← België

ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200116.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200116.4 Rolnummer: C.18.0605.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-11 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-06-29 07:13 Fiche Landschappelijk waardevol agrarisch gebied maakte tot 1 september 2009 ruimtelijk kwetsbaar gebied uit zodat de instandhouding van stedenbouwkundige inbreuken in dit gebied tot dan strafbaar was

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALGEMEEN Vrije woorden: Landschappelijk waardevol agrarisch gebied - Aard - Stedenbouwkundige inbreuken - Instandhouding - Gevolg Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 146, derde en vierde lid - 33 ELI link Pub nr 1999035652 Vlaamse codex ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 1.1.2, 10° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.4 2020-01-16 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.4 2020-01-16 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.4 2020-01-16 C.18.0605.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
  1. Feiten en procedure 1.
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende. Eiser is eigenaar en bewoner van een onroerend goed te Haaltert. Verweerders waren de eigenaars in volle eigendom van een aanpalend onroerend goed met aan de straatzijde een parking en woning, aan de achterzijde een feestzaal met parking en aan de rechterzijde (naast de feestzaal) een weide. Bij notariële akte verleden op 11 augustus 2015 schonken verweerders de naakte eigendom van een perceel bouwgrond en de feestzaal waarvan hiervoor sprake aan de tot gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partijen. Op 4 augustus 2011 vorderde eiser voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde de veroordeling van verweerders tot
(1)het staken van elk gebruik van de feestzaal, van de parking aan de voor- en achterzijde van de feestzaal en van de weide, anders dan voor de landbouw,
(2)de afbraak van de feestzaal en de parking aan de achterzijde van de feestzaal,
(3)het aanpassen van de parking aan de voorzijde van de feestzaal, dit alles op straffe van een dwangsom, en
(4)de betaling aan eiser van een schadevergoeding van 50 euro per dag vanaf 1 januari 2005 tot de datum van het in kracht van gewijsde treden van het uit te spreken vonnis. De vorderingen van eiser waren gesteund op artikel 1382 Burgerlijk Wetboek en werden gesteld naar aanleiding van verschillende inbreuken die volgens hem door verweerders werden begaan op regelgeving inzake ruimtelijke ordening en leefmilieu, ingevolge een gebrek aan vereiste bouw-, milieu- en regularisatievergunningen voor de feestzaal, de parking en de weide waarvan sprake. De vordering van eiser werd, na tussenvonnissen van 20 april en 26 oktober 2012, bij vonnis van 31 mei 2013 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde ongegrond verklaard. Op 30 september 2012 stelde eiser bij het hof van beroep te Gent hoger beroep in tegen deze vonnissen. De tot gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partijen kwamen vrijwillig tussen in de procedure in hoger beroep. Eiser verzocht het hof de bestreden vonnissen teniet te doen en zijn oorspronkelijke vorderingen gegrond te verklaren, met dien verstande dat hij wat de parking aan de voorkant van de feestzaal betreft, vorderde dat deze zou worden aangepast aan de vergunning die werd verleend op 30 september
  1. Bij het bestreden arrest van 31 mei 2018 van het hof van beroep te Gent, wordt akte verleend aan de tot gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partijen van hun vrijwillige tussenkomst en wordt het hoger beroep van eiser ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk gegrond, te weten in de mate dat "het bestreden vonnis" wordt teniet gedaan en verweerders worden veroordeeld tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van 75.000 euro. 1.
  2. In een tijdige en regelmatige voorziening in cassatie komt eiser met twee middelen op tegen deze beslissing.
  3. Bespreking (...) 2.
  4. Tweede onderdeel van het tweede middel 2.2.
  5. Eiser voert aan dat de appelrechter artikel 1.1.2, 10°, artikel 6.1.1, derde en vierde lid en artikel 6.1.
  6. Van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kortweg "VCRO", alsmede artikel 146, derde en vierde lid van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, kortweg "DORO", zoals toegevoegd bij Decreet van 4 juni 2003, heeft geschonden, door, steunend op artikel 1.1.2,10° VCRO op grond waarvan landschappelijk waardevolle agrarische gebieden met ingang vanaf 1 september 2009 niet langer als ruimtelijk kwetsbare gebieden te beschouwen zijn, te oordelen dat ook onder toepassing van artikel 146, derde lid DORO, zoals toegevoegd bij voormeld Decreet, het instandhoudingsmisdrijf buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied geen grondslag meer kan vormen voor de herstelvordering, zodat de vordering van eiser in 2008 en dus van vóór de dagvaarding in 2011, verjaard is, aangezien er sedert 2003 zogenaamd geen instandhoudingsmisdrijf in ruimtelijk kwetsbaar gebied meer was. 2.2.
  7. Krachtens artikel 146, derde lid DORO geldt de strafsanctie voor het in stand houden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7° van dit artikel, niet voor zover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbare gebieden. Artikel 146, vierde lid DORO bepaalt dat onder ruimtelijk kwetsbare gebieden worden verstaan onder meer "agrarische gebieden met bijzondere waarde". Het DORO werd met ingang van 1 september 2009 gecodificeerd in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kortweg "de VCRO". Artikel 1.1.2, 10° VCRO, dat onmiddellijke werking geniet vanaf 1 september 2009, herneemt agrarische gebieden met bijzondere waarde niet als ruimtelijk kwetsbare gebieden. Uit wat voorafgaat volgt dat tot aan de inwerkingtreding van de VCRO landschappelijk waardevol agrarisch gebied als "agrarisch gebied met bijzondere waarde" in de categorie viel van ruimtelijk kwetsbaar gebied
(1)en het instandhoudingsmisdrijf in dergelijk gebied strafbaar was. Vanaf de inwerkingtreding van de VCRO op 1 september 2009 was het instandhoudingsmisdrijf in dergelijk gebied evenwel niet langer strafbaar
(2), aangezien de categorie "agrarisch gebied met bijzondere waarde" niet langer voorkomt in de lijst van ruimtelijk kwetsbare gebieden. Blijkbaar heeft de decreetgever daarmee uitvoering gegeven aan zijn bedoeling van weleer: landschappelijk waardevol agrarisch gebied is geen ruimtelijk kwetsbaar gebied
(3). Bijgevolg kan na 1 september 2009 niet enkel geen straf meer worden opgelegd voor instandhoudingsmisdrijven in landschappelijk waardevol agrarisch gebied (omwille van de terugwerkende kracht van de mildere (depenaliserende) strafwet), maar kan evenmin de publieke herstelvordering omtrent dergelijke instandhoudingsmisdrijven (van voor of na depenalisering) nog worden ingewilligd
(4). Het blijft evenwel mogelijk dat een benadeelde derde de schade verhaalt die hij leed omwille van het instandhoudingsmisdrijf, dat hij als een burgerlijke fout kwalificeert
(5). De retroactieve werking van de mildere strafwet staat hier immers niet aan in de weg. De opheffing van het strafbare karakter van de feiten heeft alleen het verval van de strafvordering tot gevolg, zonder met zich mee te brengen dat deze feiten niet langer een fout zouden zijn, noch dat de strafrechter voor wie de burgerlijke vordering werd ingesteld op het ogenblik dat de feiten nog strafbaar waren, daardoor zijn bevoegdheid verliest
(6). Evenmin vormt het feit dat de publieke herstelvordering niet meer kan worden ingewilligd een struikelblok. Zo besliste het Grondwettelijk Hof dat "[a]rtikel 6.1.1, vierde lid, van de VCRO [...] er niet aan in de weg [staat] dat de door de instandhouding van de illegale constructie benadeelde derde zijn private belangen behartigt, inzonderheid als eigenaar van een aanpalend perceel. Hij kan nog steeds een vordering instellen om de schade die hij zou lijden te doen ophouden door een herstel in natura of minstens om zich te doen vergoeden voor situaties die een quasi-delictuele fout blijven uitmaken"
(7). De appelrechter oordeelt met de redenen die het arrest bevat, ten onrechte dat het instandhoudingsmisdrijf in landschappelijk waardevol agrarisch gebied onder het DORO sinds augustus 2003 niet langer strafbaar is, omdat dit gebied niet langer als ruimtelijk kwetsbaar wordt beschouwd ("sedert 2003 er geen instandhoudingsmisdrijf meer was") en beslist eveneens ten onrechte dat de verjaringstermijn van de private herstelvordering begon te lopen bij de inwerkingtreding van artikel 146, vierde lid DORO, met name op 22 augustus 2003. Immers het instandhouden van stedebouwkundige inbreuken in landschappelijk waardevol agrarisch gebied was tot 1 september 2009 strafbaar omdat landschappelijk waardevol agrarisch gebeid tot die datum als ruimtelijk kwetsbaar agrarisch gebied met bijzondere waarde werd beschouwd. Door de aanname van dit foutief aanvangspunt werd de herstelvordering op grond van artikel 2262bis BW ten onrechte verjaard verklaard op het ogenblik van de dagvaarding van eiser in 2011 (behoudens stuiting of schorsing, waarvan in het arrest geen sprake), wat niet het geval zou geweest zijn mocht 1 september 2009 als correct aanvangspunt aangenomen zijn. De appelrechter verantwoordt bijgevolg zijn beslissing niet naar recht. Ook het tweede onderdeel van het tweede middel komt gegrond voor. Conclusie: Vernietiging met verwijzing. _____________________
(1)Cass. 22 februari 2005, Arr.Cass. 2005, I, 440, concl. M. DE SWAEF, MER 2005, 135, Pas. I 2005, 435, TMR 2005, 195, TROS 2005, 175, noot D. LINDEMANS; Cass. 2 mei 2006, P.05.1649.N, Arr.Cass. 2006, II, 1009, Pas. I 2006, 993, TBP 2007, 437, TMR 2006, 462, noot P. LEFRANC, TROS 2006, 274, noot; GwH, nr. 81/2006, 17 mei 2006, A.A. 2006, 963, TGR-TWVR 2006, 208, TMR 2006, 449, TROS 2007, 78; GwH, nr. 82/2008, 27 mei 2008, A.GrwH 2008, 1255, NJW 2009, 769, noot P. DE SMEDT en H. SCHOUKENS, CDPK 2008, 622, noot T. VAN CAUTER, TMR 2008, 497, T.Strafr. 2008, 444, noot. Voor de vaststelling dat een meerderheid van feitenrechters ook van mening is dat landschappelijk waardevol agrarisch gebied een ruimtelijk kwetsbaar gebied in de zin van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 is: P. LEFRANC, "Over het landschappelijk waardevol agrarisch gebied dat ruimtelijk kwetsbaar is" (noot onder Cass. 2 mei 2006), TMR 2006, 469.
(2)Parl.St., Vlaams Parlement, 2008-09, nr. 2011/3, p. 57; M. MUYLLE en E. WILLEMS, "De bouwovertreding en de overdracht van onroerend goed op de vooravond van het wijzigingsdecreet ruimtelijke ordening. Actuele en toekomstige aandachtspunten voor het notariaat", Not.Fisc.M. 2009, 10-11; I. VAN GIEL, "Stedenbouwmisdrijven: een praktisch overzicht van de - grondwettige - verjaringsregels met betrekking tot de strafvordering en de herstelvordering van de herstelvorderende overheid en de benadeelde derde", TBO 2011, 73.
(3)GwH, nr. 75/2011, 18 mei 2011, A.GrwH 2011, 1383, Juristenkrant 2011, afl. 4, 4, TMR 2011, 541; A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Mechelen, Kluwer, 2012, 444, voetnoot 262, met verwijzingen.
(4)Artikel 6.1.1, vierde lid, VCRO.
(5)F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, 1, La loi pénale, Brussel, Bruylant, 2018, 305 en de verwijzingen aldaar.
(6)Cass. 20 januari 2004, AR P.03.1189.N, AC 2004, I, 88, Pas., I, 2004, 107.
(7)GwH, nr. 94/2010, 29 juli 2010, Amén. 2011, 40, A.GrwH 2010, 1343, MER 2010, 244, noot I. DEDECKER. Zie ook: GwH, nr. 75/2011, 18 mei 2011, A.GrwH 2011, 1383, Juristenkrant 2011, afl. 4, 4, TMR 2011, 541. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200116.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.