← België

COVAMEAT nv contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200309.3N.9 Rolnummer: C.19.0216.N-C.19.0217.N Zaak: COVAMEAT nv contra BELGISCHE STAAT Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-04-21 Raadplegingen: 1376 - laatst gezien 2026-06-28 15:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.9 Fiche Krachtens de artikelen 1235, eerste lid, en 1376 Burgerlijk Wetboek kan hetgeen betaald wordt zonder verschuldigd te zijn van de ontvanger worden teruggevorderd; de vordering uit onverschuldigde betaling is een wettelijke toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich ten koste van een ander ongerechtvaardigd mag verrijken; diegene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander dient de verarmde te vergoeden tot beloop van het laagste bedrag van de verrijking en de verarming zoals bepaald op het ogenblik van de vermogensverschuiving; aangezien deze vergoedingsplicht niet berust op de aansprakelijkheid van de verrijkte mag zij de verrijkte, in beginsel, niet in een nadeligere positie brengen dan waarin deze zich zou bevonden hebben had de vermogensverschuiving niet plaatsgevonden; is aldus de verrijking verminderd door omstandigheden die niet aan de verrijkte zijn toe te rekenen, dan wordt slechts rekening gehouden met het resterende gedeelte van de verrijking; uit het vorenstaande volgt dat ingeval van onverschuldigde betaling, de ontvanger als verweer kan aanvoeren dat hij redelijkerwijze mocht vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de betaling, hij het ontvangen bedrag heeft doorbetaald en tussen de ontvangst van de betaling en de doorbetaling een nauw verband bestaat; dit is onder meer het geval indien de onverschuldigd ontvangen som te goeder trouw werd doorbetaald aan een derde in uitvoering van een op het ogenblik van de doorbetaling bestaande wettelijke verplichting daartoe

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TERUGVORDERING VAN HET ONVERSCHULDIGD BETAALDE Vrije woorden: Verrijkingsvordering - Verlies van verrijking - Doorbetaling te goeder trouw - Gevolg Tekst van de conclusie C.19.0216.N-C.19.0217.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden: I. Voeging cassatieberoepen
  1. In beide zaken komt eiseres tot cassatie op tegen hetzelfde arrest van het hof van beroep te Brussel, gewezen op 9 januari
  2. Deze zaken dienen derhalve te worden gevoegd. In beide zaken voert eiseres telkens één middel aan. II. Situering van het geschil en relevante feiten
  3. Het geschil vindt zijn oorsprong in de regelgeving over vergoedingen en bijdragen om de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten te waarborgen. De Dierengezondheidswet van 24 maart 1987 voerde een regeling in voor de financiering van vergoedingen met betrekking tot de bestrijding van dierenziekten en verbetering van de hygiëne, de gezondheid en de kwaliteit van dieren en dierlijke producten. Krachtens artikel 32, § 2, Dierengezondheidswet werd een fonds ingesteld dat tot doel had tussen te komen in de financiering van deze vergoedingen. Dit fonds werd onder meer gestijfd door verplichte bijdragen. Een Koninklijk Besluit van 11 december 1987
(1)werkte de regeling betreffende de verplichte bijdragen verder uit. Met ingang van 1 januari 1988 werd per geslacht of per levend uitgevoerd dier een verplichte bijdrage ten laste gelegd van elke persoon die dieren voortbrengt, verwerkt, vervoert, bewerkt, verkoopt of verhandelt, waarbij de bijdrage in de opeenvolging van transacties tussen die personen doorgerekend diende te worden en dit tot aan de producent. 3. De Europese Commissie
(2)heeft deze regeling onverenigbaar verklaard met het Unierecht, omdat de bijdrage ook van toepassing was op ingevoerde dieren. Als reactie hierop werd bij een wet van 23 maart 1998
(3)de Dierengezondheidswet opgeheven en vervangen door een nieuwe regeling die met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1988 van toepassing was. Deze nieuwe regeling voorzag onder meer dat er niet langer bijdragen geheven werden op ingevoerde dieren. 4. Bij arrest van 21 oktober 2003
(4)oordeelde het Hof van Justitie evenwel dat geen gevolg kon worden gegeven aan de wet van 23 maart 1998, in zoverre zij met terugwerkende kracht bijdragen oplegt voor een periode vóór de aanmelding van deze steunmaatregel (waarvan de financiering integraal deel uitmaakt) bij de Europese Commissie. Nationale hoven en rechtbanken verklaarden elke terugwerkende kracht van de bijdrageheffing onwettig. Deze uitspraken hadden tot gevolg dat deze bijdragen onverschuldigd - d.i. zonder wettelijke grondslag - werden betaald.
  1. Deze uitspraken van onwettigheid van de terugwerkende kracht gaven aanleiding tot talrijke vorderingen strekkende tot terugbetaling van de bijdragen die zonder wettelijke grondslag waren betaald. Huidig geschil betreft een dergelijke betwisting. In het voorgelegde geval is Covameat nv een slachthuis. Als slachthuis viel zij onder het bijdragesysteem van de wet van 23 maart
  2. Covameat nv betaalde derhalve per geslacht dier bijdragen aan de Belgische Staat, maar rekende deze bijdragen conform de regelgeving door aan Propigs cvba, de veehandelaar, die de bijdragen op haar beurt kon doorrekenen aan de producent.
  3. Op 27 september 2007 dagvaardde Propigs cvba, de veehandelaar, Covameat nv, het slachthuis, tot terugbetaling van de door Covameat nv aan haar doorgerekende bijdragen, die ingevolge de vastgestelde onwettigheid van de retroactieve werking van de wet van 23 maart 1998 onverschuldigd bleken te zijn betaald. Bij conclusie van 29 oktober 2007 stelde Covameat nv een vordering tot vrijwaring in tegen de Belgische Staat voor de bedragen waartoe zij ten aanzien van Propigs cvba veroordeeld zou worden. Daarnaast stelde Covameat nv tegen de Belgische Staat een rechtstreekse vordering in, tot terugbetaling van andere bedragen die zij tussen 1988 en 1996 aan de Belgische Staat had betaald.
  4. Enerzijds achtte het bestreden arrest de rechtstreekse vordering van Covameat nv, het slachthuis, tegen de Belgische Staat verjaard. Anderzijds verklaarde het arrest de vordering van Propigs cvba, de veehandelaar, tegen Covameat nv, het slachthuis, ongegrond, zodat de vrijwaringsvordering van Covameat nv tegen de Belgische Staat zonder voorwerp was. III. Enig middel in zaak C.19.0216.N a. De grief
  5. In deze zaak komt eiseres, het slachthuis, op tegen het oordeel van het bestreden arrest dat haar rechtstreekse vordering tegen verweerder, de Belgische Staat, verjaard is. De appelrechters stellen vast dat deze vordering gegrond is op de onverschuldigde betaling, vervat in artikel 1376 Burgerlijk Wetboek, en betrekking heeft op bijdragen die eiseres aan verweerder betaald heeft tot 31 december
  6. Zij overwegen dat de vijfjarige verjaringstermijn krachtens artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit is beginnen lopen op 1 januari 1998, namelijk vanaf 1 januari van het begrotingsjaar waarin de wet van 23 maart 1998 in werking is getreden, waardoor volgens de appelrechters het onverschuldigd karakter van de op de oude regeling gebaseerde betaling was komen vast te staan. Zij oordelen dat de vordering die eiseres op 29 oktober 2007 tegen verweerder had ingesteld, dus laattijdig was. De appelrechters overwegen dat eiseres uitdrukkelijk stelt dat haar eigen vordering tegen verweerder gesteund is op de onverschuldigde betaling. Zij oordelen dat het hof bijgevolg niet moet ingaan op het negentiende middel van eiseres dat betrekking heeft op de verjaring van de vordering op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.
  7. Eiseres voert in de grief aan dat de appelrechters, door de toepasselijkheid van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek niet te onderzoeken, te kort komen aan de op de rechter rustende taak om het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels en om, desnoods ambtshalve, de door partijen aangevoerde rechtsgronden aan te vullen. Hierdoor miskennen de appelrechters volgens eiseres de algemene rechtsbeginselen inzake de taak van de rechter en schenden zij de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek. b. De grond van niet-ontvankelijkheid
  8. Verweerder werpt tegen deze grief een grond van niet-ontvankelijkheid op. Het middel zou niet nauwkeurig zijn nu het noch aanvoert dat de toepasselijkheid van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek zich onmiskenbaar aan de appelrechters opdrong noch aangeeft hoe en waardoor de appelrechters deze bepalingen geschonden zouden hebben.
  9. Ik meen dat eiseres in haar grief duidelijk aanvoert dat de toepasselijkheid van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek zich door de in het bijzonder door haar aangevoerde feiten onmiskenbaar aan de appelrechters opdrong, nu eiseres in het negentiende middel van haar syntheseberoepsconclusie, ter bepaling van de startdatum van de verjaringstermijn van haar vordering tegen verweerder, uitdrukkelijk naar artikel 1382 Burgerlijk Wetboek heeft verwezen en in dat verband meerdere fouten van verweerder heeft opgeworpen, bestaande uit inbreuken op het Unierecht. Daarnaast voert eiseres in de grief duidelijk aan dat de appelrechters de algemene beginselen inzake de taak van de rechter hebben miskend en, voor zoveel als nodig, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek hebben geschonden, doordat zij hebben nagelaten de toepassing van die bepalingen te onderzoeken.
  10. De grond van niet-ontvankelijkheid moet naar mijn mening worden verworpen. c. Beoordeling van de grief
  11. Uw Hof oordeelt in vaste rechtspraak dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent
(5). Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsregels op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen
(6).
  1. De vraag rijst in dit kader of eiseres voor de appelrechters in het bijzonder feiten heeft aangevoerd, waardoor de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek zich aan de appelrechters onmiskenbaar als rechtsgrond opdrongen van de vordering tot terugbetaling van eiseres tegen verweerder - naast de door eiseres aangevoerde rechtsgrond van de onverschuldigde betaling - zodat de appelrechters verplicht waren de toepasselijkheid van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek te onderzoeken.
  2. Er moet op worden gewezen dat aan de vordering tot terugbetaling van eiseres tegen verweerder als basisfeit de strijdigheid van de door verweerder verrichte heffingen met het Unierecht ten grondslag ligt. Hierdoor zijn
(1)de bijdragen onverschuldigd betaald, zodat zij teruggevorderd kunnen worden (dit is de grondslag van de onverschuldigde betaling); en
(2)zou verweerder een fout hebben gemaakt ten gevolge waarvan eiseres schade zou hebben geleden, doordat zij onverschuldigd bijdragen heeft betaald, waarvoor zij vergoed zou moeten worden (dit is de grondslag van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek). In het negentiende middel van haar syntheseberoepsconclusie koppelt eiseres dit basisfeit van de strijdigheid met het Unierecht uitdrukkelijk aan artikel 1382 Burgerlijk Wetboek en voert zij verschillende fouten in de zin van die bepaling aan. Volgens eiseres heeft verweerder immers een fout gemaakt door voor de periode van 1 januari 1988 tot 31 december 1996 heffingen te vorderen, eerst op basis van een wetgeving die niet was aangemeld bij de Europese Commissie (namelijk de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987) en daarna op basis van een wet die een verboden retroactieve werking had (namelijk de wet van 23 maart 1998), zoals het Hof van Justitie geoordeeld heeft in zijn arrest van 21 oktober
  1. Eiseres betoogt dat, nu de laatste fout van verweerder pas is komen vast te staan met voormeld arrest van 21 oktober 2003, de vijfjarige verjaringstermijn van haar vordering tegen verweerder, krachtens artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit, pas vanaf dat ogenblik kon beginnen lopen. Derhalve zou zij haar vordering tegen de verweerder op 29 oktober 2007 tijdig hebben ingesteld.
  2. Naar mijn mening blijkt hieruit dat eiseres in haar syntheseberoepsconclusie tot staving van haar eigen vordering tot terugbetaling tegen verweerder in het bijzonder feiten heeft aangevoerd die de appelrechters ertoe verplichtten om die vordering ook aan de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek te toetsen, met name om te beoordelen of zij reeds verjaard was.
  3. Het gegeven dat het negentiende middel werd geformuleerd onder de subtitel (op p. 39): "omtrent de eigen vordering van [eiseres] tegen [verweerder] in terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling van niet door [de veehandelaars] betaalde bijdragen aan het sanitair fonds", doet hieraan geen afbreuk. Deze indeling van het middel onder de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling lijkt mij voor de appelrechters geen reden te mogen vormen om de vordering uitsluitend vanuit die rechtsgrond te onderzoeken. Deze omstandigheid ontslaat de appelrechters m.i. niet van hun plicht om de in het negentiende middel in het bijzonder aangevoerde feiten te toetsen aan de toepasselijkheid van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, met name in het kader van de verjaring.
  4. Uit het bovenstaande volgt dat de appelrechters, door na te laten de vordering tot terugbetaling van eiseres tegen verweerder te toetsen aan de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, hoewel deze rechtsgrond zich onmiskenbaar aan hen opdrong door de daartoe in het bijzonder door eiseres aangevoerde feiten, de verplichting miskennen om het geschil te beslechten op grond van de daarop van toepassing zijnde rechtsregels.
  5. Het middel is gegrond. IV. Enig middel in zaak C.19.0217.N a. De grief
  6. In deze zaak komt eiseres, de veehandelaar, op tegen het oordeel van het bestreden arrest dat haar vordering tot terugbetaling tegen verweerster, het slachthuis, ongegrond is. De appelrechters oordelen dat slechts de producent, die de last van de bijdragen op grond van de wet van 23 maart 1998 uiteindelijk draagt, als solvens een vordering tot terugbetaling kan instellen tegen de Belgische Staat, die de uiteindelijke begunstigde is van de bijdragen, dit is de accipiens. Eiseres en verweerster zouden, als tussenschakels, louter als doorgeefluik fungeren. De appelrechters oordelen dat, zelfs in de hypothese dat eiseres de bijdragen daadwerkelijk heeft betaald en verweerster die bijdragen daadwerkelijk heeft ontvangen, moet worden vastgesteld dat alle bijdragen die van verweerster teruggevorderd worden, uit haar vermogen zijn verdwenen. Verweerster heeft die bijdragen namelijk op haar beurt te goeder trouw doorbetaald aan de Belgische Staat. De appelrechters oordelen dat uit de artikelen 1377, tweede lid, 1379 en 1380 Burgerlijk Wetboek moet worden afgeleid dat de accipiens die te goeder trouw handelde, enkel gehouden kan worden tot restitutie van het betaalde indien het zich nog in zijn vermogen bevindt. Nu dit in casu niet meer het geval is, is verweerster volgens de appelrechters niet langer tot teruggave gehouden jegens eiseres.
  7. Eiseres voert in haar grief tegen dit oordeel aan dat de omstandigheid dat een geldsom zich niet meer in het vermogen van de accipiens bevindt, hem niet van zijn terugbetalingsplicht ontslaat jegens de solvens. Er zou volgens eiseres enkel een uitzondering op die restitutieplicht gelden voor de accipiens die ten gevolge van de betaling zijn titel tegen de werkelijke schuldenaar te goeder trouw heeft vernietigd, krachtens artikel 1377, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, of, in de hypothese dat het ontvangen goed een onroerend of een lichamelijk roerend goed betreft, wanneer dit goed buiten de schuld van de accipiens niet meer bestaat, krachtens artikel 1379 Burgerlijk Wetboek. b. Probleemstelling
  8. De rechtsvraag die in deze grief aan de orde is, betreft de vraag of de accipiens gehouden is tot restitutie wanneer de ontvangen prestatie op het ogenblik van het instellen van een vordering tot terugbetaling, reeds verdwenen is uit zijn vermogen ten gevolge van een door de accipiens te goeder trouw verrichte handeling. c. Beoordeling (i) Genuanceerde theorie van V. Sagaert: het verweermiddel van "verlies van verrijking"
  9. De rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling, die in de voorliggende zaak aan de orde is, is wettelijk geregeld. Krachtens artikel 1235, eerste lid, Burgerlijk Wetboek onderstelt iedere betaling een schuld en kan hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, worden teruggevorderd. Artikel 1376 van dat wetboek bepaalt dat hij die bij vergissing of met zijn weten iets ontvangen heeft dat hem niet verschuldigd was, verplicht is het terug te geven aan degene van wie hij het ontvangen heeft zonder dat het verschuldigd was. Artikel 1377, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat wanneer een persoon die bij vergissing meende schuldenaar te zijn, een schuld betaald heeft, hij gerechtigd is het betaalde van de schuldeiser terug te vorderen. Krachtens het tweede lid houdt dit recht evenwel op wanneer de schuldeiser, ten gevolge van die betaling, zijn titel vernietigd heeft, behoudens het verhaal van degene die betaald heeft, op de werkelijke schuldenaar. Artikel 1379 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat hij die een onroerend goed of een lichamelijk roerend goed ontvangen heeft zonder dat het verschuldigd was, verplicht is het in natura terug te geven, indien het nog bestaat, of de waarde ervan, indien het door zijn schuld is teniet gegaan of beschadigd; hij moet zelfs instaan voor het verlies van het goed door toeval, indien hij het te kwader trouw ontvangen heeft. Artikel 1380 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat indien hij die een zaak te goeder trouw ontvangen heeft, die zaak verkocht heeft, hij alleen de verkoopprijs moet teruggeven.
  10. Voornoemde wettelijk verankerde rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling vormt een toepassing van het ruimere algemeen rechtsbeginsel van het verbod om zich ongerechtvaardigd ten koste van een ander te verrijken
(7). In dit verband is prof. dr. Vincent SAGAERT in een diepgravende studie met als titel "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden" uitvoerig ingegaan op de vraag of en onder welke omstandigheden het Belgische leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking rekening houdt met het "verlies van verrijking" bij de verrijkte. Zulk verlies doet zich met name voor wanneer de waarde van de verrijking op het ogenblik van de instelling van de verrijkingsvordering reeds verdwenen is uit het vermogen van de verrijkte en is terechtgekomen in het vermogen van een derde
(8). 25. In dit licht rijst voorafgaandelijk de vraag op welk ogenblik de waarde van de verrijking moet worden beoordeeld. Volgens een traditionele benadering wordt de voorwaarde voor de toewijzing van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking dat de verweerder verrijkt moet zijn, beoordeeld op het ogenblik van de instelling van de vordering
(9). Alleen indien en in de mate dat het verrijkte op dat ogenblik nog aanwezig is in het vermogen van de schuldenaar, kan de verrijkingsvordering toegewezen worden
(10). Gaat de verrijking (deels) verloren na de vermogensverschuiving, maar vooraleer de vordering is ingesteld, dan draagt de verarmde daar het risico van
(11). 26. SAGAERT pleit evenwel, op grond van doorgedreven rechtsvergelijkend onderzoek, voor een meer genuanceerde benadering: het tijdstip waarop de verrijking moet worden begroot, is in beginsel dat waarop de vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden
(12). Het begrotingsmoment kan echter onder bepaalde voorwaarden bij wijze van exceptie worden achteruitgeschoven tot op het ogenblik waarop de verrijkingsvordering wordt ingesteld. Dit is met name het geval indien de verweerder kan aantonen dat hij te goeder trouw ervan kon uitgaan dat de waarde van de verrijking definitief tot zijn vermogen behoorde, zodat het verlies hem niet kan worden toegerekend. De restitutievordering moet dan gereduceerd worden in de mate van het verlies van die waarde. Dit vormt het verweermiddel van "verlies van verrijking"
(13). 27. Zoals benadrukt door SAGAERT, is deze mogelijkheid om een verweermiddel van "verlies van verrijking" in te roepen, in bepaalde buitenlandse rechtssystemen ingeschreven in de wet
(14). Zo wordt in de parlementaire voorbereiding bij het Nederlands Burgerlijk Wetboek aangenomen dat de omvang van de verrijking moet worden beoordeeld op het ogenblik van de vermogensverschuiving
(15). Artikel 6:212, lid 3, Nederlands Burgerlijk Wetboek bevat hierop evenwel een belangrijke uitzondering. Dit artikel bepaalt immers dat "wanneer de verrijking verminderd is in de periode waarin de verrijkte redelijkerwijze met een verplichting tot vergoeding van de schade geen rekening behoefde te houden, hem dit dan niet wordt toegerekend. Bij de vaststelling van deze vermindering wordt mede rekening gehouden met uitgaven die zonder de verrijking zouden zijn uitgebleven." De parlementaire voorbereiding duidt als grondslag van dit verweermiddel het redelijkheidsbeginsel aan, dat het verrijkingsrecht beheerst
(16). 28. Daarnaast bepaalt artikel 818, lid 3, Duits Burgerlijk Wetboek dat "die Verpflichtung zur Herausgabe oder zum Ersatze des Wertes ausgeschlossen (ist), soweit der Empfänger nicht mehr bereichert ist"
(17). Als grondslag van dit verweermiddel van de Wegfall der Bereicherung (vrije vertaling: verlies van verrijking) wordt in de Duitse rechtsleer het vertrouwenscriterium naar voren geschoven: het verlies van verrijking kan voortvloeien uit alle gebeurtenissen die verband houden met het feit dat de verrijkte persoon een rechtmatig vertrouwen had in het voorbestaan van de verrijking in zijn vermogen
(18). 29. Ten slotte bepaalt artikel 64 van de Zwitserse Code des Obligations dat "il n'y a pas lieu à restitution, dans la mesure où celui qui a reçu indûment établit qu'il n'est plus enrichi lors de la répétition; à moins cependant qu'il ne soit dessaisi de mauvaise foi de ce qu'il a reçu ou qu'il n'ait dû savoir, en se dessaisissant, qu'il pouvait être tenu à restituer"
(19). Als grondslag van dit verweermiddel verwijst ook het Zwitserse Federale Gerechtshof naar de vertrouwensleer: de toepassing van die bepaling wordt verklaard doordat de accipiens handelingen heeft gesteld "im Vertrauen auf die Endgültigkeit" van die verrijking, dit is met het vertrouwen dat de verrijking definitief was
(20). 30. In het licht van het bovenstaande erkent SAGAERT dat ook in het Belgisch recht de juridische grondslag van het verweermiddel van "verlies van verrijking" gevonden wordt in de vertrouwensleer. De accipiens vertrouwde er door het gedrag van de solvens immers op dat het voorwerp van de verrijking definitief tot zijn vermogen behoorde, maar achteraf bleek het toch bezwaard te zijn met een restitutieplicht
(21). Volgens voornoemde auteur vormt het uitgangspunt van die rechtsgrond het principe dat de restitutieplicht ten laste van de verrijkte voor deze laatste geen nadeel mag teweegbrengen
(22). Het behoort immers tot de fundamentele beginselen van het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking dat de restitutieplicht de schuldenaar niet in een nadeliger positie mag brengen dan die waarin hij zich zou hebben bevonden indien de verrijking niet had plaatsgevonden
(23). 31. In het Belgisch recht wordt de vertrouwensleer weliswaar niet als autonome bron van verbintenissen of algemeen rechtsbeginsel gehuldigd
(24). Het beschamen van het rechtmatig vertrouwen dat men bij een ander heeft gewekt, wordt evenwel als bijzonder criterium van rechtsmisbruik erkend. Op grond hiervan mag een recht niet worden uitgeoefend op een wijze die objectief onverenigbaar is met vroegere gedragingen van de rechtstitularis, die legitieme verwachtingen hebben gewekt bij een ander
(25). In dat geval zal het recht worden gematigd tot een normale uitoefening, die spoort met de legitieme verwachtingen van de ander
(26). SAGAERT betoogt in dit verband dat de schuldeiser die door zijn gedrag bij de verweerder het rechtmatig vertrouwen heeft gewekt dat het voorwerp van de verrijking definitief tot diens vermogen behoorde, misbruik maakt van zijn recht op restitutie door, ondanks het verlies van verrijking voor de verweerder, aanspraak te maken op het volledige bedrag dat de verweerder initieel ontvangen had. De "matiging" zal erin bestaan dat de schuldeiser zijn recht op restitutie ter waarde van dit "verlies van verrijking" niet meer mag uitoefenen
(27). 32. Bovenstaande door SAGAERT verdedigde meer genuanceerde benadering van het "verlies van verrijking" dient naar mijn mening te worden gevolgd. Terecht schrijft deze auteur: "de begroting van de restitutie op het ogenblik van de vermogensverschuiving, met de mogelijkheid om later verlies van de verrijking in aanmerking te nemen, lijkt ook op het vlak van het praktisch resultaat te verkiezen boven de klassieke theorie. Ze biedt namelijk een evenwichtiger oplossing voor het conflict tussen twee tegenstrijdige belangen, namelijk enerzijds het recht van de "verarmde" dat de vermogensverschuiving ongedaan wordt gemaakt en anderzijds de rechtszekerheid van de "verrijkte" te goeder trouw dat hij gerechtigd is op hetgeen hij ontvangen heeft"
(28). De traditionele benadering, waarbij de verrijking pas wordt begroot op het ogenblik van het instellen van de vordering, lijkt het risico van het verlies van de verrijking na de vermogensverschuiving maar voordat de vordering is ingesteld, te eenzijdig bij de verarmde te leggen, onafhankelijk van de vraag of de verrijkte te goeder trouw heeft gehandeld (zie supra, nr. 25). Volgens de genuanceerde benadering van SAGAERT wordt de vordering tot restitutie van de verarmde daarentegen slechts afgewezen, voor zover het verlies van de verrijking na de vermogensverschuiving objectief is, in causaal verband staat met de verrijking en de verrijkte zich op de goede trouw kan baseren
(29). 33. Volgens SAGAERT is de toepassing van het verweermiddel van "verlies van verrijking" immers aan strikte voorwaarden onderworpen, die in essentie de volgende zijn: * Ten eerste moet er een causaal verband bestaan tussen het verlies en de verrijking. Het volstaat niet dat de verweerder in de tijdspanne tussen de verrijking en het instellen van de vordering een vermogensrechtelijk nadeel geleden heeft, m.a.w. er vermogensrechtelijk op achteruit gegaan is. Vereist is dat dit vermogensrechtelijk nadeel in een nauwe samenhang staat tot de verkrijging van de verrijking
(30). Wanneer het verlies rechtstreeks op het voorwerp van de verrijking betrekking heeft, leidt het alleen tot een "verlies van verrijking", indien het zijn oorzaak vindt in de verrijking. Met andere woorden, het feit dat de verweerder een onverschuldigd ontvangen geldsom gebruikt voor consumptiedoeleinden volstaat niet om toepassing te kunnen maken van het verweermiddel. Alleen indien de consumptiehandeling zijn oorzaak vond in de verrijking, dit is indien die consumptie niet zou hebben plaatsgevonden zonder de verrijking, kan er sprake zijn van "verlies van verrijking"
(31). * Ten tweede moet de verweerder te goeder trouw zijn. Dit vereiste kan worden begrepen vanuit de theoretische grondslag van het verweermiddel van het "verlies van verrijking". De accipiens die kennis heeft van het feit dat hij een waarde ongerechtvaardigd in zijn vermogen heeft verkregen ten koste van een ander of zich tenminste bewust is van het risico dat hij de betrokken zaak zal moeten restitueren, is niet in zijn vertrouwen aangetast
(32). Deze goede trouw moet normatief worden ingevuld, zoals bij andere toepassingen van de vertrouwensleer: indien de verweerder zich op grond van de heersende maatschappelijke opvattingen bewust had moeten zijn van het feit dat hij geen recht had op de verkregen vermogensbestanddelen, kan hij zich niet op het "verlies van verrijking" beroepen
(33). Bovendien speelt het principe mala fides superveniens non nocet niet, althans niet in de zin dat degene die te goeder trouw was op het ogenblik van de vermogensverschuiving definitief buiten schot blijft. Alleen handelingen gesteld vóór de accipiens kennis kreeg van het gebrek aan titel kunnen door hem worden ingeroepen. Eenmaal te kwader trouw kan hij het juridisch en materieel verlies van de zaak niet meer als exceptie inroepen
(34). 34. Ten slotte beklemtoont SAGAERT dat het verweermiddel van het "verlies van verrijking" kan worden ingeroepen tegen alle vorderingen die hun grondslag vinden in het verbod om zich ongegrond te verrijken ten kosten van een andere
(35). Het meest vanzelfsprekend kan het verweermiddel aldus worden ingeroepen tegen een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking (actio de in rem verso). Maar, zo stelt SAGAERT: "ook de vordering uit onverschuldigde betaling wordt terecht gezien als een onderdeel van het verrijkingsrecht, zodat het verlies van het betaalde door de accipiens aan de solvens kan worden tegengeworpen"
(36). Dit lijkt dan ook te betekenen dat de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek die uitgaan van de gedachte van het "verlies van verrijking", meer bepaald de artikelen 1377, tweede lid, 1379 en 1380 Burgerlijk Wetboek, die in casu op de voorgrond treden, moeten worden gezien als toepassingen van de ruimere gedachte van het "verlies van verrijking"
(37).
  1. Op grond van bovenstaande bandering betreft de ons voorliggende zaak m.i. een zuiver toepassingsgeval van "verlies van verrijking". Verweerster, het slachthuis, heeft bijdragen ontvangen van eiseres, de veehandelaar, en heeft die te goeder trouw doorbetaald aan de Belgische Staat. Eiseres vordert de terugbetaling van die bijdragen door verweerster, op grond van de onverschuldigde betaling. Verweerster kan zich hiertegen verweren door het "verlies van verrijking" in te roepen. Ik meen dat aan alle toepassingsvoorwaarden is voldaan. Ten eerste bestaat ontegensprekelijk een causaal verband tussen de verrijking en het verlies ervan: het is immers het van eiseres ontvangen bedrag dat verweerster, omwille van die verrijking, heeft doorbetaald aan de Belgische Staat. Ten tweede was verweerster bij de doorbetaling van het bedrag te goeder trouw: zij ging ervan uit - en kon er op grond van de toen geldende regelgeving inzake de dierengezondheid rechtmatig van uitgaan - dat het bedrag definitief tot haar vermogen behoorde.
  2. Naar mijn mening verantwoorden de appelrechters hun beslissing dan ook naar recht door te oordelen dat de vordering tegen verweerster, het slachthuis, hoe dan ook als ongegrond moet worden afgewezen, omdat alle bijdragen die van haar worden gevorderd uit haar vermogen zijn verdwenen, nu zij deze te goeder trouw heeft doorbetaald aan de Belgische Staat. Zij voegen daaraan terecht toe: "uit de bepalingen inzake onverschuldigde betaling (art. 1377, tweede lid, 1379 en 1380) moet worden afgeleid dat de accipiens die te goeder trouw handelde, enkel kan worden gehouden tot restitutie van het betaalde indien het zich nog in zijn vermogen bevindt. Indien dit niet langer het geval is (...) kan er niet op grond van onverschuldigde betaling worden gevorderd."
  3. In zoverre het middel opkomt tegen deze redenen, kan het m.i. niet worden aangenomen.
  4. Volledigheidshalve kan worden opgemerkt dat ook wanneer, volgens de traditionele benadering, wordt aangenomen dat het bestaan van de verrijking moet worden beoordeeld op het ogenblik van het instellen van de vordering, zodat de accipiens enkel gehouden is tot restitutie in de mate dat het verrijkte op dat ogenblik nog in zijn vermogen aanwezig is, het middel in elk geval naar recht faalt. Het middel gaat immers uit van de omgekeerde rechtsopvatting dat de accipiens steeds gehouden is tot restitutie van een onverschuldigd betaalde geldsom, ook al bevindt die zich op het ogenblik van het instellen van de vordering tot terugbetaling niet meer in zijn vermogen. (ii) Overeenstemming met het Unierechtelijk effectiviteitsbeginsel
  5. Nu de restitutieplicht van de geheven bijdragen in casu zijn oorsprong vindt in een inbreuk op het Unierecht, moet erop worden gewezen dat de voorgestelde oplossing, gebaseerd op de meer verfijnde benadering van SAGAERT, ook in overeenstemming is met het Unierechtelijk effectiviteitsbeginsel. Dit beginsel, vervat in artikel 4, lid 3, VEU, vereist dat een aan het Unierecht ontleend recht op terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen, daadwerkelijk kan worden uitgeoefend. De nationale regels mogen deze uitoefening in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 20 oktober 2011, zaak C-94/10, Danfoss, in die zin geoordeeld dat "het recht op terugvordering van het onverschuldigd betaalde ertoe strekt om de gevolgen op te heffen van de onverenigbaarheid van de heffing met het recht van de Unie, door de economische last die ten onrechte heeft gedrukt op de uiteindelijke marktdeelnemer die ze heeft betaald, te neutraliseren"
(38). Dit Hof oordeelde dat, gelet op dit doel, de eerbiediging van het effectiviteitsbeginsel gebiedt dat de voorwaarden waaronder een actie tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde kan worden gestart, krachtens het beginsel van de procedurele autonomie door de lidstaten worden vastgesteld, op zodanige wijze dat de economische last van de onverschuldigd betaalde belasting kan worden geneutraliseerd"
(39). 40. Op grond van de verfijnde theorie van SAGAERT mag de producent of de veehandelaar, dit is de eindschakel op wie de economische last van de onverschuldigd betaalde heffingen uiteindelijk heeft gedrukt, in beginsel steeds tegen het slachthuis vorderen, de tussenschakel die zijn rechtstreekse contractpartij is. Deze laatste zal dan, volgens het arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011, gevoegde zaken C-89/10 en C-96/10, Q-Beef nv / Belgische Staat en Frans Bosschaert / Belgische Staat, een vordering tot vrijwaring kunnen instellen tegen de Belgische Staat, die de uiteindelijke begunstigde is geweest van de heffingen en dus de last van de terugbetaling moet dragen
(40). Indien het slachthuis, de tussenschakel, evenwel bij wijze van exceptie opwerpt dat hij de bijdragen te goeder trouw heeft doorbetaald aan de Belgische Staat (d.i. "verlies van verrijking"), zal de eindschakel de terugbetaling, op grond van de genuanceerde benadering van SAGAERT, rechtstreeks van de Belgische Staat moeten vorderen, dit is de uiteindelijke begunstigde van de bijdragen. Hierdoor wordt het de eindschakel evenwel niet uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk gemaakt om zijn aan het Unierecht ontleende recht op terugbetaling uit te oefenen: ook al is de Staat niet zijn onmiddellijke contractpartij, het is voor de eindschakel in elk geval een goed bekende schuldenaar, waarvan de solvabiliteit buiten kijf staat. Bovendien wordt de economische last hierdoor op een correcte wijze geneutraliseerd in de verhouding tussen de eindschakel, op wie de last van de heffingen ten onrechte heeft gedrukt, en de Belgische Staat, zoals vereist in het arrest Danfoss. (iii) Overige grieven 41. De in de besproken grief tevergeefs bekritiseerde redengeving van het bestreden arrest dat verweerster, het slachthuis, niet gehouden is tot terugbetaling aan eiseres, de veehandelaar, omdat verweerster de bedragen reeds te goeder trouw heeft doorbetaald aan de Belgische Staat, schraagt de beslissing dat de vordering op grond van onverschuldigde betaling van eiseres tegen verweerster als ongegrond moet worden afgewezen. De overige grieven, die gericht zijn tegen overtollige motieven, kunnen dus niet tot cassatie leiden en zijn mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Conclusie: de cassatieberoepen dienen te worden gevoegd en geven m.b.t. zaak C.19.0216.N aanleiding tot cassatie in zoverre het arrest uitspraak doet over de rechtstreekse vordering tot terugbetaling van eiseres aan verweerder en over de kosten, en m.b.t. zaak C.19.0217.N tot verwerping. ________________________
(1)Koninklijk Besluit betreffende de verplichte bijdragen aan het Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren van 11 december 1987, BS 23 december 1987.
(2)Beschikking 91/538/EEG van de Europese Commissie van 7 mei 1991 betreffende het Belgische Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren, PB L 294, blz. 43.
(3)Wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, BS 30 april 1998.
(4)HvJ 21 oktober 2003, gevoegde zaken C-261/01 en C-262/01, Van Calster en Cleeren, concl. van advocaat-generaal JACOBS, JT dr.eur. 2004, afl. 109, 152, Jur.HvJ 2003, afl. 10 (C), I, 12249, SEW 2004, 341, noot J. VAN DE GRONDEN.
(5)Cass. 17 april 2015, AR C.13.0550.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150417.3-C.13.0636.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150417.3, AC 2015, nr. 258; Cass. 11 december 2014, AR C.13.0428.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141211.2, AC 2014, nr. 780; Cass. 12 oktober 2006, AR C.04.0481.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061012.5, AC 2006, nr. 283; Cass. 24 maart 2006, AR C.05.0360.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060324.3, AC 2006, nr. 173; Cass. 14 april 2005, AR C.03.0148.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050414.8, AC 2005, nr. 225; Cass. 11 maart 2002, AR C.01.0308.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020311.6, AC 2002, nr. 172; Cass. 21 december 2001, AR C.99.0239.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011221.7, AC 2001, nr. 718; Cass. 14 september 2001, AR C.99.0195.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010914.6, AC 2001, nr. 463.
(6)Cass. 1 februari 2019, AR C.18.0350.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190201.2, AC 2019, nr. 64; Cass. 17 maart 2016, AR C.15.0235.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11, AC 2016, nr. 189; Cass. 14 december 2012, AR C.12.0018.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4, AC 2012, nr. 690.
(7)Zie Cass. 17 november 1983, AC 1983-84, 315, RW 1983-84, 2982; S. STIJNS, Verbintenissenrecht, 1bis, Brugge, die Keure, 2013, nr. 2; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, III, Brussel, Bruylant, 1967, 28A; E. DIRIX, "Ongerechtvaardigde verrijking in drie-partijen-verhoudingen", TPR 1981, 1023, vn. 1; V. SAGAERT, "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden", TPR 2001, 590-591, nr. 7 en 625, nr. 36.
(8)V. SAGAERT, "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden", TPR 2001, 583.
(9)Zie R. DEKKERS, A. VERBEKE, N. CARETTE en K. VANHOVE, Handboek burgerlijk recht, III, Antwerpen, Intersentia, 2007, nr. 351; A. KLUYSKENS, Beginselen van burgerlijk recht, Antwerpen, Standaard, 1948, I, nr. 360; F. LAURENT, Principes de droit civil belge, XVII, Brussel, Bruylant, 1875, nr. 541; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, II, Brussel, Bruylant, 2010, nr. 792.
(10)V. SAGAERT, "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden", TPR 2001, 586-587.
(11)S. STIJNS, Leerboek verbintenissenrecht, 1bis, Brugge, die Keure, 2013, 27, nr. 40. Deze benadering lijkt te worden hernomen in artikel 5.140 van het wetsvoorstel tot invoeging van boek 5 "Verbintenissen" in het nieuw Burgerlijk Wetboek (Parl.St., Kamer, 2018-2019, doc.54, nr. 3709/001, 157 en 314): "hij die ongerechtvaardigd is verrijkt, moet aan de verarmde het laagste bedrag van de verrijking en de verarming teruggeven, geraamd op de dag van de restitutie".
(12)Zie reeds in die zin: H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, III, Brussel, Bruylant, 1967, nr. 49; V. SAGAERT, "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden", TPR 2001, 593-594; V. SAGAERT, "Wat als het vermogen gaat schuiven? Casuïstiek rond zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking" in Themis Cahier Verbintenissenrecht, nr. 41, Brugge, die Keure, 2007, 93, nr. 34. Zie over deze meer verfijnde benadering: Ph. MAES, "Ongegronde vermogensverschuivingen en driepartijenverhoudingen", TPR 2010, 212-213, nr. 25; W. VAN GERVEN en A. VAN OEVELEN, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 295.
(13)V. SAGAERT, "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden", TPR 2001, 594 en 629.
(14)Voor meer details: V. SAGAERT, "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden", TPR 2001, 595-601.
(15)Parl. Gesch., Boek 6, 831.
(16)Parl. Gesch., Boek 6, 835. Zie ook Hoge Raad 5 november 1982, Algemeen Ziekenfonds en Centraal Ziekenfonds / J.B. Klijsen en A.A.B. Mauritsz, NJ 1984, nr. 125, conl. Adv.-gen. FRANX en noot C.J.H.B.
(17)Vrije vertaling: de verplichting tot terugbetaling of tot teruggave van de tegenwaarde geldt niet, in zoverre de ontvanger niet meer verrijkt is.
(18)K. LARENZ en C.-W. CANARIS, Lehrbuch des Schuldrechts, München, C.H. Beck, 1994, 296, § 73; PALANDT, Bürgerliches Gesetzbuch, München, C.H. Beck, 1999, 933, nr. 30.
(19)Vrije vertaling: er is geen reden tot teruggave voor zover degene die ongerechtvaardigd werd verrijkt, aantoont dat hij niet meer verrijkt is op het ogenblik van de restitutievordering; behalve wanneer hij te kwader trouw afstand heeft gedaan van het verrijkte of op het ogenblik van die afstand had moeten weten dat hij mogelijk tot teruggave gehouden was.
(20)Bundesgericht 25 maart 1947, AFT 73, II, 108; L.O. GILLIARD, La disparition de l'enrichissement, Lausanne, Presses centrales de Lausanne, 1985, 233 p.
(21)V. SAGAERT, "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden", TPR 2001, 607-608.
(22)Ibid., 606, met verwijzing naar R. DEMOGUE, Traité des obligations en général, Parijs, Rousseau, 1923, III, nr. 90; R.J. POTHIER, Traité des obligations, Parijs, Letellier, 1818, nr. 256; A. FLESSNER, Wegfall der Bereicherung. Rechtsvergleichung und Kritik in Beiträge zum ausländischen und internationalen Privatrecht, Tübingen, 1970, 90.
(23)Ibid., 606-607, met verwijzing naar rechtspraak van het Duitse Bundesgerichtshof: BGH 19 januari 1951, BGHZ 1951, 1, 81; BGH 7 januari 1971, BGHZ 1971, 55, 131; BGH 9 mei 1984, NJW 1984, 2096.
(24)Zie S. STIJNS en I. SAMOY, "La confiance légitime en droit des obligations" in S. STIJNS en P. WÉRY (eds.), De bronnen van niet-contractuele verbintenissen, Brugge, die Keure, 2007, 47.
(25)S. STIJNS en I. SAMOY, "La confiance légitime en droit des obligations" in S. STIJNS en P. WÉRY (eds.), De bronnen van niet-contractuele verbintenissen, Brugge, die Keure, 2007, 60 en 94, nrs. 22 en 83; S. STIJNS, D. VAN GERVEN en P. WÉRY, "Chronique de jurisprudence (1985-1995). Les obligations: les sources", JT 1996, 707, nr. 45; W. VAN GERVEN, Algemeen Deel in Beginselen van Belgisch privaatrecht, I, Brussel, Story-Scientia, 1987, nr. 70 in fine; P. WÉRY, Droit des obligations, Brussel, Larcier, 2011, nr. 114.
(26)Artikel 5.7, § 3, van het wetsvoorstel tot invoeging van boek 5 "Verbintenissen" in het nieuw Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de sanctie voor rechtsmisbruik bestaat in de matiging van het recht tot zijn normale rechtsuitoefening, onverminderd het herstel van de schade die het misbruik heeft berokkend.
(27)V. SAGAERT, "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden", TPR 2001, 609-610.
(28)Ibid., 629.
(29)Ibid., 611 e.v.
(30)Ibid., 613.
(31)Ibid., 614.
(32)Ibid., 622.
(33)Ibid., 624.
(34)Ibid., 624.
(35)Voor een overzicht van de belangrijkste bepalingen die hun grondslag vinden in het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking: zie H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, III, Brussel, Bruylant, 1967, 32, vn. 2.
(36)V. SAGAERT, "Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden", TPR 2001, 625.
(37)Ibid., 605-610.
(38)HvJ 20 oktober 2011, zaak C-94/10, Danfoss, r.o. 23.
(39)Ibid., r.o. 25.
(40)HvJ 8 september 2011, gevoegde zaken C-89/10 en C-96/10, Q-Beef nv / Belgische Staat en Frans Bosschaert / Belgische Staat, r.o. 43-45; zie ook de arresten van uw Hof van 8 mei 2017, AR C.16.0121.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170508.1 en C.16.0416.N, AC 2017, nr. 315, met concl. OM. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200309.3N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010914.6 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011221.7 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020311.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050414.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060324.3 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061012.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141211.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150417.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170508.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190201.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.