← België

ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200220.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200220.11 Rolnummer: C.18.0572.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2020-03-24 Raadplegingen: 347 - laatst gezien 2026-06-28 07:52 Fiches 1 - 3 Het effectiviteitsbeginsel vereist dat een tussenpersoon die voor rekening van een particulier een in strijd met het Unierecht gedane heffing aan de Staat heeft betaald, zich nog tegen de Staat moet kunnen keren wanneer zij door de particulier in terugbetaling wordt aangesproken van de ten onrechte ontvangen bijdragen en de bijzondere vervaltermijn waarbinnen zij een eigen vordering in terugbetaling tegen de staat kan instellen, is verstreken gezien de Staat zelf de aan hem toe te schrijven gevolgen van de onverschuldigde betaling dient te dragen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Effectiviteitsbeginsel - Heffing betaald door particuliere tussenpersoon - Heffing in strijd met het Unierecht - Vordering in terugbetaling tegen de Belgische Staat - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 13-12-2007 - Art. 4, derde lid - 56 Link Justel databank 20071213-56 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Heffing betaald door particuliere tussenpersoon - Heffing in strijd met het Unierecht - Vordering in terugbetaling tegen de Belgische Staat - Verstrijken van bijzondere vervaltermijn - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 13-12-2007 - Art. 4, derde lid - 56 Link Justel databank 20071213-56 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Heffing betaald door particuliere tussenpersoon - Heffing in strijd met het Unierecht - Vordering in terugbetaling tegen de Belgische Staat - Verstrijken van bijzondere vervaltermijn - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 13-12-2007 - Art. 4, derde lid - 56 Link Justel databank 20071213-56 Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.11 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.11 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.11 2020-02-20 C.18.0572.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier: 1. Feiten en procedure 1.1. De zaak die voorligt vindt, net zoals de arresten van uw Hof van 8 mei 2017
(1), zijn oorsprong in de regelgeving over vergoedingen en bijdragen om de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten te waarborgen. Zoals uit de schriftelijke conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden vóór het arrest van 8 mei 2017 blijkt, voerde de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987 een bijdrageregeling in voor de financiering van vergoedingen met betrekking tot de bestrijding van dierenziekten en verbetering van de hygiëne, de gezondheid en de kwaliteit van dieren en dierlijke producten derwijze dat met ingang van 1 januari 1988 per geslacht of per levend uitgevoerd dier een verplichte bijdrage ten laste werd gelegd van elke persoon die dieren voortbrengt, verwerkt, vervoert, bewerkt, verkoopt of verhandelt, en waarbij de bijdrage in de opeenvolging van transacties tussen die personen diende te worden doorgerekend en dit tot aan de producent. Als reactie op de beschikking 91/538/EEG van 7 mei 1991 betreffende het Belgische Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren waarbij de Europese Commissie deze regeling onverenigbaar verklaarde met het Unierecht omdat de bijdrage ook van toepassing was op ingevoerde dieren, werd bij wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, een nieuwe regeling ingevoerd die onder meer voorzag dat er niet langer bijdragen geheven werden op ingevoerde dieren en die met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1988 van toepassing was. Bij arrest van 21 oktober 2003 oordeelde het Hof van Justitie
(2)evenwel dat geen gevolg kon worden gegeven aan de wet van 23 maart 1998, in zoverre zij met terugwerkende kracht bijdragen oplegt voor een periode vóór de aanmelding van deze steunmaatregel bij de Europese Commissie. Als gevolg daarvan verklaarden nationale hoven en rechtbanken elke terugwerkende kracht van de bijdrageheffing onwettig zodat deze bijdragen onverschuldigd, dus zonder wettelijke grondslag, werden betaald. Dit gaf op zijn beurt aanleiding tot talrijke vorderingen strekkende tot terugbetaling van de bijdragen die zonder wettelijke grondslag waren betaald. Dit is ook in de zaak die voorligt het geval. 1.
  1. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiseres die als uitbater van een slachthuis onder het bijdragesysteem viel, per geslacht dier bijdragen aan de Belgische Staat betaalde maar deze bijdragen conform de regelgeving doorrekende aan de veehandelaar, die dan op zijn beurt de bijdragen doorrekende aan de producent. De veehandelaar dagvaardde eiseres tot terugbetaling van de door haar doorgerekende bijdragen, waarop eiseres een vordering tot vrijwaring instelde tegen de Belgische Staat. De appelrechter verklaart in het bestreden arrest de vordering van de veehandelaar tegen eiseres ontvankelijk en gegrond, maar acht de vordering in vrijwaring van eiseres tegen de Belgische Staat verjaard. Hij overwoog daarbij dat de vordering tegen de Belgische Staat geen vordering tot vrijwaring was in de zin van artikel 2257 B.W., waarvan de verjaringstermijn begon te lopen vanaf de uitwinning van eiseres door de veehandelaar, maar het daarentegen een vordering tot terugbetaling betrof van hetgeen de eiseres onverschuldigd aan de Belgische Staat had betaald, zodat de vijfjarige verjaringstermijn krachtens artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit begon te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar van de betaling door de eiseres aan de Belgische Staat, te dezen 1998, zodat de vordering van eiseres tegen de Belgische Staat reeds was verjaard op 31 december
  2. Tegen dit arrest van 13 juni 2017 van het hof van beroep te Brussel voert eiseres twee middelen aan.
  3. Bespreking 2.
  4. In het tweede onderdeel van het eerste middel voert eiseres aan dat de appelrechter met dit oordeel het effectiviteitsbeginsel, vervat in artikel 4, derde lid, VEU schendt. Wanneer immers aan eiseres enkel een rechtstreekse vordering in terugbetaling van onverschuldigde bijdragen tegen de Belgische Staat wordt toegekend, die onderworpen is aan de vijfjarige termijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit, terwijl de veehandelaar daarentegen beschikt over de tienjarige termijn van artikel 2262bis, §1, eerste lid, B.W. om het slachthuis aan te spreken in terugbetaling van diezelfde onverschuldigd betaalde bijdragen, maakt dit de uitoefening van de door de Unie verleende rechten in de praktijk onmogelijk. Aan die situatie, waarbij de vordering van het slachthuis tegen de Belgische Staat reeds verjaard zou zijn vooraleer de vordering van de veehandelaar tegen het slachthuis is verjaard, kan volgens het onderdeel evenwel worden verholpen door aan eiseres een vordering in vrijwaring toe te kennen, waarvan de verjaring, overeenkomstig artikel 2257, derde lid, B.W. pas begint te lopen vanaf de uitwinning van het slachthuis door de veehandelaar. 2.
  5. Uit de geschetste historiek van de dierengezondheidswetgeving volgt dat eiseres uit het Unierecht een recht kan putten op terugbetaling door de Belgische Staat van een bijdrage die zij, voor rekening van de veehandelaar of de producent - met toepassing van het wettelijk systeem van doorstorting - aan de Belgische Staat heeft betaald, aangezien deze heffing in strijd met de Unieregelgeving is gebeurd. Met de arresten van 8 mei 2017 oordeelde Uw Hof dat het "volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, wanneer ter zake geen regeling op het niveau van de Unie is vastgesteld, maar het effectiviteitsbeginsel vervat in artikel 4, derde lid, VEU vereist dat deze regels de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken." Het effectiviteitsbeginsel, vervat in artikel 4, derde lid, VEU, vereist dus dat eiseres dit door het Unierecht verleende recht ook daadwerkelijk kan uitoefenen. De nationale regels mogen deze uitoefening in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Uw Hof steunt in dit verband in het bijzonder op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 september 2011
(3). In de zaak die toen voorlag had een slachthuis twee vorderingen ingesteld tegen de Belgische Staat: 1° een eigen vordering in terugbetaling van de onverschuldigde bijdrage; 2° een vordering in vrijwaring voor het geval dat het slachthuis zou worden veroordeeld tot terugbetaling van de van de producent onverschuldigd geheven bijdragen. De eigen vordering in terugbetaling van het slachthuis jegens de Belgische Staat was volgens de verwijzende rechter verjaard, aangezien de vijfjarige verjaringstermijn op grond van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit, verstreken was. De vordering van de producent jegens het slachthuis in terugbetaling van de onverschuldigd doorberekende bijdrage was volgens de verwijzende rechter echter nog niet verjaard, aangezien de persoonlijke vorderingen in geschillen tussen particulieren krachtens artikel 2262bis,§1, B.W. pas verstrijken na een termijn van tien jaar. De vrijwaringsvordering die het slachthuis jegens de Belgische Staat had ingesteld, was volgens de verwijzende rechter a fortiori niet verjaard, aangezien de termijn pas was beginnen lopen op het ogenblik van de uitwinning, namelijk het moment dat de producent een beroep had ingesteld tegen het slachthuis. In zijn conclusie argumenteerde
(4)advocaat-generaal Jääskinen dat: "het Unierecht niet eraan in de weg staat dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven bijdragen beroept op een nationale vervaltermijn van vijf jaar, die afwijkt van de gewone regeling van rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, waarvoor een gunstigere termijn geldt, wanneer die vervaltermijn gelijkelijk van toepassing is op vorderingen tot terugbetaling van die bijdragen, welke op het Unierecht zijn gebaseerd, en op die welke op het nationale recht zijn gebaseerd" . "Deze benadering moet evenwel worden genuanceerd voor die gevallen waarin de bijdragen zijn betaald aan de Staat via een tussenpersoon en waarin tussen particulieren een termijn van tien jaar geldt, terwijl de termijn ten opzichte van de Staat vijf jaar is. Een dergelijk geval zou in overeenstemming zijn met het Unierecht wanneer de tussenpersoon, die het onverschuldigd betaalde aan een andere particulier moet terugbetalen, beschikt over een redelijke termijn om de aldus betaalde bedragen van de Staat terug te vorderen. Bij gebreke van een dergelijke termijn zou het uiteenlopen van de termijnen niet in overeenstemming met het Unierecht zijn, aangezien de gevolgen van de aan de Staat toe te rekenen onrechtmatigheid voor rekening zouden komen van de tussenpersoon die geen wettelijke mogelijkheid zou hebben gehad om de afwenteling van de bijdragen op zijn klanten te vermijden. In lijn hiermee oordeelde het Hof van Justitie
(5): "...dat het Unierecht niet in de weg staat aan een nationale regeling die in omstandigheden als die van het hoofdgeding een particulier een langere termijn toekent om heffingen terug te vorderen van een andere particulier die als tussenpersoon is opgetreden, aan wie hij deze heffingen onverschuldigd heeft betaald en die deze heffingen voor rekening van de eerste particulier aan de Staat heeft betaald, terwijl voor zijn vordering een kortere, van het gemeenrecht inzake terugvordering van het onverschuldigd betaalde afwijkende terugvorderingstermijn van toepassing zou zijn geweest indien hij deze heffingen rechtstreeks aan de Staat had betaald, wanneer de als tussenpersonen optredende particulieren de eventueel voor andere particulieren betaalde bedragen daadwerkelijk kunnen terugvorderen van de Staat" "Evenwel is het effectiviteitsbeginsel geschonden indien de tussenpersoon geen recht op terugbetaling van de betrokken heffing binnen de termijn van vijf jaar heeft gehad en, na het verstrijken van deze termijn van vijf jaar door de tegen hem ingestelde vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde, zich evenmin heeft kunnen keren tegen de Staat zodat de aan de Staat toe te schrijven gevolgen van de onverschuldigde betalingen van de heffingen uitsluitend door de tussenpersoon worden gedragen". 2.
  1. Uw Hof heeft in zijn arresten van 8 mei 2017 geoordeeld dat "uit deze rechtspraak kennelijk volgt dat het effectiviteitsbeginsel vereist dat een als tussenpersoon optredende particulier die voor rekening van een andere particulier een in strijd met het Unierecht gedane heffing aan de Staat heeft betaald, zich nog tegen de Staat moet kunnen keren, wanneer zij door de particulier in terugbetaling wordt aangesproken van de ten onrechte ontvangen bijdragen en de bijzondere vervaltermijn waarbinnen zij een eigen vordering in terugbetaling tegen de Staat kan instellen, is verstreken. De Staat dient immers zelf de aan hem toe te schrijven gevolgen van de onverschuldigde betaling te dragen." Uw Hof vernietigde de toen bestreden beslissingen van het hof van beroep te Brussel, die woordelijk dezelfde redenering als het thans bestreden arrest bevatten, wegens miskenning van het in artikel 4, derde lid, VEU uitgedrukt effectiviteitsbeginsel, krachtens hetwelk de nationale verjaringsregels die gelden voor rechtsvorderingen die de rechtsonderhorige aan het Unierecht ontleent, de uitoefening van de door de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken. Er is mijns inziens geen reden om af te wijken van dit duidelijk standpunt, ook niet in het geval zoals te dezen waar eiseres als uitbater van het slachthuis geen particuliere tussenpersoon is. Wat de verjaringsregels betreft is de situatie van eiseres immers gelijklopend met die van een als tussenpersoon optredende particulier. 2.
  2. Verweerder voert evenwel in de memorie van antwoord aan dat het arrest Q-Beef nv / Belgische Staat van het Hof van Justitie noch de arresten van Uw Hof van 8 mei 2017 te dezen als precedenten kunnen dienen, nu eiseres als tussenpersoon wel over een eigen recht op terugbetaling zou beschikken ten aanzien van de Belgische Staat en zij de litigieuze bijdragen daadwerkelijk zou kunnen terugvorderen vanaf de dag van de onverschuldigde betaling door haar aan verweerder, zonder de vordering van de veehandelaar tegen haar te moeten afwachten. Deze redenering overtuigt niet. Het bijdragesysteem is opgebouwd als een doorschuifsysteem naar de producent, waarbij de Belgische Staat uiteindelijk de begunstigde is. Het slachthuis treedt ten deze dus op als doorgeefluik van de bijdrage die de producent en uiteindelijk de veehandelaar heeft betaald aan hem maar hij draagt hiervan slechts zelf de financiële last indien hij tot terugbetaling wordt gedwongen door de veehandelaar. Gezien uit het standpunt van Uw Hof volgt dat de financiële gevolgen niet ten laste mogen blijven van de tussenpersoon maar de Belgische staat zelf de aan hem toe te schrijven gevolgen van de onverschuldigde betaling dient te dragen moet die tussenpersoon daadwerkelijk nog de mogelijkheid hebben om de alsdan door hem betaalde onverschuldigde bijdragen aan de veehandelaar van de Staat terug te vorderen, ook indien de specifieke verjaringstermijn die voor hem geldt is verstreken. Zo oordeelde het Hof van Justitie bij arrest van 15 december 2011
(6), in het kader van de terugvordering van de door een dienstverstrekker onverschuldigd betaalde btw die deze dienstverstrekker had doorgerekend naar de klanten dat "het doeltreffendheidsbeginsel wordt geschonden indien de belastingplichtige geen recht op teruggaaf van de betrokken belasting heeft gehad gedurende de termijn waarover hij ten aanzien van de belastingadministratie beschikte om een dergelijke vordering in te stellen, en nadat zijn klanten na het verstrijken van die termijn een vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde tegen hem hadden ingesteld, ook niet de mogelijkheid heeft gehad zich tot de belastingadministratie te wenden, zodat de aan de Staat toe te rekenen gevolgen van de onverschuldigde betaling van btw uitsluitend door de btw-plichtige worden gedragen". "Ten slotte staat vast dat [de klanten] de vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde hebben ingesteld na het verstrijken van de specifieke verjaringstermijn van twee jaar waarover [de dienstverstrekker] vanaf de betaling van de btw beschikte om van de belastingadministratie teruggaaf van de onverschuldigd betaalde btw te vorderen" (...) "bijgevolg dient erop te worden gewezen dat, in een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, [de dienstverstrekker] de betaling van de onverschuldigde btw zelf draagt en ten gevolge van het verstrijken van de specifieke verjaringstermijn van twee jaar niet de mogelijkheid heeft om met succes van de belastingadministratie teruggaaf van die belasting te vorderen, ofschoon die situatie niet aan haar te wijten is, maar verband houdt met het feit dat de afnemers van diensten (...) na het verstrijken van die termijn een vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde tegen [de dienstverstrekker] hebben ingesteld". "Uit een en ander volgt aldus dat het doeltreffendheidsbeginsel niet in de weg staat aan een nationale regeling betreffende terugvordering van het onverschuldigd betaalde die voor de civielrechtelijke vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde die de afnemer van diensten tegen de btw-plichtige verstrekker van die diensten instelt, voorziet in een verjaringstermijn die langer is dan de specifieke verjaringstermijn voor de fiscaalrechtelijke vordering tot teruggaaf die de verstrekker van de diensten tegen de belastingadministratie instelt, voor zover deze belastingplichtige met succes van die administratie teruggaaf van die belasting kan vorderen. Deze laatste voorwaarde is niet vervuld wanneer de toepassing van een dergelijke regeling tot gevolg heeft dat aan de belastingplichtige volledig het recht wordt ontnomen om van de belastingadministratie de onverschuldigd betaalde btw terug te krijgen die hij zelf aan de afnemer van zijn diensten heeft moeten terugbetalen". 2.6. De appelrechter die oordeelt dat een tussenpersoon die voor rekening van een particulier een in strijd met het Unierecht gedane heffing aan de Staat heeft betaald, zich niet meer tegen de Staat kan keren wanneer die tussenpersoon door de particulier in terugbetaling wordt aangesproken van de ten onrechte ontvangen bijdragen en de bijzondere vervaltermijn waarbinnen de tussenpersoon een eigen vordering in terugbetaling tegen de Staat kan instellen is verstreken, laat de tussenpersoon de gevolgen dragen van de onverschuldigde betaling. Deze kan daardoor het door het Unierecht verleende recht op terugbetaling niet daadwerkelijk uitoefenen. Hierdoor miskent de appelrechter het in het Unierecht geldende effectiviteitsbeginsel, zoals verankerd in artikel 4, derde lid, VEU. Het tweede onderdeel van het eerste middel komt bijgevolg gegrond voor. De overige middelen kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Om die reden is er evenmin aanleiding de door eiseres geformuleerde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _________________________
(1)Cass. 8 mei 2017, AR C.16.0121.N, AC 2017, nr. 315 met concl. van advocaat-generaal H. Vanderlinden; Cass. 8 mei 2017, AR C.16.0416.N, arrest niet gepubliceerd.
(2)HvJ, 21 oktober 2003, C-261/01 en C-262/01, Van Calster.
(3)HvJ, 8 september 2011, gevoegde zaken C-89/10Q-Beef nv/ Belgsiche Staat en C-96/10 Frans Bosschaert/Belgische Staat.
(4)r.o. 72-76.
(5)Overwegingen 43-45.
(6)HvJ 15 december 2011, C-427/10, Banca Antoniana Popolare Veneta Spa, r.o. 30-42. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200220.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.