id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200116.7 Rolnummer: C.19.0298.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2020-02-11 Raadplegingen: 439 - laatst gezien 2026-06-29 06:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 Het retentierecht dat aan de schuldeiser het recht verleent om de teruggave van een goed dat hem door zijn schuldenaar werd overhandigd of bestemd is voor zijn schuldenaar, op te schorten zolang zijn schuldvordering die verband houdt met dat goed niet is voldaan, is tegenwerpelijk aan de samenlopende schuldeisers na het faillissement van de schuldenaar en is niet afhankelijk van de aangifte van de schuldvordering in het faillissement
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: Schuldeiser - Retentierecht - Toepassingsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: WETBOEK VAN KOOPHANDEL BOEK III - Faillissementswet - 08-08-1997 - Artt. 62 en 72, eerste en derde lid - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Fiche 2 Indien de schuldeiser en de curator, die wanneer hij optreedt namens de boedel de gemeenschappelijke rechten van de schuldeisers uitoefent, overeenkomen om het goed waarop het retentierecht rust te verkopen kan de schuldeiser zijn rechten op de prijs uitoefenen overeenkomstig de afspraken gemaakt met de curator
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: Schuldeiser - Goed waarop retentierecht rust - Verkoop in akkoord met de curator - Gevolg Wettelijke bepalingen: WETBOEK VAN KOOPHANDEL BOEK III - Faillissementswet - 08-08-1997 - Artt. 62 en 72, eerste en derde lid - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Annotaties Publicaties: RCJB-Revue critique de jurisprudence belge - 2022, n° 1, p. 93-
- - DURIAU, Alexandre; Note'Droit de rétention et faillite: rien à déclarer?' Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.7 2020-01-16 C.19.0298.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
- Feiten en procedure 1.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende. Aangezien Sablon Distribution NV in gebreke bleef om facturen te betalen van verweerster, oefende deze een retentierecht uit op de goederen van haar schuldenaar die zij onder zich hield. Na het faillissement van Sablon Distribution NV, op 3 februari 2014, rees er betwisting tussen eisers, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement, kortweg "eisers q.q.", en verweerster, aangaande een deel van de onbetaald gebleven facturen. Dit leidde tot een overeenkomst tussen partijen tot verkoop van de goederen waarop een retentierecht werd uitgeoefend, het overmaken aan verweerster van 300.000 euro van de opbrengst daarvan tot betaling van niet betwiste facturen en het blokkeren van het saldo op de rekening van haar raadsman ten belope van de som van de overige facturen. Verweerster dagvaardde eisers q.q. voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen, teneinde de vrijgave te horen bevelen van dit saldo, tot aanzuivering van haar onbetaald gebleven facturen. Bij vonnis van 22 juni 2017 verklaarde voormelde rechtbank, na vastgesteld te hebben dat de schuldvordering van verweerster niet verjaard is, haar vordering en eisuitbreiding ontvankelijk en gegrond, werd gezegd dat verweerster haar retentierecht op geldige wijze heeft uitgeoefend, werd de vrijgave bevolen van het geblokkeerde saldo en werd gezegd dat verweerster gerechtigd is op een bijkomende betaling van 25.024 euro voor diensten en prestaties geleverd in opdracht en voor rekening van eisers q.q. Bij arrest van 14 februari 2019 van het hof van beroep te Antwerpen verklaarden de appelrechters, na te hebben geoordeeld dat de schuldvordering van verweerster niet verjaard is, het (beperkt) hoger beroep van eisers q.q. tegen het vonnis van 22 juni 2017 ongegrond. 1.
- In een tijdige en regelmatige voorziening in cassatie komen eisers q.q. met één middel op tegen deze beslissing. Zij voeren in hun middel aan dat de appelrechters, door te oordelen dat de schuldvordering van verweerster niet verjaard is, de artikelen 62 en 72 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, kortweg "Faillissementswet", zoals van toepassing, het algemeen rechtsbeginsel van het retentierecht en, voor zoveel als nodig, het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid van schuldeisers in samenloop, waarvan artikel 8 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 een toepassing is, hebben geschonden. Eisers q.q. stellen dat verweerster een chirografaire schuldeiser is
(1)en het retentierecht niets verandert aan de aard van de gewaarborgde schuldvordering. Niet alleen moet verweerster volgens eisers q.q. bij gebrek aan een wettelijke reden van voorrang
(2)de samenloop met de overige schuldeisers ondergaan, doch is gelet op de artikelen 62 en 72 Faillissementswet de schuldvordering van verweerster verjaard, bij gebrek aan tijdige aangifte daarvan in het faillissement, te weten binnen het jaar volgend op het faillietverklarend vonnis. Bespreking 2.1. De wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, kortweg "Nieuwe Pandwet", is op 1 januari 2018 in werking getreden
(3). Geen van de partijen beroept zich op bepalingen van de (artikelen 73, 75 en 76) Nieuwe Pandwet
(4), waarin een definitie wordt gegeven van het retentierecht, de tegenwerpelijkheid ervan wordt geregeld en het preferentieel recht wordt bepaald waartoe het aanleiding geeft. Dit is mijns inziens terecht. Nieuwe bepalingen betreffende zakelijke zekerheidsrechten hebben in beginsel onmiddellijke werking
(5), behalve indien er inmiddels reeds een toestand van samenloop is ontstaan, bijvoorbeeld bij faillissement
(6). Ingeval van samenloop worden de posities van de schuldeisers onherroepelijk vastgelegd en wordt hun rangorde bepaald volgens het op dat ogenblik toepasselijke recht
(7). De Nieuwe Pandwet kan geen afbreuk doen aan de vóór 1 januari 2018 bestaande rechten van de schuldeisers van de gefailleerde. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het retentierecht dat wordt uitgeoefend door verweerster, dateert van vóór het faillissement van Sablon Distribution NV, op 3 februari 2014, en dat het na het faillissement is blijven bestaan op het saldo van de verkoopprijs van de goederen, dat geblokkeerd werd op de derdenrekening van de raadsman van verweerster, ingevolge een akkoord tussen de partijen. Er wordt immers algemeen aanvaard dat de rechten van de retentor blijven voortbestaan op de verkoopprijs die met het akkoord van partijen geblokkeerd wordt op een derdenrekening van de raadsman van de retentor
(8). Dat het retentierecht ondeelbaar is, staat hier niet aan in de weg
(9). Gelet op de vóór 1 januari 2018 bestaande rechten van de schuldeisers van de gefailleerde Sablon Distribution NV, is de Nieuwe Pandwet bijgevolg niet van toepassing op het retentierecht uitgeoefend door verweerster. 2.2. Vóór de Nieuwe Pandwet, werd het retentierecht, dat niet door het Burgerlijk Wetboek was geregeld, in de rechtspraak en de rechtsleer omschreven als de bevoegdheid die aan een schuldeiser, houder van een lichamelijk roerend of onroerend goed waarop zijn schuldvordering betrekking heeft, toekomt om de nakoming van zijn verplichting tot afgifte van dat goed, op te schorten totdat de schuldenaar zijn vordering jegens hem voldaan heeft
(10). Het retentierecht is een drukkingsmiddel waardoor de schuldeiser onder omstandigheden het recht heeft om te weigeren, de goederen die hem door de debiteur zijn overhandigd in het kader van de uitvoering van de overeenkomst en die in verband staan met zijn schuldvordering, af te geven zolang de schuld niet is voldaan. Het dient tot zekerheid voor de schuldeiser om zich te beschermen tegen de insolvabiliteit van de schuldenaar, respectievelijk door de opschorting van de uitvoering van de verbintenis of door de weigering de zaak terug te geven
(11). Dat het retentierecht geldt als algemeen rechtsbeginsel, werd door een deel van de rechtsleer
(12)vooropgesteld, doch werd niet bevestigd in de rechtspraak van uw Hof. Het retentierecht verleent weliswaar geen voorrecht, noch een volgrecht, doch dit neemt niet weg dat het tegenwerpelijk is aan de curator van het faillissement
(13)en dat het tegenwerpelijk blijft, ook al werd er door de retentor geen aangifte gedaan in de collectieve procedure
(14). De uitoefening van het retentierecht na faillissement is niet afhankelijk van de aangifte van de schuldvordering in het faillissement. Aangezien de retentor geen "uitdeling" vraagt uit het actief van de boedel, kan geen toepassing gemaakt worden van de artikelen 62 en 72, eerste en derde lid Faillissementswet, die respectievelijk bepalen dat om in aanmerking te komen voor een uitdeling alsmede om enig recht van voorrang te kunnen uitoefenen, de schuldeisers gehouden zijn aangifte van hun schuldvorderingen neer te leggen uiterlijk op de door het vonnis van faillietverklaring bepaalde dag, dat de schuldeisers die in gebreke blijven hun schuldvorderingen aan te geven of te bevestigen, niet in aanmerking komen voor de uitdelingen en dat het recht opname te vorderen verjaart na verloop van één jaar te rekenen van het faillietverklarend vonnis. Gelet op hetgeen voorafgaat, oordeelden de appelrechters mijns inziens terecht dat "de rechtmatigheid en de doelmatigheid van het uitgeoefende retentierecht niet afhankelijk is van de aangifte van de schuldvordering in het passief van het faillissement door de schuldeiser die zich op het retentierecht beroept", waarna zij terecht de vrijgave hebben bevolen van de geblokkeerde gelden aan verweerster. Het middel kan niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping. _____________________________
(1)Chirografaire schuldeisers beschikken niet over enig recht op de goederen van hun debiteur en worden bij elke samenloop, in beginsel, beschouwd als concurrerende schuldeisers (E. DIRIX, De tegenwerpelijkheid van het retentierecht, TBH 1996, 219-225).
(2)Krachtens artikel 8 Hypotheekwet, strekken de goederen van de schuldenaar tot gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers en wordt de prijs ervan naar evenredigheid van hun vordering verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettelijke redenen van voorrang bestaan.
(3)De inwerkingtreding van deze wet was op 1 december 2014 bepaald, doch werd ingevolge de wet van 26 november 2014 uitgesteld naar 1 januari 2017 en vervolgens, ingevolge de Reparatiewet goedgekeurd op 25 december 2016, naar 1 januari 2018.
(4)Artikel 73 Nieuwe Pandwet, onder "HOOFDSTUK 3. - Retentierecht" (Boek III, Titel XVII, Burgerlijk Wetboek: inpandgeving, ingevolge de wet van 11 juli 2013), zoals van toepassing: "Begrip - Het retentierecht verleent aan de schuldeiser het recht om de teruggave van een goed dat hem door zijn schuldenaar werd overhandigd of bestemd is voor zijn schuldenaar, op te schorten zoals zijn schuldvordering die verband houdt mat dat goed niet is voldaan". Artikel 75 Nieuwe Pandwet: "Tegenwerpelijkheid - Het retentierecht dat betrekking heeft op een roerend lichamelijk goed is tegenwerpelijk aan andere schuldeisers van de schuldenaar en aan derden die een recht op het goed hebben verkregen nadat de schuldeiser de feitelijke macht over het goed heeft verworven. Het retentierecht dat betrekking heeft op een lichamelijk roerend goed is eveneens tegenwerpelijk aan derden met een ouder recht, op voorwaarde dat de schuldeiser bij de inontvangstname van het goed mocht aannemen dat de schuldenaar bevoegd was om dit goed aan een retentierecht te onderwerpen". Artikel 76 Nieuwe Pandwet: "Het retentierecht geeft aanleiding tot een in artikel 1 bedoeld preferentieel recht van pandhouder". Artikel 1 Nieuwe Pandwet: "Doelstelling - Het pandrecht verleent aan de pandhouder het recht om bij voorrang boven de andere schuldeisers te worden betaald uit de bezwaarde goederen".
(5)J. BAECK, "Achtergrond en krachtlijnen van de hervorming", in J. BAECK en M. KRUITHOF (eds.), Het nieuwe zekerheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2014, 21, nr. 38-39; MvT van wetsontwerp 24 oktober 2012 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 53-2463/001, 33.
(6)V. SAGAERT, "Intertemporele werking zakelijke zekerheidsrechten" in Comm.Voorr., nr. 24.
(7)MvT van wetsontwerp 24 oktober 2012 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 53-2463/001, 33.
(8)E. DIRIX, "Retentierecht", in X., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV. Commentaar verbintenissenrecht, Titel II. Contractenrecht, nr. 18, blz. 15.
(9)E. DIRIX, "Retentierecht", in X., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV. Commentaar verbintenissenrecht, Titel II. Contractenrecht, nr. 28, blz. 21; L. LAMINE, "Het retentierecht", Kluwer, blz. 138: "Het retentierecht is ondeelbaar in deze zin dat het kan uitgeoefend worden, tot betaling van de gehele schuldvordering, op ieder deel van de zaak of van de zaken die er het voorwerp van zijn."
(10)H. GEINGER, Ch. VAN BUGGENHOUT en Ch. VAN HEUVERSWYN, Overzicht van rechtspraak, Het faillissement en het gerechtelijk akkoord 1990-1995, TPR 1996, p. 996, ro 112 en de aldaar geciteerde referenties.
(11)E. DIRIX, De tegenwerpelijkheid van het retentierecht, TBH 1996, 219-225.
(12)E. DIRIX, "Retentierecht" in Voorrechten en hypotheken. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, afl. 45, nr. 2, blz. 7; contra: I. VEROUGSTRAETE, "Retentierecht" in J. BAECK en M. KRUITHOF (eds.), Het nieuwe zekerheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2014,
(167)169, nr. 3.
(13)Cass. 7 november 1935, Pas. I, 1936, 38, met conclusie LERCLERCQ; Cass. 7 oktober 1976, Pas., 1977, I, 154, met conclusie Krings, Arr.Cass. 1977, 153; R.C.J.B., 1979, 5, noot FAGNART, J.L., Recherches sur le droit de rétention et de l'exception d'inexécution; Cass. 5 april 1979, Arr. Cass. 1978-79, 936; Cass. 22 juni 1979 ("Overwegende dat bij faillissement van de schuldenaar (...) een eventueel retentierecht (...) weliswaar geen voorrang (verschaft) op de bevoorrechte schuldeisers, maar tegenstelbaar (is) aan de massa."), Arr.Cass. 1978-79, 1271; Cass. 12 september 1986, Arr.Cass. 1986-87, 43.
(14)E. DIRIX, "Retentierecht", in X., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV. Commentaar verbintenissenrecht, Titel II. Contractenrecht, nr. 32, blz. 26. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200116.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div