← België

ALGEMEEN ZIEKENHUIS VESALIUS contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200210.3N.10 Rolnummer: C.19.0041.N Zaak: ALGEMEEN ZIEKENHUIS VESALIUS contra P. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-03-09 Raadplegingen: 684 - laatst gezien 2026-06-29 01:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.10 Fiches 1 - 2 Uit het geheel van artikel 144, §1 en §3, 2° en artikel 145, §1 en §2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen en de wetsgeschiedenis volgt dat de algemene regeling bedoeld in artikel 144 van voormelde wet een algemeen kader bepaalt waarbinnen, in een schriftelijke individuele overeenkomst, de concrete individuele rechten en verplichtingen van de ziekenhuisarts en de beheerder worden bepaald, zodat in de schriftelijke individuele overeenkomst niet van de algemene regeling kan worden afgeweken

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARTS Vrije woorden: Ziekenhuis - Ziekenhuisgeneesheer - Algemene regeling - Individuele overeenkomst - Verhouding - Gevolg Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: Arts - Ziekenhuis - Ziekenhuisgeneesheer - Algemene regeling - Individuele overeenkomst - Verhouding - Gevolg Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2020, nr. 14, p. 1151-
  1. - BALTHAZAR, Tom; Noot'Meer duidelijkheid over de verhouding tussen algemene regeling en individuele overeenkomst in ziekenhuisverband' T.Gez.-Tijdschrift voor gezondheidsrecht - 2022-23, nr. 2, p. 141-
  2. - LAFAUT, Liesbeth; DECKERS, Florence; Noot'Het statuut van de ziekenhuisarts in de algemene regeling der rechtsverhoudingen: de medische raad als poortwachter?' Tekst van de conclusie C.19.0041.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
  3. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest gewezen door het hof van beroep Antwerpen, op 14 mei
  4. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
  5. Wat betreft eerste onderdeel. a. Probleemstelling In het eerste onderdeel betreft de problematiek, in het kader van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, de verhouding die bestaat tussen de algemene regeling van een ziekenhuis en de individuele overeenkomst tussen dit ziekenhuis en een ziekenhuisarts. De vraag is of in de individuele overeenkomst kan worden afgeweken van de algemene regeling. De appelrechters oordeelden dat de individuele overeenkomst niet kan afwijken van de algemene regeling in het nadeel van de individuele ziekenhuisgeneesheer of het algemeen belang van de goede patiëntenzorg. De algemene regeling van het ziekenhuis bevat het dwingend minimum kader. Het gaat hier om een relatieve nietigheid. De eiseres stelt dat, door aldus te oordelen de appelrechters, de draagwijdte van de algemene regeling miskennen en, onder andere, de artikelen 144 en 145 van de voormelde wet van 2008 miskennen. b. Beoordeling. Het standpunt van eiseres kan niet onderschreven worden. Het artikel 145, §1, van de voormelde wet van 2008 stelt zelf dat, onder verwijzing naar de algemene regeling, de rechten en plichten van de individuele ziekenhuisarts en de beheerder schriftelijk worden vastgelegd. Hiermede wordt zodoende aangegeven dat de algemene regeling het "kader" vormt waarbinnen de bepalingen van de individuele regeling dienen te passen. Dit komt duidelijk naar voor indien men de wetsgeschiedenis van de desbetreffende bepalingen in ogenschouw neemt. De artikelen 144 en 145, van de hoger aangehaalde wet van 2008, gaan terug op de artikelen 130 en 131 van de Wet op de Ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987
(1), die op hun beurt teruggaan op de artikelen 32 en 33 van de Wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, zoals ingevoegd bij artikel 25 van KB nr. 407 tot wijziging en aanvulling van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen
(2). In het Verslag aan de Koning bij KB nr. 407 wordt er evenwel slechts kort ingegaan op de hoger aangehaalde bepalingen. Zo is er te lezen: "Met het oog op een vlotte samenwerking wil het besluit vermijden dat er misverstanden ontstaan omtrent essentiële punten in de rechtsverhouding tussen beheerder en ziekenhuisgeneesheer. Het besluit gaat niet zo ver de inhoud zelf van de rechtsverhoudingen op te leggen. Om het objectief van duidelijkheid in alle ziekenhuizen te realiseren voorziet het besluit in twee wegen: een verplichting tot het uitwerken van een algemene regeling (art. 32) en een schriftelijke individuele regeling (art. 33). Tevens wordt aangeduid omtrent welke aangelegenheden een regeling moet worden getroffen. [...] De algemene regeling geldt als algemeen kader voor de individuele regelingen, met elke geneesheer afzonderlijk. §1 legt de verplichting op die individuele regeling en de eventuele wijzigingen ervan schriftelijk vast te leggen. §2 somt de aangelegenheden op die minstens in de schriftelijke regeling worden behandeld"
(3). Uit het Verslag aan de Koning blijkt evenwel dat het artikel 25 KB nr. 407 zijn oorsprong vindt in een wetsontwerp
(4). Het verslag stelt ter zake: "Onder dit opzicht streeft het besluit eenzelfde doelstelling na als het wetsontwerp houdende organieke bepalingen in aanvulling op de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen betreffende het beheer van de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisgeneesheren. (zie Senaat, zitting 1983-1984, Doc. 653/1) Overigens werd de door de Senaat aangenomen tekst (cfr. Kamer, zitting 1984-1985, Doc. 1190/1) door de Regering als referentiebasis genomen voor dit besluit. Naast de toelichting, opgenomen in dit verslag aan de Koning blijven de toelichtingen en verduidelijkingen opgenomen in het exhaustief verslag van senator Verbist (Sen., Zitting 1984-1985, Doc. 653/2) hun belang behouden voor een correct begrip van de juiste betekenis en draagwijdte van de in dit besluit opgenomen bepalingen."
(5)Voor nadere toelichting dient men zich derhalve te keren tot het wetsontwerp van 23 december 1963. Bij de artikelsgewijze bespreking van de artikelen 8 en 9 kan men dan ook lezen: "De onder artikel 8 bedoelde algemene regeling geldt als algemeen kader en als richtsnoer voor de individuele regelingen met elke geneesheer afzonderlijk"
(6). In het advies bij dit wetsontwerp stelt de Raad van State: "Volgens artikel 8 moet ieder ziekenhuis een algemene regeling uitwerken waarin de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de geneesheren wordt vastgesteld. Dit algemeen reglement zal volgens de memorie van toelichting dienen «als algemeen kader en als richtsnoer voor de individuele regelingen met elke geneesheer afzonderlijk». Tekst en toelichting stemmen aldus niet overeen: een algemeen regeling is per definitie algemeen bindend in die zin dat er niet mag van afgeweken worden"
(7). De bepalingen van het wetsontwerp werden, in ongewijzigde vorm, overgenomen in het KB nr.
  1. Uit de voormelde passages, die de genese van de artikelen 144 en 145 van de wet van 2008 weergeven en die aangeven hoe deze bepalingen zich ten aanzien van elkaar verhouden, blijkt duidelijk dat de individuele overeenkomst niet mag afwijken van de algemene regeling. De appelrechters oordeelden dan ook terecht dat de algemene regeling een dwingend minimumkader vormt voor de individuele overeenkomsten. In de individuele overeenkomst kan bijgevolg niet afgeweken worden van de algemene regeling, in het nadeel van de individuele ziekenhuisarts. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de individuele overeenkomst met een ziekenhuisarts afwijkende bepalingen ten aanzien van de algemene regeling kan bevatten, voor zover de dwingende bepalingen van de Ziekenhuiswet zelf worden geëerbiedigd, faalt het naar recht. De overige grieven zijn afgeleid en in zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
  2. Tweede onderdeel. In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat de appelrechters, door hun beslissing, weigerden toepassing te maken van het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk elke overeenkomst van onbepaalde tijd eenzijdig kan worden beëindigd en zodoende dit algemeen rechtsbeginsel schendt. Voor de beantwoording van de grief zou Uw Hof dienen na te gaan of de bepaling van de algemene regeling, die vooropstelt dat de samenwerking tussen het ziekenhuis en de ziekenhuisarts enkel kan opgezegd worden wanneer het ziekenhuis beslist het specialisme waarvoor de ziekenhuisarts werd aangetrokken niet langer te behouden in het ziekenhuis, de uitoefening van het opzeggingsrecht, zoals die naar voorkomt uit het voormeld algemeen rechtsbeginsel, onmogelijk maakt dan wel enkel beperkt. Uw Hof zou derhalve genoodzaakt zijn om over te gaan in de beoordeling van de zaak zelf, waartoe het ingevolge artikel 147 Grondwet niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. De overige grieven zijn afgeleid in zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Conclusie: verwerping. ____________________
(1)BS 7 oktober 1987, 14681-14682.
(2)BS 6 mei 1986,
(6501)6510-6511.
(3)BS 6 mei 1986, 6490-6491.
(4)Wetsontwerp houdende organieke bepalingen in aanvulling op de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen betreffende het beheer van de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisgeneesheren, Parl.St. Senaat 1983-84, nr. 653-1, p. 56.
(5)BS 6 mei 1986, 6473.
(6)Parl.St. Senaat 1983-84, nr. 653-2, 22.
(7)Parl.St. Senaat 1983-84, nr. 653-2, 53. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200210.3N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.10 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.