← België

ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200130.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200130.2 Rolnummer: C.18.0559.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2020-03-04 Raadplegingen: 308 - laatst gezien 2026-06-28 07:48 Fiche De verzekeraar van een in een ongeval betrokken voertuig aan wie een verzoek wordt gericht op grond van artikel 19bis-11, § 2, WAM, die een automatische vergoedingsregeling betreft die de wet oplegt aan de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe motorrijtuigen aanleiding kunnen geven dekken, moet een met redenen omkleed antwoord geven op de elementen die in de aanvraag worden vermeld zoals bedoeld in artikel 14, § 1, WAM

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: In een ongeval betrokken voertuig - Onmogelijkheid te bepalen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt - Verzoek tot vergoeding op grond van artikel 19bis-11, § 2 WAM - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 21-11-1989 - Artt. 14, §§ 1 en 2, eerste lid, en 19bis-11, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200130.2 2020-01-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200130.2 2020-01-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200130.2 2020-01-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200130.2 2020-01-30 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200130.2 2020-01-30 C.18.0559.N Conclusie van advocaat-generaal R. Mortier:
  1. Feiten en procedure 1.
  2. Eiser was als bestuurder van een voertuig betrokken in een aanrijding met een motorrijder. Eiser was verzekerd in BA bij tweede verweerster, de motorrijder bij eerste verweerster. Door partijen werd geen gemeenschappelijk aanrijdingsformulier ingevuld maar daags na de aanrijding legde de motorrijder bij de politie een verklaring af waarbij hij meldde dat eiser een maneuver had uitgevoerd zonder zijn richtingaanwijzer te gebruiken waardoor de aanrijding gebeurde en zijn motor werd beschadigd. Eiser werd later verhoord door de politie en verklaarde dat hij bij het uitvoeren van het maneuver wel zijn richtingaanwijzer had gebruikt en hij door de tegenpartij werd aangereden toen hij reeds aan het afslaan was. Ook het voertuig van eiser vertoonde schade. Het dossier werd door het parket geseponeerd. Eiser ging vervolgens over tot dagvaarding van beide verweersters en vorderde voor de politierechtbank toepassing van artikel 19bis-11, §2 WAM, nu de aansprakelijkheden niet konden bepaald worden. Eiser vorderde tevens in toepassing van artikel 14, §2 van de WAM vergoeding wegens het uitblijven van een antwoord op zijn verzoek tot vergoeding. De politierechter oordeelde dat eiser als enige aansprakelijk was voor het ongeval en verklaarde beide vorderingen ongegrond. De rechtbank van eerste aanleg, zetelend in hoger beroep, bevestigde dit vonnis. Eiser werd als enige aansprakelijk bevonden voor het ongeval waardoor, aldus de appelrechters, geen toepassing kon worden gemaakt van artikel 19bis-11, §2 WAM, noch van artikel 14, §2 WAM. Met betrekking tot de vordering van eiser op grond van artikel 14, §2 WAM oordelen de appelrechters dat deze ongegrond is nu eiser als enige aansprakelijk is voor het ongeval en hij daardoor geen benadeelde is in de zin van dit artikel. De vordering gericht tegen eerste verweerster is ongegrond omdat eerste verweerster niet de verzekeraar is van degene die het ongeval heeft veroorzaakt en artikel 14 WAM kan niet ingeroepen worden tegen de eigen verzekeraar. 1.
  3. Tegen dit vonnis van 28 mei 2018 van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel komt eiser op met één middel dat zich in zijn beide onderdelen richt tegen het oordeel van de appelrechters dat de op artikel 14, §2 WAM gebaseerde vordering van eiser ongegrond is. In het eerste onderdeel voert eiser aan dat de sanctieregeling die voorzien wordt in artikel 14, §2 WAM kadert in een efficiëntere schade afhandeling en deze ook van toepassing is wanneer het verzoek tot vergoeding gegrond is op artikel 19bis-11, §2 WAM. Eiser kan dienvolgens bij afwezigheid van vastgestelde aansprakelijkheid zijn verzoek tot vergoeding richten tot de betrokken verzekeraars, waaronder ook zijn eigen verzekeraar. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat deze wettelijke sanctieregeling los staat van de aansprakelijkheidskwestie en het begrip "benadeelde" moet beoordeeld worden op het ogenblik van het verzoek tot vergoeding ongeacht of eiser er nadien niet in slaagt aan te tonen dat de aansprakelijkheden niet kunnen bepaald worden.
  4. Bespreking 2.
  5. De sanctieregeling voorzien bij de artikelen 13 en 14 WAM werd ingevoegd bij wet van 22 augustus 2002 houdende diverse bepalingen betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen die een omzetting in de Belgische wetgeving vormde van de vierde Europese richtlijn motorrijtuigenverzekering (2000/26/EG). Het hoofddoel van de richtlijn bestond er in de regeling van schade uit verkeersongevallen te vergemakkelijken die zich buiten de staat van herkomst van de benadeelde hebben voorgedaan en de richtlijn voorzag hiertoe in een aantal maatregelen. De Lidstaten werden er toe verplicht de nodige maatregelen uit te vaardigen om, op straffe van passende afdoende en systematische financiële of daaraan gelijkwaardige administratieve sancties, de verzekeraars of hun schaderegelaars er toe te verplichten binnen een korte termijn een voorstel tot schadevergoeding of een met redenen omkleed antwoord te geven op alle punten van het verzoek tot vergoeding ingeval de aansprakelijkheid wordt betwist of de schade niet volledig is gekwantificeerd. De Belgische regeling, die werd uitgebreid tot alle ongevallen waarvoor de Belgische verzekeringsondernemingen dienen tussen te komen
(1), voorziet dienvolgens in de artikelen 13 en 14 WAM in wettelijke termijnen voor de WAM-verzekeraar om te reageren op een verzoek tot vergoeding van de benadeelde waarbij de schending ervan wordt gesanctioneerd. Deze regeling beoogt naast een snellere afhandeling van de schade ook een afschrikkingseffect voor de nalatige verzekeraar
(2). Indien verzekeraars recalcitrant benadeelden in het ongewisse laten over het door hen gedaan verzoek, zullen zij hiervoor administratief worden aangepakt. Hiermee wordt niet bedoeld dat één bepaalde benadeelde een vergoeding krijgt voor geleden ongemak, maar veeleer dat de benadeelden als groep, als consument, op die manier beschermd worden tegen nalatigheid in een fase van de dossierbehandeling waarin er nog niet kan worden vergoed. Het is vooral de bedoeling geweest de consument beleefd te bejegenen en daarom toe te kijken op de houding die verzekeraars ten aanzien van de consument aannemen en dit desgevallend te beteugelen met een administratieve sanctie eerder dan te redeneren vanuit het individueel belang van de benadeelde
(3). 2.2. In de zaak die thans voorligt hebben de appelrechters geoordeeld dat eiser die een verzoek in de zin van artikel 14 WAM richtte tot beide verzekeraars geen benadeelde is nu hij aansprakelijk wordt gesteld voor het ongeval. De link die de appelrechters hierbij maken tussen het statuut van benadeelde in de zin van artikel 14 WAM en de door hen vastgestelde aansprakelijkheid voor het ongeval lijkt mij in te gaan tegen de ratio van deze wettelijke bepaling. De artikelen 13 en 14 WAM voorzien immers in drie hypotheses. Ten eerste het geval waarbij de aansprakelijkheid voor het ongeval niet wordt betwist, de schade evenmin wordt betwist en deze kwantificeerbaar is, ten tweede het geval waarbij de aansprakelijkheid niet wordt betwist en de schade kwantificeerbaar is maar nog niet volledig werd gekwantificeerd en ten derde de hypothese die zich thans stelt, het geval waarbij de aansprakelijkheid wordt betwist of niet duidelijk vastgesteld of de schade wordt betwist of niet volledig gekwantificeerd dan wel kwantificeerbaar is. Waar in de twee eerste hypotheses artikel 13, §1 WAM voorziet in een van de verzekeringsmaatschappij uitgaand voorstel tot schadevergoeding indien de schade niet wordt betwist en gekwantificeerd werd dan wel een voorstel tot voorschot wanneer de schade niet volledig gekwantificeerd werd maar kwantificeerbaar is en dit alles binnen een termijn van drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot vergoeding heeft ingediend, voorziet de derde hypothese, die te dezen de kern van het cassatiemiddel uitmaakt, dat ingeval van betwisting van de aansprakelijkheid de verzekeringsmaatschappij in antwoord op het verzoek tot vergoeding van de benadeelde geen voorstel tot schadevergoeding moet laten geworden, maar wel een met reden omkleed antwoord moet geven op de elementen die in de aanvraag vermeld worden. Indien er binnen de wettelijke termijn van drie maanden geen gemotiveerd antwoord komt, moet de verzekeraar van rechtswege een forfaitaire vergoeding betalen van 250 euro per dag gedurende de termijn zoals bepaald in dit artikel. Het volstaat dat de verzekeraar gemotiveerd antwoord geeft waarbij dit antwoord positief of negatief kan zijn
(4). De forfaitaire sanctie is dus wettelijk verschuldigd aan de "benadeelde" hoewel in se zelfs nog niet is uitgemaakt of hij benadeelde is, in de zin van schadelijder niet-aansprakelijke, vermits de aansprakelijkheid wordt betwist
(5). Het begrip "benadeelde" dient dus beoordeeld te worden op het ogenblik dat het verzoek tot vergoeding gericht wordt aan de verzekeraar en zal dus betrekking hebben op de persoon betrokken in een ongeval die meent schade geleden te hebben ten gevolge van dat ongeval en die zich als schadelijder manifesteert. Dat de eiser er uiteindelijk niet in slaagt aan te tonen dat hij schade heeft geleden, waardoor hij geen vergoeding zal ontvangen, of zoals te dezen nadien door de rechter aansprakelijk wordt gesteld voor het ongeval, doet geen afbreuk aan het gegeven dat hij op het ogenblik van het verzoek benadeelde was en de verzekeraar er toen toe gehouden was binnen de termijn van drie maanden een gemotiveerd antwoord te laten geworden. De ratio legis van artikel 14 WAM bestaat er juist in de verzekeraar te verplichten standpunt in te nemen en uit te leggen waarom hij meent wel of niet tot vergoeding te moeten overgaan
(6). 2.2. Uit de opbouw van de sanctieregeling volgt dus dat indien de aansprakelijkheid niet wordt betwist, er krachtens artikel 13, §1 WAM een voorstel tot schadevergoeding c.q. een voorstel tot voorschot moet uitgaan van de verzekeraar terwijl indien de aansprakelijkheid wel wordt betwist wordt de voorschotplicht krachtens artikel 14, §1 herleid tot een motiveringsplicht
(7). In de memorie van antwoord voeren eerste en tweede verweerster aan dat de artikelen 13 en14 conform de rechtspraak van Uw Hof
(8)geen procedureregels zijn in de zin van artikel 3 Ger.W. en hieruit volgt dat de in deze bepalingen voorziene sancties van strikte interpretatie zijn en zij alleen kunnen toegepast worden in situaties die uitdrukkelijk in deze bepalingen worden vermeld en dus niet ingeval de benadeelde vergoeding vordert op grond van artikel 19bis-11, §2 WAM. Deze bepaling, zoals te dezen van toepassing
(9), voorziet dat indien verscheidene voertuigen bij het ongeval betrokken zijn en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, de schadevergoeding van de benadeelde in gelijke delen wordt verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurder van deze voertuigen dekken met uitzondering van degene wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt. Deze bepaling werd ingevoegd bij wet van 22 augustus 2002 als gevolg van rechtspraak van het Arbitragehof en voorziet, teneinde elke discriminatie weg te werken, in een automatische vergoedingsregeling die zowel in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof als in de rechtspraak van Uw Hof een ruime toepassing krijgt
(10). Dit wettelijk vergoedingssysteem is er ten voordele van de benadeelde persoon, ongeacht zijn hoedanigheid of de aard van de door hem geleden schade, ten aanzien van de verzekeraars die de burgerlijke aansprakelijkheid van de bestuurders van de in het ongeval betrokken voertuigen dekken, met uitzondering van de verzekeraars van de bestuurders die ongetwijfeld niet aansprakelijk zijn
(11). Het vergoedingsstelsel van artikel 19bis-11, §2 WAM. staat los van aansprakelijkheid
(12)en uit dit artikel kan niet afgeleid worden dat de bestuurder van een van de bij het ongeval betrokken voertuigen slechts als benadeelde persoon kan worden vergoed mits hij bewijst dat hij niet aansprakelijk is voor het ongeval
(13). De verzekeraars kunnen enkel ontsnappen aan hun vergoedingsplicht indien zij bewijzen dat de bestuurder wiens aansprakelijkheid zij dekken ongetwijfeld geen aansprakelijkheid draagt voor het ongeval
(14). Ongetwijfeld betekent "zonder twijfel" dus moet met zekerheid vaststaan dat de aansprakelijkheid van het betrokken voertuig niet in het gedrang komt
(15). Men kan er van uitgaan dat de wetgever met "de onmogelijkheid om vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt" heeft bedoeld dat het onmogelijk is om de persoonlijke of kwalitatieve aansprakelijkheid van de bestuurder, houder, eigenaar of passagier van een bij een verkeersongeval betrokken motorrijtuig vast te stellen doordat het aanrijdingsformulier, de verklaringen van de bestuurders en eventuele getuigen, het schadebeeld en dergelijke niet toelaten dit met voldoende zekerheid vast te stellen
(16). Precies de onmogelijkheid om vast te stellen welke geïdentificeerde bestuurder het ongevalsfeit heeft gepleegd, maakt dat artikel 19bis-11, §2 WAM van toepassing kan zijn
(17)Uit geen enkel element blijkt dat de wetgever de benadeelden van deze situatie niet heeft willen beschermen tegen nalatige verzekeraars en de toepassing van artikel 14 WAM voor dit geval heeft willen uitsluiten. Hieruit volgt dat de verzekeraar van een in een ongeval betrokken voertuig waarbij de aansprakelijkheid niet vaststaat en als gevolg waarvan één van de benadeelden een verzoek tot vergoeding richt op grond van artikel 19bis-11, §2 WAM, verplicht is zijn (positief of negatief) standpunt over de punten vermeld in het verzoek in een met redenen omkleed antwoord te laten geworden aan die benadeelde binnen de door de artikel 14 WAM voorziene termijn. Uit de rechtspraak van Uw Hof volgt dat de verdeling in gelijke delen zoals bedoeld in artikel 19bis-11, §2, WAM uitsluitend geldt tussen de verzekeraars onderling en de benadeelde bijgevolg van iedere verzekeraar van een bij het ongeval betrokken voertuig, met uitzondering van hen wiens verzekerde ongetwijfeld niet aansprakelijk is, het geheel van de door hem geleden schade kan vorderen
(18). Hij kan dus tevens bij toepassing van artikel 14, §1 zijn verzoek tot vergoeding richten tot elke verzekeraar van de bij het ongeval betrokken voertuigen, inclusief zijn eigen verzekeraar. De appelrechters die, als gevolg van de door hen bepaalde aansprakelijkheid in hoofde van eiser, diens vordering op grond van artikel 14 WAM verwerpen op de grond dat eerste verweerster niet de verzekeraar is van de bestuurder die het ongeval heeft veroorzaakt en artikel 14 niet kan worden ingeroepen tegen de eigen verzekeraar en die daarnaast oordelen dat eiser, omdat hij aansprakelijk is voor het ongeval, niet als benadeelde kan aanzien worden en de toepassing van artikel 14 WAM alzo retroactief uitsluiten, schenden de in het middel aangevoerde bepalingen. Het middel komt in zijn beide onderdelen gegrond voor. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _____________________
(1)Kamer van volksvertegenwoordigers, Wetsontwerp, Doc. 50, 1716/001, 6.
(2)N. STROOBANTS, Naar een snellere vergoeding voor slachtoffers van verkeersongevallen?, RW 2018-19, 684.
(3)J. MUYLDERMANS, Over een administratieve sanctie die er geen is: artikel 14 WAM, VAV-CRA 2014/6-59.
(4)N. STROOBANTS, Naar een snellere vergoeding voor slachtoffers van verkeersongevallen?, RW 2018-19, 686.
(5)J. MUYLDERMANS, Over een administratieve sanctie die er geen is: artikel 14 WAM, VAV-CRA 2014/6-59.
(6)J. ROGGE, Sanctieregeling van de artikelen 13 en 14 WAM, noot onder Gent, 5 februari 2015, T.Verz. 2015/3 - 323.
(7)N. PORTUGAELS en B. WEYTS, Een verplichte voorschotregeling in de verzekeringssector: kan men reeds krijgen waar men misschien (nog) geen recht op heeft?; RW 2017, 202.
(8)Cass. 4 januari 2013, AR C.11. 0679.N, AC 2013, nr. 7.
(9)Artikel 19bis-11, §2 WAM zoals van toepassing voor zijn opheffing door de wet van 31 mei 2017.
(10)J. AMANKWAH, De automatische vergoedingsregeling van art. 19bis-11, §2 WAM, RW 2016, 91.
(11)Cass. 6 november 2017, AR C.17.0007.N, AC 2017, nr. 613.
(12)Cass. 6 november 2017, AR C.17.0007.N, AC 2017, nr. 613; S. VEREECKEN en S. HEIRBRANT, "Hot topics art. 19bis-11, §2 WAM", in Algemeen verbintenissenrecht, Vlaamse conferentie van de balie Gent, Larcier, 190-191.
(13)Cass. 24 november 2016,AR C.15.0517.N, AC 2016, nr. 673.
(14)Cass. 30 januari 2014, AR C.13.0283.N, RABG, 2014, 714.
(15)G. JOCQUÉ "Het mysterie van artikel 19bis-11, §2 WAM 1989", in Liber amicorum TPR en Marcel Storme, TPR, 2004, 36.
(16)J. AMANKWAH, De automatische vergoedingsregeling van art. 19bis-11, §2 WAM", RW 2016, 87.
(17)S. VEREECKEN en S. HEIRBRANT, Hot topics art. 19bis-11, §2 WAM, in Algemeen verbintenissenrecht, Vlaamse conferentie van de balie Gent, Larcier, 191.
(18)Cass. 14 december 2017, AR C.17.0338.N, AC 2017, nr. 714. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200130.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200130.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.