id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200310.2N.11 Rolnummer: P.20.0034.N Zaak: DE PROCUREUR-GENERAAL TE GENT contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-03-16 Raadplegingen: 674 - laatst gezien 2026-06-28 17:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.11 Fiche 1 Wanneer het openbaar ministerie in zijn grievenformulier als grief de strafmaat vermeldt, dan volgt daaruit niet dat de beslissing over de schuld van de beklaagde aan de beoordeling van het appelgerecht wordt voorgelegd; het gegeven dat de verklaring van hoger beroep is gericht tegen een beslissing waarbij de beklaagde wordt vrijgesproken of als grief een beslissing is aangeduid die het beroepen vonnis niet bevat, doet niet anders te besluiten
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Vrijspraak - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Enkel vermelding strafmaat als grief - Beoordelingsmarge rechtscollege in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Uit artikel 202, 2°, Wetboek van Strafvordering volgt dat het aankruisen door de burgerlijke partij van de rubriek "schuld" op het grievenformulier er niet toe leidt dat de beoordeling op strafgebied van de schuld van de beklaagde aan het appelgerecht wordt voorgelegd
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Vrijspraak - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Aanduiding van de rubriek ‘schuld’ op het grievenformulier - Invloed op de strafvordering - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 202, 2°, en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Uit artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering, zoals verduidelijkt in het arrest 189/2019 van het Grondwettelijk Hof van 20 november 2019, volgt dat het appelgerecht de mogelijkheid heeft om ambtshalve te oordelen of de feiten van een bepaalde telastlegging vaststaan, ook wanneer een beklaagde of het openbaar ministerie de schuld aan die telastlegging niet als grief heeft aangeduid, op voorwaarde dat een beschikking op strafgebied van de beroepen beslissing die verband houdt met de aan die telastlegging ten grondslag liggende feiten, zoals bijvoorbeeld de straf of een maatregel, is aangeduid; de omstandigheid dat het openbaar ministerie in het grievenformulier enkel de rubriek strafmaat heeft aangekruist en niet de schuld, terwijl het beroepen vonnis de beklaagde had vrijgesproken en als grief dus een beslissing werd vermeld die het beroepen vonnis niet bevat, heeft niet tot gevolg dat het appelgerecht de mogelijkheid zou hebben om ambtshalve middelen aan te voeren
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Vrijspraak - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Enkel vermelding strafmaat als grief - Ambtshalve aanvoeren van grieven - Grenzen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 210, tweede lid, derde streepje - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.20.0034.N Advocaat-generaal Bart De Smet heeft in hoofdzaak gezegd: De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 december 2019. Eiser voert een schending aan van de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering. In deze zaak was verweerder vrijgesproken wegens aanranding van de eerbaarheid met geweld. De burgerlijke partij stelde hoger beroep in, met in het grievenformulier de uitdrukkelijke vermelding dat de vrijspraak werd betwist. Er volgde hoger beroep van de procureur des Konings. In het grievenformulier werd de rubriek ‘strafmaat’ aangekruist, als enige grief. Het arrest oordeelt ten onrechte dat het niet over de strafvordering uitspraak kan doen. Eiser voert aan dat door het aankruisen in het grievenformulier de rubriek “straf”, met de vermelding “strafmaat”, het openbaar ministerie minstens impliciet de vrijspraak van de verweerder voor het hof van beroep aanhangig gemaakt; temeer daar het hoger beroep van het openbaar ministerie volgde op dat van de burgerlijke partij, die in haar grievenformulier de vrijspraak uitdrukkelijk heeft betwist. Beoordeling: Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzoekschrift, op straffe van verval van het hoger beroep, nauwkeurig de grieven bevat die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven. Een grief als bedoeld in dat artikel is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt
(1). Uw Hof oordeelde in dit verband dat de hoven en rechtbanken bij toepassing van de regels over rechtsmiddelen zowel een buitensporig formalisme dienen te vermijden, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de billijkheid van de procedure, als een buitensporige soepelheid, waardoor de wettelijke procesvoorschriften worden genegeerd en deze voorwaarden inhoudsloos worden
(2). Uw Hof oordeelde eveneens: “uit de tekst van artikel 204 Wetboek van Strafvordering en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen, een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet-langer betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen. Door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen wordt de appellant gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en kan de geïntimeerde dadelijk uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren”
(3). Het concreet omschrijven van de omvang van het hoger beroep en daarmee samenhangend de bevoegdheid van de appelrechter om van de zaak kennis te nemen is geen sinecure. Veel hangt af van de interpretatie van de wettelijke vereiste van een “nauwkeurig” geformuleerde grief, zoals bepaald in de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering. Men zou kunnen kiezen voor een soepele interpretatie, die inhoudt dat bij vrijspraak het hoger beroep van het openbaar ministerie met als enige grief ‘strafmaat’ de gehele strafvordering aanhangig is voor het rechtscollege in hoger beroep, weliswaar beperkt tot de tenlastelegging omschreven in de dagvaarding of verwijzingsbeschikking, waarvoor de beklaagde is vrijgesproken. In deze zaak was aanranding van de eerbaarheid met geweld de enige tenlastelegging. Aangezien de correctionele rechtbank geen straf heeft opgelegd, kan in die visie uit de grief ‘strafmaat’ worden afgeleid dat het openbaar ministerie impliciet de vrijspraak en schuldvraag aanvecht in hoger beroep, opkomt tegen het “ontbreken van een straf”. De appelrechter beschikt immers over enige ruimte om de grief en de omvang van het hoger beroep te bepalen, na te gaan of de “uitdrukkelijk opgeworpen grief zich ook uitstrekt tot de gevolgen die impliciet of noodzakelijk uit die grief voortvloeien”
(4). Uw Hof gaat wel na of de appelrechter uit zijn vaststellingen over de omvang van het hoger beroep geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(5). Uw Hof oordeelde dat het aan de appelrechter staat om rekening houdend met de artikelen 203 (verklaring van hoger beroep) 204 (aangevoerde grieven) en 2010 (ambtshalve aangevoerde grieven) Wetboek van Strafvordering aan de hand van het grievenformulier te bepalen welke de beslissing of beslissingen van het beroepen vonnis de appellant wenst hervormd te zien
(6). Zo houdt het hoger beroep van een beklaagde bij veroordeling met als grief “schuldigverklaring” impliciet in dat er ook hoger beroep is ingesteld over de strafmaat, indien de appelrechters de veroordeling bevestigen
(7). Men zou daaruit a contrario kunnen redeneren dat het tegen een vrijspraak ingesteld hoger beroep van het openbaar ministerie met als enige grief “straf” of “strafmaat” de appelrechters verplicht de schuld van de beklaagde te beoordelen. Een andere visie is de strikte interpretatie van de term ‘nauwkeurige grieven’, waarbij de nadruk ligt op de devolutieve werking van het hoger beroep, in het licht van de aangebrachte grieven. Volgens raadsheer Steven Van Overbeke, in een studie R.W. van 2017, is dit ‘de hardste juridisch-technische noot die het grievenstelsel te kraken heeft’
(8). De rechter in hoger beroep kan maar een ambtshalve grief aanvoeren binnen de grenzen van zijn bevoegdheid of onderzoeksopdracht (saisine), bepaald door de verklaring in hoger beroep en het tijdig ingediende grievenformulier of het verzoekschrift met grieven
(9). In deze zaak was het ‘standaard’ grievenformulier door de procureur des Konings ingevuld en aan de griffier overhandigd (st. 25). In dat grievenformulier is een duidelijk onderscheid aangebracht tussen de 2e rubriek “schuld” en 3e rubriek “straf en/of maatregel”. Daarbij is de rubriek ‘schuld’ omschreven (in onderlijnde tekst) als “in geval het hoger beroep gericht is tegen de schuldigverklaring of vrijspraak met verplichte vermelding van de betreffende tenlastelegging”. Deze rubriek werd niet aangekruist. In de aangekruiste rubriek “straf en/of maatregel”, aangevuld met de voorgedrukte vermelding “verplicht te melden straffen en/of maatregelen die worden betwist” werd geen bijkomende toelichting verstrekt. Mij komt voor dat de strikte interpretatie het meest aansluit bij de bedoeling van de wetgever en bij rechtspraak van uw Hof tot op heden. Een mogelijk aanknopingspunt is het arrest van uw Hof van 7 november 2017 (2N) in de zaak van piraterij
(10). In het beroepen vonnis werd de beklaagde vrijgesproken voor meerdere misdaden, o.a. deelname aan een criminele organisatie als leidend persoon zoals geformuleerd in de dagvaarding (C). De federaal procureur stelde hoger beroep in, beperkt tot “de strafmaat”, gelet op zijn verklaring ter griffie en het grievenformulier. De appelrechters hadden in deze zaak aangenomen dat het hoger beroep van het openbaar ministerie ook betrekking had op de omschrijving van de feiten deelname aan een criminele organisatie, wat betreft de verzwarende omstandigheid ‘als leidend persoon’. In een ambtshalve middel oordeelde uw Hof dat de saisine van de appelrechters beperkt was tot beslissingen over de strafmaat en zich niet konden uitspreken over de schuld van de beklaagde vastgesteld door de eerste rechter na heromschrijving. De vrijspraak van de beklaagde wegens een aspect van de schuld (de verzwarende omstandigheid) kon dus op strafgebied niet voor de appelrechters worden betwist, indien het hoger beroep van het openbaar ministerie is beperkt tot de strafmaat. Er is niettemin een verschil met de zaak die thans voorligt, aangezien in vermelde zaak van piraterij de eerste rechter voor tenlastelegging C wel een veroordeling had uitgesproken, weliswaar na een ander geformuleerde tenlastelegging C., zonder de verzwarende omstandigheid van “leidend persoon”. De visie van een strikte interpretatie van het grievenformulier van het openbaar ministerie, met als enige grief ‘strafmaat’, komt eveneens aan bod in het arrest van uw Hof van 24 januari 2018 (2F). In deze zaak was de beklaagde vrijgesproken wegens de enige tenlastelegging onopzettelijke doding en stelde het openbaar ministerie hoger beroep in, met als opgave van grieven “straffen en maatregelen” en daarbij de specifieke vermelding: “het hoger beroep is gericht tegen de beschikkingen van het vonnis over de straffen, maatregelen en veiligheidsmaatregelen die ten aanzien van de beklaagde zijn uitgesproken, bevolen of hadden moeten worden bevolen en de eventuele modaliteiten daarvan, ongeacht hun aard, en dit wegens het ontoereikende, ongeschikte en/of onwettige karakter van die beschikkingen”
(11). In het bestreden arrest werd het hoger beroep van het openbaar ministerie gesteund op die grief niet-ontvankelijk verklaard, omdat de eerste rechter alle beklaagden had vrijgesproken. Als middel in cassatie voerde de Procureur-Generaal bij het hof van beroep te Luik aan dat wanneer het openbaar ministerie hoger beroep instelt tegen het vrijsprekend vonnis met het verwijt dat het geen straffen heeft uitgesproken, noodzakelijkerwijs de schuldvraag is aanhangig gemaakt bij het rechtscollege in hoger beroep, en het openbaar ministerie tegen het beroepen vonnis duidelijk opkwam “tegen de ontstentenis van straf en niet tegen de uitgesproken straffen”. Uw Hof verwierp het cassatieberoep en nam aan dat de appelrechters konden oordelen dat de grief op verschillende wijzen kon worden uitgelegd en de verduidelijking door het openbaar ministerie van de reden van hoger beroep op de terechtzitting laattijdig was. Eveneens oordeelde uw Hof: “Het middel dat in werkelijkheid aanvoert dat het ontbreken van straffen de enige grief is die het openbaar ministerie kan inbrengen tegen een vrijsprekend vonnis, faalt bovendien naar recht”. Met dit overeenstemmend arrest als uitgangspunt, komt het mij voor dat de vermelding in het grievenformulier ‘straf/maatregel” de appelrechter op het hoger beroep van het openbaar ministerie niet toelaat de schuld te onderzoeken, althans op strafgebied. Het feit dat het hoger beroep van het openbaar ministerie over de strafmaat volgt op het hoger beroep van de burgerlijke partij, die in haar grievenformulier wel opkwam tegen de beslissing over de schuld of vrijspraak (st. 23), laat niet toe een ander standpunt in te nemen, aangezien het hoger beroep van de burgerlijke partij steeds beperkt blijft tot de burgerlijke vordering, gelet op artikel 202, 2° Wetboek van Strafvordering. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ook de mogelijkheid tot het ambtshalve aanvoeren van grieven door de appelrechters, op basis van artikel 210 Wetboek van Strafvordering, lijkt mij niet tot cassatie te kunnen leiden, aangezien het beoordelen van schuld na een hoger beroep op uitsluitend de strafmaat niet in de beperkte gevallen van deze wetsbepaling is opgenomen, en de appelrechters de grenzen van hun bevoegdheid of onderzoeksopdracht (saisine) niet met ambtshalve aangevoerde grieven mogen overschrijden
(12). Het middel gesteund op deze bepaling faalt eveneens naar recht. Er zijn geen ambtshalve middelen in cassatie. Mijn advies is verwerping. _________________________
(1)Cass. 11 september 2018, AR P.18.0366.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7, AC 2018, nr. 461; Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5, RW 2016-17, 1383 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, N.C. 2017, 281 noot E. VAN DOOREN, T. Strafr. 2017, 121, 213 noot B. MEGANCK.
(2)Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5, RW 2016-17, 1383 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, N.C. 2017, 281 noot E. VAN DOOREN, T. Strafr. 2017, 121, 213 noot B. MEGANCK; Cass. 4 april 2017, AR P.17.0023.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2, AC 2017, nr. 245; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0366.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7, AC 2018, nr. 461. Zie ook EHRM 26 juli 2007, Walchili t/Frankrijk en EHRM 13 februari 2001, Krombach t/Frankrijk, www.echr.coe.int Zie E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, N.C. 2016, 122-123; S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels voor het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 890.
(3)Cass. 4 april 2017, AR P.17.0023.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2, AC 2017, nr. 245.
(4)S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels voor het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 894.
(5)Cass. 10 oktober 2017, AR P.17.0848.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.8, AC 2017, nr. 543 en Cass. 7 november 2017, AR P.17.0727.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.6, AC 2017, nr. 619.
(6)Cass. 11 september 2018, AR P.18.0366.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7, AC 2018, nr. 461.
(7)Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 2015-16, 1418/001, p.88, www.dekamer.be .
(8)S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels voor het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 893.
(9)Cass. 4 april 2017, AR P.17.0023.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2, AC 2017, nr. 245; Cass. 18 oktober 2017, AR P.17.0656.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171018.3, AC 2017, nr. 574.
(10)Cass. 7 november 2017, AR P.17.0727.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.6, AC 2017, nr. 619.
(11)Cass. 24 januari 2018, AR P.17.1070.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180124.3, AC 2018, nr. 53.
(12)In die zin Cass. 18 oktober 2017, AR P.17.0656.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171018.3, AC 2017, nr. 574. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200310.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.8 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171018.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180124.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div