id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200121.2N.4 Rolnummer: P.19.0981.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-28 Raadplegingen: 332 - laatst gezien 2026-06-28 07:46 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.4 Fiches 1 - 2 Alhoewel de bepaling van artikel 47, eerste lid, Wegverkeerswet, wat haar toepassingsgebied betreft in algemene bewoordingen is uitgedrukt, volgt uit de doelstelling van de proeven, namelijk de samenleving te beveiligen, alsook het verband tussen die proeven en de regeling van de voorwaarden voor het verkrijgen van een rijbewijs, dat het in de artikelen 47 en 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet vervatte strafrechtelijk gesanctioneerde verbod om na het verstrijken van een tijdelijke vervallenverklaring een motorvoertuig te besturen zonder eerst met goed gevolg de opgelegde proeven te hebben ondergaan, niet van toepassing is op die motovoertuigen waarvoor de bestuurder ontslagen is van de verplichting houder te zijn van een rijbewijs
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 47 Vrije woorden: Artikel 47, eerste lid - Verval van het recht tot sturen - Afleggen van de opgelegde proeven - Motorvoertuigen waarvoor geen rijbewijs nodig is - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 48 Vrije woorden: Artikel 48, 2° - Verval van het recht tot sturen - Afleggen van de opgelegde proeven - Motorvoertuigen waarvoor geen rijbewijs nodig is - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de conclusie P.19.0981.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 6 september
- PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
- Eiser in cassatie werd vervolgd wegens feiten gepleegd te Brugge op 13 oktober 2017, met name (A) het in het verkeer brengen van een bromfiets zonder geldige verzekering, in overtreding met de artikelen 1, 2 §1, 20, 22, §1, eerste lid, 24, 28 en 29 van de Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (B) het besturen op een openbare plaats van een bromfiets zonder met goed gevolg de proeven te hebben afgelegd waartoe hij ingevolge een vonnis van de politierechtbank van Brugge van 23 mei 2012, hem ter kennis gebracht op 2 september 2016, was gehouden, in overtreding van artikel 48, eerste lid, 2° van de Wegverkeerswet en (C) het besturen op de openbare weg van een motorrijtuig zonder houder te zijn van het rijbewijs, in overtreding met de artikelen 21, eerste lid, 30, §1, 1°, en 38, §1, 5° van de Wegverkeerswet. Voor de telastleggingen B en C werd in hoofde van de eiser ook de toestand van meervoudige herhaling weerhouden.
- Eiser in cassatie werd door de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, bij vonnis van 1 februari 2019 vrijgesproken voor de drie telastleggingen. De politierechtbank oordeelde dat uit verder onderzoek was gebleken dat er wel een rechtsgeldige polis bestond op het ogenblik van de feiten (telastlegging A), dat de betrokken bromfiets van klasse A was en er dus geen rijbewijs nodig was om dit te besturen (telastlegging C) en dat, nu er voor een dergelijke bromfiets geen rijbewijs nodig is, de verplichting om de proeven af te leggen geen reden van bestaan meer heeft in zoverre zij de bromfietsen van klasse A betreft ( telastlegging B).
- Het openbaar ministerie tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis in zoverre het de vrijspraak betrof voor de telastlegging B. Bij vonnis van 6 september 2018 hervormde de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, deze beslissing en veroordeelde eiser in cassatie tot een geldboete van 1000 euro, waarvan de helft met uitstel of 90 dagen vervangend rijverbod, tot een verval van het recht tot sturen voor alle categorieën van 4 maanden, maakte het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen in het theoretisch en praktisch rijexamen en het slagen in het psychologisch en medisch onderzoek. Eiser in cassatie werd ook veroordeeld tot de kosten en de bijdragen aan het Fonds voor hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand. Het cassatieberoep is gericht tegen dit vonnis. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
- Eiser in cassatie voert één middel aan, met name de schending van artikel 47 Wegverkeerswet en artikel 4, 11°, van het Koninklijk Besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (hierna KB Rijbewijs), omdat het bestreden vonnis hem ten onrechte zou hebben schuldig verklaard aan een inbreuk op artikel 48 Wegverkeerswet door een bromfiets klasse A te hebben bestuurd zonder met goed gevolg herstelproeven te hebben afgelegd waartoe hij gehouden was ingevolge een vroegere veroordeling, terwijl voor een bromfiets A geen rijbewijs nodig is. Artikel 47 Wegverkeerswet bepaalt: "Hij die verval van het recht tot sturen heeft opgelopen na 25 mei 1965 en onderworpen werd aan een theoretisch, praktisch, geneeskundig of psychologisch onderzoek, mag, wanneer het verval geëindigd is, een voertuig van een der categorieën waarop de beslissing van vervallenverklaring slaat, slechts besturen mits hij met goed gevolg het opgelegd onderzoek heeft ondergaan. De Koning bepaalt de organisatie en de nadere regels van dit onderzoek en stelt het tarief vast van de ten bate van de Staat of van de erkende instellingen te heffen retributies om de kosten ervan te dekken." Artikel 48 Wegverkeerswet luidt als volgt: "Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboeten van 500 tot 2.000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of levenslang, wordt gestraft, hij die: 1° een voertuig of een luchtschip bestuurt, een rijdier geleidt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, spijts het tegen hem uitgesproken verval; 2° een motorvoertuig bestuurt van de categorie bedoeld in de beslissing van vervallenverklaring of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, zonder het voorgeschreven onderzoek met goed gevolg te hebben ondergaan. De gevangenisstraffen en geldboeten worden verdubbeld bij herhaling binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan." Het Koninklijk Besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt in artikel 4: "Zijn ontslagen van de verplichting houder te zijn van een rijbewijs en het bij zich te hebben: (...) 11° de bestuurders van bromfietsen met een maximumsnelheid van ten hoogste 25 km/uur; (...) De vraag die dus voorligt is of, wanneer een persoon een vroegere vervallenverklaring van het recht tot sturen van alle categorieën motorvoertuigen heeft opgelopen, de daaraan verbonden verplichting om met goed gevolg de herstelproeven te hebben afgelegd geen reden van bestaan meer zou hebben in zoverre die verplichting betrekking heeft op motorvoertuigen waarvoor geen rijbewijs is verschuldigd, in casu een bromfiets van klasse A.
- De politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, beantwoordde deze vraag bevestigend en verwees daarvoor naar een arrest van het Hof van Cassatie van 30 maart 1993
(1)dat deze stelling huldigt. Deze visie wordt evenwel niet unaniem gedeeld en in het licht van andere rechtspraak en rechtsleer komt het voormeld arrest zelfs eerder als geïsoleerd over. Zo sprak het Hof van Cassatie zich bij arrest van 29 juni 1976
(2)uit over het verbod een motorvoertuig te besturen alvorens het onderzoek waarvan sprake in artikel 47 Wegverkeerswet te hebben ondergaan en stelde daarbij dat dit verbod 'toepasselijk (is) op iedere bestuurder van een voertuig van de categorieën bedoeld in artikel 2, §1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1965, met inbegrip van de rijwielen met hulpmotor en motorrijwielen van de categorie A, tenzij hij van het onderzoek is vrijgesteld of van verval wegens lichamelijke ongeschiktheid is ontheven'. Hetzelfde standpunt wordt gehuldigd in een arrest van 10 november 1982
(3). Dit arrest betrof een tractor deel uitmakend van het verrijdbaar bouwmaterieel en waarvoor onder de vigerende wetsbepalingen geen rijbewijs noodzakelijk was. Het arrest onderstreept dat 'de vervallenverklaring van het recht tot sturen en de voorschriften betreffende het rijbewijs onderworpen zijn aan verschillende wettelijke bepalingen...; dat artikel 47 van de Wegverkeerswet in algemene bewoordingen is gesteld...(en) dat het door dat artikel opgelegde verbod los van de verplichtingen betreffende het rijbewijs van toepassing is op iedere bestuurder van een motorvoertuig van een der categorieën bedoeld in artikel 2, §§1 en 2, van het koninklijk besluit van 3 mei 1965, met inbegrip van de tractoren die deel uitmaken van het verrijdbaar landbouwmaterieel'. Er kan daarenboven ook worden verwezen naar een arrest van 19 oktober 1994
(4)dat betrekking heeft op het verbod om alle categorieën van motorvoertuigen te besturen overeenkomstig artikel 38 Wegverkeerswet en dat ' in algemene bewoordingen is gesteld' en dat 'geldt o.m. ten aanzien van bromfietsen.' 6. De rechtsleer lijkt ons inziens ook het standpunt bij te treden van de meerderheid van de cassatiearresten. P. ARNOU en M. DE BUSSCHER verwijzen enerzijds naar het feit dat artikel 38, §3 Wegverkeerswet betrekking heeft op alle categorieën motorvoertuigen waarvoor het verval van het recht tot sturen werd uitgesproken en dat het derhalve logisch zou zijn dat de maatregel ook betrekking heeft op motorvoertuigen waarvan het besturen geen rijbewijs vereist
(5)en anderzijds wordt ook gesteld dat de tekst van artikel 47 Wegverkeerswet duidelijk in die richting wijst
(6). Hetzelfde standpunt wordt gehuldigd door R. BEIRINCKX
(7). 7. Het lijkt ons belangrijk even de aandacht te vestigen op het argument aangehaald door de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, in het beroepen vonnis van 1 februari 2019, met name het verband dat wordt gelegd tussen enerzijds artikel 47 Wegverkeerswet en anderzijds de examens en onderzoeken die voorzien zijn voor het behalen van het rijbewijs. De politierechtbank stelt inderdaad dat 'er geen reden (
- is)om zomaar aan te nemen dat artikel 47 Wegverkeerswet slaat op voertuigen waarvoor geen rijbewijs vereist is' en verder dat 'de rechter die het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maakt van het slagen voor één of meer van de in artikel 38, §3, Wegverkeerswet bedoelde examens deze maatregel kan beperken tot de categorie van voertuigen waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot het verval werd begaan (
- en)deze nieuwe bepaling evenmin (toelaat) aan te nemen dat zo de maatregel zonder beperking werd opgelegd, deze maatregel ook van toepassing is op categorieën van voertuigen waarvoor geen rijbewijs vereist is'. Dit argument wordt, ons inziens terecht, weerlegd door het bestreden vonnis dat stelt dat het tegen eiser uitgesproken verval in de vonnissen van 2012 en 2016 betrekking had op alle categorieën motorvoertuigen zonder uitzondering en derhalve niet alleen sloeg op motorvoertuigen waarvoor men houder dient te zijn van een rijbewijs. Het bestreden vonnis stelt desaangaande dat 'het logisch en wettelijk gevolg is dan ook dat de veiligheidsmaatregel die als voorwaarde gesteld wordt voor het herstel in het recht tot sturen eveneens betrekking heeft op alle categorieën motorvoertuigen'. 8. Het standpunt gehuldigd door het bestreden vonnis wordt door de hierboven reeds aangehaalde rechtspraak, onder andere het arrest van 10 november 1982 van het Hof van Cassatie bijgetreden en vindt daarenboven ook steun in de rechtsleer. Ik verwijs hier nogmaals naar P. ARNOU en M. DE BUSSCHER
(8)die duidelijk een onderscheid maken tussen de onmiddellijke intrekking van een rijbewijs en het verval van het recht tot sturen. Bij een onmiddellijke intrekking van het rijbewijs verliest de betrokkene enkel het recht een voertuig te besturen waarvoor een rijbewijs vereist is, terwijl bij het verval van het recht tot sturen de betrokkene geen enkel voertuig van de aangeduide categorieën nog mag besturen, ongeacht of daar al dan niet een rijbewijs voor nodig is. R. BEIRINCKX
(9)maakt hetzelfde onderscheid wanneer hij stelt dat een verval van het recht tot sturen kan worden uitgesproken ten aanzien van een persoon die geen houder is van een rijbewijs. 9. Het komt mij voor dat de artikelen 47, eerste lid, en 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet in duidelijke en algemene bewoordingen zijn uitgedrukt, zodat daaruit volgt dat het door artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet strafrechtelijk gesanctioneerde verbod om na het verstrijken van een tijdelijke vervallenverklaring een motorvoertuig te besturen zolang de veroordeelde niet met goed gevolg het opgelegde onderzoek heeft ondergaan, geldt voor alle motorvoertuigen waarvoor een verval van het recht tot sturen is uitgesproken en dit ongeacht of voor het besturen van die motorvoertuigen een rijbewijs is vereist. Dit betekent dus dat hij tegen wie een vervallenverklaring is uitgesproken van het recht alle motorvoertuigen te besturen waarbij het herstel afhankelijk is gemaakt van het met goed gevolg ondergaan van een of meerdere van de vermelde proeven, na het verstrijken van de tijdelijke vervallenverklaring slechts een bromfiets met een maximumsnelheid van ten hoogste 25 km/uur besturen, indien hij met goed gevolg een of meerdere van de vermelde proeven heeft ondergaan. Dit strafrechtelijk gesanctioneerd verbod geldt ongeacht of een dergelijke bestuurder krachtens artikel 4, 11°, KB Rijbewijs is ontslagen van de verplichting houder te zijn van een rijbewijs en het bij zich te hebben. Het middel gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt dus naar recht. III. CONCLUSIE. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren en concludeer derhalve tot de verwerping van het cassatieberoep. _______________________
(1)Cass. 30 maart 1993, AR nr. 5970, AC 1994, nr. 165.
(2)Cass. 29 juni 1976, AC 1976,1223. Dit arrest betreft weliswaar een oudere versie van artikel 47 van de Wegverkeerswet, maar dat gegeven heeft geen invloed op de problematiek.
(3)Cass. 10 november 1982, AR nr. 2465, AC 1983, nr. 159.
(4)Cass. 19 oktober 1994, AR P.94.0199.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941019.6, AC 1994, nr. 439.
(5)P. ARNOU en M. DE BUSSCHER, Misdrijven en sancties in de Wegverkeerswet, Kluwer, 1999, pp. 237-238, 770 en 774 en p. 240, 781.
(6)Weliswaar wordt ook gewezen op de tegenstrijdige rechtspraak van het Hof van Cassatie.
(7)R. BEIRINCKX, Het verval van het recht tot sturen herbekeken, Kluwer, 2014, pp. 19-20, 29-30 en p.81, 127. Ook deze auteur verwijst naar de strijdige beslissingen van het Hof van Cassatie.
(8)P. ARNOU en M. DE BUSSCHER, o.c., p.377.
(9)R. BEIRINCKX, o.c., p. 81, 127. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200121.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941019.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div