← België

B. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200303.2N.2 Rolnummer: P.19.1021.N Zaak: B. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-03-04 Raadplegingen: 509 - laatst gezien 2026-06-28 07:53 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.2 Fiche 1 Het misdrijf oplichting vereist bij de dader het oogmerk zich bedrieglijk andermans zaak toe te eigenen om erover te beschikken, de aanwending van bedrieglijke middelen hiertoe en de daarop volgende afgifte of levering van de zaak, waardoor het slachtoffer wordt benadeeld en het misdrijf is voltrokken zodra de dader erin is geslaagd de zaak te doen afgeven of leveren

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 Oplichting die de afgifte van geld tot voorwerp heeft, vereist geen eigendomsoverdracht van dat geld maar het is wel vereist dat de dader, ongeacht de formele aard van zijn titel, in feite en overeenkomstig zijn bedrieglijk opzet op het moment van de afgifte, de vrije en onbeperkte beschikking over het geld verkrijgt; aldus kan de dader door het aanwenden van listige kunstgrepen het slachtoffer ervan overtuigen geld af te geven in de veronderstelling daarmee enkel het precaire bezit ervan over te dragen met het oog op het uitvoeren van een overeenkomst zoals een lastgeving, terwijl die dader van meet af aan het opzet heeft om zonder beperking over dat geld te beschikken en de omstandigheid dat de dader het geld aanvankelijk gebruikt voor de uitvoering van de overeenkomst of zich niet al dat geld toe-eigent, is niet determinerend aangezien dit het opzet noch de toe-eigening uitsluit
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Afgifte van de zaak - Afgifte van geld - Eigendomsoverdracht - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de conclusie P.19.1021.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 september
  1. I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
  2. Eiser werd na een gerechtelijk onderzoek dat geopend werd op burgerlijke partijstelling van verweerster, door de raadkamer te Antwerpen naar de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, verwezen uit hoofde van oplichting (telastlegging A) en poging tot oplichting (telastlegging B). De betichting A heeft betrekking op een oplichting ten nadele van verweerster voor een bedrag van euro 7500 op 30 december 2013 en een bedrag van euro 25.000 op 2 januari 2014, samen euro 32.
  3. De in de betichting A vermelde bedragen werden door verweerster betaald aan eiser, het eerste bedrag met de bedoeling een Tunesische vennootschap op te richten, het tweede bedrag als kost om te pogen een islamitische lening te bekomen. De betichting B betreft een poging tot oplichting voor een bedrag van euro 60.
  4. Bij vonnis gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 22 december 2017 werden de aan eiser te last gelegde feiten bewezen verklaard en werd hij wegens deze feiten veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van één jaar en een geldboete van euro
  5. Eiser werd tevens veroordeeld tot betaling van een bijdrage aan het slachtofferfonds evenals de kosten en de vergoeding van euro 51,
  6. Op burgerrechtelijk gebied werd aan verweerster als burgerlijke partij een bedrag toegekend van euro 32.500 te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 2 januari 2014 en de gerechtelijke intresten.
  7. Tegen dit vonnis werd namens eiser hoger beroep aangetekend op 18 januari 2018 en door het Openbaar Ministerie op 22 januari
  8. Verweerster stelde bij conclusie incidenteel hoger beroep in op burgerrechtelijk gebied. Bij arrest gewezen op 18 september 2019 doet Hof van Beroep te Antwerpen uitspraak over de ingestelde hogere beroepen. Eiser wordt andermaal schuldig verklaard aan de hem ten laste gelegde feiten, waarbij de telastlegging A wordt heromschreven wat betreft de concrete omschrijving van de feiten maar met behoud van plaats- en tijdsbepaling. De eiser wordt in beroep met éénparigheid veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 18 maanden en een geldboete van euro 500, gebracht op euro
  9. Op burgerrechtelijk gebied wordt eiser veroordeeld om aan verweerster een bedrag van euro 32.500 te betalen, vermeerderd niet de vergoedende intresten vanaf 2 januari
  10. Het cassatieberoep is gericht tegen dit arrest. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
  11. Het lijkt me voor een goed begrip van het verdere betoog noodzakelijk even kort in te gaan op de feitelijke omstandigheden. Beklaagde spiegelde verweerster en haar toenmalige vriend M.C. voor dat hij door zijn contacten kon zorgen voor een afzetmarkt voor de toestellen van ECOLOBLUE voor watervoorziening in Libië en Tunesië en dat hij ervoor kon zorgen dat ze een islamitische lening zouden bekomen. Er werd afgesproken om samen een Tunesische vennootschap op te richten die voor de verdere commercialisatie zou kunnen instaan. Aan eiser werd 2.500,00 euro cash gegeven als voorschot en het resterende bedrag van 7.500,00 euro zou worden overgemaakt op de rekening van ONGC, de Tunesische vennootschap van eiser. Het doel was het onmiddellijk creëren van de offshore vennootschap Mantra Invest te Tunis. Via de rekening van M.C. schreef de verweerster 7.500,00 euro over op de rekening van de High Council of Islamic Eco Europe te Borgerhout, opgericht en beheerd door beklaagde. In een overeenkomst verbonden de eiser, de verweerster en M.C. zich ertoe elk 12.500,00 euro over te schrijven op de rekening van ONGC bij de bank Al Barka te Tunis en op 2 januari 2014 bezorgde de verweerster het bewijs van overmaking van 25.000 euro naar de rekening van Tunesische vennootschap van eiser. Het bedrag werd betaald door de vennootschap PT Mantra Bali uit naam en voor rekening van de verweerster. Uit niets blijkt dat de eiser zijn deel betaalde. In maart 2014 kwam er een relatiebreuk tussen de burgerlijke partij en C. maar ook na deze breuk bleef eiser verweerster ervan overtuigen dat haar projecten doorgang zou- den vinden. In de navolgende periode zou verweerster nog bijkomend 60.000,00 euro dienen over te maken voor het bekomen van een islamitische lening, maar dit bedrag werd uiteindelijk niet betaald omdat zij onraad rook.
  12. De eiser voert één middel aan dat me lijkt uiteen te vallen in twee onderdelen. Het enig middel lijkt me uiteen te vallen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek omdat het arrest de eiser schuldig verklaart aan het misdrijf oplichting met als voorwerp de afgifte door de verweerster van de bedragen van 7.500 euro en 25.000 euro, samen 32.500 euro (telastlegging A). Volgens eiser vereist het bewezen verklaren van het misdrijf van oplichting de vaststelling dat de afgifte van de bedragen een eigendomsoverdragend karakter bezit en hieraan werd volgens eiser niet voldaan vermits de overhandiging van het geld door de verweerster aan hem enkel tot gevolg had dat zij hem in het bezit ervan stelde om het aan te wenden voor het verrichten van een welbepaalde prestatie in haar opdracht en voor haar rekening. Eiser is de mening toegedaan dat er derhalve geen sprake is van een afgifte, levering of toe-eigening van het geld. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt volgens hem dat de verweerster de voormelde bedragen heeft afgegeven met als specifiek doel de oprichting van een Tunesische vennootschap en het verkrijgen van een islamitische lening en eiser heeft de vennootschap opgericht met gebruik van het hem daartoe overhandigde bedrag van 7.500 euro en heeft de lening heeft aangevraagd. Het arrest stelt volgens eiser niet vast dat de overhandiging van het geld een eigendomsoverdragend karakter had en kan hem niet veroordelen wegens oplichting minstens laten de redenen van het arrest het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen
(1). 5. Het wanbedrijf oplichting vereist in hoofde van de dader het oogmerk om zich bedrieglijk andermans zaak toe te eigenen om erover te beschikken
(2)en de aanwending van bedrieglijke middelen hiertoe, gevolgd door een afgifte of een levering van de zaak, waardoor het slachtoffer wordt benadeeld
(3). Het feit dat het slachtoffer de zaak niet persoonlijk afgeeft
(4)of de dader de zaak niet persoonlijk in ontvangst neemt en niet persoonlijk toe-eigent
(5), doet geen afbreuk eraan dat in hoofde van de dader alle constitutieve bestanddelen van de oplichting verenigd kunnen zijn. Van zodra de dader erin is geslaagd zich die zaak te doen afgeven of leveren, is het wanbedrijf oplichting voltrokken. Een eigendomsoverdracht van de zaak van slachtoffer naar dader is niet vereist, de afgifte of levering van de zaak volstaat. Het door de dader nagestreefde onrechtmatig voordeel moet niet de ganse onrechtmatig toegeëigende zaak betreffen, maar kan ook bestaan in een deel daarvan
(6). Het wanbedrijf oplichting vereist in hoofde van de dader het oogmerk om zich bedrieglijk andermans zaak toe te eigenen en de aanwending van bedrieglijke middelen hiertoe, gevolgd door een afgifte of een levering van de zaak, waardoor het slachtoffer wordt benadeeld
(7). 6. Ook wanneer de oplichting betrekking heeft op de afgifte van geld, is er geen eigendomsoverdracht vereist. Hetgeen wel noodzakelijk is is dat de dader, over welke titel hij ook zou beschikken, in feite en overeenkomstig zijn bedrieglijk opzet op het moment van de afgifte, de vrije en onbeperkte beschikking over het geld verkrijgt
(8). Zo kan de dader door het aanwenden van listige kunstgrepen het slachtoffer ervan overtuigen geld af te geven in de veronderstelling daarmee enkel het precaire bezit ervan over te dragen met het oog op het uitvoeren van een overeenkomst, terwijl de dader eigenlijk het opzet heeft om over dat geld te beschikken. Dat de dader het geld gebruikt voor de uitvoering van de overeenkomst of zich niet al dat geld toe-eigent, is niet determinerend, aangezien dit het opzet noch de toe-eigening uitsluit
(9). De dader kan bv. het uitvoeren of het gedeeltelijk uitvoeren van de overeenkomst net gebruiken als een soort lokaas voor het verder aftroggelen van gelden, zoals hier het geval was voor het bekomen van de som geld van 60.000 euro die het voorwerp uitmaakt van de telastlegging B. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere opvatting lijkt het mij dan ook naar recht te falen.
  1. Het tweede onderdeel voert de schending aan van artikel 496 Strafwetboek omdat het arrest vaststelt dat de eiser met het hem door de verweerster ter beschikking gestelde geld, nl. het bedrag van 7500 euro , wel degelijk de Tunesische vennootschap heeft opgericht, zodat het niet kan oordelen dat de eiser zich de betrokken gelden, en minstens dat bedrag van 7500 euro , zou hebben toegeëigend.
  2. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk. Het arrest doet op de pagina's 7-11 ondermeer de volgende vaststellingen, namelijk dat: de verweerster en haar toenmalige vriend door de eiser werden voorgespiegeld dat hij door zijn contacten kon zorgen voor een afzetmarkt voor de toestellen van Ecoloblue voor watervoorziening in Libië en Tunesië en dat ze hiertoe een islamitische lening zouden verkrijgen door middel van het oprichten van een nieuwe Tunesische vennootschap voor verdere commercialisatie; de verweerster hiertoe de sommen van 7.500,00 euro en 25.000,00 euro betaalde op rekeningen van vennootschappen van de eiser omwille van listige kunstgrepen aangewend door de eiser, namelijk het zich voordoen als een belangrijk persoon (als imam) die veel contacten had in Tunesië en het zich voordoen als mede-investeerder; de voornoemde geldsommen, die verweerster overschreef, korte tijd later verdwenen waren zonder dat de eiser hiervoor een afdoende uitleg kon verschaffen; het niet van belang is dat een nieuwe Tunesische vennootschap uiteindelijk werd opgericht met een deel van de voornoemde gelden zoals afgesproken. Uit die vaststellingen blijkt de toe-eigening door eiser van het hem door verweerster afgegeven geld en komt ook zijn opzet duidelijk naar voren, zodat arrest hieruit aldus wettig kon afleiden dat er sprake is van het wanbedrijf oplichting. De beslissing is derhalve naar recht verantwoord en het middel kan niet worden aangenomen. III. CONCLUSIE. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren en concludeer derhalve tot de verwerping van het cassatieberoep. ___________________________
(1)Het middel doelt ongetwijfeld op het onderscheid oplichting - misbruik van vertrouwen. Zie ook de noot SJ achteraan en DE NAUW, Inleiding bijzonder strafrecht, 2010, p. 363-371 (‘Oplichting').
(2)Cass. 23 februari 1976, AC 1976, p. 730.
(3)Cass. 30 mei 2017, AR P.16.0615.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.4, AC 2017, nr. 356; Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1840.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10, AC 2014, nr. 47.
(4)Dit was in casu niet het geval omdat het geld via rekeningen van een vennootschap van het slachtoffer werd overgeschreven; zie Corr. Antwerpen 4 juni 2004, T.Strafr. 2007, 213 en noot; Cass. 30 juni 1975, AC 1975, 1167.
(5)Cass. 25 september 2001, AR P.01.1091.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010925.5, AC 2001, nr. 494; Cass. 30 juni 1975, AC 1975, 1167; Cass. 7 januari 1981, AC 1980-81, 493.
(6)Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1840.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10, AC 2014, nr. 47.
(7)Cass. 30 mei 2017, AR P.16.0615.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.4, AC 2017, nr. 356; Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1840.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10, AC 2014, nr. 47.
(8)M.a.w. de dader moet geen eigenaar van het geld (willen) zijn, maar zich enkel als eigenaar erover (willen) kunnen gedragen, d.w.z. het tot eigen (of andermans) nut kunnen gebruiken.
(9)Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1840.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10, AC 2014, nr. 47. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200303.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010925.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.