van een betwisting tussen partijen en waaromtrent de rechter dus geen uitspraak heeft gedaan, noch gezag van gewijsde heeft, noch wettelijke bewijswaarde ten aanzien van derden."
(10)Ook een deel van de rechtsleer benadrukt dat het positief gezag van gewijsde zich enkel uitstrekt tot geschilpunten, dit zijn betwiste rechtsvragen waarover partijen tegenspraak hebben gevoerd en die de rechter werkelijk heeft beslecht
(11). De onderliggende redengeving vormt de bescherming van het recht van verdediging, meer bepaald het recht op tegenspraak, van de procespartijen
(12)-
(13)Volgens deze strikte visie heeft voormelde vaststelling door de appelrechter dus géén gezag van gewijsde, omdat de appelrechter hieromtrent niet zelf een einduitspraak heeft gedaan op basis van een effectief door partijen gevoerde tegenspraak. Enkel de door de appelrechter zelf beslechte geschilpunten, te dezen de becijfering van de aan de verweerster terug te betalen huurgelden, is in die visie bekleed met het gezag van gewijsde. 2.
- Er zijn evenwel redenen om een ruimere visie op het gezag van gewijsde te verdedigen, waarbij dus niet enkel beslechte geschilpunten betrokken worden maar ook vaststellingen waarover de appelrechter niet zelf heeft beslist maar waaromtrent hij zich gebonden achtte door het gezag van gewijsde van een niet beroepen tussenvonnis van de eerste rechter, en die een noodzakelijke grondslag van de beslissing uitmaken. 2.7.
- Deze visie volgt vooreerst uit de rechtspraak van uw Hof dat "het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet enkel uitstrekt tot hetgeen de rechter over een betwist punt heeft beslist, maar ook tot hetgeen, ingevolge het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, zij het impliciet, de noodzakelijke grondslag van zijn beslissing vormt."
(14)Zo werd op die grond geoordeeld
(15)dat een vaststelling in een verstekvonnis dat niet was aangevochten, waaromtrent de eiser verweer had kunnen voeren, wat hij niet heeft gedaan (namelijk de vaststelling dat de schuld van de eiser vaststond), de noodzakelijke grondslag vormde van de veroordeling van de eiser tot betaling, zodat de eiser in een latere rechtspleging de schuldvraag niet meer kon betwisten. Opdat een vaststelling met een positief gezag van gewijsde wordt omkleed, is dus relevant dat
(1)deze een noodzakelijke grondslag van de beslissing vormt én
(2)dat partijen de daadwerkelijke mogelijkheid hebben gehad om hierover tegenspraak te voeren, ook al hebben zij dit in de concrete omstandigheden niet gedaan. Ook bepaalde rechtsleer lijkt zich bij deze ruimere visie aan te sluiten
(16). 2.7.2.Deze visie strookt tevens met preventief/anticipatief aspect va het gezag van gewijsde dat er toe strekt onverenigbaarheden of tegenstrijdigheden tussen gerechtelijke beslissingen die tussen dezelfde partijen zijn gewezen, te vermijden. Te dezen zouden deze onverenigbaarheden of tegenstrijdigheden tussen de beslissingen van de appelrechter kunnen rijzen indien op het hoger beroep tegen het tussenvonnis van de vrederechter een beslissing over de huurprijs zou worden genomen die ingaat tegen de aangenomen grondslag voor de becijfering van de teveel betaalde huurgelden naar aanleiding van het hoger beroep tegen het eindvonnis. 2.7.3. Deze benadering strookt tenslotte met de tendens tot concentratie van het geding
(17)die inhoudt dat wanneer partijen de daadwerkelijke mogelijkheid krijgen een geschilpunt te betwisten, ze daar als normaal voorzichtige en diligente procespartij ook gebruik van moeten maken en dat, wanneer ze dat niet doen, het niet onredelijk lijkt dat ze hun nalatigheid later niet meer kunnen rechtzetten. Het bevorderen van de doelmatigheid van de rechtspleging was overigens ook de ratio van de wijziging van artikel 23 Gerechtelijk Wetboek door de wet van 19 oktober 2015 (Potpourri I). De regel dat geen nieuwe vordering mag worden ingesteld tussen dezelfde partijen, betreffende hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak, "ongeacht de ingeroepen rechtsgrond." en er dus zuiver op basis van een andere rechtsgrond
(18)geen nieuwe rechtspleging mag worden ingesteld berust op de gedachte dat partijen in het kader van de eerste rechtspleging de kans hebben gehad om alle rechtsgronden betreffende de voorliggende feiten op te werpen, zodat het aan hen staat om die mogelijkheid te benutten. Het wordt voor het bestaan van een gezag van gewijsde aldus voldoende geacht dat partijen in de eerste rechtspleging de daadwerkelijke mogelijkheid hebben gehad om de rechtsgronden aan te voeren, onverschillig van de vraag of ze dat effectief hebben gedaan
(19). 2.7.
- Deze benadering lijkt mij niet onverenigbaar met artikel 1050 Gerechtelijk Wetboek die het mogelijk maakt om, na het instellen van een hoger beroep tegen een eindvonnis van de eerste rechter, nog een ontvankelijk hoger beroep in te stellen tegen het tussenvonnis van de eerste rechter, zolang de termijn om dit te doen niet verstreken is. De appelrechter zal, in het kader van deze afzonderlijke rechtspleging, geen beslissing mogen nemen die conflicteert met de elementen die de noodzakelijke grondslag vormen van de eerdere beslissing in hoger beroep tegen het eindvonnis van de eerste rechter, waarover partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Dit geldt dus ook voor die elementen waarvoor de rechter naar het gezag van gewijsde van het tussenvonnis verwijst, doordat partijen geen gebruik hebben gemaakt van hun reële kans om, gelijktijdig met hun hoger beroep tegen het eindvonnis van de eerste rechter, ook hoger beroep tegen het tussenvonnis aan te tekenen. Het staat immers aan de partijen om waakzaam te zijn en diligent op te treden. 2.
- Gelet op wat voorafgaat falen het tweede en derde onderdeel, die uitgaan van een andere rechtsopvatting, mijns inziens naar recht. 2.
- In zoverre het tweede onderdeel aanvoert dat de appelrechter in het bestreden vonnis heeft geoordeeld dat hij geen uitspraak meer mocht doen over het hoger beroep tegen het tussenvonnis voor wat betreft de tussen de partijen overeengekomen huurprijs, mist het feitelijke grondslag. De appelrechter oordeelt immers, anders dan wordt aangevoerd, dat het tegen het tussenvonnis ingesteld hoger beroep ontvankelijk is nu de rechtsmacht inzake het voorwerp van het ingesteld hoger beroep nog niet werd uitgeput en oordeelt ten gronde dat het hoger beroep als ongegrond wordt afgewezen nu, gelet op het gezag van gewijsde, er niet anders kan geoordeeld worden. 2.
- Anders dan waar het eerste onderdeel van uitgaat oordeelt de appelrechter in het bestreden vonnis niet dat de rechter bij vonnis van 14 maart 2018 zelf opnieuw uitspraak heeft gedaan over het bedrag van de te indexeren basishuurprijs. De aangevoerde tegenstrijdigheid en de beweerde schending van de bewijskracht van het vonnis van 14 maart 2018 missen bijgevolg feitelijke grondslag. Conclusie: verwerping. _____________________
(1)Cass.18 juni 2015, AR C.14.0461.F, AC 2014, nr. 414.
(2)G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire, 2, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, 714.
(3)M. CASTERMANS, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, Academia Press, 2004, nr. 82; G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire, 2, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, 706; M.A. MASSCHELEIN en I. MOKE, "Enkele bedenkingen bij het gezag van gewijsde" (noot onder Antwerpen 6 februari 2012), TBBR 2013, 440, nr. 4; J.-F. VAN DROOGHENBROECK en F. BALOT, "L'effet positif de la chose jugée" (noot onder Cass. 4 december 2008), JT 2009, 298, nr. 4.
(4)M.A. MASSCHELEIN en I. MOKE, "Enkele bedenkingen bij het gezag van gewijsde", TBBR 2013, 440, nr. 5.
(5)G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire, 2, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, 708, vn. 3022; P. TAELMAN, Het gezag van rechterlijk gewijsde, Diegem, Kluwer, 2001, 66, nr. 96.
(6)G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire, 2, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, 697-698 en 718; P. MAHAUX, "La chose jugée et le Code judiciaire", JT 1971, 586; J. RUTSAERT, "Chose jugée" in RPDB, VI, Brussel, Bruylant, 1983, 264, nr. 17; P. TAELMAN, Het gezag van rechterlijk gewijsde, Diegem, Kluwer, 2001, 65-66, nr. 96; J.-F. VAN DROOGHENBROECK en F. BALOT, "L'effet positif de la chose jugée" (noot onder Cass. 4 december 2008), JT 2009, 299, nr. 10.
(7)G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire, 2, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, 708, vn. 3022; P. TAELMAN, Het gezag van rechterlijk gewijsde, Diegem, Kluwer, 2001, 66, nr. 96.
(8)Zie o.m. Cass. 8 maart 2013, AR C.12.0322.N, AC 2013, nr. 163; Cass. 6 januari 2010, AR P.09.0020.F, AC 2010, nr. 3; Cass. 14 december 2009, AR S.08.0145.N, AC 2009, nr. 742; Cass. 4 december 2008, AR C.07.0412.F, AC 2008, nr. 698; Cass. 29 januari 2007, AR C.04.0600.F, AC 2007, nr. 52.
(9)Zie bv. Cass. 12 juni 2014, AR C.13.0465.N, AC 2014, nr. 423; Cass. 19 februari 2018, AR S.17.0052.F, AC 2018, nr. 105.
(10)Zie bv. Cass. 8 oktober 2001, AR S.00.0113.F, AC 2001, nr. 534; Cass. 29 oktober 2007, AR S.05.0123.N., AC 2007, nr. 510.
(11)G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire, 2, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, 697-698 en 718; P. MAHAUX, "La chose jugée et le Code judiciaire", JT 1971, 586; J. RUTSAERT, "Chose jugée" in RPDB, VI, Brussel, Bruylant, 1983, 264, nr. 17; P. TAELMAN, Het gezag van rechterlijk gewijsde, Diegem, Kluwer, 2001, 65-66, nr. 96; J.-F. VAN DROOGHENBROECK en F. BALOT, "L'effet positif de la chose jugée" (noot onder Cass. 4 december 2008), JT 2009, 299, nr. 10; J. VAN COMPERNOLLE, "Considérations sur la nature et l'étendue de l'autorité de la chose jugée en matière civile" (noot onder Cass. 10 september 1981), RCJB 1984, 258, nr. 25.
(12)Ibid.
(13)Vanuit rechtsvergelijkend perspectief wordt ook in het Franse recht een strikte invulling van het gezag van gewijsde gehanteerd. In dat rechtssysteem lijkt het positieve aspect van het gezag van gewijsde zelfs in zijn geheel niet aanvaard te worden. Zo oordeelt het Franse Hof van Cassatie dat uit de samenhang van de artikelen 455, 480 en 482 van de Code de procédure civile volgt dat "les motifs, fussent-ils le soutien nécessaire du dispositif, n'ont pas l'autorité de la chose jugée."Zie bv. Cass.fr.civ. 12 februari 2004, Bull.civ. 2004, II, nr. 55; Cass.fr.civ. 22 november 2005, Bull.civ. 2005, I, nr. 425; Cass.fr.civ. 20 februari 2007, nr. 05-12.913; Répertoire Dalloz, v° Article 480, note 41 (bijgewerkt tot 3 juli 2019); zie ook: J.-F. VAN DROOGHENBROECK en F. BALOT, "L'effet positif de la chose jugée" (noot onder Cass. 4 december 2008), JT 2009, 298, voetnoot 4.
(14)Cass. 27 februari 1995, AC 1995, nr. 116; Cass. 28 juni 1984, AC 1984, nr. 619; Cass. 14 mei 1982, AC 1981-1982, nr. 548; Cass. 24 december 1981, AC 1981-1982, nr. 271; Cass. 24 april 1981, AC 1980-1981, nr. 483.
(15)Cass. 28 juni 1984, AC 1984, nr. 619.
(16)J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, nr. 276.
(17)Zie over het belang van de concentratie van het geding: J.-F. VAN DROOGHENBROECK, "L'autorité de la chose jugée happée par la concentration du litige" in G. DE LEVAL en F. GEORGES (eds.), L'effet de la décision de justice, Luik, Anthémis, 2008, 172, nr. 31.
(18)Zie hierover: J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, nr. 279.
(19)De wijziging van artikel 23 van het Gerechtelijk wetboek bij wet van 21 december 2018 viseert het geval waarin de eiser in het eerste geding niet alle rechtsgronden kon aanvoeren die aan zijn vordering ten grondslag liggen (Kamer van Volksvertegenwoordigers, Amendement 70, Doc 54/3303/002, p. 98). PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200109.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div