Obsah (5)
Art. 43qArt. 61bisArt. 47bisArt. 88bisArt. 9id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 maart 2020 EC
Art. 43quater, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.
BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Criminele organisatie - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Illegale vermogensvoordelen - Ganse vermogen van de criminele organisatie - Verplichte verbeurdverklaring - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 324bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek
Art. 43q
uater, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 10 - 11 Wanneer een beklaagde wordt vervolgd wegens valsheid en het gebruik van valse stukken, begint de verjaring van de strafvordering ten aanzien van beide misdrijven eerst te lopen vanaf het laatste gebruik; het gebruik van een vals stuk duurt voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het door hem beoogde doel niet werd verwezenlijkt en zolang de oorspronkelijke handeling die hem wordt verweten, zonder dat hij zich ertegen verzet, het nuttig gevolg heeft dat hij ervan verwachtte
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Beginpunt van de verjaringstermijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Laatste gebruik - Nuttig gevolg dat de dader van het gebruik verwachtte - Verjaring strafvordering - Beginpunt - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 12 - 15 De strafrechter oordeelt onaantastbaar in feite of, naargelang het al dan niet verwezenlijkt zijn van het door de dader van het misdrijf nagestreefde doel en het nuttige gevolg dat hij van het valse stuk verwachtte, aan het gebruik van dat stuk een einde is gekomen, waardoor de verjaringstermijn van de strafvordering een aanvang neemt; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht heeft kunnen afleiden dat die valsheid al dan niet heeft opgehouden de door de vervalser gewenste uitwerking te hebben
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Beginpunt van de verjaringstermijn - Beoordeling door de strafrechter - Controle van het Hof - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Laatste gebruik - Nuttig gevolg dat de dader van het gebruik verwachtte - Verjaring strafvordering - Beginpunt - Beoordeling door de strafrechter - Controle van het Hof - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Verjaring strafvordering - Beginpunt - Beoordeling door de strafrechter - Controle van het Hof - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Verjaring van de strafvordering - Beginpunt - Beoordeling door de strafrechter - Controle van het Hof - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 16 - 17 De rechter bepaalt onaantastbaar in feite wanneer het gebruik van valse stukken ophoudt te bestaan; aldus kan de rechter oordelen dat het einde van dat gebruik samenvalt met de ontdekking van de valsheid, die op haar beurt samenvalt met de formele inverdenkingstelling van een beklaagde door de onderzoeksrechter; behoudens daartoe strekkende conclusie verplicht geen enkele bepaling de rechter dat oordeel uitdrukkelijk toe te lichten. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Laatste gebruik - Nuttig gevolg dat de dader van het gebruik verwachtte - Inverdenkingstelling van de verdachte - Beoordeling door de strafrechter - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek
Art. 61bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Nuttig gevolg dat de dader van het gebruik verwachtte - Inverdenkingstelling van de verdachte - Beoordeling door de strafrechter - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 193, 196, 197, 213 en 214 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek
Art. 61bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 18 - 19 De verjaring van de strafvordering met betrekking tot fiscale valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, wegens het voortdurende gebruik van die stukken, begint niet te lopen zolang de verschuldigde belasting nog niet geheel en onvoorwaardelijk is betaald of zolang de fiscale administratie nog de mogelijkheid heeft, eventueel binnen een bijzondere of aanvullende termijn, de belastingen te vestigen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Fiscale valsheid - Beginpunt van de verjaringstermijn - Betaling belastingen of vestiging van belasting - Beoordeling door de strafrechter - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 450 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Strafvordering - Termijnen - Gebruik van valse stukken - Fiscale valsheid - Beginpunt van de verjaringstermijn - Betaling belastingen of vestiging van belasting - Beoordeling door de strafrechter - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 450 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 20 - 21 De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een verdachte van verklaringen zonder bijstand van een advocaat en met miskenning van de cautieplicht, leidt niet tot onontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot gebeurlijke uitsluiting van dit bewijs
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Verklaring van de verdachte - Gebrek aan bijstand van een advocaat - Sanctionering - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Grens Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Bewijs - Verklaring van de verdachte - Gebrek aan bijstand van een advocaat - Sanctionering - Ontvankelijkheid van de strafvordering - Grens Fiches 22 - 24 Het recht op een eerlijk proces vereist slechts dat aan een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door de politie, in zoverre hij zich in een kwetsbare positie bevindt; het staat aan de rechter om aan de hand van concrete gegevens van de zaak na te gaan of de beklaagde zich tijdens zijn verhoren in een bijzonder kwetsbare positie bevond en, zo dit het geval is, of het niet-uitsluiten van bepaalde verhoren die tijdens het strafonderzoek werden afgelegd zonder bijstand van een advocaat of miskenning van de cautieplicht, tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel is miskend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op bijstand van een advocaat - Verhoor van de verdachte - Bewijs - Algemeen Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Verklaring van de verdachte zonder bijstand van een advocaat - Kwetsbare positie - Beoordeling door vonnisrechter - Uitsluiting van bewijs - Recht op een eerlijk proces - Voorwaarden Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op bijstand van een advocaat tijdens een verhoor verdachte - Begrip verdachte in een kwetsbare positie - Beoordeling door vonnisrechter - Uitsluiting van bewijs - Recht op een eerlijk proces - Voorwaarden Fiches 25 - 27 Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zich te incrimineren. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Verklaring van de verdachte zonder verwittiging van het zwijgrecht - Cautieplicht - Uitsluiting van bewijs - Recht op een eerlijk proces - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek
Art. 47bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Verklaring van de verdachte zonder verwittiging van het zwijgrecht - Cautieplicht - Uitsluiting van bewijs - Recht op een eerlijk proces - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek
Art. 47bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Zwijgrecht - Recht op bijstand van een advocaat - Verbod op zelfincriminatie - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wetboek
Art. 47bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 28 - 29 Artikel 47bis, § 6, 9) Wetboek van Strafvordering, in werking getreden op 27 november 2016, is niet van toepassing op verhoren die daarvoor zijn afgenomen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Zwijgrecht - Recht op bijstand van een advocaat - Verbod op zelfincriminatie - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek
Art. 47bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Verklaring van de verdachte - Geen recht op bijstand van een advocaat - Toelaatbaarheid van het bewijs - Verklaringen afgelegd voor 27 november 2016. - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek
Art. 47bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 30 - 31 Noch artikel 6 EVRM, noch het recht van verdediging, verzetten zich ertegen dat het vonnisgerecht zich baseert op de beschikbare gegevens van het strafdossier; daartoe komen alle gegevens in aanmerking, waaronder de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht waaruit blijkt welke feiten wel en niet worden verwezen en de aan tegenspraak onderworpen informatie verstrekt door het openbaar ministerie; niet vereist is dat de vonnisrechter het nog bij de onderzoeksrechter aanhangige dossier inkijkt. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Bewijs - Beschikbare gegevens in het strafdossier - Verwijzingsbeschikking - Inzage dossier door vonnisrechter. - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 55, 127, 182 en 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Beschikbare gegevens in het strafdossier - Verwijzingsbeschikking - Inzage dossier door vonnisrechter. - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Artt. 55, 127, 182 en 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 32 - 33 De enkele omstandigheid dat een beklaagde in het gerechtelijk onderzoek dat voortduurt na zijn verwijzing, verdacht wordt van feiten die verwant zijn of lijken te zijn met deze waarvoor hij is verwezen, impliceert niet dat het om dezelfde feiten gaat, de zaak voor het vonnisgerecht niet in staat van wijzen is, dat de beklaagde voor dat gerecht zijn recht van verdediging niet te volle kan uitoefenen of dat hij nog voorwerp zal uitmaken van een tweede vervolging
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling der rechtspleging - Verwijzing van een deel van de feiten - Voorzetting van het onderzoek voor andere feiten - Recht op tegenspraak van de beklaagde - Beoordeling van de feitenrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Artt. 127, 130, 182 en 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Informatie over feiten die nog het voorwerp blijven van een lopend gerechtelijk onderzoek - Beoordeling door vonnisrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Artt. 127, 130, 182 en 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 34 Het feit dat bewijselementen werden verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven of met het recht op bescherming van persoonsgegevens, heeft niet steeds een miskenning van het recht op een eerlijk proces tot gevolg ; krachtens artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering worden onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de erin vermelde voorwaarden, niet nietig verklaard of uit het debat geweerd; deze regel geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Bewijs verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven - Toelaatbaarheid van het bewijs - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek
Art. 88bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie - 13-06-2005 - Art. 126 - 32 ELI link Pub nr 2005011238 Fiche 35 Het feit dat bewijselementen werden verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven of met het recht op bescherming van persoonsgegevens, heeft niet steeds een miskenning van het recht op een eerlijk proces tot gevolg ; krachtens artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering worden onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de erin vermelde voorwaarden, niet nietig verklaard of uit het debat geweerd; deze regel geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht
(1).
(1)Zie concl. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Bewijs verkregen in strijd met het recht op bescherming van persoonsgegevens - Toelaatbaarheid van het bewijs - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek
Art. 88bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie - 13-06-2005 - Art. 126 - 32 ELI link Pub nr 2005011238 Fiches 36 - 37 Het feit dat bewijselementen werden verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven of met het recht op bescherming van persoonsgegevens, heeft niet steeds een miskenning van het recht op een eerlijk proces tot gevolg ; krachtens artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering worden onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de erin vermelde voorwaarden, niet nietig verklaard of uit het debat geweerd; deze regel geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Gegevens verstrekt door telecom-operatoren - Gebrek aan regels over de bewaring van data - Toelaatbaarheid van het bewijs - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek
Art. 88bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie - 13-06-2005 - Art. 126 - 32 ELI link Pub nr 2005011238 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Gegevens verstrekt door telecom-operatoren - Gebrek aan regels over de bewaring van data - Toelaatbaarheid van het bewijs - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek
Art. 88bis
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie - 13-06-2005 - Art. 126 - 32 ELI link Pub nr 2005011238 Fiches 38 - 39 Uit de bepalingen van de EU-Richtlijn 2010/64/EU, om te zetten naar Belgisch recht voor 27 oktober 2013, volgt dat elke beklaagde in de regel recht heeft op een schriftelijke vertaling voor de voor hem relevante stukken, die essentieel zijn voor zijn verweer; als essentiële stukken zijn aangemerkt: de beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging in de dagvaarding en de vonnissen; voor wat de andere processtukken betreft, oordeelt de rechter onaantastbaar of ze essentieel zijn voor de effectieve uitoefening van het recht van verdediging; hij kan daarbij alle relevante omstandigheden ter vrijwaring van dat recht in aanmerking nemen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op vertaling - Essentiële stukken voor de verdediging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 28 oktober 2016 houdende verdere omzetting van de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en van de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees ... - 28-10-2016 - Artt. 3.2 en 3.3 - 36 Link Justel databank 20161028-36 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Richtlijn 2010/64 betreffende het recht op vertolking en vertaling - Recht op vertaling - Essentiële stukken voor de verdediging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 28 oktober 2016 houdende verdere omzetting van de Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en van de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees ... - 28-10-2016 - Artt. 3.2 en 3.3 - 36 Link Justel databank 20161028-36 Fiches 40 - 41 Uit de bepalingen van de AWDA volgt dat het opsporen, vaststellen en vervolgen van inbreuken op de AWDA is toevertrouwd aan douaneambtenaren, die daartoe over ruime onderzoeksbevoegdheden beschikken, zoals woningen visiteren en zaken in beslag nemen; douaneambtenaren zijn functioneel te beschouwen als agenten van gerechtelijke politie en kunnen in die hoedanigheid bijstand verlenen aan de gerechtelijke politie; dat deze ambtenaren, vanuit statutair oogpunt, geen politieambtenaren zijn en hun ambt niet uitoefenen onder het gezag van de minister van Justitie, doet hieraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Douane en accijnzen - Douaneambtenaren - Onderzoeksbevoegdheden - Bijstand verlenen aan de gerechtelijke politie - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 175, 182, 189, 201, 267 en 273 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Artt. 3, 4°, en 5 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Douaneambtenaren - Onderzoeksbevoegdheden - Bijstand verlenen aan de gerechtelijke politie - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 175, 182, 189, 201, 267 en 273 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Artt. 3, 4°, en 5 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiche 42 Er bestaat geen algemene regel die bepaalt dat alle fiscale ambtenaren, wanneer ze zelf geen eigen douaneonderzoek als ambtenaar uitvoeren, op straffe van nietigheid van de akte van de rechtspleging, slechts als getuige mogen worden gehoord
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Fiscale ambtenaren - Medewerking aan het onderzoek - Verhoor als getuige - Algemeen Fiches 43 - 44 Artikel 87 Wet 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 verleent aan de ambtenaren van de bijzondere belastinginspectie (BBI) de machten van ambtenaren van alle fiscale administraties, en bijgevolg ook de machten van de ambtenaren van douane en accijnzen; wanneer de ambtenaren van de bijzondere belastinginspectie optreden inzake douane en accijnzen, geldt het verbod om anders dan als getuige op te treden derhalve niet; Het feit dat verschillende fiscale administraties door de wet zijn bekleed met verschillende bevoegdheden, zodat de rechten die de belastingplichtige kan laten gelden tegen de ene administratie niet van toepassing zijn op de andere administratie, houdt geen schending in van enige verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling noch miskenning van enig rechtsbeginsel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Bijzondere belastingsinspectie - Onderzoeksbevoegdheden - Douane en accijnzen - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 265 tot 286 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 - 08-08-1980 - Art. 87 - 01 ELI link Pub nr 1980080802 Wet 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen - 04-08-1986 - Artt. 63 en 72 - 38 Link Justel databank 19860804-38 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Bijzondere belastingsinspectie - Onderzoeksbevoegdheden - Douane en accijnzennn - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 265 tot 286 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 - 08-08-1980 - Art. 87 - 01 ELI link Pub nr 1980080802 Wet 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen - 04-08-1986 - Artt. 63 en 72 - 38 Link Justel databank 19860804-38 Fiches 45 - 47 Uit de Wet van 22 april 2003 volgt niet dat douaneambtenaren bij het verlenen van bijstand aan de gerechtelijke politie bekleed dienen te zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Douaneambtenaren - Bijstand aan gerechtelijke politie - Hulpofficier van de procureur des Konings - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 9
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de algemene administratie van de douane en accijnzen - 22-04-2003 - 34 ELI link Pub nr 2003003277 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Douaneambtenaren - Bijstand aan gerechtelijke politie - Hulpofficier van de procureur des Konings - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 9
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de algemene administratie van de douane en accijnzen - 22-04-2003 - 34 ELI link Pub nr 2003003277 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Officier van gerechtelijke politie - Douaneambtenaren - Bijstand aan gerechtelijke politie - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 9
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de algemene administratie van de douane en accijnzen - 22-04-2003 - 34 ELI link Pub nr 2003003277 Tekst van de conclusie P.19.0571.N Conclusie van advocaat-generaal De Smet: 1. Voorafgaande opmerkingen
(1)De Belgische Staat, burgerlijke partij, eiser XIII, deed afstand van zijn cassatieberoep, bij akte van 26 juli 2019, zonder berusting. Uw Hof kan die afstand verlenen. Eisers I.1., I.2., II, X.1, X.2, XIX.1 en XII.
- hebben cassatieberoep ingesteld tegen onderdelen van het bestreden arrest waarbij zij werden vrijgesproken, Op die punten is hun cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang. In zoverre eisers opkomen tegen onderdelen van tenlastelegging F.I en F.II waarbij de strafvordering niet-ontvankelijk is verklaard, is hun cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang. In de tijdig ingediende memories van eisers I tot en met X.II. worden middelen in cassatie aangevoerd die betrekking hebben op volgende rechtsproblemen: 1°Raming van het illegaal vermogensvoordeel van transacties die niet in de boekhouding zijn verwerkt (artikelen 42, 3° en 43bis Sw.). Betreft 3e middel van eisers II, II, IV, V, VI, 4e middel van eiser VIII en 2e middel van eiseres X. 2°Verbeurdverklaring van activa van een criminele organisatie bij gedeeltelijke vrijspraak wegens witwassen (artikelen 42 en 43quater Sw.). Betreft 3e middel van eiser II 3°Verjaring van de strafvordering van het misdrijf gebruik van valse stukken (artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Sw. en art. 21 V.T. Sv.). Betreft 1e middel van eisers I en XII. 4°Het aannemen van periodes van schorsing van de verjaring van de strafvordering buiten de oorspronkelijke termijn van verjaring, in een termijn van stuiting van de verjaring (artikelen 21, 22 en 24 V.T. Sv.). Betreft 1e middel van eisers XII. 5°De verenigbaarheid met het recht op een eerlijk proces van een beslissing van de raadkamer tot verwijzing van een deel van de zaak naar het vonnisgerecht en het voortzetten van het onderzoek voor andere feiten waarvoor de onderzoeksrechter is gelast (art. 6 EVRM, artikelen 127 en 130 Sv.). Betreft 1e middel van eisers II en XI. 6°De toelaatbaarheid van samenwerking tussen leden van de federale politie en de douaneadministratie bij het verzamelen van bewijs onder leiding van de onderzoeksrechter (artikelen 9 en 55 Sv. en 186 en 327 AWDA KB 18 juli 1977). Betreft 1e middel van eiser VI 7°Toelaarbaarheid als bewijs van een verhoor van een niet-aangehouden verdachte afgenomen voor de Salduz-Wetten van 13 augustus 2011 en 24 november 2016 (art. 6.
- EVRM en 47bis Sv.). Betreft 2e middel eisers I 8°Het recht op vertaling van stukken die relevant zijn voor het verweer en de beoordelingsmarge van de strafrechter (art. 6.
- EVRM en EU-Richtlijn 2010/64). Betreft 1e middel van eisers III, IV, V, en VII. 9°Toelaatbaarheid als bewijs van gegevens van telecom-operatoren verstrekt op bevel van de onderzoeksrechter toen er nog geen regels bestonden over dataretentie (art. 6 en 8 EVRM, 88bis Sv. en 126 Wet 13 juni 2005, gewijzigd door art. 4 Wet 29 mei 2016). Betreft 2e middel van eisers II, IV, X en XI.
- Middelen van eisers I.
- Multifuture BVBA en I.
- P. S. In een eerste middel wordt aangevoerd dat voor het van valsheid betichte stuk E. II de appelrechters aannamen dat het gebruik ervan in fiscalibus zich uitstrekte zolang de bevoegde belastingadministratie misleid wordt en in de onmogelijkheid blijft de misleiding recht te zetten. Het enkele feit dat een bijkomende vestiging van de belasting mogelijk is op grond van artikel 358 Wetboek Inkomstenbelasting betekent niet dat er nog sprake is van een nuttig effect. Volgens eisers hebben de appelrechters aan de term ‘nuttig gebruik van een vals stuk' een te ruime interpretatie gegeven, die een bijna onverjaarbaarheid van de strafvordering inhoudt voor de misdaad gebruik van valse stukken, gemeenrechtelijk en in fiscale zaken, in strijd met de artikelen 194 tot 197 Strafwetboek, de artikelen 449 en 450 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 en artikel
- Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering over de verjaring. Volgens eisers loopt de verjaring vanaf de vestiging van de definitieve belasting. Beoordeling. Het is vaststaande rechtspraak dat bij een vervolging van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, de verjaring van de strafvordering loopt vanaf het laatste gebruik
(2). Dit gebruik duurt voort, zelfs zonder een nieuwe handeling van gebruik, zolang het doel beoogd door de beklaagde niet is verwezenlijkt en zolang de oorspronkelijke handeling het nuttig gevolg heeft dat hij ervan verwachtte, zonder verzet van zijn kant
(3), zoals terecht is geoordeeld door de appelrechters (p. 236 en 240). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. De feitenrechter stelt onaantastbaar vast welk het doel was van de dader die gebruik maakte van een vals stuk en waarin dit gebruik heeft bestaan. Het Hof van Cassatie gaat enkel na of de feitenrechter uit zijn vaststellingen over het nuttig gevolg wettig heeft afgeleid wanneer de valsheid ophield, en de verjaring van de strafvordering een aanvang nam
(4). Uw Hof toetst dus of de feitelijke vaststellingen die de rechter ter zake maakt, zijn oordeel over het doel en gebruik van een vals stuk naar recht kunnen verantwoorden
(5). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Het bestreden arrest oordeelt op bladzijden 236 en 237 dat het gebruik van valse stukken in fiscale zaken als doel had te ontsnappen aan een juiste aangifte van de vennootschapsbelasting. De appelrechters namen aan dat de verjaring van de strafvordering bij gebruik van deze valse stukken aanvangt bij betaling van de belastingschuld of de onmogelijkheid tot het aanvullend taxeren. Vermits er van algehele betaling van de belastingschuld geen sprake is, strekt het nuttig effect van het gebruik van vals stuk E.II zich uit zolang de belastingadministratie misleid wordt en in de onmogelijkheid blijft aan die misleiding te remediëren. De appelrechters verwezen ook naar de mogelijkheid van een bijzondere aanslagtermijn van 12 maanden en de schorsing van de verjaring van de fiscale vordering in geval van een strafonderzoek, zoals bepaald in respectievelijk artikelen 358§2 en 443ter Wetboek Inkomstenbelasting 1992. Op grond van deze overwegingen konden de appelrechters wettig beslissen dat het gebruik van valse stukken (tenlastelegging E) nuttige uitwerking behield tot de beschikking van verwijzing naar de correctionele rechtbank. Hiermee is artikel 450 Wetboek Inkomstenbelasting niet geschonden. In fiscale zaken kan het gebruik van valse stukken immers voortduren zolang de administratie misleid wordt en in de mogelijkheid blijft aan de misleiding te remediëren, uiterlijk tot de definitieve vestiging van de belasting, de uitspraak over het bezwaar tegen de aanslag of zelfs de volledige en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting
(6). Uw Hof oordeelde dat het voortduren van het nuttig gebruik van een vals belastingstuk kan worden afgeleid uit elk gebruik dat de van valsheid betichte stukken wordt gemaakt met het opzet de belastingadministratie te misleiden
(7). Met al deze redenen is het bestreden arrest naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van de appelrechters dat het verhoor van eiser I.
- als zaakvoeder zonder bijstand van een advocaat, niet in strijd is met de artikelen 6.
- en 6.
- EVRM. De toenmalige verplichte mededelingen aan een niet-aangehouden verdachte hielden geen uitdrukkelijke vermelding in van het zwijgrecht. Ook oordeelden de appelrechters ten onrechte dat latere tegenspraak in de strafprocedure, en de mogelijkheid om verklaringen zonder bijstand van de advocaat in te trekken, volstaan om miskenning van het recht op bijstand van een advocaat te compenseren. Volgens eiser hebben de tekortkomingen inzake mededeling van het zwijgrecht en recht op bijstand van een advocaat in het verhoor, het recht op een eerlijk proces van meet af aan aangetast, en is de veroordeling van eiser dus in strijd met artikel 6 EVRM. Beoordeling. Het afleggen van een verklaring van een verdachte zonder bijstand van een advocaat en miskenning van de plicht te wijzen op het zwijgrecht (cautieplicht) leidt niet tot onontvankelijkheid van de strafvordering, enkel tot mogelijke uitsluiting van die verklaring als bewijs à charge
(8). Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt, zoals aangenomen door uw Hof
(9). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Zelfs als een bijzonder kwetsbare verdachte is verhoord zonder bijstand van een advocaat betekent dit niet meteen stopzetting van de strafprocedure. In zoverre dit middel, gesteund op artikel 47bis §6 Wetboek van Strafvordering, uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Het algemeen recht van bijstand van een advocaat bij elk verhoor van een verdachte, ingeschreven in art. 47bis Sv. ingevolge de Wet van 21 november 2016 (BS 24 november 2016) kan overigens niet ‘retro-actief' worden toegepast op alle verhoren afgenomen van een niet-aangehouden verdachte zonder bijstand van een advocaat, afgelegd voor inwerkingtreding van deze Wet
(10). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Het staat aan de rechter om aan de hand van concrete gegevens uit te maken of de beklaagde zich tijdens zijn verhoor in een bijzondere kwetsbare positie
(11)bevond en, zo ja, of het gebruik van verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat leidt tot miskenning van het recht op een eerlijk proces in zijn geheel
(12). De strafrechter kan oordelen dat een verklaring van een verdachte afgelegd zonder bijstand van een advocaat, in de loop van het strafonderzoek, als bewijs in aanmerking komt zonder dat daardoor het recht op een eerlijk proces in zijn geheel is miskend, zelfs bij afwezigheid van dwingende reden voor het beperken van die bijstand van een advocaat
(13). Bijstand van een advocaat tijdens het verhoor is enkel verplicht als de verdachte zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt
(14). Uw Hof oordeelde op dit punt: "Een verdachte bevindt zich in een bijzonder kwetsbare positie wanneer, als gevolg van omstandigheden die betrekking hebben hetzij op zijn persoon hetzij op de situatie waarin of de wijze waarop het verhoor wordt afgenomen, hij niet vrij en weloverwogen zijn verklaringen kan afleggen en gebruik kan maken van zijn recht zichzelf niet te incrimineren"
(15). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. In het bestreden arrest, bladzijden 271, 275 en 280, geven de appelrechters een aantal feitelijke elementen aan, waaruit zij afleiden dat verhoren afgelegd voor de tweede Salduz-Wet van 21 november 2016, zonder bijstand van een advocaat, de rechten van verdediging niet hebben aangetast, een eerlijk proces in zijn geheel niet hebben verhinderd. Relevant zijn onder meer het zich vrijwillig aanbieden voor verhoor op 24 oktober 2006; de bevestiging van eerdere verklaringen in latere verhoren in 2006 en 2007; het feit dat eiser I.
- nooit aangaf bijstand van een advocaat tijdens het verhoor te willen, het feit dat eiser I.
- nooit aangaf zijn eerdere verklaringen te willen intrekken en het verweer van eiser I.
- op de terechtzitting, met bijstand van een advocaat. De bestreden beslissing is aldus naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. De appelrechters oordeelden verder dat geen van de beklaagden zich in een bijzonder kwetsbare positie bevonden tijdens verhoren afgenomen in de loop van het vooronderzoek, dat alle beklaagden voldoende besef hadden van de betekenis en het belang van hun verklaringen afgenomen in die fase en geen enkele van de afgenomen verklaringen als enig of doorslaggevend bewijs is aangewend. De verklaringen zijn samen te lezen met andere regelmatig bekomen informatie, aan tegenspraak onderworpen, zoals onder meer de resultaten van huiszoekingen, telefonie-onderzoek (p. 280). Ook op dit punt is het bestreden arrest naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. In een derde middel voeren eisers I een schending aan van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek. De appelrechters hebben niet alleen de effectief bekomen illegale vermogensvoordelen verbeurd verklaard, maar de verbeurdverklaring ook uitgebreid naar alle potentiële vermogensvoordelen bekomen door aanwending van valse boekhouding. Wat betreft het witwasmisdrijf F oordeelden de appelrechters dat niet kan bepaald worden hoeveel diamanten er in het zwart zijn verkocht; er werd niet alleen rekening gehouden met de effectief bekomen vermogensvoordelen, maar ook met alle potentiële vermogensvoordelen die eisers via valse facturen hadden kunnen bekomen. Het ging over diamanten die in het zwart hadden konden verkocht worden. Daarmee is volgens eisers I het oorzakelijk verband tussen het misdrijf en het verbeurd verklaarde vermogensvoordeel miskend. Beoordeling. Vooreerst oordeelden de appelrechters dat niet in concreto kan worden uitgemaakt wanneer en in welk land de diamanten zouden zijn verkocht. Het arrest oordeelt niet dat de zwarte verkoop van diamanten niet is gerealiseerd. Alleen moet de werkelijke verkoop in het zwart van diamanten niet worden aangetoond, is een raming mogelijk van de illegale winst. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. De bijzondere verbeurdverklaring in de zin van art. 42, 3° Strafwetboek kan worden toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen
(16). Naast de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, komen ook in aanmerking voor verbeurdverklaring de goederen en waarden die in de plaats zijn gesteld van die primaire vermogensvoordelen en de inkomsten uit belegde voordelen
(17). Er dient dus een causaal verband te bestaan tussen het misdrijf en het vermogensvoordeel, om verbeurdverklaring op basis van de aangehaalde wetsbepalingen naar recht te verantwoorden
(18). Een eventueel causaal verband tussen dit vermogensvoordeel en een latere verrichting doet het causaal verband tussen dit vermogensvoordeel en het voordien gepleegde misdrijf niet verdwijnen
(19). Uw Hof oordeelde daarover: "illegale vermogensvoordelen als bedoeld in artikel 42, 3° Strafwetboek omvatten zowel goederen en waarden als elk economisch voordeel uit een misdrijf, zij het een belastingmisdrijf ook als ze niet in een vermogen kunnen worden geïdentificeerd"
(20). Het bestreden arrest lijkt mij op dit punt in overeenstemming met deze beginselen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Wanneer de zaken als vermogensvoordeel niet in het vermogen van de beklaagde kunnen worden gevonden, raamt de rechter daar de geldwaarde van, en heeft de verbeurdverklaring betrekking op dat bedrag, gelet op artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek. Bij ontstentenis van nauwkeurige gegevens, wordt dit bedrag naar billijkheid (ex aequo et bono) geraamd
(21). De feitenrechter raamt dus onaantastbaar de geldwaarde van zaken die niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde. Uw Hof kan enkel nagaan of de geraamde geldwaarde van de zaken bedoeld in art. 42, 3° Sw. binnen de grenzen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie valt, zonder dat de rechter gebonden is aan het geraamde bedrag, en betrekking heeft op de bewezen verklaarde misdrijven
(22). Wanneer het openbaar ministerie de bijzondere verbeurdverklaring schriftelijk heeft gevorderd en indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, is de raming van de geldwaarde trouwens altijd in het debat voor de strafrechter, en is het de strafrechter die de geldwaarde bepaalt
(23). Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. De appelrechters hebben onaantastbaar vastgesteld dat eisers I.1 en I.
- via een illegaal smokkelcircuit in het bezit konden komen van diamanten en deze diamanten hebben verhandeld, waarbij de boekhouding werd vervalst. Hierdoor kwamen illegale vermogensvoordelen tot stand die men kan ramen op de winst bij doorverkoop, door de appelrechters geraamd op 20% van de specifieke waarde van de diamanten (p. 350-352). De bijkomende straf van verbeurdverklaring is volgens de appelrechters nodig om aan eisers het besef bij te brengen van hun ongeoorloofd handelen, van hun hebzucht. De bewezen verklaarde feiten van valsheid in geschriften (tenlastelegging C) dienden om diamanten buiten de boekhouding te verhandelen, illegaal in het bezit te blijven van diamanten, waarbij verkoop in het zwart zelfs nodig was om kopers voor de diamanten aan te trekken, die daardoor invoerheffingen konden ontwijken. Met deze overwegingen is vastgesteld dat de verdoken doorverkoop van diamanten heeft plaatsgevonden en is de bijzondere verbeurdverklaring van tegenwaarden naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Het is overigens niet tegenstrijdig te oordelen dat enerzijds de precieze omvang van de zwarte verkoop van diamanten niet kan worden vastgesteld en anderzijds het illegaal vermogensvoordeel van de smokkel afhangt van de specifieke waarde van de diamanten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Middelen van eiser II R.M. In een eerste middel, eerste onderdeel uit eiser II kritiek op de beslissing van de appelrechters dat de zaak in staat van wijzen is. Bij de regeling der rechtspleging had de raadkamer beslist dat de onderzoeksrechter nog gelast bleef met een deel van het onderzoek. Volgens eiser hebben de appelrechters geoordeeld dat de stukken van dat lopend dossier betrekking hebben op andere feiten, terwijl niet blijkt of zij wel kennis hadden van de stukken van dat lopend dossier, en de feiten waarvoor het gerechtelijk onderzoek verder liep betrekking hadden op beweerde dezelfde organisator van fraude, eiser II. Hiermee is volgens eiser II zijn recht op een eerlijk proces onherstelbaar geschonden. Beoordeling. Uit het recht op een eerlijk proces en het recht op tegenspraak (art. 6, § 1 EVRM) volgen niet dat de vonnisrechter die zich beperkt tot gegevens die het openbaar ministerie hem voorlegt, beide waarborgen uitholt. Overigens bestaat er geen algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak dat onderscheiden is van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM)
(24). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. De appelrechters konden zich beperken tot de beschikbare gegevens van het dossier, waaronder de verwijzingsbeschikking waaruit blijkt voor welke feiten eiser II is verwezen naar het vonnisgerecht, en welke feiten nog tot de onderzoeksopdracht van de onderzoeksrechter (saisine) bleven behoren. Ook konden de appelrechters zich baseren op informatie van het openbaar ministerie over een nog lopend onderzoek over andere feiten dan deze die al aanhangig zijn gemaakt, met name de eindvordering en eventuele toelichting ter terechtzitting. Er is niet vereist dat de vonnisrechter een ander dossier inkijkt over mogelijk samenhangende feiten. Het volstaat na te gaan of het recht op een eerlijk proces in zijn geheel is nageleefd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Waar het op aankomt, is dat de beklaagde inzage heeft in al het beschikbaar bewijsmateriaal, ook informatie die de vervolgende partij niet relevant vindt, en voldoende tijd krijgt om al dat bewijsmateriaal aan te wenden voor zijn verweer
(25). Het recht op een eerlijk proces houdt ook niet in dat beklaagden voor de strafrechter moeten verschijnen samen met alle beklaagden van samenhangende misdrijven
(26). Uw Hof oordeelde dat de raadkamer bij de regeling der rechtspleging inverdenkinggestelden kan verwijzen naar de correctionele rechtbank voor bepaalde feiten, vermeld in de eindvordering van het openbaar ministerie, en voor andere feiten kan oordelen dat de onderzoeksrechter met het gerechtelijk onderzoek belast blijft. Deze beslissingen houden geen miskenning in van het recht van verdediging van inverdenkinggestelden die zich voor de vonnisrechter moeten verantwoorden
(27). Bij de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek mag de raadkamer de verwijzingsbeschikking beperken tot de feiten waarvoor het openbaar ministerie verwijzing vordert, ook al is die eindvordering onvolledig, omdat er nog meer misdrijven tot de onderzoeksbevoegdheid van de onderzoeksrechter behoren
(28). In een later fase kan de regeling der rechtspleging dan tot die feiten worden uitgebreid, voor buitenvervolgingstelling of verwijzing
(29). Het feit dat bepaalde stukken niet aan het strafdossier zijn gevoegd, aan tegenspraak zijn onderworpen, levert trouwens geen schending op van art. 6 EVRM, zolang deze stukken niet worden aangewend bij de beoordeling over de strafvordering
(30). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Met de redenen aangegeven in bladzijden 249-252 van het bestreden arrest geven de appelrechters aan dat de partiële verwijzing van de zaak, en een nog lopend onderzoek naar gelijkaardige feiten, het recht op een eerlijk proces van eiser II niet hebben miskend. In beginsel dient de raadkamer uitspraak te doen over het ganse onderzoek, namelijk over alle daarin vervatte feiten en alle personen die in verdenking zijn gesteld (p. 250). Een opsplitsing van de zaak door de raadkamer, waarbij voor een deel van de feiten verdachten naar het vonnisgerecht worden verwezen, wegens voldoende bezwaren (art. 130 Sv.) en voor een deel van de feiten de onderzoeksrechter verder onderzoek kan verrichten, zodat voor dit tweede deel de regeling der rechtspleging wordt opgeschoven, is op zich niet in strijd met de rechten van verdediging. Een dergelijke opsplitsing kan zelfs nodig zijn om een specifiek recht van verdediging te waarborgen, namelijk het recht van elke verdachte op een proces binnen een redelijke termijn. Uw Hof oordeelde in die zin op 23 september 2014, zoals weergegeven door de appelrechters (p. 250)
(31). Verder oordeelde uw Hof, op 12 januari 2016: "Er bestaat geen recht op gezamenlijke behandeling van een zaak. Mits het recht van verdediging gewaarborgd is, kan de rechter beslissen de zaak lastens verschillende medebeklaagden afzonderlijk te behandelen"
(32). Dat de feiten die in gerechtelijk onderzoek blijven, van gedeeltelijke verwijzing van de zaak, betrekking hebben op ‘gelijkvormige fraudesystemen' met een ‘eventueel prominente rol' voor eiser, maakt de feiten nog niet identiek (p. 251), zodat alleen een globale beoordeling van alle feiten in het dossier door de vonnisrechter het recht op een eerlijk proces waarborgt. De appelrechters oordeelden onaantastbaar dat eiser II niet op tastbare en overtuigende wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de opsplitsing van het dossier bij de regeling der rechtspleging zijn rechten van verdediging heeft geschonden (p. 250). Met het geheel van deze redenen is het bestreden arrest naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Een eerlijk proces veronderstelt dat de beklaagde toegang heeft tot alle informatie die mogelijk relevant kan zijn voor de beoordeling van de schuldvraag en de strafmaat, ongeacht of het openbaar ministerie die informatie gebruikt of relevant vindt
(33). De feitenrechter dient te oordelen of hij zou moeten beschikken over stukken van een ander dossier, waarop het openbaar ministerie zich niet steunt, in dit geval het deel van het gerechtelijk onderzoek dat nog niet door de raadkamer was afgesloten. Uw Hof oordeelde dat het openbaar ministerie wordt verondersteld alle elementen à décharge waarover het beschikt, over te leggen aan de rechter, maar dat de rechter aan het openbaar ministerie geen bevel (injunctie) kan geven om stukken van een ander dossier over te maken, al dan niet op vraag van de verdediging. Het staat aan de rechter te oordelen of de aanvoering van de beklaagde dat het openbaar ministerie stukken in zijn voordeel achterhoudt geloofwaardig is en, zo ja, welk rechtsgevolg moet worden verleend aan de weigering van het openbaar ministerie om de stukken niet over te leggen
(34). Wanneer de verdediging toegang wil bekomen tot gegevens die de vervolgende partij niet gebruikt, niet ter beschikking stelt aan de rechter, mag van de verdediging worden verwacht aannemelijk te maken dat die ontbrekende gegevens nodig zijn voor zijn verweer
(35). Ook op dit punt is het bestreden arrest afdoende gemotiveerd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. In een tweede onderdeel stelt eiser II dat de motieven dubbelzinnig zijn, dat niet kan worden uitgemaakt of de appelrechters kennis hadden van het nog lopend onderzoek, als afsplitsing van deze zaak. Beoordeling. Het tweede onderdeel is geheel afgeleid uit het eerste onderdeel en is niet ontvankelijk, als doelloze grief. In een derde onderdeel komt eiser II op tegen het oordeel dat het lopende onderzoek andere feiten aanbelangt dan deze die bij de vonnisrechter aanhangig waren, terwijl noch de appelrechters noch eiser II deze informatie kon verifiëren, aangezien uit de bestreden beslissing blijkt dat eiser II tevergeefs inzage in het lopend onderzoek trachtte te bekomen. Beoordeling. Het recht op een eerlijk proces houdt in dat elke partij op gelijke wijze kennis kan nemen van de voorliggende bewijsgegevens. De vraag of een beklaagde toegang moet hebben tot stukken die een andere partij in zijn bezit heeft, het openbaar ministerie, is vreemd aan deze wapengelijkheid, aangezien de stukken waarvoor inzage is gevraagd niet voorlagen aan de appelrechters
(36). In zoverre faalt het onderdeel naar recht. Als tweede middel, tweede onderdeel, voert eiser II aan dat de appelrechters ten onrechte hebben geoordeeld dat de afwezigheid ten tijde van de feiten van enige regeling van dataretentie, wat betreft opgevraagde telefoniegegevens bij telecomoperatoren (art. 88bis Sv.), niet leidt tot bewijsuitsluiting, conform het thans geldende art. 32 Voorafgaande Titel Wb van Strafvordering. Daarbij verwijst eiser II naar de arresten C293/12 en C594/12 van het Hof van Justitie
(37)en naar arrest 84/2015 van het Grondwettelijk Hof, waaruit voortvloeit dat concrete regels zijn vereist voor het bewaren van telefoniegegevens, om te voldoen aan het recht op privacy. Beoordeling. Anders dan het onderdeel aanvoert, hebben de appelrechters niet geoordeeld dat het ontbreken van een regeling over dataretentie niet relevant is voor de betrouwbaarheid van het bekomen bewijs. Het bestreden arrest stelt enkel dat het niet bestaan van zo'n regeling over dataretentie ten tijde van de feiten er niet zonder meer toe leidt dat de gegevens van het telefonie-onderzoek onbetrouwbaar zijn. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Wat betreft de miskenning van het recht op privacy (art. 8 EVRM en 7-8 EU Handvest Grondrechten van de Europese Unie) moet worden opgemerkt dat bewijs vergaard in strijd met dit grondrecht niet per se onbruikbaar is. Na het arrest 84/2015 van het Grondwettelijk Hof
(38)werden de regels over dataretentie van art. 126 Telecomwet van 13 juni 2005 aangescherpt, door art. 4 Wet van 29 mei 2016 (BS 18 juli 2016)
(39). Het feit dat bewijselementen zijn verkregen in strijd met het recht op privacy van art. 8 EVRM en worden gebruikt in een strafproces, heeft niet steeds een schending van art. 6 EVRM als gevolg. Wanneer geen op straffe van nietigheid voorgeschreven norm is miskend, moet de vonnisrechter enkel bewijs uitsluiten als de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs aantast of afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces. De criteria van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(40), die aansluiten bij de in 2003 geponeerde criteria van het ‘Antigoon-arrest' van uw Hof
(41), gelden voor alle onregelmatigheden, ook als een inbreuk op een fundamenteel grondrecht is begaan, zoals het recht op privacy
(42). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. De appelrechters oordeelden dat zelfs als de gegevens door de providers onrechtmatig zouden zijn verzameld en bijgehouden, dit niet noodzakelijk moet leiden tot bewijsuitsluiting (p. 283-284). Zij stelden vast dat er bij het opvragen van informatie bij de telecom-operatoren op grond van art. 88bis Wetboek van Strafvordering geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten zijn miskend (p. 284). Er is ook geen enkele concrete reden om te twijfelen aan de juistheid of betrouwbaarheid van de opgevraagde gegevens bij de providers en verdere waren de regelmatig opgevraagde telefoniegegevens vatbaar voor tegenspraak (p. 284). De juistheid van de door de telecomoperatoren bezorgde gegevens aan de onderzoeksrechter kan zelfs worden vermoed (p. 284). Een inbreuk op het recht op privacy, wegens het opvragen van telecomgegevens van voor de Telecom-wet van 13 juni 2005, heeft hoe dan ook niet steeds een miskenning van het recht op een eerlijk proces als gevolg, zoals reeds door uw Hof is aangenomen
(43). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Een schending van het recht op privacy (art. 8 EVRM) levert immers niet steeds een schending op van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM), zoals meermaals door uw Hof is geoordeeld
(44). Het Grondwettelijk Hof oordeelde eveneens dat de strafrechter bewijs bekomen in strijd met het recht op privacy mag aanwenden voor een veroordeling, als de overtreden norm niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs en het recht op een eerlijk proces niet aantast
(45). Ook het Europees Hof te Straatsburg oordeelde in die zin
(46). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. In vermelde zaken C293/12 en C594/12 van het Hof van Justitie over ‘datarentie' van telecom-gegevens
(47)is overigens niet aangenomen dat de rechter verplicht is bewijs bekomen in strijd met het recht op privacy uit te sluiten, om op die manier het recht op een eerlijk proces te waarborgen
(48). Ook volgt uit deze rechtspraak niet dat een wettelijke plicht opgelegd aan telecom-operatoren of providers om data bij te houden, en ter beschikking te stellen aan het gerecht, na een geldig en gemotiveerd dwangbevel, onverenigbaar is met het recht op een eerlijk proces van een beklaagde wiens telecom-gegevens door de bevoegde instantie zijn opgevraagd (art. 6 EVRM)
(49). De nationale wetgever beschikt inzake dataretentie over enige marge. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Op het moment dat in deze zaak telecom-gegevens opgevraagd, waren de aangepaste regels van art. 126 Telecomwet 13 juni 2005 nog niet van toepassing en had de EU-Richtlijn 2006/24 over de bewaring van telecom-gegevens nog geen uitwerking. Dit element mag de feitenrechter dan ook in zijn oordeel betrekken over de vraag van eiser II om door de onderzoeksrechter opgevraagde telecom-gegevens al dan niet als bewijs te weren
(50). In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Met de redenen vermeld in bladzijden 283 en 284 van het bestreden arrest is bijgevolg naar recht geoordeeld dat de telecomgegevens opgevraagd door de onderzoeksrechter conform artikel 88bis Wetboek van Strafvordering, in de versie van toepassing op het moment van het gerechtelijk onderzoek, als bewijs in aanmerking kwamen. Een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is niet dienstig voor de beoordeling van de grief, en moet niet worden gesteld. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. In het tweede middel, eerste onderdeel, werpt eiser II op dat de appelrechters de telecomgegevens opgevraagd door de onderzoeksrechter ten onrechte als bewijs hebben aanvaard, terwijl op het moment van het bevelschrift gesteund op artikel 88bis Wetboek van Strafvordering er geen wettelijke regeling van dataretentie bestond, die aan de vereisten van vermelde arresten van het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof voldoet. Beoordeling. Het eerste onderdeel kan op dezelfde wijze worden beantwoord: het feit dat telecomgegevens onrechtmatig zijn bijgehouden, en na bevel van de onderzoeksrechter, als bewijs zijn aangewend, maakt geen onregelmatigheid uit die de appelrechters verplichtten tot bewijsuitsluiting. Met de overwegingen in het bestreden arrest zijn de criteria van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering correct toegepast. Het eerste onderdeel kan niet tot cassatie leiden en verplicht uw Hof niet een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. In zoverre is het eerste onderdeel niet-ontvankelijk. Als derde middel, eerste onderdeel, voert eiser II aan dat de appelrechters hebben vastgesteld dat de tegen hem verbeurd verklaarde vermogensvoordelen deel uitmaken van het vermogen dat ter beschikking stond van de criminele organisatie als instrument van de bewezen verklaarde witwasmisdrijven (onder tenlastelegging F) en de mogelijkheid openlieten dat bij de verbeurd verklaarde goederen op basis van artikel 43quater §4 Strafwetboek er zich ook goederen bevinden die niet het instrument uitmaken van het misdrijf ‘als leidend persoon deel uitmaken van een criminele organisatie'. Voor een deel van de witwasmisdrijven onder tenlastelegging F is eiser II vrijgesproken, als leider van de criminele organisatie is eiser II veroordeeld, tenlastelegging A. Beoordeling. Artikel 43quater §4 Strafwetboek is een bijzondere toepassing van de verplichte verbeurdverklaring op grond van artikel 42, 1°, Strafwetboek, en heeft betrekking op activa die duidelijk bestemd zijn voor de activiteiten van een criminele organisatie
(51). Elk goed of vermogen dat ter beschikking staat van de criminele organisatie moet worden verbeurd verklaard, onverminderd de rechten van derden ter goeder trouw
(52). In zoverre het eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Met de overwegingen in bladzijden 346 tot 349 van het bestreden arrest, is wettig beslist tot verbeurdverklaring van bestanddelen van het vermogen dat ter beschikking stond van de criminele organisatie, waarvan is bewezen dat eiser II leidend persoon was van deze organisatie (tenlastelegging A). In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Als tweede en derde onderdeel is aangevoerd dat de appelrechters overgingen tot verbeurdverklaring van de activa die ter beschikking stonden van een criminele organisatie, met als incriminatieperiode van 1 januari 2000 tot 5 oktober 2005, terwijl toepassing van art. 43quater Sw. maar mogelijk is na de inwerkingtreding van de wet van 19 december 2002, zijnde 24 februari 2003. Hierdoor is art. 7 EVRM geschonden, het legaliteitsbeginsel van de straf. Uit het arrest valt niet af te leiden dat de verbeurdverklaring op basis van art. 43quater §4 is toegepast op vermogensbestanddelen ontstaan na die datum. Hierdoor is art. 149 Grondwet volgens eiser II geschonden. Beoordeling. Wanneer een voorgezet misdrijf is begonnen onder toepassing van een wet die nadien is verstrengd, binnen de incriminatieperiode, dan is de strengere wet van toepassing wanneer alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf aanwezig zijn op het moment van de strengere wet
(53). Toepassing van art. 43quater §4 Strafwetboek is mogelijk vanaf 24 februari 2003, binnen het voortdurend misdrijf van leiding geven aan een criminele organisatie, tenlastelegging A 1, met als einddatum 5 oktober 2005. Daarbij komt dat als een gerechtelijk onderzoek is gevorderd voor een voortdurend misdrijf, zoals deelname aan een criminele organisatie, de strafrechter dat misdrijf in zijn geheel kan onderzoeken, zonder dat de feiten die zijn gepleegd na de vordering tot gerechtelijk onderzoek en die van dit voortdurend misdrijf deel uitmaken, het voorwerp moeten uitmaken van een aanvullende of uitbreidende vordering van de procureur des Konings
(54). Het arrest dat op grond van art. 43quater §4 Sw. de verbeurdverklaring uitspreekt voor bewezen verklaarde feiten vanaf 1 januari 2000, tenlastelegging A.1, is dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Als vierde onderdeel voert eiser II aan dat de verbeurdverklaring betrekking had op het volledige vermogen dat ter beschikking stond van de criminele organisatie terwijl eiser II is vrijgesproken voor een feit van valsheid in geschriften ( C.III), en minstens een deel van dat geraamde vermogen verband hield met feiten waarvoor eiser is vrijgesproken. Er zou tegenstrijdigheid zijn van motieven. Beoordeling. Uit bladzijden 346 tot 349 van het bestreden arrest kan niet worden afgeleid dat het volledige vermogen dat ter beschikking stond van de criminele organisatie in werkelijkheid heeft gediend voor de strafbare activiteiten van deze organisatie. De lijst van vermogensbestanddelen van de organisatie sluit niet uit dat een deel van dit vermogen diende voor activiteiten die geen strafbaar karakter hebben, zoals de feiten van tenlastelegging C III. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat dus niet. Het onderdeel mist aldus feitelijke grondslag.
- Middelen van eiseres III. BVBA SOLITAIRE DIAMOND COMPANY, eiser IV. P.K. en eiser V. V.M.P. Als eerste middel voeren eisers III, IV en V aan dat de procureur des Konings niet is ingegaan op hun verzoek om precies aangegeven dossierstukken naar het Engels te vertalen en het bestreden arrest ten onrechte oordeelde dat alleen de dagvaarding moest worden vertaald. Hiermee is art. 6 EVRM geschonden, aangezien volgens eisers elke anderstalige beklaagde het recht heeft op schriftelijke vertaling van stukken die hij zelf nodig dient voor zijn verweer. Beoordeling. Uit de bepalingen van de EU-Richtlijn 2010/64/EU, om te zetten naar Belgisch recht voor 27 oktober 2013, volgt dat elke beklaagde in de regel recht heeft op een schriftelijke vertaling voor de voor hem relevante stukken, die essentieel zijn voor zijn verweer. Als essentiële stukken zijn in artikel 3.
- van de Richtlijn (limitatief) aangemerkt: de beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging in de dagvaarding en de vonnissen
(55). Relevant is ook Preambule 30 van deze richtlijn, over bepaalde stukken die altijd als essentiële stukken voor vertaling worden beschouwd. Er is dus geen absoluut recht op vertaling van (alle) processtukken die een anderstalige beklaagde relevant vindt voor zijn verweer. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Voor wat betreft de andere processtukken dan deze in artikel 3.2., oordeelt de rechter onaantastbaar of ze essentieel zijn voor het recht van verdediging, in andere gevallen dan deze in artikel 22 Taalwet Gerechtszaken 15 juni 1935, gelet op art. 3.3 van vermelde Richtlijn
(56). Het komt ook de feitenrechter toe te bepalen of na voeging van vertaalde stukken aan het dossier de beklaagde over voldoende tijd en faciliteiten beschikte om zijn verweer voor te bereiden
(57). Ook het Europees Hof te Straatsburg oordeelde dat het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) geen recht omvat op vertaling van het volledige strafdossier in de taal die de beklaagde opgeeft
(58). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. De appelrechters hebben onder meer geoordeeld (p. 254-255) dat 1°de dagvaarding als essentieel stuk is vertaald naar het Engels, 2°het enkele feit dat eisers de Nederlandse procestaal niet machtig zijn niet betekent dat ze over een vertaling moeten beschikken van de door hen opgegeven stukken, 3°de advocaten van eisers het Nederlands volkomen beheersen, 4°eisers een beroep konden doen op kosteloze bijstand van een tolk en 5°niet wordt aangetoond waarom vertaling van de opgegeven processtukken nodig was voor hun rechten van verdediging. Met deze redenen is het arrest naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Als tweede middel stellen eisers III, IV en V dat de appelrechters niet hebben geantwoord op hun specifieke grief dat uit geen enkel stuk blijkt dat zij illegaal in het bezit kwamen van diamanten die vervolgens werden doorverkocht. Beoordeling. In het bestreden arrest, bladzijden 351 en 352, is aangegeven dat de bewezen verklaarde feiten van valsheid in geschriften, C.1 en C.2 werden gepleegd om illegaal verkregen diamanten verder illegaal te kunnen verhandelen en dat verkoop van gepolijste diamanten zonder facturatie een voorwaarde was voor klanten om tot aankoop over te gaan. Aldus beantwoordt het arrest afdoende het verweer van eisers. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Het derde middel, eerste onderdeel, komt op tegen de motivering dat "de precieze mate waarin werkelijke doorverkopen werden gerealiseerd, in het licht van de raming van het vermogensvoordeel geen noodzakelijk gegeven is". Deze motivering zou dubbelzinnig zijn, laat volgens eisers III, IV en V in het midden of er doorverkoop van diamanten plaatsvond, en of er dus een illegaal vermogensvoordeel is gerealiseerd. Beoordeling. Met de reeds vermelde motivering op bladzijden 351 en 352 bestreden arrest hebben de appelrechters vastgesteld dat de verdoken doorverkoop daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, zonder dat de omvang ervan concreet is bepaald. De vermogensvoordelen werden in het bestreden arrest geraamd op een bedrag ten belope van 20% op de specifieke waarde van de luxegoederen. Het arrest bevat op dit punt geen tegenstrijdigheid of dubbelzinnigheid. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. In het tweede onderdeel stellen eisers III, IV en V dat de appelrechters geen oorzakelijk verband hebben vastgesteld tussen de bewezen verklaarde valsheden C.1 (fraudepiste 1) en C.2. (fraudepiste 2) en de geraamde winst in geval van doorverkoop van diamanten zonder factuur. Beoordeling. Het is noodzakelijk maar voldoende dat wordt vastgesteld dat de in aanmerking genomen vermogensvoordelen voortkwamen uit een illegale activiteit
(59). Een eventueel causaal verband tussen dat vermogensvoordeel en een latere verrichting doet het causaal verband tussen dit vermogensvoordeel en het voordien gepleegde misdrijf niet verdwijnen
(60). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. De rechter oordeelt in feite, mitsdien op onaantastbare wijze, of een misdrijf vermogensvoordelen in de zin van art. 42, 3° Strafwetboek heeft opgeleverd. Uw Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(61). In het bestreden arrest, bladzijden 351 en 352, is aangegeven dat de bewezen verklaarde feiten van valsheid in geschriften, C.1 en C.2 werden gepleegd om illegaal verkregen diamanten verder illegaal te kunnen verhandelen en dat verkoop van gepolijste diamanten zonder facturatie een voorwaarde was voor klanten om tot aankoop over te gaan. Er is dus een duidelijk causaal verband vastgesteld tussen de feiten van valsheid en de geraamde winst in geval van doorverkoop. De feitelijke context van de zaak is voldoende uiteengezet in het bestreden arrest, o.a. op p. 295, 296, 303, 314-
- Via de firma BVBA M.W.S. werden diverse fraudesystemen opgezet voor de invoer en uitvoer van diamanten en juwelen, waarbij transacties niet in de boekhouding werden vermeld, of valselijk in de boekhouding zijn opgenomen (zoals fictieve uitvoer naar Hong Kong) om waardegoederen in het zwart te kunnen verhandelen, en diverse belastingen te ontduiken. Het gaat om fraudesystemen van fictieve verkoopfacturen van diamanten, waarbij diamanten in het bezit bleven van de kopers voor verdoken doorverkoop (C.I.) en aankopen of levering van diamanten die niet in de boekhouding zijn vermeld (C.II), beiden met het oogmerk om een illegaal vermogen op te bouwen via een smokkelcircuit en de werkelijke leveranciers of afnemers van diamanten af te schermen; onverminderd feiten van witwas (p. 18, 31 en 351 arrest). Het arrest is afdoende gemotiveerd. In zoverre kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen. Als derde onderdeel wordt aangevoerd dat de appelrechters aangeven dat de illegale vermogensvoordelen die eisers uit fraudesysteem A hebben gehaald (tenlastelegging C.1.) ook de fiscale voordelen uitmaken met betrekking tot inkomstenbelastingen uit de feiten E II en G, terwijl eisers niet voor enige tenlastelegging E II of G zijn veroordeeld. Beoordeling. De appelrechters hebben eisers III, IV en V wel veroordeeld wegens onder meer feiten van tenlasteleggingen E II.8 en G.1.
- Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist dus feitelijke grondslag.
- Middelen van eiser VI. M.S.V. In een eerste middel, eerste onderdeel, wordt aangevoerd dat de samenwerking tussen de federale politie en leden van de inspectie van de douaneadministratie niet is toegelaten, omdat deze douaneambtenaren niet met opdrachten van gerechtelijke politie zijn belast. Deze samenwerking is onder meer in strijd met de artikelen 63 en 72 Wet 4 augustus 1986 (Charter van de Belastingplichtige), art. 463 WIB 1992, art. 74bis BTW-Wetboek en bepalingen van Algemene Wet Douane en Accijnzen (AWDA) KB 18 juli
- Beoordeling. In het bestreden arrest (p. 255-268) is aangegeven dat leden van de opsporingsinspectie van de douane als agenten van gerechtelijke politie kunnen worden beschouwd. De appelrechters namen ook aan dat de medewerking tussen douane en federale politie door geen enkele wetsbepaling is verboden (p.259-260), werd goedgekeurd door de onderzoeksrechter en er geen vormvereisten bestaan over het inwinnen van inlichtingen bij de FOD Financiën in het kader van een gerechtelijk onderzoek. Geen enkele wetsbepaling verplicht douaneambtenaren om inlichtingen te verzamelen in een ‘eigen strafdossier', dus een soort parallel onderzoek, en de inlichtingen vervolgens in de vorm van een proces-verbaal in de zin van art. 267 AWDA ter beschikking te stellen van de gerechtelijke overheid (p. 262-263). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. De appelrechters stelden verder dat het geheim karakter van het vooronderzoek, zoals beschermd door art. 28quinquies §1 en 57§1 Wetboek van Strafvordering, niet is geschonden doordat de douaneambtenaren kennis kregen van informatie uit een gerechtelijk onderzoek, aangezien de uitwisseling van informatie bedoeld was ‘om tot synergie en gezamenlijke analyses te komen' en de medewerking van douaneambtenaren een uitsluitend gerechtelijke finaliteit had (p. 263). De overdracht van informatie door de federale gerechtelijke politie aan de douane, op uitdrukkelijk initiatief van de onderzoeksrechter, is eveneens te onderscheiden van het louter verwerken van gegevens voor politionele doeleinden (art. 44 Wet Politieambt 5 augustus 1992), waarbij douaneambtenaren niet betrokken zijn (p. 264). Daarbij stelden de appelrechters onaantastbaar vast dat louter politionele informatie niet aan douaneambtenaren is overgemaakt, alleen informatie uit het reeds opgestarte gerechtelijk onderzoek, steeds in opdracht van de onderzoeksrechter (p. 264 en 265). Verder oordeelden de appelrechters dat douaneambtenaren die bijstand verlenen aan een gerechtelijk onderzoek als agenten van gerechtelijke politie kunnen worden beschouwd, ook als zij niet met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie zijn bekleed (p. 265). Met deze redenen is de bestreden beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Als tweede en derde onderdeel voert eiser VI onder meer een schending aan van het gelijkheidsbeginsel (art. 10 en 11 Grondwet). Volgens eiser mogen fiscale ambtenaren, andere dan douaneambtenaren, niet actief deelnemen aan onderzoeksdaden in een zaak van douanestrafrecht, daar zij enkel als getuige mogen worden gehoord. De appelrechters die aannemen dat douaneambtenaren wel actief aan een strafonderzoek mogen deelnemen creëren een niet te verantwoorden verschil in behandeling, dat het recht op een eerlijk proces miskent, en onverenigbaar is met de Wet van 4 augustus 1986 (het Charter van de Belastingplichtige). Beoordeling. Er bestaat geen algemene regel dat (alle) fiscale ambtenaren, wanneer ze zelf geen strafonderzoek in douanezaken uitvoeren, op straffe van nietigheid slechts als getuige mogen optreden. Fiscale ambtenaren mogen gegevens van hun administratief onderzoek verstrekken aan het gerecht, ook zonder enige verklaring als getuige, verhoord door de onderzoeksrechter, voor zover ze niet als deskundige optreden
(62). Voor dat begrip ‘deskundige' bestaat een beoordelingsmarge. Het overmaken van inlichtingen en suggesties voor onderzoek aan de onderzoekende magistraat maakt van een fiscaal ambtenaar nog geen deskundige
(63). De door eiser VI ingeroepen bepalingen van de Wet 4 augustus 1986, over de beperkte bijstand van fiscale ambtenaren als getuige in een strafonderzoek, gelden overigens niet voor douaneambtenaren
(64). In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht. In douanezaken mogen fiscale ambtenaren wel, als deskundige, technische bijstand verlenen aan het strafonderzoek, voor het opsporen van douane-en accijnsmisdrijven
(65). De bevoegdheden gelden ook voor ambtenaren van de bijzondere belastinginspectie (BBI) wanneer zij optreden in het douanestrafrecht
(66). Artikel 87 Wet 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, gewijzigd door art. art. 96 Wet 25 april 2014, BS 26 mei 2014, bepaalt dat:" De Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie en hun ambtenaren hebben de bevoegdheden die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de fiscale administraties en aan hun ambtenaren". De onderdelen die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen naar recht. Ook ambtenaren van de BBI beschikken over de bijzondere machten van douaneambtenaren, mogen actief aan een strafonderzoek deelnemen
(67). Er is dus geen onverantwoord onderscheid tussen douaneambtenaren en andere fiscale ambtenaren. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht. Aangezien eiser VI geen onderscheid aanvoert tussen verschillende personen of categorieën van personen die in eenzelfde juridische toestand verkeren, dient uw Hof niet in te gaan op de vraag van eiser VI om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen, gelet op art. 26, § 4 Bijzondere Wet 6 januari 1989. Het gelijkheidsbeginsel is immers niet in het geding wanneer de door eiser aangevoerde ongelijkheid geen betrekking heeft op gelijke toestanden
(68). In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Als vierde onderdeel stelt eiser VI dat de beslissing van de appelrechters dat douaneambtenaren die bijstand verlenen aan de federale politie niet moeten beschikken over de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie en hulpofficier van de procureur des Konings, in strijd is met de Wet van 22 april 2003, dat het tegenovergestelde bepaalt. Beoordeling. Uit geen enkele bepaling van de Wet van 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (BS 5 mei 2003) volgt dat douaneambtenaren die bijstand verlenen aan leden van de federale politie moeten beschikken over de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie en hulpofficier van de procureur des Konings
(69). Het bestreden arrest (p. 266) is op dit punt naar recht verantwoord. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. Het bestreden arrest oordeelt onder meer dat de Wet van 22 april 2003 ertoe strekt bepaalde douaneambtenaren toe te laten bijzondere opsporingsmethoden toe te passen en autonoom misdrijven op te sporen en vast te stellen die douane-gerelateerd zijn. De appelrechters stelden onaantastbaar vast dat douaneambtenaren alleen bijstand hebben verleend aan de federale politie, dus niet autonoom optraden, zodat daarvoor de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie niet was vereist (p. 267). De bestreden beslissing lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Als tweede middel voert eiser VI aan dat dat de appelrechters ten onrechte hebben geoordeeld dat de afwezigheid van enige regeling van dataretentie, wat betreft opgevraagde telefoniegegevens bij telecomoperatoren, niet leidt tot bewijsuitsluiting, conform art. 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. De appelrechters namen volgens eiser VI ten onrechte een vermoeden aan dat de Belgische privacywetgeving in 2005 afdoende bescherming bood tegen onrechtmatig gebruik van telecom-gegevens. Beoordeling. Dit middel, dat dezelfde strekking heeft als het tweede middel van eiser II, kan om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Als derde middel voert eiser VI een schending aan van de artikelen 42, 43 en 43bis Strafwetboek. Door over de verbeurdverklaring te oordelen dat de geraamde vermogensvoordelen tevens fiscale voordelen incorporeren, van inkomstenbelastingen die verband houden met tenlasteleggingen E II en G, terwijl eiser VI niet voor deze tenlastelegging is veroordeeld, verantwoordt het bestreden arrest de verbeurdverklaring bij equivalent van 175.400 euro niet naar recht. Beoordeling. Het arrest dat de verbeurdverklaring per equivalent van 175.400 euro beveelt lastens eiser VI op grond van de bewezen verklaarde feiten van tenlasteleggingen C.1.17, D.21 en H21 en aangeeft dat het geraamde vermogensvoordeel tevens de fiscale voordelen incorporeren die met betrekking tot inkomstenbelastingen uit de feiten van tenlasteleggingen E II en G worden verworven (p. 351), terwijl eiser niet voor de tenlasteleggingen E II en G is veroordeeld, verantwoordt deze beslissing niet naar recht. In zoverre is het middel gegrond. 7. Middelen van eisers VII EURASIA GEMS BVBA, VIII S.K.M. en IX R.K.M. Het eerste middel van eisers heeft betrekking op het recht op vertaling van stukken van het dossier die relevant zijn voor de verdediging. Beoordeling: Dit middel heeft in zijn geheel dezelfde strekking als het eerste middel van eisers III, IV en V en dient om dezelfde reden te worden verworpen. Het bestreden arrest is op dit punt (p. 254-255) naar recht verantwoord. Als tweede middel voeren eisers schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek over de bewijskracht van akten. Het bestreden arrest oordeelt dat het bewezen is dat de weerhouden 23 zendingen van diamanten wel tegelijk ten gunste van beklaagde Eurasia Gems BVBA werden verricht en dat geen enkele betaling vanuit de Zwitserse rekening 155.446 (op naam G.K. M.) in verband is te brengen met deze zendingen, terwijl uit proces-verbaal 22637/2009 blijkt dat de betalingen vanop de rekening 155.446 wel degelijk in verband te brengen zijn met de vervolgde zendingen. Beoordeling. Het arrest oordeelt niet dat uit geen enkel element blijkt dat de betalingen vanop de rekening 155.446 in verband te brengen zijn met de 23 zendingen. Het oordeelt wel (p. 333) dat het feit dat Euro Gems Inc nog van andere rekeningen betalingen ontving, op zich niet hoeft te verbazen en dat uit geen enkel element blijkt dat één van deze betalingen met zekerheid in verband te brengen is met de vervolgde 23 zendingen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Een grief houdende miskenning van de bewijskracht van een akte bestaat erin een stuk aan te wijzen waarnaar de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwijst en die beslissing te verwijten dat het aan dit stuk een vermelding toeschrijft die er niet in voorkomt dan wel te verklaren dat dit stuk geen vermelding bevat die er wel in voorkomt. Het moet dus gaan over een uitlegging van een stuk door de feitenrechter die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan
(70). Het bestreden arrest verwijst niet uitdrukkelijk naar het proces-verbaal 22637/2009 d.d. 4 november
- Bijgevolg miskent het arrest de bewijskracht er niet van. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Voor de schuld van eisers VII, VIII en IX aan onder meer valse boekhouding en niet-aangifte van BTW verwijzen de appelrechters naar onder meer het navolgend proces-verbaal 1321/2020, de resultaten van rechtshulpverzoeken over de 23 zendingen, de verklaringen van bediende van eiseres M.D. en nazicht van de boekhouding van eiseres VII. Met het geheel aan redenen op bladzijden 209-211 is de bestreden beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Als derde middel voeren eisers VII, VIII en IX aan dat de appelrechters niet hebben geantwoord op hun grief dat uit geen enkel element van het strafdossier blijkt dat er na het op illegale wijze in bezit komen van diamanten (fraudemechanisme B) daadwerkelijk een doorverkoop van deze diamanten zou hebben plaatsgevonden. Beoordeling. In het bestreden arrest, bladzijden 351 en 352, is aangegeven dat de bewezen verklaarde feiten van valsheid in geschriften, C.1 en C.2 werden gepleegd om illegaal verkregen diamanten verder illegaal te kunnen verhandelen en dat verkoop van gepolijste diamanten zonder facturatie een voorwaarde was voor klanten om tot aankoop over te gaan. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van eisers in cassatie. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Als vierde middel, eerste onderdeel werpen eisers een dubbelzinnigheid in het bestreden arrest op: het arrest begroot de geldwaarde van de niet meer aan te treffen vermogensvoordelen uit fraudesysteem B op een bedrag ten belope van 20 % berekend op de specifieke waarde van de diamanten, zoals weergegeven in telastlegging C.II, met als bijkomende motivering "de precieze mate waarin werkelijke doorverkopen werden gerealiseerd, is voor het hof in het licht van deze raming geen noodzakelijk gegeven". Deze toevoeging is vatbaar voor verschillende interpretaties, namelijk dat het niet uitmaakt of een werkelijke doorverkoop heeft plaatsgevonden, dan wel dat het niet uitmaakt aan welke precieze prijs dit gebeurde. In de eerste interpretatie is het arrest niet wettig gemotiveerd, daar er dan geen sprake kan zijn van een illegaal vermogensvoordeel verkregen uit de verkoop van diamanten, aangezien het effectieve, daadwerkelijk karakter van de verkoop in deze hypothese niet vaststaat. Beoordeling. Dit onderdeel, dat in zijn geheel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel van het derde middel van de eisers III, IV en V, mist om dezelfde redenen feitelijke grondslag. Het vierde middel, tweede onderdeel komt op tegen de motivering dat bewezen verklaarde feiten van gemeenrechtelijke valsheden van telastleggingen C.I (piste A) en C.II (piste B) gepleegd werden met het misdadig oogmerk om de illegaal verkregen goederen verder te kunnen verhandelen, dat in beide mechanismen criminele vermogensvoordelen tot stand kwamen die geraamd kunnen worden op winst in geval van doorverkoop van diamanten en dat deze doorverkoop wellicht niet zou hebben kunnen plaatsgrijpen bij officiële facturaties en correcte boekhoudkundige winstregistraties. Met deze overwegingen stellen de appelrechters volgens eisers niet vast dat er een duidelijk oorzakelijk verband bestaat tussen de bewezen verklaarde valsheden van telastleggingen C.I (piste A) en C.II (piste B) en de geraamde winst in geval van doorverkoop. Beoordeling. Dit onderdeel, dat in zijn geheel dezelfde strekking heeft als het tweede onderdeel van het derde middel van de eisers III, IV en V, kan om dezelfde redenen niet worden aangenomen. De motivering in het bestreden arrest over de verbeurdverklaring bij equivalent, de fraudemechanismen die illegale vermogensvoordelen opleverden, de raming van die voordelen op de winst bij doorverkoop, de band tussen de bewezen verklaarde feiten van valsheid in geschriften C.I. en C.II en fiscale voordelen uit de feiten E.II en G en de winstraming van 20% bij verdoken doorverkoop van diamanten, is naar recht verantwoord (p. 350-352). In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Middelen van eisers X.1 BENELUX DIAMONDS BVBA en X.2 B.S. Het eerste middel, eerste en tweede onderdeel, heeft in zijn geheel dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser II over dataretentie, het recht op privacy en het recht op een eerlijk proces, met verwijzing naar o.a. het arrest van het Hof van Justitie EU van 8 april 2014 (zaken C-293/12 en C-584/12). Het kan om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Het tweede middel, eerste onderdeel over de verbeurdverklaring, over het onduidelijk oorzakelijk verband in verband met de overweging (p.351) "De precieze mate waarin de werkelijke doorverkopen werden gerealiseerd, is voor het hof in het licht van deze raming geen noodzakelijk gegeven" heeft in zijn geheel dezelfde strekking als het eerste onderdeel van het derde middel van de eisers III, IV en V. Het moet om dezelfde redenen worden verworpen. Het tweede middel, tweede onderdeel, over de veroordeling wegens valsheid in geschriften, de geraamde winst bij doorverkoop van diamanten en het oorzakelijk verband tussen het misdrijf van valsheid in geschriften en vermogensvoordelen bekomen bij illegale handel in diamanten, heeft in zijn geheel dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het derde middel van de eisers III, IV en V. Het moet om dezelfde redenen worden verworpen. De motivering in het bestreden arrest over de verbeurdverklaring bij equivalent, de fraudemechanismen die illegale vermogensvoordelen opleverden, de raming van die voordelen op de winst bij doorverkoop, de band tussen de bewezen verklaarde feiten van valsheid in geschriften C.I. en C.II en fiscale voordelen uit de feiten E.II en G en de winstraming van 20% bij verdoken doorverkoop van diamanten, is naar recht verantwoord (p. 350-352). In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Middelen van eiseres XI A.M. Het eerste middel, in zijn drie onderdelen, over de opsplitsing van het dossier door de raadkamer, waarbij de onderzoeksrechter bevoegd bleef voor het verdere onderzoek naar samenhangende feiten, heeft in zijn geheel dezelfde strekking als het eerste middel in al zijn onderdelen van eiser II, en dient om dezelfde redenen te worden verworpen. Het bestreden arrest (p. 249-252) is op dit punt naar recht verantwoord. Het tweede middel over datarentie, het recht op privacy en het recht op een eerlijk proces heeft in zijn geheel dezelfde strekking als het tweede middel van eiser II, en dient om dezelfde redenen te worden verworpen. Het derde middel voert schending aan van de artikelen 66, 193, 196, 197, 213, 214, 322, 324bis, 324ter en 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, de artikelen 73 en 73bis BTW-Wetboek en van de artikelen 449 en 450 WIB92: De appelrechters steunen het bewijs van haar mededaderschap aan de feiten van valsheid in geschriften, deelname aan een criminele organisatie, witwassen, de weerhouden inbreuken op het BTW-Wetboek op vermoedens die op hun beurt worden afgeleid uit andere vermoedens. Uit de vastgestelde feiten werden aldus gevolgen afgeleid die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Hierdoor miskent het arrest het rechtsbegrip "feitelijk vermoeden" en is de veroordeling van eiseres XI als mededader aan vermelde feiten niet naar recht verantwoord. Beoordeling. Het arrest heeft eiseres XI niet veroordeeld wegens feiten van witwassen. In zoverre het middel uitgaat van de tegenovergestelde stelling, mist het feitelijke grondslag. Wat mededaderschap aan de overige strafbare feiten vermeldt, geldt als regel dat wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, zoals dit het geval is, de rechter onaantastbaar in feite de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens beoordeelt, waarop hij zijn overtuiging steunt en waarover de partijen tegenspraak konden voeren. Uw Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. In bladzijden 335-340 van het bestreden arrest hebben de appelrechters onaantastbaar voor de veroordeling van eiseres (als mededader aan valsheid in geschriften, deelname aan een criminele organisatie en inbreuken BTW-Wetboek) gewezen op onder meer de operationele bedrijfsvoering van BVBA M.W.S, meer bepaald haar rol als dispatcher bij het aansturen van diamantkoeriers en het zelf brengen van waardevolle goederen naar Genève, gecapteerde telefoongesprekken, documenten in transportdossiers, haar ongeloofwaardig verweer over fraudemechanismen voor haar werk in de diamantsector en de belastende verklaring van diamantkoerier D.V.G. Met deze motivering hebben de appelrechters de veroordeling naar recht beantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Middel van eisers XII.1 YAELSTAR BVBA en XII.2 M.S. Als eerste onderdeel werpen eisers schending op van de artikelen 21, 22, 23 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, in samenhang met de artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek: het arrest kon niet wettig beslissen dat de verjaring van de strafvordering uit hoofde van de telastleggingen C.I.15 en H.17 nog niet was ingetreden ingevolge de schorsing van de verjaring; van de drie aanvaarde periodes van schorsing van verjaring viel alleen de schorsingsperiode tussen het instellen van een cassatievoorziening tegen het verwijzingsarrest op 18 november 2013 en het arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 2014 tijdens de lopende verjaringstermijn, door stuiting verlengd, die liep vanaf de laatste nuttige stuitingsdaad die het arrest vaststelde op 17 januari
- De tweede verjaringstermijn van vijf jaar, die liep vanaf 17 januari 2013 tot en met 16 januari 2018 werd slechts verlengd met een periode van 10 maanden en 5 dagen tussen 18 november 2013 en 29 september 2014, hetzij 309 dagen; met als gevolg dat de verjaring is ingetreden op 21 november 2018, om middernacht; dus voor het bestreden arrest van 24 april
- De veroordeling is dus volgens eisers XII onwettig. Beoordeling. Overeenkomstig artikel 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is de verjaring van de strafvordering geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert. De verjaring kan in elke stand van de procedure worden geschorst, voor zover de verjaring nog niet is ingetreden, ingevolge stuiting of andere gronden van schorsing van de verjaringstermijn
(71). De schorsing kan zich bijgevolg zowel binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn als binnen de ingevolge stuiting verlengde verjaringstermijn situeren en heeft tot gevolg dat de verjaringstermijn wordt verlengd met een duur gelijk aan die van de totale schorsingsduur
(72). Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Het arrest (p. 240-241) oordeelt dat de feiten van telastlegging C.I.15 lastens de eisers XII.1 en XII.2 het laatst bewezen feit van een voortgezet misdrijf uitmaken, dat de feiten van deze telastlegging in hoofde van de eisers XII.1 en XII.2 een einde nemen op 13 februari 2008, zodat de verjaring voor een termijn van vijf jaar op die datum begint te lopen. De appelrechters namen verder aan dat de verjaring van de strafvordering geschorst werd tijdens de volgende schorsingsperiodes (p. 241): - tussen de neerlegging van verzoekschriften tot aanvullend onderzoek voor de zitting van de raadkamer van 26 mei 2011 en de herneming van de rechtspleging op 26 april 2012 overeenkomstig artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: schorsingstermijn van 11 maanden; - tussen het wrakingsverzoek van 4 juni 2012 gericht tegen de voorzitter van de raadkamer en het arrest van het Hof van Cassatie van 23 oktober 2012: schorsingstermijn van 4 maanden en 19 dagen; - tussen het instellen van een cassatieberoep tegen het verwijzingsarrest op 18 november 2013 en het arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 2014: schorsingstermijn van 10 maanden en 5 dagen. Het arrest bepaalt vervolgens de laatst nuttige stuiting van de verjaring in hoofde van eisers XII.1 en XII.2 op de datum van 17 januari 2013, d.i. de terechtzitting voor de raadkamer, die uitspraak moest doen over de vordering tot verwijzing van eisers naar de correctionele rechtbank. Op grond van deze gegevens en rekening houdend met de bovenvermelde schorsingsperiodes beslist het arrest naar recht dat de verjaring van de strafvordering in hoofde van eisers XII.I en XII.2 nog niet is bereikt. De vastgestelde periodes van schorsing van de verjaring deden het eindpunt van de verjaring van de strafvordering opschuiven met een periode van 788 dagen. De appelrechters hebben wettig geoordeeld dat op moment van hun eindarrest, 24 april 2019, de strafvordering gericht tegen eisers XII nog niet was vervallen door verjaring. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Het tweede onderdeel voert een schending aan van de artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek. De appelrechters oordeelden dat het in telastlegging C.I.15 bedoeld gebruik van valse stukken werd beëindigd op de datum van de inverdenkingstelling van de eisers XII.1 en XII.2 (p. 240) en dat op die datum de verjaring van de strafvordering een aanvang nam; terwijl niet is vastgesteld dat op die datum het beoogde doel van gebruik van vermelde valse stukken nog niet was bereikt. Zij hebben niet vastgesteld in welke periode de partijen diamant vermeld in C.I.15 door eisers precies werden verkocht en in welke periode de daaruit voortvloeiende illegale vermogensvoordelen werden ontvangen, terwijl het beoogde doel van gebruik van de in C.I.15 omschreven valse stukken er volgens het arrest erin bestond om de partijen diamanten vermeld in C.I.15 na de fictieve verkoop in het zwart te verhandelen en op die manier illegale vermogensvoordelen te ontvangen. Beoordeling. Het gebruik van een vals stuk duurt voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het door hem beoogde doel niet werd verwezenlijkt en zolang de oorspronkelijke handeling die hem wordt verweten, zonder dat hij zich ertegen verzet, het nuttig gevolg heeft dat hij ervan verwachtte
(73), zoals terecht is beoordeeld door de appelrechters (p. 236 en 240). Het komt de strafrechter toe uit te maken, op basis van feitelijke gegevens, of, naargelang het door de dader van het misdrijf nagestreefde doel en het nuttig gevolg dat hij van het valse stuk verwacht, al dan niet verwezenlijkt is, aan het gebruik ervan een einde is gekomen waardoor de verjaringstermijn van de strafvordering een aanvang neemt. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht heeft kunnen afleiden dat die valsheid al dan niet heeft opgehouden de door de vervalser gewenste uitwerking te hebben
(74). In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Eisers XII.1 en XII.2 werden vervolgd wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, waarbij deze telastlegging (C.I.15) als volgt werd omschreven (p. 18 en 26): "door valselijk facturen uitgaande van de hiernavermelde onderneming(en) en andere samenhangende documenten te hebben opgesteld of te hebben doen/laten opstellen, en op te nemen of te hebben doen/laten opnemen in de boekhouding van de hiernavermelde rechtspersoon, waarbij de werkelijke afnemer van de goederen niet wordt opgenomen in deze documenten, met het bedrieglijk opzet om i.c. de goederen (diamanten normaal onder vergunningsstelsel of anders zoals aangeduid) via een illegaal smokkelcircuit verder te kunnen verhandelen, hierdoor illegaal vermogen te bekomen, onverminderd waar verder weerhouden de feiten der tenlastelegging witwas, .... Met betrekking tot de B.V.B.A. YAELSTAR. Op 10.09.2003, het nuttig effect van het gebruik van de valse stukken minstens voortdurend tot de mededeling van het dossier, i.c. 01.03.2011 (...) Voor een totaal van 1.789,87 karaat aan ruwe diamant ter waarde van 186.940,05 USD (...)". De appelrechters hebben hun onaantastbare beoordeling over schuld gesteund op onder meer volgende elementen (p. 239-240): 1° het bedrieglijk opzet bestond erin de goederen (diamanten normaal onder vergunningsstelsel of anders zoals aangeduid) via een illegaal smokkelcircuit verder te kunnen verhandelen, om een illegaal vermogen te bekomen, onverminderd waar weerhouden de feiten der telastlegging witwas; 2° het gaat om verkoopfacturen en samenhangende documenten, uitgaande van Antwerpse diamantvennootschappen, cliënten van BVBA M.W.S. met vermelding van fictieve kopers en fictieve transacties, waarbij het fraudemechanisme (A) erin bestond dat juwelen en gepolijste diamanten bij het Diamond Office te Antwerpen werden aangeboden voor uitvoer naar vermeende klanten, terwijl de waardevolle goederen via Port Franc te Genève terug in het bezit kwamen van de verzenders, die aldus over een zwart inkomen beschikten, dat hun toeliet hun stock van diamanten aan te vullen of recht te zetten en diamanten zonder factuur te verhandelen; 3° de valse geschriften onder telastlegging C.1.15 dienden om de waardegoederen na fictieve verkoop in het zwart te kunnen verhandelen, het terug verwerven van geslepen diamanten te verdoezelen; 4° het nuttig gevolg van vermelde valse stukken (C.1.15) is op grond van de feitelijke gegevens in het strafdossier te begrijpen als het boekhoudkundig toedekken van een niet-bestaande uitvoer en verkoop. Zolang dit doel verwezenlijkt bleef, was er nuttig gevolg van de vervalste geschriften; 5° de gunstige uitwerking die van de vervalste stukken werd verwacht, heeft voortgeduurd totdat het gerechtelijk onderzoek de verweten onwaarachtigheden aan het licht bracht, met als specifiek moment de formele inverdenkingstelling van eisers door de onderzoeksrechter. Met deze redenen hebben de appelrechters naar recht verantwoord dat het gezien het nuttig gevolg van de verweten valse stukken, opgesteld met als doel het boekhoudkundig toedekken van een niet-bestaande uitvoer en verkoop, heeft voortgeduurd tot het gerechtelijk onderzoek de verweten onwaarachtigheden aan het licht heeft gebracht, specifiek het moment van de formele inverdenkingstelling van de eisers. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek: uit de enkele vaststelling dat de eisers XII.1 en XII.2 door de onderzoeksrechter in verdenking werden gesteld op 13 februari 2008 konden de appelrechters redelijkerwijze niet afleiden dat het beoogde nuttig gevolg van het gebruik van valse stukken in C.I.15 tot die datum voortduurde en die datum dus het beginpunt was van de verjaring van de strafvordering. Met de motivering dat de gunstige uitwerking die van de vervalste stukken werd verwacht, voortgeduurd heeft tot het ogenblik van de formele inverdenkingstelling van eisers en er op dat moment kon van uit worden gegaan dat het nuttig gevolg van de vervalsingen ten einde kwam (p. 240, derde alinea), stelt het arrest de datum van inverdenkingstelling van de eisers XII.1 en XII.2 immers zonder meer en zonder enige bijkomende feitelijke vaststelling gelijk met de datum van de ontdekking van het bestaan van het in telastlegging C.I.15 bedoeld gebruik van valse facturen door de opname van die facturen in de boekhouding van eiseres XII.
- Deze beoordeling is volgens eisers XII niet naar recht verantwoord omwille van drie redenen; ten eerste valt het tijdstip van de ontdekking van het bestaan van het misdrijf als materieel feit niet noodzakelijk samen met het tijdstip van het ontstaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van één of meerdere van de betrokkenen die noopt tot een formele inverdenkingstelling (art. 61bis Sv.), zodat het arrest concreet had moeten nagaan in hoeverre het tijdstip van het ontstaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van eisers XII.1 en XII.2 samenviel met de ontdekking van het gebruik van valse stukken; ten tweede valt het tijdstip van de formele inverdenkingstelling niet noodzakelijk samen met het tijdstip van de vaststelling van de eerste (ernstige) aanwijzingen van schuld zodat het arrest concreet had moeten nagaan in hoeverre de formele inverdenkingstelling van de eisers XII.1 en XII.2 al dan niet samenviel met de vaststelling van de eerste aanwijzingen van schuld dan wel of de inverdenkingstelling werd uitgesteld omwille van de noodwendigheden van het onderzoek; ten derde valt het moment van inverdenkingstelling van eisers niet noodzakelijk samen met de datum van de ontdekking van de feiten, gezien het onderzoek liep tegen meerdere verdachten en verschillende tenlasteleggingen omvatte, zodat het arrest concreet had moeten nagaan in hoeverre hun inverdenkingstelling (mede) betrekking had op de feiten van de telastlegging C.I.15 en op welk ogenblik de andere voor telastlegging C.I.15 vervolgde beklaagden (eisers II en XI) voor deze telastlegging in verdenking werden gesteld. Beoordeling: Met de overweging op p. 240 gaven de appelrechters onaantastbaar aan dat de gunstige uitwerking die van de vervalste stukken werd verwacht, heeft voortgeduurd tot het gerechtelijk onderzoek de verweten onwaarachtigheden aan het licht bracht, dat dit ogenblik voor eisers specifiek wordt gesitueerd op het moment van hun formele inverdenkingstelling. Op dat moment werden volgens het arrest de eerste, ernstige aanwijzingen van schuld werden vastgesteld en kon ervan worden uit gegaan dat vanaf dan het nuttig gevolg van de vervalsingen ten einde kwam. Aldus stelt het bestreden arrest de datum van ontdekking van het vals stuk niet zonder meer gelijk met de datum van inverdenkingstelling van eisers. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Het vierde onderdeel, tenslotte, voert een tegenstrijdige motivering aan: schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest heeft het bestaan van de eerste aanwijzingen van schuld in hoofde van de eisers XII.1 en XII.2 op een verschillend moment bepaalt in verschillende onderdelen van het arrest bepaalt, waarbij ook momenten voorafgaand aan de formele inverdenkingstelling van eisers in rekening zijn gebracht. Beoordeling. Wat betreft de gunstige uitwerking die van de vervalste stukken (C.I.15) werd verwacht, oordeelden de appelrechters dan op het moment van de formele inverdenkingstelling (13 februari 2008) de eerste aanwijzingen van schuld zijn vastgesteld, en men ervan kon uitgaan dat aan het nuttig gevolg van de vervalsingen een einde kwam (p. 240). Met deze redenen stelden de appelrechters vast dat op 13 februari 2008 er ernstige aanwijzingen van schuld tegen eisers aan het licht kwamen. Bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn (p. 246 en 247), oordeelden de appelrechters dat de redelijke termijn loopt vanaf kennisname van enige daad van een ingestelde strafvervolging en voor de cliënten van BVBA M.W.S de redelijke termijn minstens liep "vanaf het ogenblik waarop huiszoekingen plaatsvonden in hun kantoren en/of private woningen gedurende de jaren tussen 2006 en 2010." Hiermee stelt het arrest niet vast dat op het ogenblik van de huiszoekingen bij de eisers XII.1 en XII.2 de eerste, ernstige aanwijzingen van schuld werden vastgesteld op basis waarvan diende te worden overgegaan tot hun formele inverdenkingstelling. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Over de beweerde schending van het specialiteitsbeginsel (p. 289-290) oordeelden de appelrechters dat in het eerste rechtshulpverzoek van 21 september 2005 aan de Zwitserse autoriteiten en in de bijkomende toelichting van de onderzoeksrechter in 2006 en 2007 meermaals is aangegeven dat de betrokken feiten ernstige georganiseerde fraude inhielden, met opmaak en gebruik van talrijke valse stukken, het voeren van onwaarachtige boekhoudingen en het tussenschuiven van schermvennootschappen. Met deze redenen stelt het arrest niet vast dat op 21 september 2005 de eerste ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van eisers XII.1 en XII.2 werden vastgesteld op basis waarvan diende te worden overgegaan tot hun formele inverdenkingstelling. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tenslotte oordeelt het arrest over de bewezenverklaring van de telastlegging C.I.15 (p. 326-327) dat beklaagde S.M. enig zaakvoerder en hoofdaandeelhouder was van de BVBA Yaelstar, volmachthouder was voor de bankrekening van de BVBA Yaelstar bij de Antwerpse diamantbank, waarop gelden terechtkwamen van verkoop van geslepen diamant aan Millenium Trading en eiser op 6 december 2007 S.M. erkende dat de van valsheid betichte factuur gericht aan Millenium Trading ‘met zekerheid' een factuur van mijn vennootschap is. De appelrechters nemen aan dat beklaagde S.M. in 2003 het gehele officieel en feitelijk bestuur van de BVBA Yaelstar in handen had. Met deze redenen hebben de appelrechters niet geoordeeld dat op 6 december 2007 de eerste ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de eisers XII.1 en XII.2 werden vastgesteld op basis waarvan diende te worden overgegaan tot hun formele inverdenkingstelling. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Besluit Er is geen noodzaak tot het aanvoeren van ambtshalve middelen in cassatie. Cassatie met verwijzing, in zoverre het de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent beveelt van het bedrag van 175.400 euro lastens eiser VI op grond van de bewezen verklaarde feiten van telastleggingen C.I.17, D.21 (enkel in zoverre het betrekking heeft op het niet-opnemen of laten/doen opnemen in de boekhouding) en H.
- Verwerping van de cassatieberoepen voor het overige. ______________________________
(1)Met oprechte dank aan Mevr. EVY VAN STICHEL, Referendaris bij het Hof van Cassatie, voor haar bijstand bij de voorbereiding van deze conclusie.
(2)Cass. 29 oktober 1980, Arr. Cass. 1980, nr. 129; Cass. 1 februari 1984, AR nr. 3370, Arr. Cass. 1983-84, 668. Zie A. DE NAUW, "De verjaring van de fiscale valsheid in geschriften en van het gebruik van valse stukken: een stand van zaken", in Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 554.
(3)Cass. 1 februari 1984, AC 1983-84, 668; Cass. 2 oktober 1994, RG P.94.0551.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941026.18, AC 1994, nr. 452; Cass. 6 oktober 1999, RG P.99.0842.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991006.15, AC 1999, nr. 510; Cass. 6 maart 2001, AR P.00.1736.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010306.5, AC 2001, nr. 123; Cass. 7 februari 2007, AR P.06.1491.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070207.6, AC 2007, nr. 72; Cass. 27 januari 2009, AR P.08.1639.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090127.3, AC 2009, nr. 68, N.C. 2009, 266 noot S. VAN DYCK, Cass. 3 juni 2009, AR P.08.1732.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090603.4, AC 2009, nr. 370; Cass. 9 maart 2011, AR P.10.1299.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110309.1, AC 2011, nr. 185, N.C. 2013, 53 noot E. VAN DOOREN; Cass. 26 februari 2013, AR P.11.1165.N, AC 2013, nr. 130; Cass. 16 december 2014, AR P.14.0430.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141216.1, AC 2014, nr. 796, N.C. 2015, 314 noot J. DE HERDT; Cass. 15 december 2015, AR P.15.1142.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.1, AC 2015, nr. 753; Cass. 7 juni 2016, AR P.16.0182.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160607.4, AC 2016, nr. 380; Cass. 29 maart 2017, P.16.1242.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170329.2, AC 2017, nr. 226. Zie verder GwH 21 december 2005, arrest 199/2005, N.C. 2006, 112; GwH 25 februari 2010, arrest 17/2010, www.const-court.be, R.D.P. 2010, 109 noot F. LUGENTZ. Zie ook L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht, APR 2002, p. 144; S. VAN DYCK, "Sint-Juttemis en de verjaring in het leerstuk van valsheid in geschriften", in De verjaring van de strafvordering voor rechtspractici, Leuven, UP, 2005, 69-102; S. VANDROMME, "De verjaring van de strafvordering bij collectieve misdrijven en bij valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken", N.C. 2006, 116-122; A. DE NAUW, "De verjaring van de fiscale valsheid in geschriften en van het gebruik van valse stukken: een stand van zaken", in Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 554-556; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, 138-139; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 122-124; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 205; A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Mechelen, Kluwer, 2018, p. 85-87: L. VERSLYPE, "De verjaring van de strafvordering", N.C. 2018, nummer ‘Nullum crimen prijs 2018", 18-20; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel& Svacina, 2019, 869-870.
(4)Cass. 9 maart 2011, AR P.10.1299.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110309.1, AC 2011, nr. 185, N.C. 2013, 53 noot E. VAN DOOREN.
(5)Cass. 27 januari 2009, AR P.08.1639.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090127.3, AC 2009, nr. 370, N.C. 2009, 266 noot S. VAN DYCK; Cass. 9 maart 2011, AR P.10.1299.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110309.1, AC 2011, nr. 185; Cass. 26 februari 2013, AR P.11.1665.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130226.2, AC 2013, nr. 130.
(6)Cass. 13 mei 2008, AR P.08.0167.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080513.4, AC 2008, nr. 287; Cass. 21 mei 2008, AR P.07.1710.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080521.5, AC 2008, nr. 130 met concl. van advocaat-generaal D. Vandermeersch in Pas.; Cass. 3 juni 2009, AR P.08.1732.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090603.4, AC 2009, nr. 370; Cass. 19 februari 2013, AR P.12.0867.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130219.2, AC 2013, nr. 130; Cass. 26 februari 2013, AR P.11.1665.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130226.2, AC 2013, nr. 130; Cass