← België

M. contra B.S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200213.1N.6 Rolnummer: F.19.0013.N Zaak: M. contra B.S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-03-24 Raadplegingen: 332 - laatst gezien 2026-06-28 08:11 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200213.1N.6 Fiche Opdat een bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld, volstaat het dat een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen tot de tekortkoming door de vennootschap aan haar verplichting tot het betalen van de belasting; daartoe is niet vereist dat de vennootschap haar schuld nog volledig kon betalen op het ogenblik dat die bestuurder de hem verweten fout beging

(1).
(1)Zie concl OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Niet-betaling - Vennootschap - Bestuurder - Hoofdelijke aansprakelijkheid - vaststelling van de mogelijkheid om de schuld nog volledig te betalen op het ogenblik van de beheersfout - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 93undecies C - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie F.19.0013.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (...) DERDE ONDERDEEL 2.
  1. Het derde onderdeel voert de schending aan van de artikelen 1382 en 1383 B.W. en 93undecies C, §1 WBTW. Volgens eiser schenden de appelrechters deze bepalingen door, zonder vaststelling waaruit met zekerheid blijkt dat de vennootschap de volledige BTW-schuld had kunnen aanzuiveren in augustus 2010, te beslissen dat de fout, erin bestaande niet te hebben ingegrepen na de e-mail van de boekhouder van 19 augustus 2010 en na de ondertekening van de correctieopgave van 26 augustus 2010, in oorzakelijk verband staat met de BTW-schuld. Eiser gaat ervan uit dat uit de in artikel 93undecies C van het BTW-Wetboek gestelde vereiste dat de tekortkoming van de bestuurder van een vennootschap in oorzakelijk verband moet staan met de BTW-schuld, die de schade van de fiscus uitmaakt, volgt dat de bestuurder van een vennootschap slechts hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de BTW-schuld indien met zekerheid vaststaat dat zonder zijn fout, de schuld niet zou zijn ontstaan of niet zou hebben voortbestaan. Daaruit leidt eiser vervolgens af dat de rechter een bestuurder maar aansprakelijk kan stellen voor de gehele BTW-schuld indien met zekerheid vaststaat dat de vennootschap die schuld nog volledig kon betalen op het ogenblik dat de bestuurder de hem verweten fout beging. 2.
  2. De rechtsvraag die zich hier stelt, is deze naar het oorzakelijk verband bij de toepassing van artikel 93undecies C, §1, WBTW. Op grond van 93undecies C, §1, eerste lid, WBTW zijn de bestuurder(s) belast met de dagelijkse leiding hoofdelijk aansprakelijk voor de tekortkoming door de vennootschap aan haar verplichting tot het betalen van de belasting, intresten en bijkomende kosten, indien die tekortkoming te wijten is aan fout in de zin van artikel 1382 B.W. die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden uitgebreid naar de andere bestuurders van de vennootschap indien in -hunnen hoofde een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen tot de tekortkoming aan de verplichting tot het betalen van belasting (93undecies C, §1, tweede lid, WBTW). 2.
  3. De bestuurders van een vennootschap kunnen dus slechts hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de BTW-schuld van de vennootschap indien de niet-betaling zijn oorsprong vindt in een door hen begane fout bij de uitoefening van het beheer van de vennootschap. Het betreft hier een fout in de zin van artikelen 1382 B.W. De fout, schade en het oorzakelijk verband tussen beide zullen moeten worden bewezen door de ontvanger
(1). Auteurs DE WIT en BOUVERET stellen eveneens dat de administratie het bewijs moet bijbrengen dat er een oorzakelijke verband bestaat tussen de begane fout en de schade en dat "conformément à la jurisprudence de la Cour de cassation, on appliquera en principe la théorie de l'équivalence des conditions pour déterminer l'existence du lien causal. Selon cette théorie, il y a une relation causale entre la faute et le dommage lorsque sans la faute, le dommage ne se serait pas réalisé in concreto de la manière dont il s'est produit. Chaque fait ayant contribué à la formation du dommage est donc mis sur un même pied, et peut engager la responsabilité de son auteur"
(2). Ook DESCHRIJVER meent, met verwijzing naar DE WIT en BOUVERET, dat "de fiscus volgens het gemeen recht niet enkel de bewijslast (draagt) van de fout, maar ook van het causaal verband van die fout met de door haar opgelopen schade" en dat "op grond van de equivalentieleer een causaal verband (bestaat) tussen een fout en de schade wanneer zonder de fout de schade zich niet in concreto zou hebben gerealiseerd op de wijze waarop zij zich heeft voorgedaan".
(3)Hoewel deze auteurs de toepasselijkheid van de algemene principes inzake het oorzakelijk verband op de bijzondere bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 93undecies C, §1, WBTW / artikel 442quater, WIB92 verdedigen, voeren zij niet met zoveel woorden aan dat de bestuurder enkel aansprakelijk kan worden gesteld indien wordt vastgesteld dat de vennootschap de fiscale schuld nog volledig kon betalen op het ogenblik van de hem verweten fout. Het onderdeel dat zich op dat standpunt plaatst, gaat m.i. voorbij aan de tekst van artikel 93undecies C, §1, WBTW, op grond waarvan een bestuurder onder bepaalde omstandigheden aansprakelijk kan worden gesteld voor de tekortkoming door de vennootschap aan haar verplichting tot het betalen van de belasting. Ook MALHERBE benadrukt dat "la causalité doit exister entre la faute et le manquement, celle-là ne s'identifiant pas à celui-ci: une faute du dirigeant doit avoir causé le défaut de payement"
(4). Het is m.i. enkel vereist dat een vennootschap tekort komt aan haar verplichting tot het betalen van de belasting, zonder dat het vereist is dat de vennootschap de BTW-schuld nog volledig kon betalen op het ogenblik van de fout. Of de vennootschap de BTW-schuld al dan niet kon betalen op dat ogenblik, is in die visie irrelevant voor de toepassing van artikel 93undecies C, §1, WBTW. Het enige ijkpunt voor de toepassing van artikel 93undecies C, §1, WBTW is de omstandigheid dat zij haar schuld effectief niet betaalde. Verweerder voert m.i. terecht aan dat het onderdeel een toepassingsvoorwaarde toevoegt aan de tekst van de wet. Het onderdeel lijkt mij te falen naar recht. 3. Besluit: Verwerping. _______________________
(1)H. VANDENBERGH, "Btw-handboek", ed. 2014, Gent, Larcier, p. 1812.
(2)G. DE WIT en N. BOUVERET, "La nouvelle responsabilité des dirigeants d'entreprises en matière TVA : leçons du passé et perspectives futures. L'article 93undeciesC du Code de la TVA a-t-il sa place dans l'arsenal des moyens de recouvrement dont dispose l'administration fiscale? ", RGF 2007, p. 23.
(3)D. DESCHRIJVER, "Door een vennootschap of een VZW onbetaald gebleven bedrijfsvoorheffing en/of BTW", TRV 2007, p. 105, nr. 47.
(4)J. MALHERBE, « Les dirigeants responsables de dettes tributaires », RPS 2007, p. 392, nr. 46. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200213.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200213.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.