← België

R. contra het VLAAMS GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200123.1N.1 Rolnummer: F.16.0140.N Zaak: R. contra het VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-03-04 Raadplegingen: 664 - laatst gezien 2026-06-19 02:58 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200123.1N.1 Fiche 1 Uit de artikelen 27 en 29 W. Succ. volgt dat een schuld slechts in het passief van de nalatenschap wordt aanvaard indien de erfopvolgers het bestaan en het bedrag van die schuld bewijzen en dat, wanneer de administratie op aannemelijk wijze aanvoert dat een schuld reeds voor het overlijden kan zijn terugbetaald, zij tevens aantonen dat die schuld op de dag van het overlijden nog niet was voldaan; aangezien het nog niet terugbetaald zijn van de schuld een negatief feit betreft, volstaat het dat de erfopvolgers de waarschijnlijkheid van dat feit aantonen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Aannemelijk passief van de nalatenschap - Bestaande schuld op de dag van het overlijden - Overbedelingsschuld - Bewijslast - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - 31-03-1936 - Artt. 27 en 29 - 30 Link Justel databank 19360331-30 Fiche 2 Bij een schenking door schulderkenning houdt de door de schenker aangegane schuld geen verband met een tegenprestatie die leidt tot het behoud van de gelden in het actief, maar houdt verband met de bedoeling van de schenker om de begiftigde te bevoordelen; de schulderkenning heeft niet tot gevolg dat de schenker een schuld aangaat die het behoud van een goed als onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak heeft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Aannemelijk passief van de nalatenschap - Schulden aangenomen bij toepassing van artikel 33, vierde lid, W.Succ. - Schenking door schulderkenning - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - 31-03-1936 - Art. 33 - 30 Link Justel databank 19360331-30 Tekst van de conclusie F.17.0140.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180621.13 Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (...)
  1. Bespreking van het tweede middel EERSTE ONDERDEEL 3.
  2. Volgens het eerste onderdeel mochten de appelrechters, zonder de artikelen 1315, 1317, lid 1, 1319, 1320 en 1322, lid 1, B.W., art. 870 Ger.W., art. 29, lid 1 (oud) en 105, lid 1 (oud) W. Succ. te schenden, de bewijslast van het alsnog bestaan van de schuld op de dag van het overlijden van de heer Rollé niet aan de eisers opleggen. Meer bepaald mochten de appelrechters, zonder die bepalingen te schenden, niet besluiten als volgt "eisers in hoger beroep falen dan ook in de op hen berustende bewijslast op grond van artikel 27 en 29, lid 1 W.Succ. om het bestaan van de schuld, het bedrag ervan en het deel ten laste van de overledene te bewijzen op het ogenblik van het overlijden van wijlen de heer Rollé". Volgens dit onderdeel volstaat het dat de belastingplichtige het bewijs levert van het initieel bestaan van die schuld zonder meer, m.a.w. van het ontstaan ervan. 3.
  3. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de schending van de artikelen 1317, eerste lid, 1319, 1320 en 1322, eerste lid, B.W. inzake de bewijskracht van akten, zonder aan te duiden waarin het bestreden eindarrest deze bepalingen heeft geschonden, lijkt het eerste onderdeel mij niet ontvankelijk bij gebrek aan nauwkeurigheid. 3.
  4. Luidens artikel 27, W. Succ. gelden als aannemelijk passief met betrekking tot de nalatenschap, naast de begrafeniskosten, slechts de op de dag van het overlijden bestaande schulden van de overledene. Als op de dag van het overlijden bestaande schulden kunnen slechts worden beschouwd de schulden die een zekere en definitieve last van de nalatenschap vormen
(1). Bestaande schulden in de zin van artikel 27, eerste lid, W.Succ., zijn bijgevolg verbintenissen die de overledene vóór zijn overlijden heeft aangegaan of die in zijne hoofde zijn ontstaan en die nog bestaan op de dag van het overlijden. De schuld moet zeker en definitief zijn
(2). Krachtens artikel 29, eerste lid, W. Succ. moet het bestaan der schulden bewezen worden door de bewijsmiddelen die in rechte toelaatbaar zijn in een handeling tussen de schuldeiser en de schuldenaar. Hetgeen moet worden bewezen, volgens auteur CASIER, is het feit dat de overledene schulden had aangegaan die op de dag van zijn overlijden nog bestonden. Het volstaat bijgevolg niet aan te tonen dat de overledene gelden had ontvangen. Men moet ook kunnen bewijzen dat de overledene de verplichting had aangegaan de gelden terug te betalen en dat hij dat nog niet had gedaan
(3). Dit standpunt wordt evenwel niet gevolgd in de klassieke rechtsleer. DONNAY
(4)neemt de stelling in dat de administratie zelf het bewijs moet leveren dat de schuld, waarvan het initieel bestaan door de erfopvolgers werd bewezen, op het ogenblik van het overlijden finaal niet meer bestaat, hetzij dat er sprake is van een vals passief of van een fictieve schuld. Ik treed echter het standpunt bij van CASIER dat m.i. naadloos aansluit bij de visie van AFSCHRIFT op de verdeling van de bewijslast in fiscale zaken. Deze auteur baseert zich op de theorie van de rechtscreërende bestanddelen. Hij stelt, wat betreft de aftrekken van de belastbare grondslag, dat "de rechtscreërende bestanddelen van het recht moeten aangevoerd en bewezen worden door de partij die de bepaling moet inroepen om dat recht te genieten."
(5)Dit geldt ook "op het vlak van de successierechten waar de erfgenaam het aannemelijk passief moet bewijzen op grond van artikel 27 en volgende van het wetboek successierechten"
(6). Uit het loutere feit dat een belastingplichtige een aftrek (opname in het passief) vraagt, volgt dus dat hij de toepassing van de wet moet vorderen en dat hij bijgevolg de aanvoeringslast en de bewijslast moet dragen. De belastingplichtige moet daarbij het bewijs leveren van alle elementen die aan de basis van zijn recht liggen
(7). Het standpunt van verweerder in zijn memorie kan m.i. dan ook worden bijgetreden: het bewijs van het bestaan van een schuld op het ogenblik van het overlijden voor de toepassing van de artikelen 27 en 29 (oud) W. Succ. houdt inderdaad noodzakelijk ook het bewijs in dat die schuld op het ogenblik van het overlijden nog effectief verschuldigd is en nog niet terugbetaald. Wanneer de schuld op de dag van het overlijden reeds is betaald, bestaat er immers uiteraard geen schuld meer en is het bewijs van die schuld niet geleverd. Het onderdeel dat steunt op de veronderstelling dat de bewijslast in hoofde van de erfopvolgers beperkt is tot het bewijs van het ontstaan van de schuld, zonder dat het bewijs dient geleverd dat de schuld nog bestaat op de dag van het overlijden van de erflater faalt m.i. naar recht. (...)
  1. Bespreking van het achtste middel 9.
  2. In het enig onderdeel wordt aangevoerd dat wanneer er duidelijk een onmiddellijk en rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen het behoud van het goed en de schuld aangegaan door de overledene ten behoeve van zijn erfopvolgers, deze schuld geen nepschuld is en het bestaan ervan kan worden aangenomen in zoverre in het vermogen van de overledene tegenover deze schuld een actief met eenzelfde waarde bestaat. Door dit te miskennen zouden de appelrechters artikel 33, lid 4, 2° (oud) W. Succ. hebben geschonden alsmede de bewijskracht van de vier notariële akten van schenking door schulderkenning (art. 1317, lid 1, 1319,1id 1, 1320-1321 en 1322 B.W. en art. 105, lid 1 (oud) W. Succ.) 9.
  3. Krachtens artikel 33, eerste lid, W.Succ. worden schulden aangegaan door de overledene ten behoeve van een zijner erfgenamen, legatarissen of begiftigden of van tussenpersonen niet aangenomen in het passief van de nalatenschap. Krachtens artikel 33, vierde lid, W. Succ. worden bedoelde schulden evenwel aangenomen: 1° indien het bewijs van hun echtheid door de aangevende partijen wordt ingebracht; dit bewijs kan door alle middelen van gemeen recht, ook door getuigen en vermoedens, met uitsluiting van de eed, geleverd worden; 2° indien zij tot onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak hebben de verkrijging, de verbetering, het behoud of de terugbekoming van een goed, dat op de dag van het afsterven van de overledene tot de boedel behoorde. 9.
  4. De ratio legis van artikel 33, vierde lid, 2° W.Succ. wordt door CASIER omschreven als volgt: "De bevoordeling van de erfgenaam, legataris of begiftigde wordt niet vermoed wanneer de schuld is ontstaan uit het verkrijgen, verbeteren of behouden van een goed dat zich in het vermogen van de erflater bevond en dit tot op de dag van het overlijden. Een schuld kan dus worden aangenomen omdat de tegenprestatie ervan (het terug te geven goed of de terug te geven som) zich alsnog in de nalatenschap bevindt. Van enige omzeiling van de verplichting om successierechten te betalen kan dus geen sprake zijn'.
(8)Voor de toepassing van deze uitzonderingsbepaling is dus vereist dat de goederen waarop de schulden betrekking hebben nog steeds tot het patrimonium van de overledene behoren; wat impliceert dat tegenover de schuld in het passief, in het actief een goed moet worden teruggevonden. Tevens is vereist dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de schuld en de verkrijging, de verbetering, het behoud of de terugbekoming van het aangegeven goed; wat inhoudt dat de schuld er rechtstreeks moet uit voortvloeien. Dit is bijvoorbeeld het geval met de verschuldigd gebleven aankoopprijs van een goed verkregen door de erflater van een erfopvolger; de nog verschuldigde aannemingsprijs voor een huis opgericht door een van de erfopvolgers in opdracht van de erflater; de kosten voor herstellingswerken uitgevoerd door een erfopvolger aan het huis van de erflater die ook de opdracht heeft gegeven. De situatie waarin een schuld ontstaat naar aanleiding van een schenking door schulderkenning lijkt mij echter niet te kaderen binnen de toepassingsvoorwaarden gesteld door artikel 33, lid 4, 2° W.Succ. Schenken door schulderkenning houdt in dat een schenker zich om niet, dadelijk en onherroepelijk, schuldig erkent ten opzichte van een begiftigde, zodat laatstgenoemde een vordering verkrijgt op de schenker
(9). DE BLAUWE merkt op dat de schuld onmiddellijk het vermogen van de schenker vermindert
(10). Zoals verweerder in zijn memorie aangeeft, kan men moeilijk stellen dat de schuld (zijnde in dit geval het uitstel van betaling van geschonken bedragen) is aangegaan om te vermijden dat die bedragen uit handen worden gegeven. De aangegane schuld strekt niet tot het behoud van de gelden in het actief, maar houdt verband met de bedoeling van de schenker tot het bevoordelen van de begiftigde. Het vereiste rechtstreekse verband met een goed aanwezig in de boedel lijkt mij dan ook niet voorhanden, temeer daar ook niet kan worden gesteld dat precies die gelden, waarop de zogenaamde schuld zou betrekking hebben, nog "in natura" in de nalatenschap worden teruggevonden. Geld is immers een vervangbare zaak en de schuld kan in alle stilte zijn afgelost
(11). Het middel dat ervan uitgaat dat de schulderkenning tot gevolg heeft dat de schenker een schuld aangaat die het behoud van een goed als onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak heeft, faalt m.i. naar recht. 9.
  1. In zoverre middel de schending aanvoert van de bewijskracht van de vier notariële akten van schenking door schulderkenning (art. 1317, eerste lid, 1319, eerste lid, 1320, 1321 en 1322 B.W.) en de schending inroept van artikel 105, eerste lid (oud) W. Succ., lijkt het mij afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 33, lid 4, 2° W. Succ. en komt het bijgevolg niet ontvankelijk voor.
  2. Besluit: Verwerping. __________________________
(1)Cass. 20 maart 2014, AR F.12.0199.N, AC 2014, nr. 222, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140320.17, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140320.17; Cass. 31 oktober 2014, AR F.13.0017.N, AC 2014, nr. 651, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141031.6, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141031.6.
(2)Concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141031.6 bij Cass. 31 oktober 2014, AR F.13.0017.N, AC 2014, nr. 651, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141031.6.
(3)H. CASIER, "Successierechten", in Comm.Erfr., Mechelen, Kluwer, losbl., 2016, 117, nr. 146.
(4)M. DONNAY, Commentaar op het Wetboek der successierechten, Brussel, Van Buggenhoudt, 1948, 528, nr.775; M. DONNAY door A. CULOT, in Rép. Notarial, Deel XV, Boek XI, Droits de succession, p. 672, nr. 804: "Les contribuables ont satisfait à l'article 29 du Code s'ils rapportent la preuve de la dette par un des moyens jugés suffisants pour condamner le débiteur dans un débat entre lui et le créancier; L'administration ne peut refuser de tenir compte de la dette en alléguant que celle-ci n'existe plus, quelque soit la vraisemblance de cette extinction. (..). Mais l'administration peut prouver que la dette n'existait plus au décès".
(5)T. AFSCHRIFT, Bewijs in fiscaal recht, Brussel, Larcier, 2002, p. 111, nr. 187.
(6)T. AFSCHRIFT, o.c., p. 112, nr. 189.
(7)T. AFSCHRIFT, o.c., p. 53, nr. 98.
(8)H. CASIER, "Successierechten", in Comm.Erfr., Mechelen, Kluwer, losbl., 2016, 117, nr. 164.
(9)F. BALLEGEER, "Schenking door schulderkenning- Rechtsonzekerheid blijft", TFR, 2012, nr. 428, p. 846.
(10)R. DE BLAUWE, Vlaamse Erfbelasting. Inleiding-2e editie, 68, nr. 102.
(11)F. BALLEGEER, l.c., p. 849. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200123.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200123.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140320.17 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141031.6 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140320.17 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141031.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180621.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.