← België

ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200220.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 februari 2020

Art. 2257

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Ontstaan van de rechtsvordering - Vordering gegrond op een verbintenis - Verjaring - Aanvang - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2257

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: Vordering gegrond op een verbintenis - Ontstaan van de rechtsvordering - Verjaring - Aanvang - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2257

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 4 Het Hof van Cassatie is bevoegd om een materiële vergissing in het bestreden arrest die blijkt uit de samenhang van de tekst, te verbeteren

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Vrije woorden: Verschrijving in de bestreden beslissing - Materiële vergissing - Verbetering door het Hof Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2257- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie ERROR Get

NoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.12 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.12 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.12 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.12 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.12 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.12 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.12 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.12 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.12 2020-02-20 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.12 2020-02-20 C.18.0575.N Conclusie van Eerste advocaat-generaal Ria Mortier:

  1. Feiten en procedure 1.
  2. De zaak die voorligt houdt verband met de gevolgen van de bijdrageregeling voor de financiering van vergoedingen met betrekking tot de bestrijding van dierenziekten en verbetering van de hygiëne, de gezondheid en de kwaliteit van dieren en dierlijke producten zoals ingevoerd door de Dierengezondheidswet van 24 maart
  3. Om de vordering tot vrijwaring van eiseres tegen verweerster te kaderen, past het de historiek van dit bijdragesysteem kort te schetsen. Met ingang van 1 januari 1988 werd per geslacht of per levend uitgevoerd dier een verplichte bijdrage ten laste gelegd van elke persoon die dieren voortbrengt, verwerkt, vervoert, bewerkt, verkoopt of verhandelt, en waarbij de bijdrage in de opeenvolging van transacties tussen die personen diende te worden doorgerekend en dit tot aan de producent. Als reactie op de beschikking 91/538/EEG van 7 mei 1991 betreffende het Belgische Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren waarbij de Europese Commissie deze regeling onverenigbaar verklaarde met het Unierecht omdat de bijdrage ook van toepassing was op ingevoerde dieren, werd bij wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, een nieuwe regeling ingevoerd die onder meer voorzag dat er niet langer bijdragen geheven werden op ingevoerde dieren en die met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1988 van toepassing was. Bij arrest van 21 oktober 2003 oordeelde het Hof van Justitie

(1)evenwel dat geen gevolg kon worden gegeven aan de wet van 23 maart 1998, in zoverre zij met terugwerkende kracht bijdragen oplegt voor een periode vóór de aanmelding van deze steunmaatregel bij de Europese Commissie. Als gevolg daarvan verklaarden nationale hoven en rechtbanken elke terugwerkende kracht van de bijdrageheffing onwettig zodat deze bijdragen zonder wettelijke grondslag, dus onverschuldigd, werden betaald. Dit gaf op zijn beurt aanleiding tot talrijke vorderingen strekkende tot terugbetaling van de bijdragen die onverschuldigd waren betaald. Dit is ook in de zaak die voorligt het geval. 1.
  1. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiseres die als uitbater van een slachthuis onder het bijdragesysteem viel, per geslacht dier bijdragen aan de Belgische Staat betaalde maar deze bijdragen conform de regelgeving doorrekende aan de veehandelaar, die dan op zijn beurt de bijdragen doorrekende aan de producent. De veehandelaar dagvaardde eiseres tot terugbetaling van de door haar doorgerekende maar onverschuldigde bijdragen, waarna eiseres een vordering tot vrijwaring instelde tegen de Belgische Staat. De appelrechters oordelen evenwel dat die vordering tot vrijwaring verjaard was bij het instellen ervan. Tegen het arrest van 13 oktober 2014 van het hof van beroep te Brussel voert eiseres vier middelen aan.
  2. Bespreking 2.
  3. Krachtens artikel 2257, derde lid, B.W. loopt de verjaring niet ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad. In het kader van het tweede middel rijst de vraag of die "uitwinning" heeft plaatsgevonden op het ogenblik van het instellen van de hoofdvordering tot terugbetaling door de veehandelaar tegen eiseres dan wel pas op het ogenblik van de gegrondverklaring van die hoofdvordering en de veroordeling van de eiseres om de onverschuldigde bedragen aan de veehandelaar terug te betalen. Eiseres gaat er immers in het tweede middel van uit dat de verjaring van die vordering pas begint te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de vordering tot terugbetaling van de veehandelaar tegen de tussenpersoon gegrond wordt verklaard en de tussenpersoon wordt veroordeeld tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde. 2.
  4. Wat de verhouding tussen deze verjaringsregel van intern recht met het Unierecht betreft, oordeelt Uw Hof in de arresten van 8 mei 2017
(2)dat het volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, wanneer ter zake geen regeling op het niveau van de Unie is vastgesteld. Het effectiviteitsbeginsel vervat in artikel 4, derde lid, VEU vereist evenwel dat deze regels de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Eiseres moet dit door het Unierecht verleende recht dus ook daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Toegepast op de zaak die voorligt vereist het effectiviteitsbeginsel, conform de rechtspraak van Uw Hof, dat eiseres als tussenpersoon die voor rekening van een particulier (de veehandelaar) een in strijd met het Unierecht gedane heffing aan de Staat heeft betaald, zich nog tegen de Staat moet kunnen keren, wanneer zij door de particulier in terugbetaling wordt aangesproken van de ten onrechte ontvangen bijdragen en de bijzondere vervaltermijn waarbinnen zij een eigen vordering in terugbetaling tegen de Staat kan instellen, is verstreken. Eiseres moet dus op basis van de geldende nationale proces- of verjaringsregels daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om haar op het Unierecht gebaseerde rechten geldend te maken voor de nationale rechter
(3). Zij moet bijgevolg op grond van het Unierecht de mogelijkheid hebben om nog een vordering tot vrijwaring in te stellen tegen de Belgische Staat, op grond van artikel 2257, derde lid, Burgerlijk Wetboek, wanneer zij door de veehandelaar in terugbetaling van de onverschuldigde bedragen wordt aangesproken. 2.3. Voor zover geen afbreuk wordt gedaan aan de daadwerkelijke mogelijkheid voor eiseres om haar rechten gebaseerd op het Unierecht geldend te maken, interfereert het Unierecht evenwel niet met de nationale regels inzake het vertrekpunt van de verjaringstermijn van deze vrijwaringsvordering. Dit is dus een vraag van intern recht, die de uitlegging van artikel 2257, derde lid, Burgerlijk Wetboek juncto artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit betreft. Krachtens artikel 1, eerste lid, a), van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat overeenstemt met artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit, zijn verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschiedde binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan. Overeenkomstig artikel 2257 Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring niet ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is; ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad; ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is. Volgens de rechtspraak van Uw Hof
(4)volgt uit artikel 2257 B.W. dat "de verjaring die een verweer vormt tegen een te laat ingestelde rechtsvordering, niet kan beginnen te lopen vóór het ontstaan van die rechtsvordering". Het vertrekpunt van de verjaringstermijn is aldus de dag waarop de schuldvordering opeisbaar is geworden, d.i. de dag van het ontstaan van de rechtsvordering
(5). Als het gaat om een vordering tot uitvoering van een zuivere en eenvoudige verbintenis, begint de verjaringstermijn te lopen vanaf de dag waarop deze verbintenis moet worden uitgevoerd
(6). Uw Hof oordeelde in voormeld arrest van 29 september 2016 dat "de rechtsvordering die een verbintenis bekrachtigt, in de regel ontstaat de dag waarop die verbintenis moet worden uitgevoerd, en bijgevolg vanaf dat tijdstip verjaart." 2.4. Om na te gaan wat in het kader van artikel 2257, derde lid, B.W. onder "uitwinning" moet worden verstaan, past het in te gaan op de oorspronkelijke toepassing van deze bepaling in artikel 1626 B.W. krachtens hetwelk, zelfs wanneer bij de koop geen beding omtrent de vrijwaring is gemaakt, de verkoper van rechtswege verplicht is om de koper te vrijwaren voor de uitwinning die hij ondergaat op het geheel of op een gedeelte van de verkochte zaak, of voor de lasten die iemand beweert op die zaak te hebben, en die bij de koop niet zijn opgegeven
(7). 2.4.1. Deze vrijwaringsplicht voor de verkoper houdt de positieve verplichting in om te (helpen) vermijden dat het ongestoorde bezit van de koper wordt aangetast. Concreet houdt dit in dat de verkoper verplicht is om
(1)de koper te informeren omtrent de lasten die het verkochte goed bezwaren;
(2)de koper in rechte bij te staan, wanneer hij door een derde dreigt uitgewonnen te worden (uitvoering in natura);
(3)in subsidiaire orde, schadevergoeding te betalen, nadat de rechterlijke bijstand van de koper niets opleverde en de koper na definitieve veroordeling effectief uitgewonnen wordt (uitvoering bij equivalent)
(8). 2.4.2. De koper kan hetzij een incidentele of een tussenkomende vrijwaringsvordering instellen tegen de verkoper. Als de koper door een derde wordt gedagvaard, die beweert een recht te hebben op de verkochte zaak, beschikt hij over een opschortende exceptie om zijn verkoper tot vrijwaring op te roepen
(9). Het bespaart de koper de kosten van een bijkomend proces nu in plaats van twee opeenvolgende gedingen in één geding zowel over de uitwinning als over de vrijwaring kan worden beslist
(10). Betreft het een incidentele vrijwaringsvordering dan wordt de uitwinning geconcretiseerd door een (hoofd)vordering in rechte door een derde tegen de koper. Het is hierbij voldoende dat de uitwinning resulteert uit formele aanspraken opdat de verkoper vrijwaring verschuldigd is. Het is daarentegen niet vereist dat de vordering van de derde tegen de koper gegrond is en dat de koper na veroordeling effectief uitgewonnen wordt. De verkoper zal zijn vrijwaringsplicht moeten uitvoeren zodra de derde een vordering instelt tegen de koper
(11). Die vrijwaringsplicht bestaat er immers in de eerste plaats in de koper juridische bijstand te verlenen om een gegrondverklaring van de hoofdvordering - en dus een effectieve uitwinning - te voorkomen. De voornaamste verplichting van de verkoper bestaat er aldus in de koper te helpen bij het weerleggen van de aanspraken van de derde. Dit is een uitvoering in natura van de vrijwaringsverbintenis. Alleen wanneer zulke uitvoering onmogelijk blijkt, en de koper het geding verliest, wordt de verkoper veroordeeld tot vrijwaring in de vorm van schadevergoeding in de mate waarin de koper is uitgewonnen d.i. een uitvoering bij equivalent
(12). Uit wat voorafgaat volgt logischerwijze dat de verjaringstermijn voor het instellen van een incidentele of tussenkomende vrijwaringsvordering begint te lopen vanaf het instellen van de hoofdvordering in rechte van de derde tegen de koper. Vanaf dit tijdstip moet de verkoper zijn vrijwaringsverbintenis immers uitvoeren, die in de eerste plaats de vorm aanneemt van juridische bijstand om een veroordeling van de koper op de hoofdvordering te voorkomen. De rechtsvordering tot vrijwaring van de koper tegen de verkoper ontstaat aldus op dat ogenblik. 2.4.3. De koper kan er ook voor opteren een hoofdvordering tot vrijwaring in te stellen tegen de verkoper, na gegrondverklaring van de vordering van de derde tegen de koper en de effectieve uitwinning van de koper. Dit zal het geval zijn wanneer de koper werd veroordeeld zonder dat de verkoper tussenkwam in het geding. Uw Hof oordeelt in dit verband dat artikel 1640 B.W. dat bepaalt dat de vrijwaring voor uitwinning ophoudt wanneer de koper, zonder de verkoper op te roepen, zich heeft laten veroordelen bij een vonnis in laatste aanleg of waartegen geen hoger beroep meer ontvankelijk is, indien de verkoper bewijst dat er voldoende middelen aanwezig waren om de eis te doen afwijzen, impliceert dat de koper moet reageren op de rechtsplegingen die een derde inzet. De slaagkans van dergelijke hoofdeis tot vrijwaring zal dus verminderen indien de verkoper tegenwerpt dat de koper zelf niet voldoende verweer heeft geboden tegen de hoofdvordering van de derde en onvoldoende inspanningen heeft gedaan om de verkoper via gedwongen tussenkomst in het geding te betrekken
(13). De verbintenis tot vrijwaring wordt dan uitgevoerd door de betaling van een schadevergoeding
(14). Hieruit volgt dat de verjaringstermijn voor het instellen van een hoofdvordering tot vrijwaring pas begint te lopen vanaf de dag waarop de vordering van de derde tegen de koper gegrond wordt verklaard en de koper effectief wordt uitgewonnen. Vanaf dan moet de verkoper immers zijn verbintenis tot vrijwaring uitvoeren die, in ondergeschikte orde, de vorm aanneemt van de betaling van een schadevergoeding. 2.5. Met betrekking tot het vertrekpunt van de verjaringstermijn van een incidentele vrijwaringsvordering in het kader van een ketting van koopcontracten, in die zin dat een eindklant-koper een vordering instelt wegens een verborgen gebrek tegen zijn verkoper als tussenschakel, die op zijn beurt een incidentele vrijwaringsvordering instelt tegen degene van wie hij het goed zelf had aangekocht, oordeelde Uw Hof dat de korte termijn van de vrijwaringsvordering van de tussenschakel tegen de eindverkoper niet begint te lopen vanaf de ontdekking van het gebrek door de eindklant-koper, maar vanaf het ogenblik waarop deze koper tegen de tussenschakel een vordering in rechte heeft ingesteld
(15). De "uitwinning" van de tussenschakel wordt aldus begrepen als de aanspraak die in rechte geldend wordt gemaakt tegen die tussenschakel, die er belang bij heeft om een ander in vrijwaring te roepen
(16). In de rechtspraak is, vanuit een ruimer perspectief, dan ook een tendens waar te nemen die de uitwinning beschouwt als het ogenblik waarop een persoon tegen een andere persoon een aanspraak doet gelden in rechte, door het instellen van een vordering of eis
(17). 2.6. De kettingsituatie in de zaak die voorligt is vergelijkbaar met de hiervoor besproken ketting van koopcontracten: net zoals de eindverkoper de uiteindelijke last van de vrijwaring voor verborgen gebreken ten aanzien van de eindklant-koper moet dragen, is het hier de Belgische Staat, de begunstigde van de in strijd met het Unierecht verrichte heffingen, die de uiteindelijke last van de terugbetaling van die bedragen moet dragen. Vanuit die optiek begint de verjaring van de vrijwaringsvordering van de tussenschakel tegen de eindschakel aldus te lopen op het tijdstip dat de aanspraken tegen de tussenschakel in rechte geldend worden gemaakt. Ook andere wetsbepalingen gaan in die zin. Artikel 34, §1, derde lid, van de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, dat als een bijzondere toepassing van artikel 2257, derde lid, B.W. wordt aanzien
(18), bepaalt dat in de aansprakelijkheidsverzekering, de termijn, wat de regresvordering van de verzekerde tegen de verzekeraar betreft, begint te lopen vanaf het instellen van de rechtsvordering door de benadeelde en neemt dus aan dat de uitwinning van de verzekerde op dit ogenblik heeft plaatsgevonden. Ook de verjaring van regresvorderingen in het kader van het goederenvervoer over de weg is onderworpen aan een specifieke bepaling die vergelijkbaar is met de gemeenrechtelijke bepaling van artikel 2257, derde lid, B.W. waarbij de regresvordering op straffe van verval onderworpen is aan een termijn van één maand, die begint te lopen vanaf de dagvaarding die aanleiding geeft tot het regres
(19). Ook hier wordt er dus vanuit gegaan dat de uitwinning op het ogenblik van die dagvaarding heeft plaatsgevonden. 2.7. Uit wat voorafgaat volgt dat de verjaring van de incidentele vordering tot vrijwaring, tegen verweerster ingesteld door eiseres die voor rekening van een derde een in strijd met het Unierecht gedane heffing aan verweerster heeft betaald en die zelf door de derde in terugbetaling wordt aangesproken van de ten onrechte ontvangen bedragen, begint te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de derde zijn vordering in terugbetaling tegen eiseres heeft ingesteld. Vanaf dat tijdstip moet de Belgische Staat immers zijn verbintenis tot vrijwaring jegens eiseres uitvoeren. Die verbintenis bestaat, zoals gezegd, in het in de eerste plaats verlenen van juridische bijstand om een veroordeling van eiseres op de hoofdvordering te voorkomen en, in ondergeschikte orde, wanneer eiseres het geding verliest, in de terugbetaling van de onverschuldigde bedragen. Het tweede middel dat er volledig van uitgaat dat de verjaring van de vordering tot vrijwaring van de eiseres tegen verweerster pas begint te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar waarin de vordering tot terugbetaling van de veehandelaar tegen de eiseres gegrond wordt verklaard en de eiseres wordt veroordeeld tot terugbetaling van de onverschuldigde bedragen, faalt, in het licht van wat voorafgaat, bijgevolg naar recht. De appelrechters stellen vast dat de veehandelaar bij dagvaarding betekend op 10 en 11 december 2007 jegens de eiseres (het slachthuis) terugbetaling heeft gevorderd van wat hij haar onverschuldigd heeft betaald en dat de eiseres op 9 mei 2012 van de Belgische Staat vordert om haar te vrijwaren. Zij oordelen dat, ook indien wordt aangenomen dat artikel 2257, derde lid, Burgerlijk Wetboek van toepassing is, de uitwinning heeft plaatsgevonden bij het instellen van de hoofdvordering van de veehandelaar tegen de eiseres op 10 en 11 december 2007; met toepassing van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit, de verjaringstermijn voor de vordering tot vrijwaring dan verstreek op 31 december 2011 en dat de vrijwaringsvordering dus verjaard was. Hierdoor verantwoorden zij hun beslissing naar recht. (...) Het vierde middel richt zich tegen de veroordeling tot de rechtsplegingsvergoeding. De appelrechters oordelen in het overwegend gedeelte dat "alle partijen een RPV ad 2.750 euro vragen, wat het geïndexeerd basisbedrag is gelet op de omvang van het gevorderde" en dat "er geen reden is om af te wijken van het basistarief". Als zij dan in het beschikkend gedeelte de RPV vaststellen op 16.500 euro lijkt mij dit uit de samenhang van de tekst een manifest materiële vergissing te zijn die door uw Hof kan verbeterd worden
(20). Het middel kan niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping. _______________________
(1)HvJ, 21 oktober 2003, C-261/01 en C-262/01, Van Calster.
(2)Cass. 8 mei 2017, C.16.0121.N, AC 2017, nr. 315 met concl. van advocaat-generaal H. Vanderlinden; Cass. 8 mei 2017, AR C.16.0416.N, arrest niet gepubliceerd.
(3)In die zin HvJ 8 september 2011, gevoegde zaken C-89/10 en C-96/10, Q-beef nv / Belgische staat en Frans Bosschaert / Belgische Staat; HvJ 15 december 2011, zaak C-427/10, Banca Antoniana Popolare Veneta Spa.
(4)Cass. 29 september 2016, AR C.16.0018.F, AC 2016, nr. 532.
(5)I. CLAEYS, "Hoofdstuk II. Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkend feit als vertrekpunten van de verjaring" in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht: weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, 46, nr. 28; H. DE PAGE en R. DEKKERS, Traité élémentaire de droit civil belge, VII, Brussel, Bruylant, 1957, nr. 1147; B. HUMBLET en R. DAVIN, "La prescription extinctive en droit civil" in X., Les prescriptions et les délais, Luik, Jeune Barreau, 2007, 17; M. MARCHANDISE, La prescription libératoire en matière civile, dossiers du Journal des tribunaux, Brussel, Larcier, 2007, 54, nr. 48; A. VAN OEVELEN, "Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch Privaatrecht", TPR 1987, 1781, nr. 24.
(6)Cass. 29 september 2016, AR C.16.0018.F, AC 2016, nr. 532; H. DE PAGE en R. DEKKERS, Traité élémentaire de droit civil belge, VII, Brussel, Bruylant, 1957, nr. 1148; M. MARCHANDISE, La prescription in De Page Traité de droit civil belge, VI, Brussel, Bruylant, 2014, 377, nr. 305; A. VAN OEVELEN, "Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch Privaatrecht", TPR 1987, 1781-1782, nr. 24.
(7)Zie F. LAURENT, Principes de droit civil, XXXII, Brussel, Bruylant, 1878, 36, nr. 23.
(8)S. STIJNS, B. TILLEMAN, W. GOOSSENS, B. KOHL, E. SWAENEPOEL en K. WILLEMS, "Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: koop en aanneming (1999-2006)", TPR 2008, 1521, nr. 128.
(9)Artikel 857 Ger.W.
(10)A. CHRISTIAENS en J. DEL CORRAL, "Commentaar bij art. 1626 BW" in Bijzondere overeenkomsten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2016, 16; J. SURMONT en K. VAN DEN WYNGAERT, "De vordering in vrijwaring als middel om oude koeien uit de sloot te halen?", RW 2017-18, 1581, nr. 14; B. TILLEMAN, Gevolgen van de koop in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2012, 759.
(11)A. CHRISTIAENS en J. DEL CORRAL, "Commentaar bij art. 1626 BW" in Bijzondere overeenkomsten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2016, 8 en 15.
(12)R. DEKKERS, A. VERBEKE, N. CARETTE en K. VANHOVE, Handboek burgerlijk recht, III, Antwerpen, Intersentia, 2007, 486, nr. 857.
(13)Zie Cass. 22 juni 1995, AR C.94.0226.F, AC 1995, nr. 322 is vereist dat de koper zelf voldoende middelen heeft aangewend om de uitwinning te voorkomen, opdat de verkoper vrijwaring verschuldigd is (zie A. CHRISTIAENS en J. DEL CORRAL, "Commentaar bij art. 1626 BW", 15).
(14)A. CHRISTIAENS en J. DEL CORRAL, "Commentaar bij art. 1626 BW" in Bijzondere overeenkomsten. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2016, 16; J. SURMONT en K. VAN DEN WYNGAERT, "De vordering in vrijwaring als middel om oude koeien uit de sloot te halen?", RW 2017-18, 1581, nr. 14.
(15)Cass. 27 mei 2011, AR C.10.0178.N, AC 2011, nr. 357; Cass. 25 juni 2010, AR C.09.0085.F, AC 2010, nr. 463. 16) I. CLAEYS, "Overzicht van rechtspraak. Bevrijdende verjaring (1992-2017)", TPR 2018, 756, nr. 67.
(17)I. CLAEYS, "Overzicht van rechtspraak. Bevrijdende verjaring (1992-2017)", TPR 2018, 754, nr. 65.
(18)Zie concl OM vóór Cass. 4 juni 2012, AR C.10.0208.N, AC 2012, nr. 355; M. MIGNOT, "Prescription extinctive. Mode de calcul" in JurisClasseur Civil Code, art. 2228 à 2232, 15 mars 2009, nr. 41.
(19)Art. 51, §4 van de Wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uitte oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg; voorheen art. 38, §4 van de Wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg, waarmee de meeste bepalingen van het CMR-Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, van toepassing werden verklaard op het nationaal vervoer van zaken over de weg; zie Cass. 5 december 2013, AR C.13.0056.N, AC 2013, nr. 660.
(20)Cass. 18 juni 2015, AR C.14.0272.F, AC 2015, nr. 413. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200220.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.