id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200319.1N.4 Rolnummer: F.19.0045.N Zaak: VLAAMS GEWEST'c. SOCIALE WERKPLAATS DE SPRINGPLANK vzw Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-04-07 Raadplegingen: 827 - laatst gezien 2026-06-18 23:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200319.1N.4 Fiche Met soortgelijke weldadigheidsinstellingen worden de instellingen bedoeld die op eender welke wijze geestelijke, fysieke dan wel andere zorg verstrekken aan hulpbehoevenden; een sociale werkplaats die tewerkstelling organiseert voor moeilijk bemiddelbare werkzoekenden verstrekt zorg aan hulpbehoevende personen en is bijgevolg te beschouwen als een soortgelijke weldadigheidsinstelling
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing Vrije woorden: Vrijstelling - Bestemming tot weldadigheidsinstelling - Soortgelijke weldadigheidsinstelling - Begrip - Sociale werkplaats Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 12, § 1, en 253, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Annotaties Publicaties: Fiscale actualiteit [Fisc.Act.] - 2020, nr. 21, p. 10-
- - DESTERBECK, Francis; Noot'Hogere rechtspraak nu eensgezind: maatwerkbedrijven vrijgesteld van onroerende voorheffing' Tekst van de conclusie F.19.0045.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (...)
- Bespreking van het enig middel 2.
- Eiser voert de schending aan van de artikelen 12, §1, en 253, eerste lid, 1°, WIB92, zoals van toepassing voor het Vlaams Gewest voor het aanslagjaar 2010, de artikelen 3 en 5 van het decreet van het Vlaams Parlement van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen en artikel 2 van het Besluit van de Vlaamse regering van 8 december 1998 tot uitvoering van het decreet inzake sociale werkplaatsen. Aangezien artikel 12, §1, WIB92 een uitzondering voorziet op de algemene regel van de belastbaarheid van onroerende inkomsten, moet die bepaling volgens eiser beperkend worden geïnterpreteerd, wat impliceert dat de vrijstelling van onroerende voorheffing voor de bestemming van onroerende goederen tot zogenaamde "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" vereist dat voldaan is van de voorwaarde van soortgelijkheid aan de in de wet uitdrukkelijk genoemde instellingen die voor de vrijstelling in aanmerking komen, te weten: instellingen voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden. De activiteit van verweerster is gericht op sociale tewerkstelling, zodat er geen sprake is van een met hospitalen, klinieken of dispensaria soortgelijke instelling, noch met een andere in artikel 12, §1, WIB92 opgesomde instelling. Hoewel naast instellingen die fysieke en geestelijke zorg verstrekken, ook instellingen die andere hulp verstrekken, zoals sociale en maatschappelijke zorg, voor een vrijstelling van de onroerende voorheffing in aanmerking kunnen komen, doet dat geen afbreuk aan de vereiste van soortgelijkheid. De loutere vaststelling dat sprake is van een dienstverlening aan in zekere zin hulpbehoevende personen, volstaat niet; aldus eiser. 2.
- Artikel 253, 1°, WIB92 stelt het kadastraal inkomen van de in artikel 12, §1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen vrij van onroerende voorheffing. Krachtens artikel 12, §1, WIB92, zoals hier toepasselijk, is onder meer het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen, vrijgesteld. 2.
- Uw Hof oordeelde in een constante rechtspraak dat met soortgelijke weldadigheidsinstellingen de instellingen worden bedoeld die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken
(1). Auteur JANSSENS merkt op dat terwijl de lagere rechtspraak veeleer soepel is wat betreft de invulling van het begrip "soortgelijke weldadigheidsinstelling" uw Hof aldus eerder de "harde lijn bewaakte"
(2). De vraag stelt zich of de voormelde invulling die Uw Hof geeft aan het begrip "soortgelijke weldadigheidsinstelling" verder kan gestand houden in het licht van het arrest van het Grondwettelijk Hof dd. 29 maart 2018
(3). Het Grondwettelijk Hof heeft in dat arrest immers geoordeeld dat de artikelen 12, §1, en 253 WIB92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in de interpretatie dat "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" enkel de instellingen zijn die fysieke of geestelijke zorg verstrekken, maar dat dezelfde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden in de interpretatie dat instellingen waar, zonder winstoogmerk, andere zorg dan fysieke of geestelijke zorg aan hulpbehoevenden wordt verstrekt, als "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" worden beschouwd. Volgens eiser volgt uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 29 maart 2018 niet dat instellingen die (zonder winstoogmerk) "andere" zorg dan fysieke of geestelijke zorg aan hulpbehoevenden verstrekken, per definitie als "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" kwalificeren. Eiser benadrukt dat de voorwaarde van soortgelijkheid aanwezig blijft . De stelling van eiser kan naar mijn mening niet worden bijgetreden. Soortgelijke weldadigheidsinstellingen zijn volgens de rechtspraak van Uw Hof instellingen die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken. In een grondwettelijke lezing van het artikel 12, §1, en 253 WIB92 dienen m.i. hieronder ook de instellingen die andere zorg dan fysieke of geestelijke zorg verstrekken (zoals maatschappelijke of sociale) te worden begrepen. Aansluitend bij het standpunt van verweerster in de memorie van antwoord meen ik dat de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof impliceert dat wanneer er in de betrokken instelling zorg wordt verstrekt aan hulpbehoevenden er dan sprake is van een "soortgelijke weldadigheidinstelling" en aldus van een instelling waarvan de activiteit analogie vertoont met een van de activiteiten opgesomd in artikel 12 §1, WIB92. Er is dan per definitie sprake van een instelling die op een vergelijkbare wijze als de andere in het artikel opgesomde instellingen zorgen verstrekt. In diverse rechtsleer wordt dit standpunt bijgetreden. Volgens C. BUYSSE kan aan instellingen die dergelijke "andere" zorg (dan fysieke of geestelijke zorg) verstrekken, de vrijstelling onroerende voorheffing — in een grondwetsconforme interpretatie ervan — niet langer worden ontzegd louter op basis van het argument dat zij geen fysieke of geestelijke zorg zouden aanbieden
(4). Auteur M. VERHOEVEN stelt: "Elke belastingplichtige die een onroerend goed zonder winstoogmerk gebruikt voor geestelijke zorg, fysieke zorg of enige andere zorg aan hulpbehoevende personen, is vrijgesteld van de onroerende voorheffing. Die interpretatie strookt met de doelstelling van de vrijstelling om onroerende goederen fiscaal te begunstigen die gebruikt worden voor hulpbehoevenden"
(5). F. EERENS besluit omtrent het arrest van het Grondwettelijk Hof als volgt: "In zijn arrest van 29 maart 2018 verduidelijkt het Grondwettelijk Hof dat de vrijstelling van de onroerende voorheffing voor de zogenaamde soortgelijke weldadigheidsinstellingen niet beperkt mag zijn tot instellingen die fysieke of geestelijke zorg verstrekken. Die laatste interpretatie, die ook het Hof van Cassatie volgt, is niet grondwetsconform. Ze is niet pertinent in het licht van het doel van de vrijstelling, met name om de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen. Samengevat komen zowel onroerende goederen die bestemd zijn voor fysieke of geestelijke zorg als de onroerende goederen die bestemd zijn voor enige andere zorg aan hulpbehoevenden, zoals maatschappelijke en sociale zorg, in aanmerking voor de vrijstelling van de onroerende voorheffing, voor zover dit zonder winstoogmerk gebeurt"
(6). Ook de hoven van beroep van Antwerpen en Gent volgen inmiddels het arrest van het Grondwettelijk Hof dd. 29 maart 2018
(7). Het arrest van uw Hof dd. 11 mei 2018
(8)doet m.i. geen afbreuk aan het standpunt van het Grondwettelijk Hof waaruit voortvloeit dat er ook sprake kan zijn van maatschappelijke of sociale zorg. 2.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: * volgens de statuten het doel van verweerster bestaat in het organiseren van tewerkstelling voor personen die omwille van hun beperkingen (nog) niet bemiddelbaar zijn naar de open arbeidsmarkt; * verweerster een erkende sociale werkplaats is in de zin van het decreet van het Vlaams Parlement van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen; * de bedoeling van een sociale werkplaats zoals verweerster niet zonder meer tewerkstelling is maar wel de tewerkstelling van personen die hulpbehoevend zijn; * de hulp die geboden wordt, erin bestaat te verhelpen aan de onmogelijkheid om op de normale arbeidsmarkt te worden tewerkgesteld; * uit de voorstellingsnota blijkt dat de kringloopwinkels die verweerster uitbaat ook bezet worden door hulpbehoevende personen; * uit het onderzoek gevoerd door de administratie van het kadaster blijkt dat de in betwisting zijnde onroerende goederen volledig, rechtstreeks of onrechtstreeks, doch uitsluitend aangewend worden als soortgelijke weldadigheidsinstelling. Aldus vermochten de appelrechters te oordelen dat de bestemming van de litigieuze onroerende goederen voor een sociale werkplaats tot gevolg heeft dat verweerster kan genieten van de vrijstelling van onroerende voorheffing. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen.
- Besluit: Verwerping. _________________________________
(1)Zie o.a. Cass. 10 februari 2017, AR F.16.0013.N, AC 2017, nr. 101, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170210.2; Cass. 23 december 2016, AR F.15.0194.N, AC 2016, nr. 748, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161223.4; Cass. 24 april 2015, AR F.14.0121.N, AC 2015, nr. 276, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150424.4; Cass. 24 mei 2012, AR C.11.0492.N, AC 2012, nr. 331, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120524.3.
(2)S. JANSSENS, "Maakt het Grondwettelijk Hof van de fiscus een ‘wilde weldoener'?", Fisc. Act., nr. 15/2018, p. 9-11.
(3)GwH, 29 maart 2018, nr. 2018/44, B.2-B.4.2.
(4)C. BUYSSE, "Onroerende voorheffing; Welke 'zorg' aan hulpbehoevenden geeft recht op vrijstelling onroerende voorheffing?", Fisc. 2018, nr. 1562, p. 4.
(5)M. VERHOEVEN, "Meer zorgaanbieders vrijgesteld van onroerende voorheffing" AFT 2018/11-12, p. 20
(23), noot onder Grondwettelijk Hof 29 maart 2018.
(6)F. EERENS, "Grondwettelijk Hof welwillend tegenover weldadigheidsinstellingen", TFR 2019, nr. 557, p. 228, noot onder Grondwettelijk Hof 29 maart 2018.
(7)S. VANCOLEN en S. VANDORPE, "Sociale werkplaats kan ‘soortgelijke weldadigheidsinstelling' zijn", Fisc. Act., nr. 3/2020, p. 7-10.
(8)Cass. 11 mei 2018, AR F.17.0106.F, AC 2018, nr. 304, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180511.
- In dit arrest stelt uw Hof niet langer voorop dat met soortgelijke weldadigheidsinstellingen die instellingen bedoeld worden "die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken", zoals in arresten vermeld onder voetnoot
- Er wordt enkel geoordeeld dat een instelling die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekt een soortgelijke weldadigheidsinstelling is als een hospitaal, kliniek of dispensarium. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200319.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200319.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120524.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150424.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161223.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170210.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180511.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div