id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200511.3N.2 Rolnummer: S.18.0094.N Zaak: P. contra DKV BELGIUM NV Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2020-06-04 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-06-14 20:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200511.3N.2 Fiche 1 De mogelijkheid die de artikelen 766, § 1, vierde lid en 767, § 2, Gerechtelijk Wetboek de partijen bieden om conclusies neer te leggen nadat de rechter de sluiting van het debat heeft uitgesproken en het openbaar ministerie zijn advies heeft gegeven, heeft uitsluitend betrekking op de inhoud van dat advies en houdt geen enkele afwijking in van de toepassing, door de rechter, van voormeld artikel 774, tweede lid
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 6 november 2006, AR S.06.0021.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061106.7, AC 2006, nr. 541. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Uitzondering - Rechter - Verplichting - Heropening van het debat - Openbaar ministerie - Advies Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 766, § 1, vierde lid, en 767, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Uit de artikelen 23 en 25 Genderwet volgt dat de forfaitaire vergoeding bepaald in artikel 23, § 2, 2°, slechts van toepassing is in geval van vorderingen tegen de werkgever; in alle andere gevallen is de forfaitaire vergoeding zoals bepaald in artikel 23, § 2, 1°, Genderwet van toepassing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Discriminatiewet - Slachtoffer van discriminatie - Ongunstige of nadelige behandeling - Werkgever - Derde - Morele en materiële forfaitaire schadevergoeding - Omvang - Bepaling Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Artt. 23 en 25 - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht [TBH] - 2021, nr. 2, p. 225-227 en 237-
- - VAN SCHOUBROECK, Caroline; Noot'Discriminatie op basis van geslachtsverandering en genderidentiteit: mijlpaalarrest over genderdysforie en beroepsgebonden hospitalisatieverzekering' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 12/13, p.1136-
- - DOOMS, Vincent; Noot'Over valkuilen bij de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de Genderwet' Tekst van de conclusie S.18.0094.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eisers tot cassatie komen op tegen een arrest van het arbeidshof te Brussel gewezen op 16 maart
- Door eisers worden er drie middelen aangevoerd.
- Wat betreft het eerste middel. a. Ontvankelijkheid. De grieven die in het eerste middel worden aangevoerd betreffen de afwijzing, door de appelrechter, van de vordering van eiser inzake de niet-geïdentificeerde personen en de gerechtskosten. Eiseres is vreemd aan deze beslissingen van het bestreden arrest en kan hierdoor dan ook niet gegriefd zijn. In zoverre het middel van haar uitgaat is het dan ook, bij gebrek aan belang, niet-ontvankelijk. b. Gegrondheid. Eerste onderdeel. Het eerste onderdeel is gegrond. De rechter is in toepassing van artikel 774, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, gehouden om de heropening der debatten te bevelen voor hij de vordering geheel of gedeeltelijk afwijst op grond van een exceptie die de partijen niet voor hem hadden ingeroepen. In de bestreden beslissing, pagina 8, oordelen de appelrechters dat zij zich aansluiten bij het advies van het openbaar ministerie in zoverre het de oorspronkelijke vordering van eiser tot staking ten opzichte van niet nader geïdentificeerde personen als onontvankelijk bevond. Uit de stukken waar uw Hof acht op mag slaan blijkt dat door partijen desbetreffend, in hun respectievelijke conclusies, hierover geen verweer werd gevoerd. Dit aspect kwam voor het eerst aan bod in het advies van het openbaar ministerie. Door alle partijen werd repliek gegeven op dit advies. De partijen kunnen, in toepassing van de artikelen 766 en 767 Gerechtelijk Wetboek repliceren op het advies van het O.M. Echter, zoals dit reeds aan bod kwam in het arrest van uw Hof van 6 november 2006
(1), moet er op gewezen worden dat dit niet tot gevolg heeft dat een aspect dat enkel in dit advies werd aangevoerd, en niet voorafgaandelijk door één der partijen, aan tegenspraak is onderworpen geweest. Immers het recht op repliek is juist enkel dat, namelijk het repliceren op het standpunt dat ingenomen werd door het openbaar ministerie. Er wordt tussen partijen niet meer onderling geconcludeerd over dit advies
(2). Door zich, in de gegeven omstandigheden, het standpunt van het O.M. eigen te maken zonder de heropening der debatten te bevelen, schenden de appelrechters de in de voorziening aangehaalde bepalingen.
- Wat betreft het tweede middel. Het tweede middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. In de geformuleerde grief wordt er immers geen onderscheid gemaakt betreffende het gegeven of de vordering tot publicatie uitgaat van eiseres, van eiser of van eiser in het kader van de ondersteuning van de vordering van eiseres.
- Wat betreft het derde middel. a. Ontvankelijkheid. In het derde middel heeft de grief betrekking op de forfaitaire schadevergoeding zoals deze werd toegekend door de appelrechters. Luidens de bepalingen van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen kan de rechtbank een schadevergoeding toekennen aan het slachtoffer van de discriminatie. Ter zake moet worden vastgesteld dat eiser niet deze hoedanigheid heeft. In zoverre het middel wordt aangevoerd door eiser is het middel niet-ontvankelijk. b. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is in onderhavig middel betreft deze van de toepassing van artikel 23, §2 van de voormelde wet van
- Deze paragraaf betreft de bepaling van de forfaitaire schadevergoeding voor het slachtoffer van de discriminatie. In concreto stelt zich de vraag naar de invulling van het begrip "werkgever" waarvan sprake in §2, 2° van het voormelde artikel
- De strekking van dit begrip is relevant daar de vordering werd gesteld lastens de verzekeringsmaatschappij die instaat voor de hospitalisatieverzekering die door de werkgever wordt aangeboden als onderdeel van het verloningspakket. Het standpunt van eisers, zoals ontwikkeld in het derde middel, veronderstelt dat aan "werkgever" een ruime invulling moet worden gegeven. Verweerster houdt het op een strikte interpretatie van het begrip. c. Beoordeling. In deze deel ik de opvatting van verweerster. Dit standpunt vindt zijn grondslag in zowel de logische opbouw en de, in deze opbouw, gehanteerde terminologie in de handhavingsbepalingen van de wet van 2007, alsook hetgeen aan te treffen is in de voorbereidende werken van deze wet. Laat me eerst beginnen met de regelgeving zelf. Dit betreft inzonderheid het gedeelte dat aan te treffen is in Titel III, Hoofdstuk II van de wet, zijnde de "Rechtsbescherming". Dat het begrip werkgever strikt dient begrepen te worden, blijkt uit de niet-pecuniaire handhavingsregels, zoals ze bijvoorbeeld aan te treffen zijn in artikel 22, §5, wanneer het, in het kader van de door de werkgever genomen nadelige maatregelen, gaat om de re-integratie. Het weder in dienst nemen kan enkel gedaan worden door een "echte" werkgever. Het is dan ook duidelijk, uit het geheel van de bepalingen van artikel 22, dat het hier gaat om de werkgever in de strikte zin van het woord. Het artikel 23 bouwt verder op hetgeen aan te treffen is in de artikelen 21 en
- Er is geen reden voorhanden waarom het begrip werkgever in artikel 23, §2, 2° op een andere, ruimere, wijze zou dienen te worden ingevuld dan wanneer het gaat om de toepassing van artikel
- In een andere interpretatie zou het geheel onlogisch en incoherent zijn. Eén en ander vindt tevens haar steun in de voorbereidende werken. De regelgever heeft, bij het uitbouwen van de handhavingsregels, zowel de discriminatie binnen een arbeidsverhouding, wat geregeld wordt in artikel 22 van voormelde wet, als deze buiten een arbeidsverhouding, hetgeen aan bod komt in artikel 21 van dezelfde wet, voor ogen gehad
(3). Het onderscheid, dat weerhouden werd bij de opbouw van de artikelen 21 en 22 zijnde binnen/buiten een arbeidsverhouding, wordt door de wetgever tevens gehanteerd voor het onderscheid in de pecuniaire sancties
(4). Uit de voorbereidende werken blijkt tevens dat de forfaitaire schadevergoeding, artikel 23, §2, 2°, waar als basis de brutobeloning wordt gehanteerd, geïnspireerd is op het arbeidsrecht. In het bijzonder blijkt dat men zich voor dit aspect gespiegeld heeft aan de nationale ontslagbeschermingen
(5). Ontslagbeschermingen betreffen per definitie de werkgever in de strikte zin van het woord. Uit het voorgaande moge dan ook blijken dat het standpunt van eisers, dat tot gevolg heeft dat het begrip werkgever ruim dient geïnterpreteerd te worden, niet kan worden weerhouden. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 23 en 25, §2 van de voormelde wet van 2007 gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt dan ook naar recht. In zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 149 Grondwet is het afgeleid uit de verworpen schending van de bepalingen van de wet van 2007. Volledigheidshalve wil ik tevens opmerken dat de bepalingen van de wet van 2007 geheel in overeenstemming zijn met de Europese regelgeving die aan de oorsprong ligt van deze wet. Immers, de Europese regelgeving verzet er zich niet tegen dat het sanctiesysteem voor een discriminatie binnen de strikt arbeidsrechtelijke sfeer op een andere wijze zou worden beteugeld dan wanneer deze discriminatie zich zou situeren hier buiten. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie geeft de parameters aan waar zo een sanctiesysteem aan moet voldoen. Uit deze rechtspraak volgt dat het sanctiesysteem doeltreffend en niet louter symbolisch moet zijn. Er mag ook geen sprake zijn van een vooraf vastgesteld maximumplafond aan de vergoeding. Tot slot moet de gelijkwaardigheid worden in acht genomen
(6). De nationale regelgeving voldoet volledig aan deze criteria. Het slachtoffer heeft de keuze om een vergoeding te krijgen voor de werkelijk geleden schade, dan wel een forfaitaire vergoeding. Deze laatste overstijgt het symbolisch karakter. De vergoedingen voldoen tevens aan het gelijkwaardigheidsbeginsel. Conclusie: Gedeeltelijke cassatie. __________________________
(1)AR S.06.0021.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061106.7, AC 2006, nr. 541.
(2)D. SCHEERS, "Repliek op het advies van het openbaar ministerie: in de beperking kent men de meester", noot onder Cass. 20 september 2004, RGDC 2006, p. 66.
(3)Wetsontwerp ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2721/001, 25-26; zie ook Verslag, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2720/009, 20.
(4)Wetsontwerp ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2721/001, 28.
(5)Wetsontwerp ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2721/001, 58-59; zie ook Verslag, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2720/009, 58.
(6)zie HvJ 22 april 1997, nr. C-180/95, Nils Draehmpaehl/Urania Immobilienservice OHG, Jur. 1997, I, 02195, ro. 24-30; vgl. HvJ 17 december 2015, nr. C-407/14, ECLI:EU:C:2015:831, María Auxiliadora Arjona Camacho t/ Securitas Seguridad España S.A. ro. 44. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200511.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200511.3N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061106.7 ECLI:EU:C:2015:831 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250602.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div