← België

G. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200512.2N.1 Rolnummer: P.20.0061.N Zaak: G. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-09-16 Raadplegingen: 780 - laatst gezien 2026-06-29 03:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.1 Fiches 1 - 2 Uit de tekst van artikel 152, §§ 1 en 2, Wetboek van Strafvordering en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat het enkele feit dat de zaak niet wordt behandeld op de rechtsdag die door de rechter bij toepassing van artikel 152, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is bepaald, maar ze wordt uitgesteld naar een latere rechtszitting, niet inhoudt dat de partijen opnieuw op grond van die bepaling om conclusietermijnen kunnen verzoeken of dat de partijen het recht verkrijgen om tot de sluiting van het debat te concluderen; de rechter dient ook in een dergelijk geval conclusies die niet binnen de in het proces-verbaal van de rechtszitting van de inleidingszitting bepaalde data werden neergelegd of meegedeeld ambtshalve uit het debat te weren, tenzij toepassing wordt gemaakt van paragraaf 2 van artikel 152 Wetboek van Strafvordering

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Vaststelling van conclusietermijnen - Bepaling van de rechtsdag - Tijdige neerlegging van de conclusies - Uitstel van de zaak op de vastgestelde rechtsdag - Neerlegging van nieuwe aanvullende conclusies - Wering - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Vaststelling van conclusietermijnen - Bepaling van de rechtsdag - Tijdige neerlegging van de conclusies - Uitstel van de zaak op de vastgestelde rechtsdag - Neerlegging van nieuwe aanvullende conclusies - Wering - Draagwijdte - Gevolg Fiches 3 - 4 Artikel 13 EVRM houdt in dat hij die klaagt over een schending van artikel 6.1 EVRM omdat zijn recht op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn is miskend, zich moet kunnen richten tot zijn nationale rechter teneinde dit te laten vaststellen en een adequaat rechtsherstel te krijgen; indien de redelijke termijn voor de berechting is overschreden, moet de rechter in de regel een straf uitspreken die daadwerkelijk en op een meetbare wijze verminderd is ten opzichte van de straf die hij had kunnen opleggen indien de redelijke termijn niet was overschreden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Miskenning - Adequaat rechtsherstel - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Redelijke termijn - Miskenning - Adequaat rechtsherstel - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de conclusie P.20.0061.N Concusie van advocaat-generaal Winants: Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer,van 18 december
  1. I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
  2. Eiser I en eiser II werden samen met verschillende medebeklaagden vervolgd voor de correctionele rechtbank Antwerpen uit hoofde van inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen (wet van 24 februari 1921) in vereniging en in vereniging als leidend persoon en wat betreft eiser I eveneens voor feiten van valsheid in geschriften en gebruik en heling. Bij vonnis van de correctionele rechtabnk te Antwerpen van 27 oktober 2017, bij verstek ten opzichte van eiser I en op tegenspraak ten opzichte van eiser II, werden zij respectievelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en een geldboete van 4000 euro (G.) en 5 jaar en een geldboete van 3000 euro (D.), tot verscheidene verbeurdverklaringen van zaken dienend voor het plegen van de misdrijven en een voertuig alsmede tot de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen (315.000 euro en 3.080 euro voor G. en 75.000 euro voor D.). G. tekende verzet aan tegen dit vonnis en werd op 30 augustus 2018 op tegenspraak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 4000 euro en opnieuw tot verbeurdverklaringen van voorwerpen en een voertuig en van illegale vermogensvoordelen, beperkt tot 140.000 euro en 3.080 euro).
  3. Verschillende beklaagden, waaronder eiser I en eiser II, alsmede het openbaar ministerie tekenden hoger beroep aan. Bij de behandeling in beroep werden er conclusietermijnen vastgelegd voor alle beklaagden tot 15 februari 2019 en werd de rechtsdag bepaald op 26 april
  4. Eiser I legde tijdig zijn beroepsconclusies neer en na het verstrijken van de laatste conclusietermijn legde hij nog een ‘aanvullende syntheseconclusie in graad van beroep’ neer ter griffie op 11 juni 2019, die hij ook op de zitting van 6 november 2019 voor het hof neerlegde. Her arrest van 18 december 2019 weerde deze aanvullende syntheseconclusie in graad van beroep en veroordeelde, na aanvaarding van een overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken, ondermeer eiser I tot een gevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 4000 euro en eiser II tot een gevangenisstraf van 54 maanden en een geldboete van 2500 euro, tot verbeurdverklaring van 100.000 euro (G.) en 25.000 euro (D.) en bevestiging van de overige verbeurdverklaringen. De cassatieberoepen zijn gericht tegen dit arrest. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
  5. Eiser II (D.) voert geen middel aan, terwijl eiser I (G.) drie middelen aanvoert. Het eerste en derde middel van eiser I vallen beiden uiteen in twee onderdelen, die allen verband houden met het artikel 152, Wetboek van Strafvordering, terwijl het tweede middel betrekking heeft op de problematiek van de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken.
  6. Artikel 152, Wetboek van Strafvordering, werd door de wet van 5 februari 2016
(1)(Potpourri II-wet) gewijzigd. Vóór deze wetswijziging had de beklaagde het recht om conclusies in te dienen zolang de debatten niet waren gesloten en was hij niet verplicht deze vooraf mee te delen aan het openbaar ministerie. Niettemin ontwikkelde zich een praktijk waarin toch onderling conclusietermijnen werden afgesproken of werden bepaald door de rechter in aanwezigheid van de partijen. Deze regeling van conclusietermijnen was evenwel niet dwingend en werd louter beschouwd als een ‘gentlemen’s agreement’
(2). Verder weerden strafrechters reeds conclusies uit de debatten indien zij van oordeel waren dat de laattijdige neerlegging van conclusies de rechten van verdediging en de goede rechtsbedeling hinderden en aldus het recht op een eerlijk proces werd aangetast
(3). Door de wetswijziging werd evenwel de mogelijkheid tot dwingende conclusietermijnen ingevoerd.
  1. Artikel 152 Sv. bepaalt sindsdien: “§
  2. De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen. De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek. De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd. §
  3. Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen: - mits het akkoord van de betrokken partijen, of - bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt. De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing. §
  4. Tegen de beslissingen van de rechter die beoogd zijn in de paragrafen 1 en 2 staat geen rechtsmiddel open. §
  5. De bepalingen van paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing op het openbaar ministerie.”
  6. De parlementaire voorbereidingen geven aan dat het doel van het wettelijk dwingend maken van de overeengekomen en bekrachtigde of door de rechter bepaalde termijnen voor het neerleggen en het uitwisselen van conclusies erin bestaat om het verloop van het strafproces ordentelijker te laten verlopen en de zittingskalender beter te beheren
(4). Samengevat, komt de nieuwe regeling op het volgende neer. Als er conclusietermijnen worden gevraagd en toegekend
(5)of opgelegd tijdens de inleidingszitting, zijn deze dwingend. De sanctie van het niet-tijdig neerleggen van conclusie is de ambtshalve wering van de laattijdig neergelegde conclusie uit de debatten. Er bestaan twee uitzonderingen op dit principe. De partijen kunnen overeenkomen dat conclusies worden neergelegd na de termijnen die reeds waren bepaald of er moet sprake zijn van de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt. In beide gevallen mag de rechter – om een uitzondering toe te staan – niet vaststellen dat de laattijdige neerlegging van een conclusie een louter dilatoir doeleinde nastreeft, enige rechten van een partij of het verloop van de rechtspleging schendt. Deze regeling is opgenomen in artikel 152 Sv, onder de titel die handelt over de rechtspleging voor de politierechtbanken. Krachtens artikel 209bis, zevende lid, Wetboek van Strafvordering, is deze regeling evenwel ook van toepassing in hoger beroep, zoals in casu het geval is
(6). 7. Het eerste middel, eerste onderdeel, voert schending aan van de artikelen 152, §1, en 209bis, Wetboek van Strafvordering omdat het arrest ten onrechte de aanvullende syntheseconclusie die de eiser heeft neergelegd op de griffie op 11 juni 2019 en op de zitting op 6 november 2019 uit het debat weert op grond van artikel 152, §1, Wetboek van Strafvordering. Eiser I houdt staande dat de zaak op voornoemde rechtsdag van 26 april 2019 ambtshalve uitgesteld werd naar 6 november 2019 wegens overbelasting van de rol, waarbij er geen nieuwe conclusietermijnen opgelegd werden aan de partijen zodat hij van oordeel is dat hij principieel het recht had te concluderen zolang de debatten niet waren gesloten
(7). Volgens eiser I was artikel 152, §1, Wetboek van Strafvordering alsdan niet meer van toepassing en stellen de appelrechters ook niet vast dat er sprake was van een vertragingsmanoeuvre
(8)van de eiser of van zijn wil de goede rechtsbedeling te verhinderen of rechten van derden te schaden. 8. De vraag is derhalve of de teller, na een ambtshalve uitstel en de weigering om nieuwe conclusietermijnen toe te staan door de rechter, opnieuw op nul wordt gezet en de partijen alsdan opnieuw vrijelijk conclusies kunnen neerleggen? Het staat vooreerst vast dat de hakbijl die gehanteerd wordt in artikel 152, Wetboek van Strafvordering, strikt uitgelegd dient te worden. Indien conclusietermijnen worden toegestaan, moet de rechter, behoudens akkoord van partijen of de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit conform §2, laattijdig neergelegde conclusies ambtshalve uit het debat weren
(9). De sanctie van de wering uit de debatten is een automatisme indien de voorwaarden ervan voldaan zijn (en de uitzonderingen uit §2 niet van toepassing zijn). De rechter hoeft daarbij niet na te gaan of de rechten van de verdediging zijn geschonden of het goede procesverloop is verstoord door de laattijdige neerlegging en mededeling van de conclusie. Dit wordt zowel in de memorie van toelichting bij de wet van 2016 benadrukt als in een cassatiearrest van 14 november 2017
(10). Deze sanctie van de ambtshalve wering uit de debatten ontneemt een partij evenwel het recht niet om haar middelen mondeling uiteen te zetten
(11). 9. Verder dient benadrukt te worden dat men de (dwingende) conclusietermijnen dient te vragen op de inleidende zitting. Artikel 152, §1, Wetboek van Strafvordering, bepaalt immers dat de conclusietermijnen moeten worden gevraagd op de inleidingszitting. De rechtsleer schrijft unaniem dat hiermee wordt bedoeld: de eerste zitting waarop de zaak wordt gedagvaard
(12)In casu werden conclusietermijnen gevraagd op de inleidingszitting en werden er conclusietermijnen verleend en een rechtsdag bepaald. Een uitstel op de vooraf bepaalde rechtsdag, heeft m.i. niet tot gevolg dat deze zitting gelijk wordt gesteld met een ‘nieuwe inleidingszitting’ waarop partijen opnieuw conclusietermijnen kunnen vragen krachtens artikel 152, §1, Sv. De teller wordt m.a.w. niet op nul gezet. De partijen worden door het uitstel aldus niet in de situatie geplaatst alsof er opnieuw sprake zou zijn van een ‘(inleidings)zitting’ waarop (nieuwe) conclusietermijnen kunnen worden gevraagd conform artikel 152 Sv. Dit alles wijst erop dat artikel 152 Wetboek van Strafvordering niet vereist dat de rechter de vraag tot nieuwe conclusietermijnen dient in te willigen als er sprake is van een ambtshalve uitstel van de in overeenstemming met artikel 152, §1, Sv. bepaalde rechtsdag (in casu wegens overbelasting van de rol). De rechter kan dit enkel doen indien er sprake is van één van de uitzonderingen in artikel 152, §2, Sv. Indien de rechter in dit geval geen nieuwe conclusietermijnen oplegt, betekent dit ook niet dat het systeem van vrijelijk conclusies indienen tot aan de sluiting der debatten opnieuw in voege treedt aangezien er werden immers reeds conclusietermijnen verleend. Het lijkt me ook in te gaan tegen de geest van de wet van 2016 dat er automatisch, bij een ambtshalve uitstel van de zaak wegens overbelasting van de rol, nieuwe conclusietermijnen zouden moeten worden toegestaan door de rechter om artikel 152 Sv. opnieuw in werking te stellen. Ook hier geldt, m.i. dat enkel bijkomende termijnen kunnen worden toegestaan in geval van vervulling van de voorwaarden van de uitzonderingen in artikel 152, §2, Sv. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt daarom m.i. naar recht.
  1. Het arrest past de voornoemde principes correct toe en oordeelt dat (p. 40): - ter terechtzitting van 14 december 2018 op verzoek van de partijen conclusietermijnen en een rechtsdag werden bepaald; - aan alle beklaagden, waaronder de eiser I, een termijn werd voorzien tot uiterlijk 15 februari 2019, aan het openbaar ministerie een termijn werd voorzien tot uiterlijk 15 maart 2019, aan alle beklaagden eventueel een repliektermijn werd voorzien tot 12 april 2019; - de rechtsdag werd bepaald op 26 april 2019; - de eiser I op 15 februari 2019 tijdig zijn beroepsconclusie ter griffie neerlegde; - het openbaar ministerie geen conclusie neerlegde waardoor evenmin repliekconclusies werden neergelegd; - de eiser I na het verstrijken van de laatste conclusietermijn op 11 juni 2019 een aanvullende en synthese conclusie in graad van hoger beroep neerlegde ter griffie en ter terechtzitting van 6 november 2019; - het openbaar ministerie vorderde deze laatste conclusie uit de debatten te weren. Vervolgens blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, met name het proces-verbaal van de rechtszitting van 26 april 2019, dat de zaak inderdaad op de terechtzitting van 26 april 2019, ambtshalve werd uitgesteld met akkoord van alle partijen naar de terechtzitting van 6 november
  2. Met deze redenen beslissen de appelrechters m.i. naar recht en zonder miskenning van artikel 152,Wetboek van Strafvordering, dat de aanvullende syntheseconclusie in graad van hoger beroep van de eiser I geweerd moest worden op grond van artikel 152, §1, Wetboek van Strafvordering, wegens laattijdige neerlegging. Het onderdeel kan derhalve niet worden aangenomen.
  3. Het eerste middel, tweede onderdeel, voert schending aan van de artikelen 152, §2, en 209bis Wetboek van Strafvordering omdat het arrest volgens eiser I ten onrechte oordeelt dat hij niet aannemelijk maakt dat na het verstrijken van de conclusietermijnen een nieuw en ter zake dienend stuk of feit zou zijn ontdekt dat nieuwe besluiten rechtvaardigt. Eiser I had namelijk een argumentatie ontwikkeld omtrent de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken en op de voorziene rechtsdag, na het vernemen dat de zaak ambtshalve zou worden uitgesteld, gaf hij onmiddellijk te kennen schriftelijk standpunt te willen innemen over de mogelijke gevolgen verbonden aan dit uitstel. Eiser I houdt staande dat het gegeven dat de zaak verder werd uitgesteld wegens overbelasting van de rol een nieuw en ter zake dienend feit is in de zin van artikel 152, §2, Wetboek van Strafvordering, dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.
  4. Artikel 152, §2, Wetboek van Strafvordering
(13), somt op limitatieve wijze de omstandigheden op die toelaten af te wijken van de sanctie van de ambtshalve wering van laattijdig neergelegde conclusies uit het debat
(14). Eén van deze uitzonderingen is dat er sprake is van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit een nieuwe conclusie rechtvaardigt. Dit is m.i. vooral een feitenkwestie waarover de feitenrechter onaantastbaar oordeelt
(15). Het Hof kan enkel nagaan of de rechter hieraan geen uitlegging geeft die ermee onverenigbaar is. In zoverre het onderdeel het arrest verwijt een ambtshalve uitstel niet te beschouwen als een nieuw ter zake dienend feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt, komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  1. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiser I niet aanvoert of aannemelijk maakt dat er na het verstrijken van de conclusietermijnen een nieuw en ter zake dienend stuk of feit zou zijn ontdekt dat nieuwe besluiten rechtvaardigt; - het loutere tijdsverloop sinds het verstrijken van de laatste conclusietermijn – zelfs in het kader van het opgeworpen middel van de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken – alleszins geen nieuw en ter zake dienend feit is dat nieuwe besluiten zou rechtvaardigen. Deze redenen geven m.i. geen uitleg aan het begrip ‘nieuw feit’ dat ermee onverenigbaar is. Er dient immers gewezen te worden op de omstandigheid dat de eiser I reeds voordien concludeerde over het feit dat er sprake is van het overschrijden van de redelijke termijn. Verder oordelen de appelrechters ook dat er sprake is van het overschrijden van de redelijke termijn (en houden ze dus wel degelijk rekening met de volledige behandelingsduur van de zaak, inclusief het uitstel) en wordt hiermee rekening gehouden bij het berekenen van de strafmaat in de vorm van een strafvermindering. Bijgevolg beslissen de appelrechters m.i. naar recht en zonder miskenning van artikel 152, §2, Sv. dat de eiser I niet aannemelijk maakt dat er na het verstrijken van de conclusietermijnen een nieuw en ter zake dienend stuk of feit zou zijn ontdekt dat nieuwe besluiten rechtvaardigt. Het onderdeel kan aldus evenmin worden aangenomen.
  2. Het tweede middel van eiser I voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en artikel 14.3.c. IVBPR omdat het arrest oordeelt dat de redelijke termijn in strafzaken geschonden is en dat de eiser I daarom in plaats van een hoofdgevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 5.000,00 euro, een effectieve hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 24.000,00 euro krijgt. Eiser I houdt staande dat hij aldus geen daadwerkelijk rechtsmiddel gekregen wegens overschrijding van de redelijke termijn en dat derhalve het arrest de voornoemde verdragsbepalingen schendt.
  3. De appelrechters hebben bij het bepalen van de straf ten opzichte van ondermeer eiser I rekening gehouden met een beperkte overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken wat de strafprocedure in hoger beroep betreft (p. 44 van het arrest). Bij de straftoemeting stellen de appelrechters dienaangaande dat zij zonder die overschrijding aan eiser I een gevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 5000 euro meer de opdeciemen zouden hebben opgelegd, maar dat zij omwille van de overschrijding van die termijn een gevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 24.000 euro, zijnde 4000 euro verhoogd met 50 opdeciemen opleggen. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest de eiser I, in plaats van een hoofdgevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 5.000,00 euro, een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 24.000,00 euro oplegt, terwijl de appelrechters de eiser I, in plaats van een hoofdgevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 5.000,00 euro meer opdeciemen, een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 24.000,00 euro, zijnde 4.000,00 euro meer opdeciemen, opleggen, berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  4. De bepaling van artikel 13 EVRM houdt in dat hij die klaagt over een schending van artikel 6.1 EVRM omdat zijn recht op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn is miskend, zich moet kunnen richten tot zijn nationale rechter teneinde dit te laten vaststellen en een adequaat rechtsherstel te krijgen
(16). De vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden, heeft niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat een eerlijke behandeling van de zaak voor het vonnisgerecht onmogelijk wordt. Dat gerecht moet immers bepalen welk herstel, dat bij wet is bepaald, het meest aangewezen is om de door de partijen geleden schade te vergoeden
(17). Indien de redelijke termijn voor de berechting is overschreden, moet de rechter in de regel een straf uitspreken die daadwerkelijk en op een meetbare wijze verminderd is ten opzichte van de straf die hij had kunnen opleggen indien de redelijke termijn niet overschreden was
(18). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting,
(19)kan het niet worden aangenomen.
  1. De appelrechters stellen vast en oordelen dat (p. 44 en p. 53): - in casu de redelijke termijn – weliswaar in beperkte mate – is overschreden; - de overschrijding van de redelijke termijn van de strafvervolging niet met zich meebracht dat de bewijsvoering en het recht van verdediging van beklaagden ernstig en onherstelbaar werden aangetast; - ter compensatie van de lange duur van de strafvervolging en de morele last die dit met zich bracht, bij de beoordeling van de straftoemeting, hiermee rekening wordt gehouden; - de eiser I hierdoor een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 24.000,00 euro, zijnde 4.000,00 euro meer opdeciemen, krijgt, in plaats van een hoofdgevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 5.000,00 euro meer opdeciemen. Met die redenen verantwoordt het arrest, zonder schending van voornoemde verdragsbepalingen, zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  2. Het derde middel van eiser I valt uiteen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 152 Wetboek van Strafvordering omdat het arrest volgens eiser I ten onrechte oordeelt dat hij niet aannemelijk maakt dat na het verstrijken van de conclusietermijnen een nieuw en ter zake dienend stuk of feit zou zijn ontdekt dat nieuwe besluiten rechtvaardigt. Eiser I had namelijk een argumentatie ontwikkeld omtrent de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken en op de voorziene rechtsdag, na het vernemen dat de zaak ambtshalve zou worden uitgesteld, gaf hij onmiddellijk te kennen schriftelijk standpunt te willen innemen over de mogelijke gevolgen verbonden aan dit uitstel. Eiser I houdt staande dat het gegeven dat de zaak verder werd uitgesteld wegens overbelasting van de rol een nieuw en ter zake dienend feit is in de zin van artikel 152, §2, Wetboek van Strafvordering.. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste middel tevergeefs aangevoerde schending van artikel 152 Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel is niet ontvankelijk.
  3. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 152 Wetboek van Strafvordering. Volgens eiser I vermeldt het arrest in algemene termen het gegeven dat het extra tijdsverloop geen nieuw en ter zake dienend feit zou uitmaken in de zin van artikel 152 Wetboek van Strafvordering en verduidelijkt het niet waarom er geen sprake zou zijn van een nieuw en ter zake dienend feit doordat de zaak zeven maanden werd uitgesteld, zodat het niet regelmatig gemotiveerd is. Het arrest oordeelt dat het loutere tijdsverloop sinds het verstrijken van de laatste conclusietermijn, zelfs in het kader van het opgeworpen middel van de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken, geen nieuw en ter zake dienend feit is dat nieuwe besluiten zou rechtvaardigen. Met die redenen hebben de appelrechters het verweer van de eiser I wel degelijk beantwoord dat er sprake is van een nieuw en ter zake dienend feit in de zin van artikel 152, §2 Wetboek van Strafvordering. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren. CONCLUSIE: ik concludeer dan ook tot de verwerping van de cassatieberoepen. ___________________________
(1)Zie artikel 76 van de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 19 februari 2016 met inwerkingtreding op 1 maart 2016.
(2)MvT, Parl. St. Kamer, 1418/001, 69 met verwijzing naar L. ARNOU, “Het tijdig neerleggen van conclusies in strafzaken: een contradictio in terminis”, NC 2014, 38, nr. 9.
(3)Zie Cass. 30 april 2014, AR P.13.1869.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2, AC 2014, nr. 307; Cass. 18 december 2013, AR P.13.0708.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131218.2, AC 2013, nr. 693; Cass. 8 juni 2011, AR P.11.0181.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.1, AC 2011, nr. 388.
(4)MvT, Parl. St. Kamer, 1418/001, 69.
(5)De strafrechter is niet steeds verplicht in te gaan op dit verzoek van de partijen- zie Cass. 7 november 2017, AR P.17.0127.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.4, AC 2017, nr. 617; zie ook kritisch hierover: P. TERSAGO, “Conclusiekalender in strafzaken: waakzaamheid vereist”, Juristenkrant 2017, afl. 359, 6-7.
(6)Cass. 7 november 2017, AR P.17.0127.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.4, AC 2017, nr. 617.
(7)Cass. 19 juli 2011, AR P.11.1154.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110719.1, AC 2011, nr. 439.
(8)Cass. 30 april 2014, P.13.1869.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2, AC 2014, nr. 307; Cass. 6 oktober 1993, AC 1993, AR 352 nr. 396.
(9)Cass. 14 november 2017, AR P.16.0973.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.1, AC 2017, nr. 638 en concl. van advocaat-generaal L. DECREUS; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0777.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.8, AC 2017, nr. 663.
(10)Wetsontwerp 23 oktober 2015 houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, MvT, Parl. St. Kamer, nr. 1418/001, p. 70; Cass. 14 november 2017, AR P.16.0973.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.1, AC 2017, nr. 638 en concl. van advocaat-generaal L. DECREUS. Kritisch hierover: P. THIRIAR, “Conclusies en conclusietermijnen in strafzaken na Potpourri II”, Nullum Crimen 2018,
(110)118.
(11)MvT, Parl. St. Kamer, nr. 1418/001, p. 70. Toevoeging van deze zinsnede om dit te aspect te benadrukken, hetgeen de appelrechters hebben nagelaten te doen.
(12)C. VAN DE HEYNING, “Over conclusietermijnen en de wering van laattijdige conclusies in strafzaken: de recente cassatierechtspraak”, noot onder Cass. 19 december 2017, RABG 2018, 484 e.v.; zie ook met verwijzing naar een onuitgegeven zaak van het hof van beroep te Luik: A. MASSET, “Les réformes relatives au déraoulement de la procédure devant les juridictions de jugement, y compris la cour d’assises” in La loi Pot Pourri II un an après, Larcier, 2017
(145)154; zie ook: M. BEERNAERT et al., Droit de la procédure pénale, II, Brugge, die Keure, 2017, 1331; A. MASSET en D. CHICHOYAN, “Vonnis, V 125” in Postal Memorialis, Mechelen, Kluwer, 2018, 557); zie ook: P. THIRIAR, “Conclusies en conclusietermijnen in strafzaken na Potpourri II”, NC 2018,
(110)112. P. THIRIAR, o.c., 112 schrijft zelfs dat elke partij in principe recht heeft op één conclusie en niet meer; contra: B. MEGANCK, “Om te besluiten: over conclusies en bindende en niet-bindende conclusietermijnen”, noot onder Cass. 19 september 2017, T. Strafr. 2018,
(30)32-33.
(13)De toepassing van artikel 152, §2, Wetboek van Strafvordering veronderstelt dus – zoals in casu het geval is – het vastleggen van een eerste conclusiekalender, waarna zo de wettelijke bepaalde omstandigheden zich voordoen, ‘nieuwe’ conclusietermijnen kunnen worden vastgelegd: B. MEGANCK, “Om te besluiten: over conclusies en bindende en niet-bindende conclusietermijnen” (noot onder Cass. 19 september 2017), T. Strafr. 2018,
(30)36.
(14)Cass.14 november 2017, AR P.16.0973.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.1, AC 2017, nr. 638 en concl. van advocaat-generaal L. DECREUS.
(15)Zie over dit begrip pro een ruime opvatting: A. MASSET en D. CHICHOYAN, “Vonnis, V 125” in Postal Memorialis, Mechelen, Kluwer, 2018, 561. Zie hierover m.b.t. het burgerlijk procesrecht bv.: E. VANDESANDE, “Art. 748 Ger.W.” in Artikelsgewijze commentaar gerechtelijk wetboek, Mechelen, Kluwer, 2014, nr. 14 (“De notie van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit wordt door de rechtspraak ruim geïnterpreteerd”).
(16)Cass. 19 april 2016,AR P.16.0132.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.4, AC 2016, nr. 266.
(17)Cass. 15 september 2010, AR P.10.0572.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2, AC 2010, nr. 524.
(18)Cass. 1 maart 2016, AR P.14.1535.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160301.1, AC 2016, nr. 147.
(19)Nl. dat in de regel de eenvoudige schuldigverklaring moet worden uitgesproken, zie memorie van de eiser in cassatie p. 13. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200512.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110608.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110719.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131218.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160301.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.