id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 april 2020 EC
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Beklaagde - Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Vertegenwoordiging door advocaat Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3,
- d)- 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14.3,
- d)- Beklaagde - Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Vertegenwoordiging door advocaat Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Beklaagde - Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Vertegenwoordiging door advocaat Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 5 - 10 Het recht van de beklaagde op persoonlijke deelname aan het strafproces en het recht overleg te plegen met zijn raadsman zijn niet absoluut; indien een beklaagde de uitoefening van die rechten zelf onmogelijk maakt of indien de rechter van oordeel is dat rekening houdend met de concrete elementen van de zaak, zoals onder meer de redelijke termijn-vereiste en de gevolgen van het aanslepen van de zaak voor de betrouwbaarheid van het bewijs de behandeling van de strafvordering geen verder uitstel duldt, kan hij het verzoek van een beklaagde om persoonlijk aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak en zelf of samen met zijn raadsman verweer te voeren, afwijzen; de rechter moet bij afwijzing er wel op toezien dat het recht op een eerlijk proces van die beklaagde rekening houdend met de gehele rechtspleging voldoende is gewaarborgd
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Verzoek van beklaagde om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Onmogelijkheid te verschijnen. - Afwijzing van het verzoek - Beoordeling van de vonnisrechter - Redenen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Verzoek van beklaagde om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Onmogelijkheid om te verschijnen - Afwijzing van het verzoek - Beoordeling van de vonnisrechter - Redenen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3,
- d)- 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14.3,
- d)- Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Verzoek van beklaagde om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Onmogelijkheid te verschijnen. - Afwijzing van het verzoek - Beoordeling van de vonnisrechter - Redenen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Verzoek van beklaagde om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Onmogelijkheid te verschijnen. - Afwijzing van het verzoek - Beoordeling van de vonnisrechter - Redenen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Onderzoek ter terechtzitting - Verzoek van beklaagde om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Onmogelijkheid te verschijnen. - Afwijzing van het verzoek - Beoordeling van de vonnisrechter - Redenen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Verzoek van beklaagde om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Onmogelijkheid te verschijnen. - Afwijzing van het verzoek - Beoordeling van de vonnisrechter - Redenen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 11 - 14 Het enkele feit dat een beklaagde van wie op grond van een Europees aanhoudingsbevel de overlevering door België wordt gevraagd en die in afwachting van een beslissing door de uitvoerende staat over zijn overlevering aan België tegen betaling van een borgsom en onder voorwaarden is vrijgelaten en die naar moet worden aangenomen ter plaatse moet blijven, zich voor de gerechtelijke overheden van de uitvoerende staat verzet tegen die overlevering, houdt niet in dat deze beklaagde zijn recht om persoonlijk aanwezig te zijn bij de beoordeling van de tegen hem ingestelde strafvordering voor de Belgische vonnisgerechten en daar verweer te voeren onmogelijk maakt en berooft hem niet van deze rechten
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Europees aanhoudingsbevel - Vrijheid onder voorwaarden van beklaagde in het buitenland - Geen instemming met overlevering naar België - Verzoek van beklaagde om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Verzoek om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Afwijzing van het verzoek Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Europees aanhoudingsbevel - Vrijheid onder voorwaarden van beklaagde in het buitenland - Geen instemming met overlevering naar België - Verzoek om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Afwijzing van het verzoek Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3,
- d)- 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14.3,
- d)- Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Europees aanhoudingsbevel - Vrijheid onder voorwaarden van beklaagde in het buitenland - Geen instemming met overlevering naar België - Verzoek om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Afwijzing van het verzoek Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke deelname aan het strafprocesr - Recht op overleg met een advocaat - Europees aanhoudingsbevel - Vrijheid onder voorwaarden van beklaagde in het buitenland - Geen instemming met overlevering naar België - Verzoek om persoonlijk aan het proces deel te nemen - Afwijzing van het verzoek Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 15 - 16 Het staat aan de vonnisgerechten om indien de beklaagde die zich verzet tegen een overlevering naar België verzoekt om persoonlijk aanwezig te kunnen zijn en verweer te voeren, de behandeling van de zaak tijdelijk uit te stellen, desgevallend na afsplitsing van de vervolging van deze beklaagde van de vervolging van andere bij de zaak betrokken beklaagden, tenzij het vonnisgerecht oordeelt dat rekening houdend met de concrete elementen van de gehele rechtspleging zoals onder meer de redelijke termijn-vereiste en de gevolgen van het aanslepen van de zaak voor de betrouwbaarheid van het bewijs de behandeling van de strafvordering geen verder uitstel duldt
(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Onderzoek ter terechtzitting - Beklaagde - Onmogelijkheid om persoonlijk aanwezig te zijn - Verzoek om uitstel - Afsplitsing van de zaak - Beoordeling van de vonnisrechter - Vereiste van redelijke termijn - Betrouwbaarheid van het bewijs - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, d) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Beklaagde - Onmogelijkheid om persoonlijk aanwezig te zijn - Verzoek om uitstel - Afsplitsing van de zaak - Beoordeling van de vonnisrechter - Vereiste van redelijke termijn - Betrouwbaarheid van het bewijs - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14
.3, c) - 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiche 17 De vernietiging van de weigering van de vonnisrechter om de behandeling van de zaak op verzoek van de beklaagde uit te stellen, leidt tot de vernietiging van de overige beslissingen betreffende de tegen de beklaagde ingestelde vorderingen, die eruit voortvloeien. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Vrije woorden: Vernietiging van de weigering tot een verzoek van uitstel van behandeling - Overige beslissingen van de vonnisrechter - Gevolgen Tekst van de conclusie P.20.0231.N Advocaat-generaal Bart De Smet heeft in hoofdzaak gezegd:
- Als eerste middel, eerste onderdeel, voert eiser I een schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het beginsel van de wapengelijkheid. De appelrechters hebben eiser veroordeeld wegens mensensmokkel met verzwarende omstandigheden zonder de overleveringsprocedure in het Verenigd Koninkrijk af te wachten, waardoor hij niet persoonlijk aanwezig kon zijn op zijn strafproces, hoewel hij geen afstand deed van zijn recht op persoonlijke deelname aan het proces. Eiser werd bovendien nooit in de mogelijkheid gesteld om te worden verhoord, alhoewel hij niet voortvluchtig of ondergedoken is, verhoor dus mogelijk is, temeer daar eiser vrij is onder voorwaarden in het Verenigd Koninkrijk. Het feit dat eiser zijn overlevering naar België met rechtsmiddelen betwist, mag niet leiden tot de miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces. Het afhandelen van het strafproces in eerste en tweede aanleg zonder mogelijkheid van verhoor en persoonlijke aanwezigheid maakt een onherstelbare hindernis uit voor een eerlijk proces en miskent op onherstelbare wijze zijn recht van verdediging.
- Beoordeling. Bij het beoordelen van de gegrondheid van de strafvordering heeft elke beklaagde recht op een eerlijke behandeling van de zaak (art. 6.
- EVRM). Eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd heeft het recht zichzelf te verdedigen of bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze (art. 6.3.c EVRM). Tenslotte bepaalt artikel 14.3.d Verdrag Burgerlijke en Politieke Rechten dat hij die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, bij het bepalen van een tegen hem ingestelde strafvervolging, het recht heeft in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zichzelf te verdedigen of bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze.
- Uit deze drie proceswaarborgen volgt dat de beklaagde het recht heeft om aanwezig te zijn op het onderzoek ter terechtzitting en te beslissen of hij zichzelf zal verdedigen, al dan niet met bijstand van een raadsman, dan wel zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman
(1). Het recht op persoonlijke deelname aan het proces en het recht op bijstand van een advocaat zijn twee losstaande rechten
(2). 4. Uw Hof oordeelde dat artikel 6.3.c EVRM inhoudt dat de beklaagde zijn strafproces daadwerkelijk moet kunnen volgen en eraan moet kunnen deelnemen, als hij dat wenst. Hij moet overleg kunnen plegen met zijn raadsman, hem instructies kunnen geven, verklaringen afleggen en tegenspraak kunnen voeren over het bewijsmateriaal.
(3)- De beklaagde mag het recht op persoonlijke deelname aan het strafproces evenwel niet aanwenden om het strafproces te blokkeren of op de lange baan te schuiven. Dit probleem is aan de orde wanneer de beklaagde wegens een externe oorzaak niet kan verschijnen en geen afstand deed van zijn recht op persoonlijke deelname aan het strafproces. Voorbeelden van deze wil maar onmogelijkheid te verschijnen zijn een ernstige, langdurige ziekte, opsluiting in een buitenlandse gevangenis of het niet-overbrengen van aangehouden beklaagden wegens stakingen van veiligheidspersoneel.
- Het feit dat de beklaagde niet kan verschijnen, mag niet worden opgevat als afstand van het recht op persoonlijke deelname aan het strafproces, zeker indien de afwezigheid van de beklaagde te wijten is aan overmacht
(4). In geval van twijfel moet het recht van de beklaagde op persoonlijke deelname aan het strafproces worden gewaarborgd. Het is niet aan de beklaagde, maar aan de vervolgende partij, om aan te tonen dat de afwezigheid van de beklaagde niet steunt op overmacht, of neerkomt op vrijwillige afstand van het recht op verdediging
(5). 7. Het recht op persoonlijke deelname aan het strafproces is net zo min als het recht op het doen ondervragen van getuigen een absoluut recht
(6). Het verdagen van de zaak naar onbepaalde datum, tot de beklaagde wel in staat is aan het debat deel te nemen, tast de kwaliteit of betrouwbaarheid aan van het bewijs en druist in tegen de belangen van de maatschappij, slachtoffers en medebeklaagden
(7). Indien met afweging van alle belangen de rechter oordeelt dat de afwezigheid van de beklaagde te lang duurt, en het vaststaat dat de beklaagde niet vrijwillig afstand doet
(8)van zijn recht op persoonlijke deelname aan het strafproces, mag de vonnisrechter aan de advocaat van de beklaagde de keuze aanbieden: ofwel de beklaagde vertegenwoordigen, en aldus het proces beïnvloeden, met als resultaat een uitspraak op tegenspraak
(9), ofwel behandeling van de zaak bij verstek. In dat laatste geval kan onder bepaalde voorwaarden verzet van de beklaagde leiden tot een tweede beoordeling van de zaak (art. 187 Sv.)
(10). Gezien verzet binnen een bepaalde termijn moet worden ingesteld, naar gelang het verstekvonnis wel of niet aan de beklaagde zelf is betekend (art. 187, §1 Sv.), is het overigens niet zeker dat tijdens de procedure op verzet de beklaagde wel in staat is persoonlijk aan het debat deel te nemen. 8. Weliswaar mag niet zomaar in het belang van een goede rechtspleging het proces worden afgehandeld zonder inbreng van de beklaagde zelf. Als de aanwezigheid van de beklaagde essentieel is voor het eerlijk karakter van het proces, zeker als de uitkomst van de debatten hem ernstig kan schaden (zoals verzwaring van straffen), dient de beklaagde de kans te krijgen zelf aan de debatten deel te nemen, behoudens vrijwillige afstand van deze waarborg
(11). Bijstand van een advocaat is hoe dan ook gewaarborgd (art. 6.3.c EVRM). 9. Omgekeerd kan de rechter de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering uitspreken, indien blijkt dat de rechten van verdediging ernstig en onherstelbaar zijn miskend, en geen eerlijk proces meer mogelijk is
(12). Het aspect ‘onherstelbaar’ houdt in dat als de vonnisrechter zelf de mogelijkheid heeft om een miskenning van het recht op een eerlijk proces te verhelpen, hij dit moet doen
(13). De passende oplossing is op vraag van de advocaat van de afwezige beklaagde uitstel van behandeling van de zaak toestaan, zelfs de zaak af te splitsen van medebeklaagden die zich wel meteen willen en kunnen verdedigen. Op die manier behoudt de afwezige beklaagde zijn recht op persoonlijke deelname van het proces, zonder dat het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn van andere beklaagden daardoor wordt geschaad (art. 6.1. EVRM)
(14). 10. Bij de afweging van belangen dient de vonnisrechter zorgvuldig te werk te gaan. Het belang van de afwezige beklaagde mag niet zomaar worden opgeofferd aan de belangen van andere procespartijen, om redenen van efficiëntie·. Het Europees Hof te Staatsburg oordeelde immers, als stelregel, dat de verschijning van de beklaagde van kapitaal belang is voor een eerlijk proces
(15), en de beklaagde aan de debatten moet kunnen deelnemen als de uitkomst van het strafproces hem ernstig kan schaden
(16). 11. Het voortzetten van het proces zonder de persoonlijke inbreng van de beklaagde moet aldus worden vermeden, als blijkt dat de beklaagde wegens omstandigheden niet kan verschijnen, zelfs al treedt voor de beklaagde een advocaat op. De situatie is anders indien de beklaagde niet wil verschijnen. In dit geval doet de beklaagde vrijwillig en ondubbelzinnig afstand van zijn recht op persoonlijke deelname aan het strafproces. De strafzaak kan dan zonder zijn aanwezigheid worden afgehandeld, met of zonder vertegenwoordiging door een advocaat
(17).
- Uit de rechtspraak van het Europees Hof te Straatsburg (EHRM) over de waarborg van art. 6.3.c EVRM komen naar mijn mening drie belangrijke principes naar voor, wat betreft de waarborgen van de afwezige beklaagde:
- Ten eerste, de afwezige beklaagde mag zich laten vertegenwoordigen door een raadsman, zelfs al is hij in staat de debatten bij te wonen
(18). Dat recht op vertegenwoordiging mag niet tegen de beklaagde worden gebruikt, in die zin dat de vonnisrechter aan een afwezige beklaagde vertegenwoordiging door een raadsman mag opleggen, om aldus de zaak op tegenspraak af te handelen
(19). 14. Ten tweede: Indien de beklaagde wegens een externe oorzaak zoals voorlopige hechtenis in het buitenland niet kan verschijnen, en zelf aan het strafproces wil deelnemen, dient de strafrechter het proces in beginsel uit te stellen, tenzij daardoor een onverantwoorde vertraging ontstaat
(20). Voorlopige hechtenis in het buitenland kan als overmacht worden beschouwd, die het recht op persoonlijke deelname aan het proces intact laat, zelfs als deze hechtenis steunt op andere feiten als deze die het voorwerp uitmaken van het strafproces
(21). Het is aan de strafrechter om te oordelen of voorlopige hechtenis in het buitenland een omstandigheid is buiten de wil van de verdachte, onder meer wat betreft het aantekenen van verzet
(22). 15. In de zaak F.C.B. t/Italië kon een beschuldigde niet aan zijn assisenproces in Italië deelnemen omdat hij in Nederland was opgesloten voor andere feiten. Het Europees Hof te Straatsburg stelde dat het gedrag van F.C.B. mogelijk laakbaar was, maar achtte de beslissing van de Italiaanse rechter om het proces in zijn afwezigheid voort te zetten disproportioneel en in strijd met het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 in combinatie met art. 6.3.c EVRM)
(23). 16. In de zaak Hokkeling t/Nederland kon de beklaagde niet verschijnen in het strafproces voor het rechtscollege in hoger beroep omdat hij inmiddels was opgesloten in Noorwegen, wegens andere feiten. Hij had aangegeven zelf het proces te willen beïnvloeden. Tijdens het proces in eerste aanleg had de beklaagde wel deelgenomen aan de debatten
(24). De weigering van de Nederlandse rechter om het strafproces uit te stellen werd in strijd bevonden met het recht op een eerlijk proces, in combinatie met het recht op persoonlijke deelname aan het strafproces. Het feit dat de advocaat van de afwezige beklaagde deelnam aan de debatten was onvoldoende als compensatie voor de inbreuk op art. 6.1. en 6.3.c EVRM. Aspecten die het Europees Hof te Straatsburg in rekening bracht waren de bevestiging dat een tijdelijke overlevering van de beklaagde juridisch niet mogelijk was en de rechters in hoger beroep de straf hebben verzwaard
(25). Het feit dat de belaagde zelf verantwoordelijkheid droeg voor het niet kunnen verschijnen voor de Nederlandse rechter, wegens arrestatie in Noorwegen voor andere strafbare feiten, was volgens het Europees Hof geen reden om het proces voort te zetten zonder de eigen inbreng van de beklaagde, gelet op het essentieel belang (prominent place) van het recht op persoonlijke deelname aan het proces en het recht op een eerlijk proces in een democratische samenleving
(26). 17. Ten derde. Bij afwezigheid van de beklaagde wegens een externe oorzaak, zoals voorlopige hechtenis in het buitenland voor het feit dat aan de vonnisrechter voorligt, dient de overheid alle nodige en redelijke inspanningen te leveren om de beklaagde te laten deelnemen aan zijn proces, zolang hij niet vrijwillig afstand doet van deze waarborg
(27). De afwezigheid van de beklaagde op een vastgestelde zitting, waarvan hij kennis heeft, houdt op zich niet in dat de beklaagde afstand doet van zijn recht op persoonlijke deelname aan het strafproces, of instemt met vertegenwoordiging door een advocaat
(28). Op de overheid rust een positieve plicht om maatregelen te nemen om persoonlijke deelname van een beklaagde aan zijn proces mogelijk te maken, zodat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd
(29).
- Getoetst aan deze drie beginselen, lijkt mij het bestreden arrest niet in overeenstemming te zijn met de ingeroepen artikelen 6.
- en 6.3.c EVRM en 14 Verdrag Burgerlijke en Politieke Rechten
(1966).
- Vooreerst heeft in deze zaak de raadsman van eiser I opgeworpen dat eiser persoonlijk aan zijn proces wou deelnemen. Na weigering van een uitstel van behandeling heeft de raadsman eisers verweer gevoerd, in eerste en tweede aanleg. Uit de beslissing van de advocaat van eiser om aan het debat deel te nemen, mag geen vertegenwoordiging worden afgeleid, kan niet zomaar worden afgeleid dat (p. 52): “nu de beklaagde een raadsman heeft is hij, in tegenstelling tot hetgeen hij in conclusies voorhoudt wel degelijk in de mogelijkheid om zich te verdedigen net als de medebeklaagden omtrent de concrete elementen van het onderzoek, zoals bv. het in de vordering opgenomen aantal slachtoffers, de vermeende mededaders…” en verder “de rechten van verdediging van de beklaagde worden op voldoende wijze gegarandeerd”.
- Als algemeen principe bepaalt artikel 440, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: “De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist”. Zoals aangegeven door Dr. J. Huysmans, kan men uit deze bepaling afleiden dat de verhouding tussen de verdachte en zijn advocaat in een strafprocedure berust op twee fundamentele beginselen: 1°het principe van de eenheid van verdediging, wat inhoudt dat proceshandelingen van de advocaat in beginsel toerekenbaar zijn aan de procespartij, en 2°het beginsel dat de advocaat van de beklaagde geen zelfstandige procespartij is, maar slechts een van de beklaagde afgeleide positie inneemt
(30). Een advocaat kan maar optreden als hij daartoe het mandaat heeft van zijn cliënt. Het is de beklaagde die de strategie van verdediging bepaalt
(31), de leidinggevende partij is in het geding (dominus litis), weliswaar bijgestaan door zijn advocaat
(32). De rechter kan de afwezige beklaagde er niet toe dwingen zijn verdediging over te laten aan zijn advocaat
(33).
- Wat het tweede aspect betreft, namelijk de vraag of uitstel van het proces noodzakelijk is om de beklaagde toe te laten aan het debat deel te nemen, rekening houdend met alle belangen in de zaak, lijkt mij de motivering op bladzijden 51 en 52 ontoereikend te zijn.
- Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat eiser I in het Verenigd Koninkrijk was aangehouden om andere redenen dan deze waarvoor hij voor de appelrechters werd vervolgd. De appelrechters stellen vast dat eiser nog steeds in het Verenigd Koninkrijk verblijft doch dat hij er in vrijheid werd gesteld mits de betaling van een borgsom en onder voorwaarden (p. 51). Het is niet duidelijk of één van deze voorwaarden inhield dat eiser het Verenigd Koninkrijk niet mocht verlaten, tot de procedure van overlevering volledig is afgerond. Voorzichtigheid is geboden als de voorlopige hechtenis of vrijheid onder voorwaarden steunt op het feit dat aan de vonnisrechter voorligt. De vonnisrechter dient immers het vermoeden van onschuld te eerbiedigen (art. 6, §2 EVRM)
(34). Verder mogen procesrechten die de beklaagde kan doen gelden tijdens de procedure van overlevering, volgens de artikelen 9-25 van het EU-Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 of het nationaal recht van de uitvoerende Staat, niet tegen de beklaagde zelf worden gebruikt. Op dit punt hebben de appelrechters terecht aangegeven dat het de beklaagde “zijn goed recht is” om de overlevering aan te vechten in het Verenigd Koninkrijk (p. 51).
- Net zoals aan de orde was in vermelde zaak Hokkeling, hebben de appelrechters, op hoger beroep van het openbaar ministerie en met eenparigheid van stemmen, de effectieve gevangenisstraf verzwaard van acht naar tien jaar. Gelet op de ernst van de feiten en de zwaarte van de straf, lijkt mij dat de appelrechters hun beslissing om de zaak zonder persoonlijke deelname van eiser I af te handelen, alleen maar in overeenstemming konden brengen met het recht op een eerlijk proces, als de beklaagde minstens over de feiten werd gehoord. Ook had kunnen worden nagegaan of het dossier van eiser op de terechtzitting kon worden afgesplitst van de overige beklaagden in de zaak, om de belangen van samenleving en de slachtoffers te waarborgen, en te vermijden dat door uitstel van de zaak het recht van de medebeklaagden op een proces binnen een redelijke termijn in het gedrang komt.
- In de zaak Romanov benadrukte het Europees Hof te Straatsburg dat in procedures die de toestand van de beklaagde kunnen verzwaren de beklaagde aan de debatten moet kunnen deelnemen, met bijstand van zijn advocaat
(35). De overheid dient de nodige stappen te zetten om de aangehouden beklaagde naar de zittingszaal te brengen
(36). 25. Tenslotte is de bestreden beslissing ook vatbaar voor kritiek wat betreft het derde aspect, namelijk de vraag of de overheid voldoende inspanningen deed om eiser in staat te stellen het strafproces bij te wonen. De appelrechters hebben verwezen naar brief van de procureur des Konings over de reden waarom eiser I in het Verenigd Koninkrijk niet was verhoord, zonder nadere toelichting over deze brief (st. 51). De appelrechters hebben niet vastgesteld dat eiser I een verhoor over de feiten in het Verenigd Koninkrijk weigerde, in afwachting van overlevering naar België. Ook hebben de appelrechters niet vastgesteld dat de Belgische en Britse autoriteiten voldoende inspanningen hebben geleverd om eiser te verhoren over de hem ten laste gelegde feiten, hetzij via klassieke rechtshulp (rogatoire commissie)
(37), hetzij via een Europees onderzoeksbevel
(38). Voor de aangehouden beklaagde in het buitenland bestaat ook de mogelijkheid van tijdelijke overbrenging naar de Belgische rechter
(39). De appelrechters hebben wel vastgesteld dat beklaagde aanvoerde dat hij het recht heeft om te worden gehoord en dat het beklaagde ‘zijn goed recht is’ om niet akkoord te gaan met de overlevering naar België (st. 51). 26. Tenzij de verdachte of de inverdenkinggestelde voortvluchtig is of ondergedoken leeft, vereist de eerbiediging van het recht van verdediging in de regel dat de verdachte of de inverdenkinggestelde wordt verhoord tijdens het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek of, op zijn minst, dat hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld. Uw Hof oordeelde in die zin op 15 mei 2019
(40). In de zaak Hermi oordeelde het Europees Hof te Straatsburg dat ook in procedures in hoger beroep, indien de zaak opnieuw in feite en rechte wordt beoordeeld, de beklaagde de kans moet worden geboden zelf verweer te voeren, om de ten laste gelegde feiten te kunnen betwisten
(41). Wanneer de rechter zelf de mogelijkheid heeft om een miskenning van het recht op een eerlijk proces te vermijden, dient hij dat te doen, zoals uw Hof oordeelde op 15 mei 2019
(42).
- Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat beklaagde in de gelegenheid was een verklaring af te leggen tijdens het gerechtelijk onderzoek, tijdens zijn proces in eerste aanleg en tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep.
- De appelrechters hebben niet in concreto gemotiveerd waarom uitstel van behandeling voor de zaak van eiser I niet kon worden toegestaan en waarom het niet noodzakelijk was het strafdossier aan te vullen met verklaringen van eiser I, afgelegd in het buitenland.
- De motivering lijkt erop neer te komen dat eiser I zijn recht om te worden verhoord en om aanwezig te zijn op zijn strafproces heeft verbeurd door zich te verzetten tegen zijn overlevering.
- Om al deze redenen, lijkt mij de beslissing van de appelrechters dat eiser in de procedure werd vertegenwoordigd door zijn raadsman, eiser wel degelijk in de mogelijkheid was om zich te verdedigen, het recht op een eerlijk proces in generlei mate is geschonden en er geen noodzaak is aan bijkomende onderzoeksdaden (p. 52), niet naar recht verantwoord. Het eerste middel, eerste onderdeel is gegrond.
- De andere middelen en onderdelen behoeven geen verder antwoord daar zij niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing van de zaak. Conclusie Cassatie met verwijzing van de zaak, wat betreft de veroordeling en straftoemeting van eiser I. ____________________________________
(1)O. KLEES, “La répresentation du prévenu par l’avocat en matière pénale”, R.D.P. 1995, 669-677; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 1305-1309; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 949-953; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 37-40 en 1324-1329; J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017, 483-490; J. MEESE, “Het recht van de beklaagde om persoonlijk aanwezig te zijn bij het strafproces”, RW 2018-19, 299-300; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 280-364; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel& Svacina, 2019, 768-775.
(2)A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 306.
(3)Cass. 20 september 2016, AR P.15.0466.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.4, AC 2016, nr. 507, RW 2017-18, 139, RABG 2017, 62 noot C. VAN DE HEYNING; Cass. 30 mei 2017, AR P.14.0605.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.1, AC 2017, nr. 353, RW 2018-19, 298 met noot van J. MEESE, “Het recht van de beklaagde om persoonlijk aanwezig te zijn bij het strafproces”; en C. VAN DE HEYNING, “Het recht op deelname aan de procedure: wanneer ben je tijdig ziek genoeg?”, RABG 2107/1, p. 66-71. Zie ook Cass. 15 mei 2019, AR P.19.0169.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.3, AC 2019, nr. 289 en www.juridat.be.
(4)J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017, 484; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 290, 293 en 305.
(5)In die zin zie EHRM 18 oktober 2006, Hermi t/Italië, §75 en EHRM 4 april 2018, Correia de Matos t/Portugal, § 121, www.echr.coe.int
(6)In die zin Cass. 20 september 2016, AR P.16.0231.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.6, AC 2016, nr. 509, RABG 2017, 62 noot C. VAN DE HEYNING; Cass. 30 mei 2017, AR P.14.0605.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.1, RW 2018-19, 298 met noot van J. MEESE, RABG 2017, 66. Zie ook M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 1305; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 851; H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 37; C. VAN DE HEYNING, “Het recht op deelname aan de procedure: wanneer ben je (tijdig) ziek genoeg?”, RABG 2017, 66-71; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 305-307 en 336; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 768.
(7)A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 294 en 306. Het Europees Hof te Straatsburg laat aan de vonnisrechter toe de belangen van de samenleving en de slachtoffers in rekening te brengen wanneer de afwezige beklaagde uitstel van de zaak vraagt, om zelf te kunnen verschijnen. In die zin EHRM 14 februari 2017, Hokkeling t/Nederland, § 62, www.echr.coe.int.
(8)In geval van vrijwillige en ondubbelzinnige afstand van het recht op persoonlijke deelname aan het proces is er geen probleem voor de strafrechter om de zaak op tegenspraak af te handelen door alleen de advocaat van de beklaagde aan het woord te laten, zie EHRM 20 oktober 2005, Romanov t/Rusland, § 107, EHRM 18 oktober 2006, Hermi t/Italië, EHRM 4 april 2018, Correia de Matos t/Portugal, § 128, www.echr.coe.int Zie ook A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 287; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel& Svacina, 2019, 773.
(9)Vb. Cass. 24 maart 2010, AR P.10.0284.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100324.4, AC 2010, nr. 213, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., www.juridat.be. Zie ook R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 957.
(10)S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie”, RW 2015-16, 1403-1413 en 1442-1459.
(11)EHRM 20 oktober 2005, Romanov t/Rusland, § 106; EHRM 18 oktober 2006, Hermi t/Italië, § 64-65, www.echr.coe.int; Zie R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 851.
(12)In die zin Cass. 6 mei 1993, RW 1993-94, 383; Cass. 24 november 2009, RG P.09.1080.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9, AC 2009, nr. 694, RW 2009-10, 1383, met concl. van advocaat-genraal M. TIMPERMAN; Cass. 28 mei 2013, AR P.13.0066.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9, AC 2013, nr. 327, met concl. van eerste advocaat-generaal. P. DUINSLAEGER; Cass. 18 maart 2014, AR P.13.0066.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9, AC 2014, nr. 213, T. Strafr. 2014, 252 noot T. DECAIGNY; Cass. 14 april 2015, AR P.14.1146.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150414.5, AC 2015, nr. 250, RW 2016-17, 24 en T. Strafr. 2016, 393 noot J. VAN GAEVER; Cass. 10 februari 2016, AR P.15.1505.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160210.5, AC 2016, nr. 96; Cass. 15 mei 2019, AR P.19.0169.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.3, AC 2019, nr. 289, www.juridat.be Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 808 en 819; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel& Svacina, 2019, 1368-1369.
(13)In die zin Cass. 28 mei 2013, AR P.13.0066.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9, AC 2013, nr. 327, met concl. van eerste advocaat-generaal P. DUINSLAEGER; Cass. 18 januari 2017, AR P.16.0626.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170118.3, AC 2017, nr. 39; Cass. 15 mei 2019, AR P.19.0169.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.3, AC 2019, nr. 289, www.juridat.be
(14)Zie alg. J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld,, Larcier, 2006, 468 p.
(15)EHRM 23 november 1993, Poitrimol t/Frankrijk, § 35; EHRM 22 september 1994, Lala t/Nederland, § 33; EHRM 18 oktober 2006, Hermi t/Italië § 58, www.echr.coe.int Zie A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 281.
(16)EHRM 18 oktober 2006, Hermi t/Italië, §64-65, EHRM 14 februari 2017, Hokkeling t/Nederland, §61 www.echr.coe.int. Zie R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, p. 851.
(17)A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 287; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2019, 774.
(18)EHRM 21 januari 1999, Van Geyseghem t/België, §35, www.echr.coe.int, RDP 1999, 780 noot M.A. BEERNAERT. In dezelfde zin Cass. 15 februari 2000, AR P.18.0760.N, AC 2000, nr. 122; Cass. 9 juni 2010, AR P.10.0931.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100609.2, AC 2010, nr. 407. Zie F. KUTY, « Le refus de comparution d’un prévenu ne peut être sanctionné par la perte du droit d’être effectivement défendu par un avocat », JT 2000, 125-130; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 951; H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2017, 1325; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 297-300; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2019, 773.
(19)A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 306.
(20)A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 307, met verwijzing naar EHRM 14 februari 2017, Hokkeling t/Nederland, §59, www.echr.coe.int.
(21)J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017, 484: A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 293.
(22)Cass. 8 november 2006, AR P.06.0488.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061108.9, AC 2005, nr. 545. Zie J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017, 484.
(23)Vb. EHRM 28 augustus 1991, F.C.B. t/Italië, § 33, www.echr.coe.int Zie A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 305.
(24)EHRM 14 februari 2017, Hokkeling t/Nederland, www.echr.coe.int §10, 12 en 62.
(25)EHRM 14 februari 2017, Hokkeling t/Nederland, www.echr.coe.int, §61.
(26)EHRM 14 februari 2017, Hokkeling t/Nederland, www.echr.coe.int, §62.
(27)Vb. EHRM 28 augustus 1991, F.C.B. t/Italië, §33, www.echr.coe.int Zie A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 305.
(28)C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2019, 773.
(29)In die zin EHRM 3 oktober 2000, Pobornikoff t/Oostenrijk, §24, EHRM 20 oktober 2005, Romanov t/Rusland, §108, www.echr.coe.int, Zie R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 850.
(30)J. HUYSMANS, “Procesmisbruik door de verdediging in de strafprocedure: een contradictio in terminis?”, RW 2016-17, 802-815.
(31)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, p. 824, nr. 1951.
(32)J. HUYSMANS, “Procesmisbruik door de verdediging in de strafprocedure: een contradictio in terminis?”, RW 2016-17, 804-806.
(33)J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017, 484; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia, 2019, 298-303 en 306.
(34)Zie alg. P. DUINSLAEGER, “Het vermoeden van onschuld”, RW 2017-18, 643-663 en 683-697.
(35)EHRM 20 oktober 2005, Romanov t/Rusland, §
- Zie R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu,
- In dezelfde zin EHRM 3 oktober 2000, Pobornikoff t/Oostenrijk, §31.
(36)EHRM 20 oktober 2005, Romanov t/Rusland, §
- In dezelfde zin zie EHRM 14 februari 2017, Hokkeling t/Nederland, www.echr.coe.int, §
- Zie ook R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 851.
(37)Vb. Art. 6 Overeenkomst 29 mei 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, BS 22 juni 2005.
(38)Art. 24 Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, BS 23 mei 2017. Zie G. VERMEULEN, “Het Europees onderzoeksbevel. De grote sprong achterwaarts?”, in La CVDW. Liber amicorum Chris Van den Wyngaert, Antwerpen, Maklu, 2017, 559-586; D. VAN DAELE, “België en het Europees onderzoeksbevel in strafzaken: een analyse van de wet van 22 mei 2017”, N.C. 2018, 341-378.
(39)Art. 9 Overeenkomst 29 mei 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, BS 22 juni 2005.
(40)Cass. 15 mei 2019, AR P.19.0169.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.3, AC 2019, nr. 289 www.juridat.be. Zie ook M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 409 en 686.
(41)EHRM 18 oktober 2006, Hermi t/Italië, §64-66, www.echr.coe.int.
(42)Cass. 15 mei 2019, AR P.19.0169.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.3, AC 2019, nr. 289, RO 4, www.juridat.be. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200407.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200407.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061108.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100324.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100609.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150414.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160210.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170118.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div