id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200312.1N.1 Rolnummer: C.18.0383.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra STAD GENT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2021-12-03 Raadplegingen: 1187 - laatst gezien 2026-06-29 04:56 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200312.1N.1 Fiches 1 - 2 Geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling of enig algemeen rechtsbeginsel stelt de Uitvoerende Macht in de uitoefening van haar bevoegdheden vrij van de verplichting om de door haar onzorgvuldig optreden, onder meer door na te laten te handelen binnen een redelijke termijn, aan een ander toegebrachte schade te vergoeden
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Vrije woorden: Uitoefening van haar bevoegdheden - Fout - Onzorgvuldig optreden - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Vrije woorden: Uitvoerende macht - Uitoefening van haar bevoegdheden - Fout - Onzorgvuldig optreden - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 De Rechterlijke Macht die bevoegd is om de Uitvoerende Macht te veroordelen tot vergoeding van schade ingevolge haar onzorgvuldig optreden moet de beleidsvrijheid eerbiedigen die de Uitvoerende Macht de mogelijkheid biedt te oordelen over de wijze waarop het haar bevoegdheid uitoefent en de meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Vrije woorden: Onzorgvuldig optreden van de Uitvoerende macht - Veroordeling tot schadevergoeding - Beoordeling - Grenzen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 4 Wanneer geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling voorziet in een termijn binnen dewelke de Uitvoerende Macht aan de haar opgelegde taken uitvoering moet geven, beschikt zij over een ruime beoordelingsvrijheid en kan het niet of laattijdig uitvoeren van die wettelijke bepalingen slechts een fout uitmaken wanneer blijkt dat, alle omstandigheden in acht genomen, de Uitvoerende Macht kennelijk niet binnen een redelijke termijn heeft gehandeld
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Vrije woorden: Uitoefening van haar bevoegdheden - Opgelegde taken - Afwezigheid van wettelijke of reglementaire termijn - Niet of laattijdige uitvoering - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 5 De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of de redelijke termijn kennelijk is overschreden waarna het Hof nagaat of uit die vaststellingen en redenen niet blijkt dat werd geoordeeld met miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Vrije woorden: Redelijke termijn - Kennelijke overschrijding - Beoordeling door de feitenrechter - Opdracht van het Hof Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten Tekst van de conclusie C.18.0383.N Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft in hoodzaak gezegd: (…) 2.2.1. Dat het niet- of het laattijdig uitvaardigen van een uitvoeringsbesluit een tekortkoming in de zin van de artikelen 1382-1383 BW kan uitmaken die, indien hierdoor schade werd veroorzaakt, de Belgische Staat verplicht deze schade te vergoeden, staat te dezen niet ter discussie. Net zoals de burgers is de Belgische Staat onderworpen aan rechtsregels, waaronder die welke betrekking hebben op de vergoeding van schade ten gevolge van fouten die de subjectieve rechten en de wettige belangen van personen aantasten
(1). De fout, zoals bedoeld in de artikelen 1382 en 1383 BW kan zowel bestaan in het schenden van een rechtsregel die een bepaald handelen of niet-handelen voorschrijft als in een gedragsdwaling, namelijk een tekortkoming, een handelen of niet-handelen die in de sociale betrekkingen niet als normaal of geoorloofd wordt beschouwd. Uw Hof oordeelt in dit verband dat de overtreding van een wettelijke of reglementaire bepaling, ook wanneer deze wordt begaan door de Staat of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon, op zichzelf een fout kan zijn die leidt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van diegene die de overtreding heeft begaan wanneer die fout schade veroorzaakt, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige grond tot ontheffing van aansprakelijkheid
(2). Dit geldt evenzeer voor het geval waarin het wettig vertrouwen waarop rechtssubjecten in hun betrekking met de overheid moeten kunnen rekenen, miskend wordt
(3). Geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling, noch enig algemeen rechtsbeginsel stelt de overheid in de uitoefening van haar bevoegdheid dus vrij van de verplichting voortvloeiend uit de artikelen 1382-1383 BW om de door haar fout aan een ander toegebrachte schade te vergoeden en dit geldt ook wanneer aan het bestuur wordt verweten onzorgvuldig te zijn opgetreden door, onder meer, na te laten te handelen binnen een redelijke termijn
(4). Beslissingen moeten zorgvuldig uitgevoerd worden. Dat beslissingen genomen werden in het algemeen belang ontslaat het bestuur niet van de zorgvuldigheidsplicht die zich opdringt aan eenieder
(5). 2.2.2. Evenmin staat ter discussie dat de rechterlijke macht in voorkomend geval bevoegd is om de Belgische Staat te veroordelen tot vergoeding van de door de fout veroorzaakte schade. Het beginsel van de scheiding der machten, noch de Grondwet staan eraan in de weg dat de rechterlijke macht een fout van de Staat vaststelt en de Staat dienvolgens veroordeelt tot vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade
(6). Door de foutieve aard van het schadelijk gedrag van de uitvoerende macht te beoordelen, mengt de rechter zich niet in de uitvoerende macht en in het politiek proces van de uitvoering van wetten, maar gedraagt hij zich overeenkomstig de opdracht van de rechterlijke macht om burgerlijke rechten te beschermen
(7). 2.2.3. Het te dezen aangevoerd onderdeel heeft echter betrekking op de grenzen van de bevoegdheid van de rechterlijke macht bij het beoordelen van een eventuele fout van de overheid bij het (laattijdig) uitvaardigen van uitvoeringsbesluiten. Wat de rechterlijke macht immers niet vermag te doen is zich bij het beoordelen van die fout in de plaats van het bestuur te stellen en diens beleidsvrijheid te ontnemen. Het bestuur heeft bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden een beoordelingsvrijheid over de wijze waarop het dit doet en over wat voor het bestuur de meest geschikt lijkende oplossing is. De rechter is ertoe gehouden die beleidsvrijheid te eerbiedigen
(8). Deze principes heeft uw Hof in vaste rechtspraak aangenomen zowel met betrekking tot het niet binnen de wettelijke termijn nemen van een beslissing door de Vlaamse Executieve na het instellen van een beroep tegen een beslissing van de bestendige deputatie
(9)als met betrekking tot het uitvaardigen door de Regering van een koninklijk besluit tot uitvoering van een eerder koninklijk besluit
(10). Die beleidsvrijheid heeft evenwel grenzen. Indien een grondwettelijke of wettelijke bepaling aan de overheid oplegt een besluit uit te vaardigen, of wanneer het verzuim kan beschouwd worden als een tekortkoming aan de algemene plicht tot zorgvuldigheid of voorzichtigheid kan het niet-uitvaardigen door de bevoegde overheid van een uitvoeringsbesluit een fout in de zin van de artikelen 1382-1383 BW uitmaken
(11). Het staat dan aan de rechter te oordelen of die opgelegde termijn, waarvoor de wetgever niet in een sanctie heeft voorzien, de aard en strekking heeft dat de niet-naleving er van op zichzelf een onrechtmatige daad oplevert, aan de hand van onder meer de formulering van de opgelegde verplichting, de omvang ervan en het beoogde normdoel
(12). Maar ook indien geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling daartoe een termijn voorschrijft kan, aldus uw Hof, de omstandigheid dat de uitvoerende macht geen verordening uitvaardigt een fout zijn in de zin van de artikelen 1382-1383 BW
(13). Het bestuur beschikt dan weliswaar over een ruime beoordelingsvrijheid en het niet of het laattijdig stellen van een handeling zal dan slechts een fout uitmaken wanneer blijkt, alle omstandigheden in acht genomen, dat het bestuur kennelijk niet heeft gehandeld binnen redelijke termijn
(14). Of er sprake is van een tekortkoming aan de algemene zorgvuldigheidsplicht door de overheid en aldus van een fout, wordt beoordeeld aan de hand van het criterium van de normaal voorzichtig en redelijke overheid in dezelfde feitelijke omstandigheden geplaatst
(15). De keuze omtrent het ogenblik waarop een uitvoeringsbesluit wordt uitgevaardigd behoort dus tot de discretionaire bevoegdheid van de overheid, maar dit geeft de overheid echter niet het recht hier eindeloos mee te wachten. De weigering of het verzuim om te doen wat in de wet is bepaald is een tekortkoming die kan gesanctioneerd worden. De rechter zal hierbij niet oordelen over het tijdstip waarop de handeling diende gesteld te worden maar wel of de redenen die de overheid aanvoert al dan niet haar vertraging of niet-uitvoering rechtvaardigen. Het Hof vermag hierbij niet zelf te beslissen of de overheid al dan niet in een redelijke termijn heeft gehandeld. De feitenrechter stelt de feitelijke omstandigheden souverein vast en leidt er uit af of de overheid haar wettelijke verplichting is nagekomen. Het Hof zal daarna eventueel beslissen of de rechter uit de aldus vastgestelde feiten kon afleiden dat de overheid een fout heeft begaan of niet
(16). Of de overheid foutief heeft gehandeld bij het uitvaardigen van uitvoeringsmaatregelen van een wet, die geen termijn bevat waarbinnen die maatregelen moeten worden genomen, is dus een vraag die souverein door de feitenrechter wordt beoordeeld
(17). Hoewel de feitenrechter onaantastbaar in feite beoordeelt of de redelijke termijn is overschreden gaat Uw Hof na of uit de vaststellingen en overwegingen van de bestreden beslissing geen beoordeling blijkt die een miskenning inhoudt van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten. Uw Hof aanvaardt in dit verband dat de feitenrechter die rekening houdt met overwegingen van de wetgever om een bepaalde regeling slechts geleidelijk in werking te laten treden wettig kan beslissen dat de relatief lange termijn die de uitvoerende macht nodig had om een bepaalde uitvoeringsbeslissing te nemen geen onrechtmatige daad inhield
(18). 2.3. De appelrechter oordeelt te dezen dat de uitvoeringstermijn alle grenzen van redelijkheid te buiten gaat en dergelijk handelen niet overeenstemt met de normen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur. Bij het beoordelen van de redelijkheid van de termijn beoordeelt de appelrechter de concrete omstandigheden die eiseres in haar syntheseberoepsconclusie had aangevoerd, meer bepaald de complexiteit van de uitvoering die noopte dat die gefaseerd zou gebeuren, de lange periode van een regering in lopende zaken na de verkiezingen en de wetswijziging van artikel 206 ingevolge de ongerustheid bij het in dienst zijnde personeel, als elementen die de vertraging uitleggen maar niet rechtvaardigen. Met dergelijk oordeel beperkt de appelrechter mijns inziens de beleidsvrijheid van de uitvoerende macht en schendt hij het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten. Het zevende onderdeel is in zoverre gegrond. (…) Conclusie: vernietiging met verwijzing. ___________________________
(1)Cass. 28 september 2006, AR C.02.0570.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060928.7, AC 2006, nr. 445.
(2)Cass. 8 november 2002, AR C.00.0124.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021108.9, AC 2002, nr. 591.
(3)Conclusie van advocaat-generaal F. DUMON vóór Cass. 23 april 1971, Arr.Cass. 1971, 790.
(4)Cass. 27 oktober 2006, AR C.03.0584.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.1, AC 2006, nr. 518.
(5)Cass. 7 maart 1963, Pas, I, 1963, 744 met concl. van procureur-generaal GANSHOF VAN DER MEERSCH; Cass. 26 april 1963, Pas, I, 905.
(6)Cass. 28 september 2006, AR C.02.0570.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060928.7, AC 2006, nr. 445.
(7)Zie in die zin met betrekking tot de wetgevende macht Cass. 28 september 2006, AR C.02.0570.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060928.7, AC 2006, nr. 445.
(8)Cass. 3 januari 2008, AR C.06.0322.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080103.1, AC 2008, nr. 4.
(9)Cass. 8 november 2002, AR C.00.0124.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021108.9, AC 2002, nr. 591.
(10)Cass. 23 april 1971, Arr.Cass. 1971, 689.
(11)Conclusie van advocaat-generaal F. DUMON vóór Cass.23 april 1971, Arr.Cass. 1971, 791.
(12)Cass. 10 april 2014, AR C.11.0796.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140410.1, AC 2014, nr. 282.
(13)Cass. 27 maart 2003, AR C.02.0293.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030327.15-C.02.0307.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030327.15-C.02.0308.F, AC 2003, nr. 211.
(14)Zie Cass. 27 oktober 2006, AR C.03.0584.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.1, AC 2006, nr. 518.
(15)Zie K. LEUS, Het zorgvuldigheidsbeginsel, in I. OPDEBEEK en M. VAN DAMME, Beginselen van behoorlijk bestuur, Brugge, Die Keure, 2006, 105.141; C. BERX, Rechtsbescherming van de burger tegen de overheid, Antwerpen, Intersentia, 2000, 303; I. OPDEBEEK, Rechtsbescherming tegen het stilzitten van het bestuur, Brugge, Die Keure, 1992, 31-32.
(16)Conclusie van advocaat-generaal F. DUMON vóór Cass. 23 april 1971, Arr.Cass. 1971, p. 812.
(17)Zie concl. van procureur-generaal A. HENKES, toen advocaat-generaal, op datum in Pas., vóór Cass. 27 maart 2003, AR C.02.0293.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030327.15-C.02.0307.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030327.15-C.02.0308.F, AC 2003, nr. 211.
(18)Cass. 27 maart 2003, AR C.02.0293.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030327.15-C.02.0307.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030327.15-C.02.0308.F, AC 2003, nr. 211. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200312.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200312.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021108.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030327.15 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060928.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080103.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140410.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div