← België

BELGISCHE STAAT contra BDO BEDRIJFSREVISOREN CVBA

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200123.1N.9 Rolnummer: F.18.0103.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra BDO BEDRIJFSREVISOREN CVBA Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-03-04 Raadplegingen: 557 - laatst gezien 2026-06-19 03:18 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200123.1N.9 Fiche De belastingelementen bedoeld in artikel 356, eerste lid, WIB92 zijn de positieve en negatieve materiële elementen die tot de vaststelling van de belastbare grondslag bijdragen; een subsidiaire aanslag kan niet worden gevestigd op een hogere belastbare basis dan die van de initiële aanslag

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag en inkohiering Vrije woorden: Nietig verklaarde aanslag - Subsidiaire aanslag - Toepassingsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 356, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie F.18.0103.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (...)
  1. Bespreking van het enig middel EERSTE ONDERDEEL 2.
  2. Het eerste onderdeel voert de schending aan van de artikelen 26 en 356 WIB92 en stelt dat het bestreden arrest "niet wettig heeft beslist dat de administratie, door de subsidiaire aanslag te vestigen op een belastbare basis van 527.917.298,26 EUR, daar waar de initiële aanslag gevestigd was op een belastbare basis van 311.934.342,93 EUR, aldus in strijd met artikel 356 WIB92 heeft gehandeld in zoverre aldus onterecht werd aangenomen dat die subsidiaire aanslag, louter door een groter abnormaal en/of goedgunstig voordeel in aanmerking te nemen, niet was gevestigd op 'alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag' en bijgevolg op een grotere belastbare grondslag". Volgens eiser worden met de notie "dezelfde belastingelementen" van artikel 356, eerste lid, WIB92 enkel de belastbare feiten bedoeld, zijnde de materiële feiten of handelingen die aan de initiële aanslag ten grondslag liggen, m.a.w. het feitencomplex dat de belastbare basis vormt en dat bijdraagt tot de vaststelling of samenstelling van de belastbare basis. Waar de verkoop van de aandelen het "belastingelement" vormde dat tot de vaststelling of samenstelling van de belastbare basis van de belastingplichtige had bijgedragen, kon de administratie met dit belastbaar feit ook rekening houden bij het vestigen en voorleggen van de subsidiaire aanslag aan de rechter. Daarbij stond het, aldus eiser, de administratie vrij het abnormaal en/of goedgunstig voordeel, dat voortvloeit uit de bedoelde transactie, te herwaarderen, voor zover die waardering niet ingaat tegen wat op dat vlak was beslist in het tussenarrest van 20 juni 2017 dat de initiële aanslag vernietigde bij gebrek aan bewijs van het door de administratie weerhouden voordeel. Artikel 356 WIB92 bepaalt niet dat de belasting verschuldigd ingevolge de subsidiaire aanslag hetzelfde of minder moet zijn dan het bedrag van de belasting verschuldigd op basis van de oorspronkelijke aanslag; aldus eiser. 2.
  3. In zoverre het de schending aanvoert van het artikel 26 WIB92, lijkt het eerste onderdeel mij onontvankelijk aangezien niet wordt aangeduid hoe deze bepaling zou zijn geschonden. 2.
  4. Krachtens artikel 356, eerste lid, WIB92 blijft de zaak, wanneer tegen een beslissing van voorheen de directeur van de belastingen, thans van de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelasting, of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag. 2.
  5. Met de notie "dezelfde belastingelementen" bedoeld in artikel 356 WIB92 worden de positieve en negatieve materiële elementen die bijdragen tot de vaststelling van de belastbare basis, bedoeld. Dit is vaste rechtspraak van Uw Hof
(1). De administratieve commentaar op artikel 356 WIB92 verwijst voor de notie "dezelfde belastingelementen" naar de commentaar op artikel 355 WIB92 waarin deze notie op dezelfde wijze wordt omschreven
(2). De administratieve commentaar benadrukt dat het "dus in geen geval toegelaten [is] krachtens voornoemd artikel een nieuwe aanslag te vestigen op een hogere basis dan die van de aanslag welke hij moet vervangen"
(3). De administratie draagt de bewijslast dat er sprake is van dezelfde belastingelementen. De subsidiaire aanslag kan aan een ander aanslagjaar worden gekoppeld. Het is eveneens mogelijk dat de verschuldigde belasting bij een subsidiaire aanslag hoger is dan de oorspronkelijke aanslag, mits de subsidiaire aanslag steunt op dezelfde belastingelementen
(4). Het standpunt dat de subsidiaire aanslag niet mag worden gevestigd op een hogere belastbare basis, werd meermaals ingenomen door Adv.-gen. Thijs in conclusies voor Uw Hof: * "De belastbare grondslag moet derhalve dezelfde zijn zodat de subsidiaire aanslag niet mag worden gevestigd op een hogere belastbare basis."
(5)* "Nieuwe uitgaven mogen in de nieuwe indiciaire aanslag als indiciën worden aanvaard, net zoals nieuwe inkomsten mogen aangewend worden als verantwoording voor zover de belastbare grondslag van de nieuwe aanslag niet hoger is dan deze van de vernietigde aanslag."
(6)Verweersters geven in de memorie van antwoord naar mijn mening terecht aan dat "deze interpretatie des te meer nodig (
  1. is)aangezien artikel 356 van het WIB92 in het voordeel van de administratie afwijkt van het gemeen recht, namelijk van de gewone, buitengewone en bijzondere aanslagtermijnen, en daarom strikt moet worden geïnterpreteerd." Ook in de doctrine wordt eenzelfde standpunt ingenomen. Zo stelt VERHAEGEN dat het standpunt dat de (nieuwe
  2. of)subsidiaire aanslag moet worden gevestigd op basis van dezelfde belastingelementen of een gedeelte ervan, erop duidt dat deze aanslag niet mag worden gevestigd op een hogere belastbare grondslag dan de nietig verklaarde aanslag
(7). Dezelfde auteur voegt daaraan toe: "Aldus mag de belastingadministratie bij het vestigen van een nieuwe indiciaire aanslag aan de posten van de te verantwoorden uitgaven geen post toevoegen die niet voorkwam in de indiciaire balans op basis waarvan de oorspronkelijke (nietigverklaarde aanslag) was gevestigd. Een nieuwe aanslag is eveneens uitgesloten, indien nieuwe negatieve elementen in aanmerking worden genomen. In casu waren de kosten van een vervreemding en van werken niet weerhouden ter berekening van de belastbare meerwaarde op de verkoop van een onroerend goed in de oorspronkelijke aanslag. Dit standpunt is echter voor betwisting vatbaar, aangezien de artikelen 355 en 356 WIB92 het aanmerken van nieuwe negatieve belastingelementen (dat in het voordeel van de belastingschuldige zou werken) niet zouden uitsluiten". In een bespreking van een arrest van het hof van beroep te Antwerpen wijst auteur BELLENS er nog op dat het gegeven dat artikel 356 WIB92 toelaat dat de subsidiaire aanslag gevestigd wordt op een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag niet impliceert dat de subsidiaire aanslag daarnaast ook gevestigd kan zijn op andere belastingelementen dan die van de initiële aanslag
(8). 2.
  1. Gelet op wat voorafgaat, meen ik dat uit de vereiste opgenomen in artikel 356, eerste lid, WIB92, dat stelt dat de subsidiaire aanslag "op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag" moet zijn, volgt dat een subsidiaire aanslag niet kan worden gevestigd op een hogere belastbare basis of grondslag dan die van de initiële aanslag. Het onderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, steunt m.i. op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht. (...)
  2. Besluit: Verwerping. _____________________
(1)Cass. 22 mei 2015, AR F.13.0169.N, AC 2015, nr. 337, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150522.6; Cass. 26 november 2015, AR F.14.0181.N, AC 2015, nr. 707, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151126.11; zie ook M. BALLEUX, "Mise au point sur l'application de l'article 356 du Code des impôts sur les revenus", in Liber amicorum Maurice Eloy, Limal, Anthemis, 2014, p. 468; R. FORESTINI, "Artikelen 355 en 356 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen: nieuwe ontwikkelingen", TFR 2007, p. 706, nr. 39.
(2)Com. IB, 356/6 en 355/27.
(3)Com.IB, 355/24, eerste lid.
(4)Zie TIBERGHIEN Handboek voor Fiscaal recht 2017-2018, band 1, p. 980, en de verwijzingen aldaar.
(5)Concl. van advocaat-generaal Thijs bij Cass. 26 november 2015, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151126.11.
(6)Concl. van advocaat-generaal Thijs bij Cass. 26 mei 2015, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160526.1.
(7)A. VERHAEGEN, De hertaxatie in de administratieve en gerechtelijke fase, Mechelen, Kluwer, 2013, p. 50, nr. 74.
(8)A. BELLENS, "De initiële aanslag bij het vestigen van een subsidiaire aanslag", noot bij Antwerpen, 20 maart 2018, RABG 2018, 1719. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200123.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200123.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150522.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151126.11 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151126.11 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160526.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.