id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200116.1N.6 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200116.6 Rolnummer: C.19.0294.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Insolventierecht Invoerdatum: 2020-02-11 Raadplegingen: 514 - laatst gezien 2026-06-19 00:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.1N.6 Fiches 1 - 2 Voor de uitwerking en stemming van het reorganisatieplan geldt een schuldvordering die gewaarborgd wordt door een pand op alle bestaande en toekomstige schuldvorderingen van de schuldenaar als buitengewone schuldvordering in de opschorting ten belope van de realisatiewaarde in going concern van deze schuldvorderingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PAND Vrije woorden: Procedure van gerechtelijke reorganisatie - Uitwerking en stemming van het reorganisatieplan - Schuldeiser - Schuldvordering gewaarborgd door algemeen pand op alle schuldvorderingen van de schuldenaar - Aard Wettelijke bepalingen: Wetboek 28 februari 2013 van economisch recht - 28-02-2013 - Art. I.22, 14° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wet 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffingvan diverse bepalingen ter zake - 11-07-2013 - Artt. 15 en 60 - 19 ELI link Pub nr 2013009377 Thesaurus CAS: CONTINUITEIT VAN DE ONDERNEMING Vrije woorden: Procedure van gerechtelijke reorganisatie - Uitwerking en stemming van het reorganisatieplan - Schuldeiser - Schuldvordering gewaarborgd door algemeen pand op alle schuldvorderingen van de schuldenaar - Aard Wettelijke bepalingen: Wetboek 28 februari 2013 van economisch recht - 28-02-2013 - Art. I.22, 14° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wet 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffingvan diverse bepalingen ter zake - 11-07-2013 - Artt. 15 en 60 - 19 ELI link Pub nr 2013009377 Annotaties Publicaties: Revue de droit commercial belge [RDC] - 2021, n° 6, p. 718-
- - JACMAIN, Sophie; Note'Créancier sursitaire extraordinaire: qualité ou assiette?' Tekst van de conclusie C.19.0294.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure 1.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende. Op verzoek van verweerster werd bij arrest van 17 mei 2018 van het hof van beroep te Antwerpen de procedure van gerechtelijke reorganisatie geopend. Eiseres vorderde voor de rechtbank van koophandel Antwerpen, afdeling Antwerpen, de opname als buitengewone schuldeiser in de opschorting voor 80.829,61 euro. Bij vonnis van 5 oktober 2018 werd geoordeeld dat eiseres dient te worden opgenomen als gewone schuldeiser in de opschorting, voor voormeld bedrag. Het hoger beroep van eiseres tegen dit vonnis werd bij arrest van 23 mei 2019 van het hof van beroep te Antwerpen ontvankelijk doch ongegrond verklaard. 1.
- In een tijdige en regelmatige voorziening in cassatie komt eiseres met één middel op tegen deze beslissing. Eiseres stelt dat de appelrechters, na vastgesteld te hebben dat zij kredieten verstrekte aan verweerster die gewaarborgd zijn door een pand op alle bestaande en toekomstige schuldvorderingen van deze laatste, ten onrechte oordeelden dat eiseres maar aanspraak kan maken op het statuut van buitengewoon schuldeiser in de mate dat zij aantoont op datum van de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie over een pand te beschikken op een specifieke schuldvordering, en bij gebrek daaraan slechts als gewone schuldeiser is te beschouwen in de uitwerking en de stemming van het reorganisatieplan. Eiseres voert aan dat met dit oordeel de appelrechters de artikelen I.22, 14° en I.22, 15° Wetboek van Economisch Recht, kortweg "WER", en de artikelen 1, 8, 15, tweede lid, 60, 61 eerste lid, 63 en 65 van Boek III.. - Titel XVII "Zakelijke zekerheden op roerende goederen" Burgerlijk Wetboek, kortweg "Pandwet", hebben geschonden.
- Bespreking 2.
- Het middel noopt tot een onderzoek van de vraag of een schuldeiser die beschikt over een pand op alle bestaande en toekomstige schuldvorderingen van zijn schuldenaar, slechts aanspraak kan maken op het statuut van buitengewoon schuldeiser in de opschorting indien hij aantoont dat hij op datum van opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie beschikt over een pand op een specifieke schuldvordering. 2.
- Het is met het oog daarop nuttig de toepasselijke wetsbepalingen aan te halen. Artikel I.22, 14° WER bepaalt dat de buitengewone schuldvorderingen in de opschorting de schuldvorderingen in de opschorting zijn die gewaarborgd zijn op het ogenblik van de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een zakelijke zekerheid en de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars; de schuldvordering is slechts buitengewoon ten belope van het bedrag waarvoor, op de dag van de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, een inschrijving of registratie is genomen, of wanneer geen inschrijving of registratie is genomen, ten belope van de realisatiewaarde in going concern van het goed of indien het onderpand betrekking heeft op specifieke verpande schuldvorderingen, de boekhoudkundige waarde; de hiervoor omschreven beperking is slechts van toepassing met het oog op de uitwerking en stemming van het reorganisatieplan, zoals bedoeld in de artikelen XX.72 tot XX.
- De buitengewone schuldeiser in de opschorting wordt in artikel I.22, 15° WER gedefinieerd als de persoon die titularis is van een buitengewone schuldvordering in de opschorting. Krachtens artikel 1, eerste lid van de Pandwet, verleent het pandrecht aan de pandhouder het recht om bij voorrang boven de andere schuldeisers te worden betaald uit de bezwaarde goederen. Dit recht van voorrang geldt als een voorrecht zoals bedoeld in artikel 12 van de Hypotheekwet. Artikel 8 van de Pandwet bepaalt dat het pand toekomstige goederen tot voorwerp kan hebben. De registratie in het pandregister is krachtens artikel 15, tweede lid Pandwet uitgesloten voor een verpanding van schuldvorderingen. Krachtens de artikelen 60, 61, eerste lid, 63 en 65 Pandwet verkrijgt de pandhouder het bezit van een in pand gegeven schuldvordering door het sluiten van de pandovereenkomst, op voorwaarde dat hij bevoegd is tot kennisgeving van het pandrecht aan de schuldenaar van de verpande schuldvordering; de verpanding kan slechts aan de schuldenaar van de in pand gegeven schuldvordering worden tegengeworpen nadat zij hem ter kennis werd gebracht of door hem is erkend. De artikelen 1690, §1, derde en vierde lid, en 1691 zijn van toepassing. De pandovereenkomst wordt bewezen door een geschrift dat de door het pandrecht bezwaarde schuldvorderingen en de gewaarborgde schuldvorderingen nauwkeurig aanduidt. De bepalingen uit afdeling 1 met betrekking tot de vermelding in het geschrift van het maximaal bedrag tot beloop waarvan de schuldvorderingen zijn gewaarborgd, zijn van toepassing. Het pandrecht kan gevestigd worden op één of meer toekomstige schuldvorderingen op voorwaarde dat zij bepaalbaar zijn. Het pandrecht strekt zich uit tot de verpande schuldvordering in hoofdsom, interest en schadebeding en tot haar andere bijhorigheden. 2.
- Uit de samenlezing van de hiervoor geciteerde wettelijke bepalingen volgt dat voor de uitwerking en stemming van het reorganisatieplan, een schuldvordering die gewaarborgd is door een pandrecht op schuldvorderingen dient beschouwd te worden als een buitengewone schuldvordering in de opschorting en dit ten belope van de realisatiewaarde in going concern van verpande schuldvorderingen of, indien het onderpand betrekking heeft op een specifieke verpande schuldvordering, ten belope van de boekhoudkundige waarde ervan. Door geen enkele wettelijke bepaling wordt vereist dat het pand van de schuldeiser een specifieke schuldvordering zou betreffen, opdat de gewaarborgde schuldvordering een buitengewone schuldvordering zou zijn; het specifiek karakter van de in pand gegeven schuldvordering is enkel relevant voor de waardering van het buitengewoon karakter van de gewaarborgde schuldvordering, te weten aan de realisatiewaarde in going concern dan wel volgens de boekhoudkundige waarde. Indien, zodoende, de betaling van een schuldvordering is gewaarborgd door een algemeen pand op alle bestaande en toekomstige schuldvorderingen van de schuldenaar, is deze gewaarborgde schuldvordering een buitengewone schuldvordering, voor de uitwerking en stemming van het reorganisatieplan, ten belope van de realisatiewaarde van deze vordering. Het lijkt mij dienstig er dienaangaande aan te herinneren dat onder de oude WCO-wet
(1)een schuldvordering die werd gewaarborgd door een pand op schuldvorderingen diende te worden beschouwd als een buitengewone schuldvordering. Er bestond enkel discussie over de vraag ten belope van welk bedrag er sprake was van een buitengewone schuldvordering, met name voor het volledige bedrag dan wel ten belope van de realisatiewaarde van het onderpand of ten belope van het bedrag waarvoor een inschrijving of registratie werd genomen
(2). Uw Hof heeft in deze discussie standpunt ingenomen, door te oordelen dat uit de WCO niet volgt dat de pandhouder slechts ten belope van de waarde van de tegeldemaking van het verpande goed houder is van een buitengewone schuldvordering in de opschorting
(3). Uw Hof leek volgens de rechtsleer een integrale opname van de vordering als buitengewone schuldvordering te suggereren, los van de waarde van het onderpand, zonder echter deze kwestie definitief te beslechten
(4). Sedertdien is het voormelde artikel I.22, 14° WER in werking getreden, krachtens hetwelk het buitengewoon karakter beperkt is tot hetzij het bedrag waarvoor een inschrijving of registratie werd genomen, hetzij de realisatiewaarde van het onderpand. De bescherming van de buitengewone schuldeisers blijft daarmee beperkt tot de bescherming die zij genieten op basis van hun zekerheidsrecht. Het was de bedoeling van de wetgever om de zekerheden ook in de reorganisatieprocedure te honoreren, waarbij de analogie met de samenloop wordt gehanteerd: men kan onmogelijk bevoorrecht uitwinnen boven de waarde van de met de zekerheid bezwaarde goederen
(5). Aldus heeft de wetgever het buitengewoon karakter van een schuldvordering met een onderpand bevestigd, weze het met een beperking wat het bedrag betreft. Voor niet-geregistreerde pandrechten, is de opname als buitengewone schuldvordering beperkt tot de realisatiewaarde in going concern van het verpande goed of, indien het onderpand betrekking heeft op specifieke verpande schuldvorderingen, tot de boekhoudkundige waarde. Aangezien krachtens artikel 15, tweede lid Pandwet een pand op schuldvorderingen niet het voorwerp kan zijn van een registratie, is de toepasselijke beperking dan ook noodzakelijkerwijze die van de realisatiewaarde dan wel de boekhoudkundige waarde van de verpande schuldvorderingen. Daarbij is echter geenszins vereist dat het onderpand specifieke schuldvorderingen betreft. Een algemeen pandrecht op alle bestaande en toekomstige schuldvorderingen is geldig. Uit de parlementaire voorbereiding van de Pandwet blijkt immers dat "het pand kan betrekking hebben op alle mogelijke lichamelijke of onlichamelijke roerende goederen, zowel bepaalde goederen als een geheel van bestaande en/of toekomstige goederen, zowel een feitelijke als een juridische universaliteit"
(6). Een dergelijk algemeen pandrecht leidt in het kader van een gerechtelijke reorganisatie evenzeer tot de kwalificatie van de gewaarborgde schuldvordering als zijnde buitengewoon. Dit was al onder de WCO het geval
(7). Alleen heeft de wetgever de opname als buitengewone schuldvordering voortaan beperkt tot de realisatiewaarde in going concern van de in pand gegeven schuldvorderingen. Bij discussie over deze realisatiewaarde zal de rechter dienen te beslissen, desgevallend na aanstelling van een deskundige
(8). Het stellen van de vereiste dat een pand op alle bestaande en toekomstige schuldvorderingen niet volstaat, en eiseres moet aantonen dat zij (op datum van de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie) beschikt over een pand op een specifieke schuldvordering, heeft geen wettelijke grondslag. Integendeel kan uit artikel I.22, 14° WER a contrario worden afgeleid dat er andere onderpanden mogelijk zijn dan specifieke schuldvorderingen, en dat zij evenzeer leiden tot het buitengewoon karakter van de gewaarborgde schuldvordering, weze het in die hypothese ten belope van de realisatiewaarde
(9). Eén en ander vloeit eveneens voort uit de ratio legis van art. I.22, 14° WER, die erin bestaat het bijzondere voorrecht of de hypotheek bij samenloop ook in de reorganisatieprocedure hun gevolg te laten hebben
(10). De parlementaire voorbereiding verwijst inderdaad uitdrukkelijk naar "de coherentie van het systeem" die ertoe leidt dat "de buitengewone schuldeisers in de opschorting [worden] behandeld alsof er een vereffening is"
(11). Daar waar de principiële geldigheid van een algemeen pandrecht op alle huidige en toekomstige vorderingen niet kan worden betwist, dient deze zekerheid ook in de reorganisatieprocedure haar uitwerking te krijgen. Bij gebrek daaraan komt de coherentie van het systeem van de zekerheden onder druk te staan. Het valt dan inderdaad moeilijk te verklaren waarom een algemeen pandrecht op schuldvorderingen ontegensprekelijk geldig is in situaties van samenloop, maar geen uitwerking kan krijgen in het kader van een reorganisatieprocedure. Wel is het uiteraard zo dat de schuldeiser niet kan volstaan met een eenvoudige verwijzing naar zijn pandrecht op alle huidige en toekomstige schuldvorderingen, om een integrale opname als buitengewone schuldvordering te bekomen. De schuldeiser zal de realisatie- of boekhoudkundige waarde van deze schuldvorderingen moeten aantonen, waarbij desgevallend rekening moet worden gehouden met het dubieuze karakter van sommige onder hen
(12). 2.4. Gelet op hetgeen voorafgaat, is de schuldvordering van eiseres, die gewaarborgd wordt door een pand op alle bestaande en toekomstige schuldvorderingen van de schuldenaar, zoals door de appelrechters werd vastgesteld wat de kredieten betreft die door eiseres werden verstrekt aan verweerster, een buitengewone schuldvordering in de opschorting ten belope van de realisatiewaarde. De appelrechters die vaststellen dat eiseres beschikt over een pand op alle bestaande en toekomstige schuldvorderingen van verweerster en die vervolgens oordelen dat aangezien dit pand niet is ingeschreven of geregistreerd, eiseres slechts "aanspraak (kan) maken op het statuut van buitengewoon schuldeiser in de mate dat zij aantoont op datum van de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie over een pand te beschikken op een specifieke schuldvordering" en zij bijgevolg "slechts als gewone schuldeiser is te beschouwen" in de opschorting, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is mijns inziens dan ook gegrond. Conclusie: Vernietiging. _________________________
(1)Wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen.
(2)F. DE LEO, "All creditors are equal, but some creditors are more equal than others", TBH 2017, 735-736; J. VAN BEERS, "De buitengewone schuldeiser in de WCO: (on)beperkte voorkeursbehandeling?", DAOR 2016, 66-69; zie ook GwH nr. 124/2016 van 6 oktober 2016, NjW 2017, 68, noot C. CLAEYS.
(3)Cass. 12 februari 2015, AR C.14.0331.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150212.10, AC. 2015, nr. 106.
(4)C.-A. LEUNEN, "Wat is de waarde van een buitengewone schuldvordering in de opschorting?", TBH 2016, 215-219; J. VAN BEERS, l.c., 70-71, randnr. 23.
(5)M. STUYTS, "Het voorrecht van de verhuurder en de kwalificatie als (buiten)gewone schuldeiser in de opschorting", TBH 2016, 235.
(6)Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 53-2463/001 en 53-2464/001, p. 19.
(7)Zie Cass. 12 februari 2015, AR C.14.0331.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150212.10, AC 2015, nr. 106. waarin inderdaad sprake was van een algemeen pandrecht "op alle huidige en toekomstige schuldvorderingen"; zie ook R. FRANSIS, "Recente rechtspraak inzake zakelijke zekerheden en insolventieprocedures (2012-2015)", in Themis 94 - Insolventie- en beslagrecht, Brugge, die Keure, 2015, 19, nr. 47.
(8)Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 22.
(9)Vgl. D. DE MAREZ en C. STRAGIER, Boek XX. Een commentaar bij het nieuwe insolventierecht, Brugge, die Keure, 2018, 205-206, nr. 366.
(10)"Een volledige onderwerping van de hypothecaire of bijzonder bevoorrechte schuldeisers aan de regels van het collectief akkoord, zou tornen aan de fundamentele idee waarop de voorrechten zijn gebaseerd [...] Het feit dat men zich in een andere procedure bevindt, is geen pertinent verschil op basis waarvan men plots het voorrecht naast zich neer mag leggen; het doet geen afbreuk aan de (economische, politieke, sociale, ...) redenen op basis waarvan aan de schuldeiser het prioritaire belang werd toegekend" (M. STUYTS, l.c., 235, nr. 11).
(11)Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 22.
(12)N. OUCHINSKY, "Analyse des nouveaux moyens d'action des créanciers dans le cadre d'une procédure de réorganisation judiciaire - Questions choisies" in Le nouveau droit de l'insolvabilité, Brussel, Larcier, 2017, 60, nr. 22. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200116.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150212.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div