id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 januari 2020
Artikel 141b
is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Criteria - Intensiteit van het conflict - Organisatie van de betrokken partijen - Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -
Artikel 141b
is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Criteria - Intensiteit van het conflict - Organisatie van de betrokken partijen - Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -
Artikel 141b
is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Criteria - Intensiteit van het conflict - Organisatie van de betrokken partijen Fiche 4 De bepalingen van artikel 34.2 VEU, in de versie voorafgaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2, a) en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit; zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Verdrag betreffende de Europese Unie - Artikel 34.2
- b)VEU - Kaderbesluiten - Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding - Bindende werking - Draagwijdte - Gevolg Fiche 5 De bepalingen van artikel 34.2 VEU, in de versie vooraf- gaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2,
- a)en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit; zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Verdrag van Lissabon - Protocol betreffende de overgangsbepalingen - Artikel 9 - Handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie die vastgesteld zijn op basis van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Kaderbesluiten - Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding - Rechtsgevolgen - Draagwijdte - Gevolg Fiches 6 - 8 De bepalingen van artikel 34.2 VEU, in de versie voorafgaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2, a) en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit; zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding - Artikel 2.1 en 2.2,
- a)en
- b)- Terroristische groep en leiding ervan - Strafbare feiten - Draagwijdte - Gevolg Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding - Overweging
(11)-
Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikel 139, Strafwetboek - Terroristische groep - Begrip - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Fiche 9 De bepalingen van artikel 34.2 VEU, in de versie voorafgaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2, a) en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit; zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen
(1).
(1)Zie concl.OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikel 140 Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Fiches 10 - 11 De bepalingen van artikel 34.2 VEU, in de versie voorafgaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2, a) en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit; zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikel 141bis, Strafwetboek - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Fiches 12 - 17 Een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot laat uitsluitend toe te antwoorden op de door het openbaar ministerie genomen conclusie en deze noot mag geen nieuw middel of een toelichting, aanvulling of uitbreiding van een in een regelmatig ingediende memorie aangevoerd middel bevatten; evenmin kan de eiser in een dergelijke noot het Hof verzoeken aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen indien hij dit had kunnen doen in zijn regelmatig ingediende memorie en anders oordelen zou een omzeiling toelaten van de dwingend opgelegde termijn om een memorie in te dienen
(1).
(1)Eisers I en III hebben, na het aanhoren van de mondelinge conclusie van het OM, in toepassing van artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, een antwoordnota neergelegd. In zijn nota vroeg eiser I om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, maar het Hof oordeelde dat de eiser dit had dienen te doen in het kader van zijn memorie en stelde dus de prejudiciële vraag niet; zie R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Kluwer, 6de editie, 2014, p. 1621, nrs. 4134-4135. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: Mondelinge conclusie van het openbaar ministerie - Antwoordnoot - Middelen - Grenzen - Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Mondelinge conclusie van het openbaar ministerie - Antwoordnoot - Middelen - Grenzen - Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Strafzaken - Europese Unie - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Mondelinge conclusie van het openbaar ministerie - Antwoordnoot - Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Strafzaken - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Mondelinge conclusie van het openbaar ministerie - Antwoordnoot - Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie - Mondelinge conclusie - Antwoordnoot - Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Fiches 18 - 19 Uit de tekst van artikel 141bis Strafwetboek volgt dat de daarin bepaalde uitsluiting voor handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht en handelingen van de strijdkrachten van een staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan deze bepalingen van internationaal recht, geldt voor alle in deze titel opgenomen misdrijven; deze uitsluiting, die niet louter een strafuitsluitende verschoningsgrond inhoudt, verhindert niet enkel de strafwaardigheid, maar slaat ook op het bestaan van alle misdrijven opgenomen in titel Iter van boek II van het Strafwetboek
(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -
Artikel 141b
is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Aard van de uitsluiting - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Verschoning Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Aard van de uitsluiting - Draagwijdte - Gevolg Fiches 20 - 21 De toepasselijkheid van artikel 141bis Strafwetboek wordt bepaald door het antwoord op de vraag of de terroristische groep in de zin van artikel 139 Strafwetboek een strijdkracht is in een gewapend conflict en niet door het antwoord op de vraag of de personen die worden vervolgd als leider van een terroristische groep in de zin van artikel 140, §1, Strafwetboek dan wel als deelnemer aan de activiteiten van een terroristische groep in de zin van artikel 140, §2, Strafwetboek, zelf te beschouwen zijn als een strijdkracht in de zin van artikel 141bis Strafwetboek, dan wel of die personen misdrijven hebben gepleegd buiten het geografisch gebied van het gewapend conflict in de zin van artikel 141bis Strafwetboek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Verschoning Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Fiches 22 - 23 Noch uit de tekst van artikel 141bis Strafwetboek in zijn geheel gelezen noch uit de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de toepassing van de in deze bepaling voorziene uitsluiting vereist dat de rechter voor elke concrete handeling van een strijdkracht tijdens een gewapend conflict vaststelt dat die handeling in concreto, objectief en effectief onder de toepassing van het internationaal humanitair recht valt, met telkens opgave van de specifieke bepaling van internationaal humanitair recht die erop van toepassing is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Beoordeling door de rechter - Concrete handelingen van een strijdkracht tijdens een gewapend conflict - Concrete toepassing van het humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Verschoning Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Beoordeling door de rechter - Concrete handelingen van een strijdkracht tijdens een gewapend conflict - Concrete toepassing van het humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Fiches 24 - 26 Er kan sprake zijn van aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen dergelijke groepen onderling op het territorium van een staat die niet is betrokken in de confrontatie tussen de partijen, door occasionele grensoverschrijdende gewapende incidenten of doordat een partij doelgericht doelwitten van de andere partij bij het conflict viseert die gelegen zijn op het territorium van een aangrenzende staat en de rechter oordeelt onaantastbaar in feite of door voornoemde extraterritoriale elementen er nog steeds sprake is van een gewapend conflict onderworpen aan het internationaal humanitair recht in de zin van artikel 141bis Strafwetboek; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter die van oordeel is dat incidenten op het grondgebied van een aangrenzende staat geen afbreuk doen aan de vaststelling dat er sprake is van een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht, niet vast te stellen op welk gedeelte van het grondgebied van de aangrenzende staat zijn oordeel betrekking heeft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -
Artikel 141b
is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Territorium van een staat niet betrokken in de confrontatie - Grensoverschrijdende incidenten - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -
Artikel 141b
is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Territorium van een staat niet betrokken in de confrontatie - Grensoverschrijdende incidenten - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -
Artikel 141b
is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Territorium van een staat niet betrokken in de confrontatie - Grensoverschrijdende incidenten - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de conclusie P.19.0310.N Advocaat-generaal Alain Winants heeft in hoodzaak gezegd: 1. De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel van 8 maart 2019, gewezen op verwijzing na het arrest van het Hof van 13 februari 2018
(1). De kamer van inbeschuldigingstelling had de buitenvervolgingstelling van alle beklaagden, beslist door de raadkamer te Brussel op 3 november 2016, andermaal bevestigd. Eiser I (Federale Procureur) stelde tegen deze beslissing cassatieberoep in op 19 maart 2019 en eiser II-III (Turkse Staat) op 21 maart en 25 maart 2019
(2), respectievelijk met vijf en zes middelen. 2. Het eerste middel van eiser III voert de schending aan van artikel 141bis Strafwetboek ingeroepen en wordt aan het arrest verweten dat het uit de feitelijke vaststellingen die het doet wat betreft het criterium van de intensiteit van het conflict redelijkerwijze niet kan afleiden dat er op het grondgebied van de Turkse Staat een gewapend conflict bestaat tussen de PKK en die Staat om dan de strafuitsluitingsgrond
(3)van artikel 141bis Strafwetboek aan te nemen. De centrale vraag alhier betreft dus de problematiek, de voorwaarden, de criteria en de beoordeling van artikel 141bis Strafwetboek. 3. Artikel 141bis Strafwetboek, dat is opgenomen in Titel Iter "Terroristische misdrijven" van boek II van dit wetboek bepaalt: "Deze titel is niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch op de handelingen van de strijdkrachten van een Staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan andere bepalingen van internationaal recht". Er is een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht wanneer er sprake is van gewapend geweld tussen staten of aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen dergelijke groepen onderling binnen een staat. Klassiek maakt het internationaal humanitair recht het onderscheid tussen internationale gewapende conflicten en niet-internationaal gewapende conflicten (non international armed conflict of NIAC). Of er sprake is van aanhoudend gewapend geweld waarbij georganiseerde gewapende groepen zijn betrokken, wordt in hoofdzaak beoordeeld aan de hand van de intensiteit van het conflict en de mate van organisatie van de betrokken partijen. Belangrijk hierbij is te onderstrepen dat het Hof van Cassatie reeds meermaals heeft beslist dat de rechter onaantastbaar oordeelt of bepaalde gedragingen als handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict moeten worden beschouwd
(4). Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het dus naar recht. 4. De criteria van intensiteit van het conflict en mate van organisatie van de partijen werden uitgewerkt in de rechtsleer
(5)en ook in de rechtspraak, vnl de rechtspraak van het ICTY, waar bepaalde criteria en sub-criteria worden gehanteerd. Verschillende van die criteria en sub-criteria komen ter sprake in de zaak Haradinaj van het ICTY
(6). Verschillende van deze criteria en sub-criteria blijken in de zaak die ons aanbelangt wel degelijk te zijn weerhouden door de KI. De rechter kan derhalve bij zijn beoordeling deze criteria betrekken, maar hierbij dient onmiddellijk te worden onderstreept dat zij enkel richtinggevend zijn en het dus geenszins vereist is dat de rechter toetst aan alle in de rechtspraak en rechtsleer ontwikkelde feitelijke indicatoren. Het oordeel dat er, gelet op de intensiteit van het conflict en de mate van organisatie van de betrokken partijen, sprake is van aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en een georganiseerde gewapende groep is dus niet afhankelijk van de vaststelling dat aan alle of een meerderheid van deze feitelijke indicatoren in substantie is voldaan. De appelrechters kunnen uit de feitelijke vaststellingen die het arrest (pp. 20-26) bevat betreffende de intensiteit van het conflict en de mate van organisatie van de betrokken gewapende groep, wel degelijk afleiden dat er hier sprake is van een aanhoudend gewapend geweld. Het komt mij dan ook voor dat het middel niet kan worden aangenomen. 5. Het eerste middel van eiser I (Fed.Pk) en het tweede middel van eiser III (Turkse Staat) zijn identiek en de drie onderdelen ervan zijn nauw met elkaar verweven. Ik begin met het derde onderdeel omdat hier ook de Europese en internationale dimensie van de problematiek wordt aangeraakt. In dit derde onderdeel wordt voornamelijk een schending ingeroepen van het Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (hierna Kaderbesluit 13 juni 2002) en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek. De eisers zijn het niet eens met de redenering van de KI dat de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek zo moeten worden geïnterpreteerd dat het terroristisch karakter van een organisatie niet kan worden afgeleid uit de handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict (NIAC), zodat het leiderschap van en de deelname aan een organisatie, die enkel feiten van terroristische aard pleegt in de zin van artikel 137 Strafwetboek als strijdkracht in een gewapend conflict, niet strafbaar is onder de terrorismewetgeving. De eisers halen aan dat artikel 2.1 en 2.2, a) en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding
(7)en artikel 34.2, b), VEU zoals van toepassing vóór het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap in dit verband verplichten om leiderschap van en deelname aan de activiteiten van een terroristische organisatie strafbaar te stellen en geen juridisch bindende uitsluitingsgrond bevatten voor handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict. De eisers zijn van mening dat het arrest hierdoor de voornoemde bepalingen schendt. 6. Artikel 2 Kaderbesluit 13 juni 2002 definieert het begrip terroristische groep en stelt dat iedere lidstaat de nodige maatregelen dient te nemen om de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar te stellen: 1) het leiden van een terroristische groep en 2) het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep, waaronder het verstrekken van gegevens of middelen aan de groep of het in enigerlei vorm financieren van de activiteiten van de groep, wetende dat deze deelneming bijdraagt aan de criminele activiteiten van de groep. De overweging
(11)Kaderbesluit 13 juni 2002, dat tot doel heeft de werkingssfeer van dit kaderbesluit te verduidelijken, bepaalt dat dit kaderbesluit niet van toepassing is op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch op de handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voor zover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht. Artikel 141bis Strafwetboek bepaalt dat titel Iter die betrekking heeft op terroristische misdrijven, niet van toepassing is op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch op de handelingen van de strijdkrachten van een Staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan deze bepalingen van internationaal recht. Dat artikel houdt derhalve de omzetting in van de overweging
(11)Kaderbesluit 13 juni
- Eisers stellen dat het Kaderbesluit vooropstelt de deelname aan en leiderschap van een terroristische groepering strafbaar te stellen en dat dit instrument geen juridisch bindende uitsluitingsgrond voorziet voor handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict. Eisers erkennen wel dat considerans 11 van het Kaderbesluit dergelijke uitsluitingsgrond lijkt toe te laten. Niettemin zijn ze van mening dat zulke ‘overwegingen' geen bindende kracht hebben en dat lidstaten evenmin een verplichting hebben deze om te zetten in hun nationale wetgeving
(8). Dit sluit evenwel niet uit dat deze overwegingen wel een interpretatieve waarde hebben
(9), zolang deze niet in tegenspraak zijn met de bepalingen van de richtlijn. M.i. is het niet in tegenspraak met artikel 2 van het Kaderbesluit -artikel dat stelt dat deelname aan en leiderschap van terroristische groeperingen strafbaar dient gesteld te worden- dat een onderscheid kan worden gemaakt tussen situaties waarin er sprake is van handelingen gesteld door strijdkrachten in een gewapend conflict en situaties waarin dit niet het geval is. Om voorgaande interpretatie kracht bij te zetten, kan ook verwezen worden naar verschillen- de internationale verdragen die betrekking hebben op (het bestraffen van) terrorisme die de- zelfde uitsluitingsmogelijkheid voorzien. Ook de rechtsleer verwijst naar deze verdragen
(10). Zo kan men verwijzen naar: artikel 26.5 van het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme gedaan te Warschau op 16 mei 2005
(11). artikel 4.2 van het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van daden van nucleair terrorisme gedaan te New York op 13 april 2005
(12). artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen gedaan te New York op 15 december 1997
(13). artikel 21 van het Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme gedaan te New York op 9 december 1999
(14). artikel 12 van het Verdrag tegen het nemen van gijzelaars, gedaan te New York op 17 december 1979
(15). 8. Het Hof van Justitie besliste in een arrest van 14 maart 2017 dat de omstandigheid dat een organisatie ergens ter wereld als strijdkracht betrokken is in een gewapend conflict, niet uitsluit dat staten hen als terreurorganisaties aanmerken en ze bestrijden door ze op te nemen op de Europese lijst van terroristen en terreurorganisaties De eisers leiden hieruit af dat de 11e considerans van het Kaderbesluit 13 juni 2002 niet zo zou mogen worden geïnterpreteerd dat het de lidstaten toelaat handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict onderworpen aan het internationaal humanitair recht niet strafbaar te stellen als terroristische misdrijven. Deze stelling kan mijns inziens niet worden bijgetreden en de lezing van het bewuste arrest lijkt me zelfs tot een totaal andere conclusie te moeten leiden. Het arrest maakt inderdaad juist een duidelijk onderscheid
(16)tussen preventieve maatregelen, zoals een organisatie op een lijst plaatsen -waarop het arrest van toepassing is- en sanctionerende maatregelen, zoals de strafbaarstelling van terroristische misdrijven naar aanleiding van het Kaderbesluit 2002/475/JBZ
(17). Bij preventieve maatregelen, zoals het plaatsen op een lijst van organisaties die terroristische daden stellen, maakt het volgens dit arrest niet uit of de handelingen zijn gesteld door strijd- krachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het humanitaire recht. Dit is evenwel niet het geval indien we de consideransen 11 van het Kaderbesluit in overweging nemen voor wat betreft sanctionerende maatregelen. Derhalve lijkt het me zo te zijn dat considerans 11 van het Kaderbesluit geen belemmering vormt om een organisatie op een lijst van terroristische groeperingen te plaatsen, maar zal het wel degelijk een rol kunnen spelen bij de bestraffing van dergelijke misdrijven. Hierdoor kon België deze considerans wel degelijk omzetten in artikel 141bis Strafwetboek
(18).
- De in het onderdeel als geschonden aangevoerde bepalingen of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een Kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit. Zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen. Het onderdeel gaat blijkbaar uit van een andere rechtsopvatting en faalt mijns inziens dan ook naar recht.
- Het arrest oordeelt dat de artikelen 137, 139 en 141bis Strafwetboek zo moeten worden geïnterpreteerd dat het terroristisch karakter van een organisatie niet kan worden afgeleid uit de handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict door toepassing van de in artikel 141bis Strafwetboek bepaalde uitsluitingsgrond, zodat het leiderschap van en de deelname aan de activiteiten van organisatie die enkel feiten van terroristische aard pleegt als strijdkracht in een gewapend conflict en onderworpen is aan het internationaal humanitair recht, niet strafbaar is op grond van die bepalingen. Aldus verantwoordt het deze beslissing naar recht en kan het onderdeel dan ook niet worden aangenomen.
- Het eerste onderdeel voert een schending aan van de artikelen 78 en 141bis Strafwetboek en verwijt de KI in essentie te beslissen dat er onvoldoende bezwaren zijn dat de inverdenking gestelden leiders van de PKK waren of betrokken waren bij de activiteit van de PKK, gebaseerd op de motivering dat er onvoldoende bezwaren bestaan dat de PKK een terroristische groep is in de zin van artikel 139 Sw. omdat de enige handelingen die beantwoorden aan de materiële delictsbestanddelen van artikel 137 Sw. waarvoor voldoende bezwaren bestaan, handelingen zijn van een strijdkracht in een gewapend conflict waarop artikel 141bis Sw. van toepassing is. De problematiek die hier derhalve wordt aangekaart betreft de juiste draagwijdte van de uitsluitingsgrond bepaald in artikel 141bis Strafwetboek. De eisers gaan er met name van uit dat artikel 141bis Strafwetboek een strafuitsluitende verschoningsgrond is die dus enkel het opleggen van een straf uitsluit maar het onwettig en strafbaar karakter van de gedragingen onverkort laat bestaan.
- Deze zienswijze kan mijns inziens niet worden bijgetreden. Ons strafwetboek kent een aatal strafuitsluitende verschoningsgronden en de aldaar gebruikte terminologie is beduidend verschillend van deze in artikel 141bis Strafwetboek. Zo stelt artikel 462 Strafwetboek (diefstal tussen echtgenoten...) dat dergelijke feiten enkel aanleiding geven tot een burgerrechtelijke vergoeding. Artikel 6 van de Drugwet (aangifte drugdelicten) is nog explicieter en stelt dat de aangevers vrijblijven van de straffen. De tekst zelf van artikel 141bis Strafwetboek gaat evenwel veel verder en verklaart de Titel Iter Strafwetboek niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht. De eisers verwijzen ter ondersteuning van hun standpunt naar bepaalde rechtsleer, maar die lijkt me hun standpunt niet te bevestigen. Zo spreekt I. DE LA SERNA over een ‘cause d'exclusion' en heeft E. VANDEBROEK het over een ‘uitsluitingsgrond'
(19), zonder dat daarbij gewag wordt gemaakt van een strafuitsluitende verschoningsgrond. Daarenboven wijzen zowel E. VANDEBROEK
(20)als anderen
(21)op de niet-toepassing van de ganse Titel Iter Strafwetboek.
- Uit de tekst van artikel 141bis Strafwetboek volgt dat de daarin bepaalde uitsluiting voor handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht en handelingen van de strijdkrachten van een staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan deze bepalingen van internationaal recht, geldt voor alle in deze titel opgenomen misdrijven. Artikel 141bis Strafwetboek sluit de toepassing van de gehele titel Iter Strafwetboek uit en deze uitsluiting houdt niet louter een strafuitsluitende verschoningsgrond in maar verhindert de strafwaardigheid en slaat ook op alle misdrijven opgenomen in titel Iter van boek II van het Strafwetboek. Ook hier gaat het onderdeel uit van een andere rechtsopvatting en faalthet naar recht.
- Het tweede onderdeel voert een schending aan van de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek en eisers verwijten de KI artikel 141bis Strafwetboek toe te passen op de definitie van een terroristische organisatie in de zin van artikel 139 Strafwetboek en daaruit af af te leiden dat er onvoldoende bezwaren bestaan voor het misdrijf van leider van een terroristische groep in de zin van artikel 140, §1, Strafwetboek dan wel van deelnemer aan de activiteiten van een dergelijke groep in de zin van artikel 140, §2, Strafwetboek. Volgens de eisers verwijst artikel 141bis Strafwetboek enkel naar handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict en is het niet van toepassing op artikel 139 Sw. dat enkel een definitie bevat van een terroristische groep. Zij houden ook staande dat artikel 141bis Strafwetboek niet van toepassing is op de deelname aan en het leiderschap van een terroristische groep in België, aangezien België niet tot het geografisch gebied van het gewapend conflict behoort.
- Het komt mij voor dat dit ondereel, minstens impliciet, opnieuw ervan uitgaat dat artikel 141bis Strafwetboek een strafuitsluitende verschoningsgrond zou zijn, hetgeen evenwel wordt weerlegd door het antwoord op het eerste onderdeel. Evenwel werkt de uitsluitingsgrond van dit artikel door via artikel 137 Sw. (terroristische misdrijven) naar de artikelen 139 en 140 Sw. (terroristische organisatie en deelname/leiding geven aan de terroristische organisatie). In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel moet hetdan ook om de reden vermeld in het antwoord op dat onderdeel worden verworpen.
- De toepasselijkheid van artikel 141bis Strafwetboek wordt derhalve bepaald door het antwoord op de vraag of de terroristische groep in de zin van artikel 139 Strafwetboek een strijdkracht is in een gewapend conflict en niet door het antwoord op de vraag of de personen die worden vervolgd als leider van een terroristische groep in de zin van artikel 140, §1, Strafwetboek dan wel als deelnemer aan de activiteiten van een terroristische groep in de zin van artikel 140, §2, Strafwetboek, zelf te beschouwen zijn als een strijdkracht in de zin van artikel 141bis Strafwetboek, dan wel of die personen misdrijven hebben gepleegd buiten het geografisch gebied van het gewapend conflict in de zin van artikel 141bis Strafwetboek. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De KI geeft in het arrest (pp. 33-34 en 42-44) de redenen aan waarom zij van oordeel is dat er onvoldoende bezwaren bestaan voor de misdrijven van leiderschap van een terroristische groep in de zin van artikel 140, §1, Strafwetboek of als deelnemer aan de activiteiten van een terroristische groep in de zin van artikel 140, §2, Strafwetboek en deze beslssing lijkt mij dan ook naar recht te zijn verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. (....)
- Het tweede middel van eiser I en het derde middel van eiser III, tweede onderdeel, voert de schending aan van artikel 141bis Strafwetboek. De eisers verwijten het arrest van de KI te beslissen dat de uitsluiting van artikel 141bis Strafwetboek van toepassing is door de betrokkenheid van de PKK als strijdkracht in een gewapend conflict met de Turkse Staat in Turkije en bepaalde aangrenzende gebieden met automatisch gevolg dat de handelingen van de PKK binnen dat geografisch gebied die een significant verband houden met het gewapend conflict onderworpen zijn aan het internationaal humanitair recht. Hierdoor zou het arrest niet duidelijk maken of de voorwaarden voor de toepasselijkheid van de uitsluiting vervuld zijn en meer bepaald niet vaststellen welke specifieke bepaling van internationaal humanitair recht op die handelingen van toepassing is.
- Het komt mij voor dat het voor de toepassing van artikel 141bis Strafwetboek volstaat vast te stellen dat de handelingen zijn gesteld tijdens een gewapend conflict en door een strijdkracht die onderworpen is aan het internationaal humanitair recht. Noch uit de tekst van artikel 141bis Strafwetboek in zijn geheel gelezen noch uit de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de toepassing van de in deze bepaling voorziene uitsluiting zou vereisen vereist dat de rechter voor elke concrete handeling van een strijdkracht tijdens een gewapend conflict vaststelt dat die handeling in concreto, objectief en effectief onder de toepassing van het internationaal humanitair recht valt, met telkens opgave van de specifieke bepaling van internationaal humanitair recht die erop van toepassing is. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. (...)
- Het vijfde middel van eiser I en het zesde middel van eiser III voeren de schending aan van artikel 141bis Strafwetboek en de artikelen 127, §4, en 135, §3, Wetboek van Strafvordering. De eisers voeren aan dat het arrest onterecht beslist dat er sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict met betrekking tot de toepassingsvoorwaarde van artikel 141bis Sw. dat de handeling gesteld dient te zijn tijdens een gewapend conflict en beslist dat het geografisch gebied van het gewapend conflict tussen de PKK en de Turkse staat het gehele grondgebied van Turkije alsook enkele aangrenzende gebieden in Irak omvat omdat de handelingen gesteld in Irak spillover-incidenten of cross-border-incidenten uitmaken. Door dit te beslissen zou het arrest van de KI nalaten specifieker aan te duiden welk deel van het grondgebied van de staat Irak behoort tot het geografisch gebied van het beweerd gewapend conflict.
- Het arrest oordeelt, dit in navolging van het arrest Tadic van het Internationaal Joegoslavië-tribunaal
(22), dat moet worden besloten dat eens de drempel van het niet-internationaal gewapend conflict overschreden is, de toepassing van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève zich meteen uitstrekt over het volledige grondgebied dat door één van de partijen wordt gecontroleerd en in het geval dat een van de betrokken partijen de nationale staat zelf is, de toepassing van voormeld artikel 3 zich uitstrekt over het volledige grondgebied van die staat. Aldus vermeldt het arrest wel degelijk de redenen op grond waarvan het oordeelt dat het geografisch gebied van het gewapend conflict zich uitstrekt over het gehele grondgebied van de eiser II-III dienden de appelrechters bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie die beslissing ook niet nader met redenen te omkleden. De beslissing is dan ook mijns inziens, met de aangehaalde redenen, naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Dit middel kaart ook de problematiek aan van de zgn. spillover en cross-border incidenten. Er is een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht wanneer er sprake is van gewapend geweld tussen staten of aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen dergelijke groepen onderling binnen een staat. Er kan ook sprake zijn van aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen dergelijke groepen onderling op het territorium van een staat die niet is betrokken in de confrontatie tussen de partijen, door occasionele grensoverschrijdende gewapende incidenten of doordat een partij doelgericht doelwitten van de andere partij bij het conflict viseert die gelegen zijn op het territorium van een aangrenzende staat. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of door voornoemde extraterritoriale elementen er nog steeds sprake is van een gewapend conflict onderworpen aan het internationaal humanitair recht in de zin van artikel 141bis Strafwetboek. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter die van oordeel is dat incidenten op het grondgebied van een aangrenzende staat geen afbreuk doen aan de vaststelling dat er sprake is van een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht, niet vast te stellen op welk gedeelte van het grondgebied van de aangrenzende staat zijn oordeel betrekking heeft. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat: - de niet-internationale aard van het conflict niet wordt verhinderd door occasionele grensoverschrijdende gewapende incidenten of het feit dat de ene partij doelgericht doelwitten van de andere partij bij het conflict viseert die gelegen zijn op het territorium van een aangrenzende staat; - de staten op wiens grondgebied het conflict zich occasioneel uitbreidt, niet betrokken zijn bij het conflict; - het feit dat de Turkse nationale overheid militaire acties heeft uitgevoerd tegen PKK/HPG-installaties op Iraaks grondgebied, niets afdoet aan het feit dat het conflict tussen Turkije en de PKK/HPG nog steeds dient te worden beschouwd als een niet-internationaal gewapend conflict. Aldus komt het mij voor dat het arrest de redenen aangeeft op grond waarvan het van oordeel is dat de handelingen gesteld in de aangrenzende staat Irak als spillover- of cross-border-incidenten behoren tot het geografisch gebied van het gewapend conflict tussen de eiser III en de PKK. Ook hier dienden de appelrechters bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie die beslissing niet nader met redenen te omkleden en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ik heb geen ambtshalve middelen te laten gelden. Conclusie: verwerping van de cassatieberoepen en afstand van het cassatieberoep II. __________________________
(1)Cass. 13 februari 2018, AR P.17.1023.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180213.2, AC 2018, nr. 95. Dit arrest vernietigde gedeeltelijk het arrest van de KI Brussel van 14 september 2017 waarbij de beslissing van de raadkamer te Brussel van 3 november 2013 tot buitenvervolgingstelling van alle beklaagden werd bevestigd.
(2)Er waren twee cassatieberoepen vanwege de Turkse Staat, maar er werd afstand gedaan van het cassatieberoep II, zodat hier enkel nog wordt verwezen naar het cassatieberoep III.
(3)Terminologie gebezigd door eiser III - zie infra.
(4)Cass. 4 september 2019, AR P.19.0349.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190904.1, AC 2019 nr. 433 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 24 mei 2016, AR P.16.0244.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.5, AC 2016, nr. 345.
(5)S. VERHOEVEN, "International and not international armed conflicts" in J. WOUTERS e.a .(eds.),Armed conflicts and the law, Intersentia, 2016, 164-165.
(6)ICTY, Haradinaj, Balaj, Brahimaj, Triaal judgment I, 3 april 2008, inz. ro 49 (intensiteit) en ro. 60 (organisatie). Het gaat met name o.a. over het aantal, de duur en de intensiteit van de aanvallen, het feit dat de gewapende aanvallen de aandacht trekken van de VN Veiligheidsraad, het aantal burgers dat de zones waar de aanvallen plaatsvinden ontvlucht, de gebruikte wapens, de hoegrootheid van de vernielingen, het aantal slachtoffers, de hoeveelheid ingezette troepen en eenheden, het bestaan van een commandostructuur en disciplinaire organisatie, controle van een bepaald grondgebied, bestaan van een hoofdkwartier, capaciteit tot planning van militaire operaties, capaciteit om met één stem te spreken en te kunnen onderhandelen....
(7)http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2002/475/oj.
(8)HvJ 24 november 2005, Deutsches Milch Kontor, nr. C-136/04, ECLI:EU:C:2005:716;. HvJ 19 november 1998, C-162/97, Nilsson, ECR I-7477, ECLI:EU:C:1998:554.
(9)Zie bv.: R. BARATTA, "Complexity of EU law in the domestic implementing process" in Proceedings 19th quality of legislation seminar, ‘EU Legislative Drafting: Views from those applying EU law in the Member States', Brussel, 3 juli 2014, https://ec.europa.eu/dgs/legal_service/seminars/20140703_baratta_speech.pdf, p. 8 e.v.
(10)M.L. CESONI, "Les « infractions terroristes »: de la répression des actes à la police de la pensée" in Actualités en droit pénal, Brussel, Larcier, 2019,
(227)257); J. WOUTERS en T. VAN POECKE, "Van strijdkrachten, terroristen en het Belgisch strafrecht", noot onder Brussel KI 14 september 2017), RW 2017-18, 1617; O. VENET, "Infractions terroristes et droit humanitaire: l'article 141bis du Code pénal", JT 2010,169-172.
(11)Https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:22018A0622
(01)&from=ES, met instemmingsdecreet van 15 maart 2019, BS 3 april 2019.
(12)Https://treaties.un.org/doc/source/docs/A_RES_59_290-E.pdf, met instemmingswet van 10 september 2009, BS 30 oktober 2009.
(13)Https://treaties.un.org/doc/source/docs/A_RES_52_164-E.pdf, met instemmingswet van 26 april 2005, BS 6 juni 2005.
(14)Https://treaties.un.org/doc/source/docs/A_RES_54_109-E.pdf met instemmingswet van 30 maart 2004, BS 17 juni 2004.
(15)Https://treaties.un.org/doc/source/docs/A_RES_34_146-E.pdf, met instemmingswet van 3 maart 1999, BS 11 december 1999.
(16)Zie concl. van advocaat-generaal E. SHARPSTON van 29 september 2016 onder dit arrest C 158/14, ECLI:EU:C:2016:734.
(17)Zie L. PANTALEO, "To be or not to be (a terrorist). Understanding the interplay between EU anti-terrorism legislation and international humanitarian law in light of recent EU case law", RGDE 2018,
(155)163-169. Zie ook M. WIMMER, "Counter-terrorisme sanctions, non-international armed conflicts and Tamil Tigers: A and others", noot onder HvJ 14 maart 2017, C-158/14, C.M.L.Rev. 2018,
(1573)1587.
(18)Zie ook: M. WIMMER, "Counter-terrorism sanctions, non-international armed conflicts and Tamil Tigers: A and others" noot onder HvJ 14 maart 2017, C-158/14), C.M.L.Rev. 2018,
(1573)voetnoot 60.
(19)I. DE LA SERNA, "Chaptire III Des infractions terroristes" in M.A. BEERNAERT et al. (eds.), Les infractions, V, Les infractions contre l'ordre public, Brussel, Larcier, 2013,
(163)194-195; E. VANDEBROEK, "Sharia4Belgium is een terroristische organisatie", noot onder Corr. Antwerpen 11 februari 2015, NJW 2015, 289.
(20)E. VANDEBROEK, o.c., 289-290.
(21)T. RUYS en S. VAN SEVEREN, "Art. 141bis Sw. - Vervolging tussen hamer en aambeeld van terreurbestrijding en internationaal humanitair recht", RW 2018-19,
(523)540; E. DELHAISE, "La clause d'exclusion et la clause de sauvegarde des droits fondamentaux" in Infractions terroristes, Brussel, Larcier, 2019,
(137)138 ("Cette disposition [artikel 141bis Sw.] exclut donc les combattants du champ d'application des infractions terroristes des articles 137 et suivants du Code pénal. Ils échappent de la sorte aux possibilité de poursuites pour infraction terroriste, participation à un groupe terroriste").
(22)Zie ICTY 2 oktober 1995, nr. IT-94-1-A, ro. 70 (https://www.icty.org/x/cases/tadic/acdec/en/51002.htm). PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200128.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200128.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180213.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190904.1 ECLI:EU:C:1998:554 ECLI:EU:C:2005:716 ECLI:EU:C:2016:734 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div