id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200512.2N.3 Rolnummer: P.20.0342.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Unierecht Invoerdatum: 2020-05-18 Raadplegingen: 855 - laatst gezien 2026-06-28 22:00 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.3 Fiche 1 Het onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de procedure bepaald in artikel 22, § 2, Wet Europees onderzoeksbevel juncto artikel 61quater, Wetboek van Strafvordering, is ontvankelijk
(1). (impliciete oplossing).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees Onderzoeksbevel - Uitvoering in België van een buitenlands EOB - Huiszoeking en beslag - Artikel 22, § 2 - Procedure van het strafrechtelijk kort geding ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep Fiches 2 - 3 Het onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de procedure bepaald in artikel 22, § 2, Wet Europees onderzoeksbevel juncto artikel 61quater, Wetboek van Strafvordering, is ontvankelijk
(1). (Impliciete oplossing).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Richtlijn 2014/41/EU van 3 april 2014 - Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees Onderzoeksbevel - Uitvoering in België van een buitenlands EOB - Huiszoeking en beslag - Artikel 22, § 2 - Procedure van het strafrechtelijk kort geding ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Richtlijn 2014/41/EU van 3 april 2014 - Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees Onderzoeksbevel - Uitvoering in België van een buitenlands EOB - Huiszoeking en beslag - Artikel 22, § 2 - Procedure van het strafrechtelijk kort geding ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep Fiches 4 - 5 Uit het tegensprekelijk karakter van de door artikel 22, § 2, Wet Europees Onderzoeksbevel en artikel 61quater, Wetboek van Strafvordering, geregelde procedure volgt voor de kamer van inbeschuldigingstelling de verplichting om, wanneer voor haar binnen de haar op grond van die bepalingen toegekende beoordelingsbevoegdheid door de betrokken partij een verweer wordt gevoerd nopens de strijdigheid van het verhoor ter gelegenheid van de huiszoeking en het beslag zonder bijstand van een raadsman met artikel 6.3 EVRM, de verplichting om dit verweer te beantwoorden; het arrest dat bij de beoordeling van de uit artikel 61quater, §1, Wetboek van Srafvordering voortvloeiende ontvankelijkheidsvoorwaarde dat de verzoeker moet aantonen dat hij door het beslag wordt geschaad, verwijst naar dat verhoor, beantwoordt het bedoelde verweer niet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat - Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees Onderzoeksbevel - Uitvoering in België van een buitenlands EOB - Huiszoeking en beslag - Artikel 22, § 2 - Procedure van het strafrechtelijk kort geding ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Kamer van inbeschuldigingstelling - Tegensprekelijke procedure - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Wet 22 mei 2017 betreffende het Europees Onderzoeksbevel - Uitvoering in België van een buitenlands EOB - Huiszoeking en beslag - Artikel 22, § 2 - Procedure van het strafrechtelijk kort geding ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering - Kamer van inbeschuldigingstelling - Tegensprekelijke procedure - Verweer met betrekking tot artikel 6.
- EVRM - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de conclusie P.20.0342.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 november
- I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
- Ingevolge een aantal Europese onderzoeksbevelen uitgaande van de Italiaanse gerechtelijke overheid werd op bevel van de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, bij de eiser een huiszoeking uitgevoerd, waarbij een aantal kunstvoorwerpen uit de Grieks/Romeinse oudheid werden in beslag genomen. Ter gelegenheid van die huiszoeking en dat beslag werd de eiser verhoord op 17 december
- De onderzoeksrechter heeft bij beschikking van 7 mei 2019 beslist dat de inbeslaggenomen goederen tijdelijk zouden worden overgedragen aan de Italiaanse uitvaardigende overheid en dit voor de duur van het onderzoek.
- Op 28 mei 2019 heeft de eiser als derde belanghebbende op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 22, §3, Wet Europees Onderzoeksbevel. De raadkamer van deze rechtbank en afdeling heeft bij beschikking van 11 juni 2019 dit verzoek als ongegrond afgewezen. Het hoger beroep van de eiser tegen die beschikking werd door de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen bij arrest van 19 september 2019 ongegrond verklaard.
- De eiser heeft op 5 september 2019 een verzoekschrift als bedoeld door artikel 22, §2, Wet Europees Onderzoeksbevel en artikel 61quater Wetboek van Strafvordering ingediend op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, strekkende tot het horen bevelen van de opheffing van de op verzoek van de Italiaanse uitvaardigende autoriteit in beslag genomen goederen.
- De onderzoeksrechter heeft bij beschikking van 20 september 2019 dit verzoek onontvankelijk verklaard. Het door de eiser tegen die beschikking ingestelde hoger beroep werd door de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen bij arrest van 14 november 2019 beroep ontvankelijk verklaard, maar als ongegrond verworpen. Volgens de kamer van inbeschuldigingstelling was het initieel verzoekschrift ab initio onontvankelijk omdat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het beslag werd geschaad. Het cassatieberoep dat de eiser op 26 november 2019 heeft ingesteld is gericht tegen dit arrest. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
- De eiser voert in een memorie één middel aan, dat uiteenvalt in drie onderdelen, met name de schending van artikel 6.3 EVRM (eerste onderdeel) spruitende uit het verhoor van de eiser op 17 december 2018 zonder bijstand van een raadsman, de schending van artikel 149 Grondwet (tweede onderdeel) omdat het arrest niet zou antwoorden op de conclusies dat eisers Salduz-rechten en recht van verdediging werden miskend door hogervermeld verhoor zonder bijstand van een raadsman en de schending van artikel 61quater, Wetboek van Strafvordering, en artikel 2279 Burgerlijk Wetboek (derde onderdeel) omdat het arrest oordeelt dat de eiser het bestaan van schade niet aannemelijk maakt. Het lijkt mij evenwel noodzakelijk, voorafgaand aan een eventueel onderzoek van deze verschillende onderdelen, na te gaan of een cassatieberoep in deze materie wel degelijk mogelijk is en, zo ja, onder welke voorwaarden. A. ONTVANKELIJKHEID VAN HET CASSATIEBEROEP.
- De wet van 22 mei 2017 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken
(1)(hierna Wet Europees Onderzoeksbevel of Wet EOB) is de omzetting in het Belgisch recht van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014
(2). De richtlijn heeft tot doel het actuele gefragmenteerde geheel van internationale regelgeving inzake rechterlijke samenwerking op vlak van bewijsverkrijging in strafzaken te vervangen door één enkel EU-instrument waarbij het algemene idee achter dat instrument erin bestaat de voordelen uit de ervaring met de klassieke wederzijdse rechtshulp in strafzaken te combineren met de voordelen uit de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning
(3). 8. In de relaties tussen België en de andere lidstaten van de Europese Unie - voor zover zij althans Richtlijn 2014/41/EU in hun nationaal recht omgezet hebben - vervangt deze wet, voor de tenuitvoerlegging van onderzoeksmaatregelen, de overeenkomstige bepalingen van de Wet Wederzijdse Internationale Rechtshulp Strafzaken
(4). Laatstgenoemde wet blijft echter van toepassing met betrekking tot enerzijds de aspecten van wederzijdse rechtshulp die geen betrekking hebben op onderzoeksmaatregelen en anderzijds de gemeenschappelijke onderzoeksteams. Daarnaast blijft de Wet Wederzijdse Internationale Rechtshulp Strafzaken uiteraard onverkort gelden ten aanzien van de wederzijdse rechtshulpverlening met Staten die geen lid zijn van de Europese Unie. Wat de inbeslagneming van bewijsmateriaal betreft, vervangt de wet van 22 mei 2017 de overeenkomstige bepalingen van de wet van 5 augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie. De wet van 5 augustus 2006 blijft echter van toepassing op de inbeslagneming van vermogensvoordelen die in aanmerking komen voor confiscatie. Hetzelfde geldt voor wat de wederzijdse erkenning van geldelijke sancties betreft.
- Het Europees onderzoeksbevel is een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat - de uitvaardigende Staat - uitgevaardigde of gevalideerde beslissing die ertoe strekt in een andere lidstaat - de uitvoerende Staat - één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren, met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal of om bewijsmateriaal te verwerven dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende Staat (art. 4, 1°, Wet Europees Onderzoeksbevel). De rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende Staat zal in eerste instantie een rechter, een rechtbank, een onderzoeksrechter of een lid van het openbaar ministerie zijn (art.4, 5°,(i), Wet Europees Onderzoeksbevel), maar het kan ook gaan om een andere door de uitvoerende Staat aangeduide bevoegde autoriteit die in de zaak optreedt als strafrechtelijke onderzoeksautoriteit (art. 4, 5°, (ii) Wet Europees Onderzoeksbevel). In dat geval dient het Europees Onderzoeksbevel evenwel in de uitvaardigende Staat gevalideerd te worden door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksrechter of een lid van het openbaar ministerie.
- Wat betreft de algemene beginselen die van toepassing zijn in de Wet Europees Onderzoeksbevel verwijs ik naar de reeds aangehaalde rechtsleer. Het gaat dan hier in essentie over de principes van noodzakelijkheid en proportionaliteit, het beperkte belang van de toepassing van het principe van dubbele strafbaarheid
(5), de procedures waarop het EOB van toepassing is, de facultatieve- algemene en aanvullende - weigeringsgronden, de onderzoeksmaatregelen en de autoriteiten die ervoor bevoegd zijn, de procedure in verband met de tenuitvoerlegging en de rechtsmiddelen. Het zijn met name deze twee laatste items die aan de orde zijn in de onderhavige zaak.
- De procedure inzake de tenuitvoerlegging in België van een Europees onderzoeksbevel en de daartegen openstaande rechtsmiddelen maken het voorwerp uit van de afdeling 3 van het hoofdstuk 3 van de wet en dan inzonderheid van het artikel 22 ervan. Dit artikel luidt als volgt: "§
- De enige rechtsmiddelen die open staan tegen de tenuitvoerlegging van een Europees onderzoeksbevel zijn bepaald bij dit artikel. Behoudens indien de geheimhouding van een onderzoek in het gedrang zou komen, informeert de Belgische uitvoerende autoriteit de betrokken persoon over zijn rechten overeenkomstig dit artikel. §
- Artikel 28sexies, §§1 tot 5 en 7, alsook artikel 61quater, §§1 tot 6 en 8, van het Wetboek van strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de materiële gronden voor het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel enkel in de uitvaardigende Staat kunnen worden aangevochten. §
- Indien goederen in beslag werden genomen in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees onderzoeksbevel die volgens het Europees onderzoeksbevel het voorwerp van het misdrijf zijn, kan een belanghebbende derde zich verzetten tegen de overdracht van die in beslag genomen goederen aan de uitvaardigende autoriteit. De Belgische uitvoerende autoriteit deelt via aangetekende zending, fax of e-mail, haar beslissing betreffende de overdracht van de in beslag genomen goederen mee aan de persoon bij wie goederen in beslag werden genomen, alsook aan de derden die zich kenbaar zouden hebben gemaakt en, in voorkomend geval, aan hun advocaten. Het verzet tegen de overdracht gebeurt aan de hand van een gemotiveerd verzoekschrift waarin de belanghebbende derde blijk geeft van een rechtmatig belang. Op straffe van verval moet het verzoekschrift worden ingediend bij de raadkamer van de plaats waar de uitvoerende Belgische autoriteit die de beslissing van overdracht heeft genomen, zijn ambt uitoefent binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing van de Belgische uitvoerende autoriteit. Enkel de raadkamer is bevoegd om uitspraak te doen over het verzet tegen de beslissing tot overdracht, met uitsluiting van de bevoegdheid van de rechter in kort geding. Tegen de beschikking van de raadkamer staat hoger beroep open bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling staat geen cassatieberoep open. §
- De paragrafen 1 tot 3 zijn niet van toepassing in het geval bedoeld in artikel 16, §3."
- Uit de procedurele antecedenten blijkt dat de eiser eerst het door artikel 22, §3, Wet Europees Onderzoeksbevel bedoelde verzoek als een belanghebbende derde heeft ingesteld en dat dit verzoek zowel in eerste aanleg als in hoger beroep werd afgewezen. Hij heeft vervolgens op grond van artikel 22, §2 Wet Europees Onderzoeksbevel en artikel 61quater, Wetboek van Strafvordering, de opheffing gevraagd van het door de onderzoeksrechter ter uitvoering van het Europees onderzoeksbevel gelegde beslag. Zoals hierboven reeds gesteld heeft de onderzoeksrechter bij beschikking van 20 september 2019 dit verzoek onontvankelijk verklaard en verwierp de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen bij arrest van 14 november 2019 het beroep van eiser tegen deze beslissing als ongegrond. Het cassatieberoep is gericht tegen dit arrest. De centrale vraag is derhalve of tegen het arrest dat zijn hoger beroep tegen de afwijzende be- slissing van de onderzoeksrechter ongegrond verklaart cassatieberoep open staat.
- De Richtlijn 2014/41/EU bepaalt in artikel 14 dat bij de aanwending van deze rechtsmiddelen er een aantal algemene beginselen zijn die dienen te worden in acht genomen, met name dat de lidstaten er zorg moeten voor dragen dat ten aanzien van de in het Europees onderzoeksbevel geviseerde onderzoeksmaatregelen gelijkwaardige rechtsmiddelen moeten kunnen worden aangewend als deze die in een nationale procedure mogelijk zouden zijn met gelijklopende termijnen
(6), maar dat de materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB enkel in de uitvaardigende Staat kunnen worden aangewend. De omzettingswet van 22 mei 2017 vermeldt dan ook in artikel 22, §2 de overeenkomstige toepassing van de artikelen 28sexies, §§1 tot 5 en 7, alsmede artikel 61quater, §§1 tot 6 en 8
(7). Ik kom hier later op terug want dit lijkt mij essentieel te zijn in het kader van de discussie die ons aanbelangt.
- De omzettingswet voorziet in twee systemen van rechtsmiddelen, die het voorwerp uitmaken respectievelijk van artikel 22, §2, en 22, §3 en ik begin in het kader van mijn betoog met de tweede mogelijkheid. Artikel 22, §3, vermeldt de procedure die moet gevolgd worden indien goederen in beslag werden genomen in het kader van de tenuitvoerlegging van het EOB als voorwerp van het misdrijf en een belanghebbende derde zich tegen hun overdracht aan de uitvaardigende autoriteit wil verzetten. Het betreft hier met name dus de procedure die eiser eerst had ingesteld en die zowel door de raadkamer als nadien door de kamer van inbeschuldigingstelling ongegrond werd verklaard. In het kader van deze procedure is enkel de raadkamer bevoegd om zich uit te spreken over het bij gemotiveerd verzoekschrift ingediende verzet en is een hoger beroep mogelijk bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Ik ga hier niet ingaan op de procedure zelf maar beperk me tot de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen. Artikel 22, §3 Wet EOB vermeldt in fine dat er tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling geen cassatieberoep openstaat. Het lijkt mij in het kader van de voorliggende problematiek essentieel erop te wijzen dat uit de wijze waarop het artikel 22 Wet EOB is opgesteld duidelijk naar voren komt dat de uitsluiting van het cassatieberoep enkel de hypothese viseert van artikel 22, §3 en niet kan worden opgevat als een algemene regel inzake de (on)mogelijkheid tot cassatieberoep in het kader van een Europees onderzoeksbevel.
- De procedure van artikel 22, §3, Wet EOB en ook de uitsluiting van het cassatieberoep in dit specifieke kader komen aan bod in de parlementaire werkzaamheden waarbij de uitsluiting van het cassatieberoep wordt verantwoord door de bekommernis om ' coherentie na te streven met de regeling in het kader van de rechtshulp'
(8). Als algemene opmerking kan terzake mijns inziens de bedenking worden gemaakt dat inzake de internationale rechtshulp in strafzaken deze coherentie allesbehalve evident is, gelet op de verschillende van toepassing zijnde verdragen, overeenkomsten, protocollen, kaderbesluiten e.d. en hun onderlinge interactie en/of overlapping
(9). Wat betreft meer specifiek de coherentie waarnaar in de parlementaire werkzaamheden wordt verwezen, dient te worden aangestipt dat voordien een cassatieberoep mogelijk was tegen een beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling inzake de overdracht van in beslag genomen goederen in het kader van een internationale rogatoire commissie
(10). Bij wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie
(11)werd evenwel een paragraaf 5 ingevoegd in artikel 6 van de wet van 9 december 2004
(12), waarbij uitdrukkelijk werd bepaald dat een cassatieberoep niet mogelijk is tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in de procedure inzake overdracht van inbeslaggenomen goederen en verzet daartegen door een belanghebbende derde. Ik wijs erop dat de Raad van State zowel in zijn advies over het ontwerp dat aanleiding zou geven tot de wet van 6 juli 2017
(13)als in dat over het ontwerp dat uiteindelijk zou leiden tot de Wet EOB
(14), bedenkingen had over deze optie, die mogelijks indruiste tegen het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en het recht op toegang tot de rechter. De optie bleef niettemin gehandhaafd. 16. Evenwel is het niet de procedure van art. 22, §3 die hier centraal staat maar wel deze van artikel 22, §2, met name de mogelijkheid voor eenieder die geschaad wordt door een in het kader van de tenuitvoerlegging van een EOB gestelde onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen, de opheffing ervan te vragen aan de procureur des Konings of de onderzoeksrechter. Het gaat dus met name over het strafrechtelijk kort geding
(15)waarin in casu de opheffing van een beslag wordt gevraagd, hetgeen verschilt van de procedure van verzet tegen de overdracht van de in beslag genomen goederen bepaald in art. 22, §3,Wet EOB. In tegenstelling tot deze laatste procedure wordt er noch in de voorbereidende werkzaamheden noch in de rechtsleer over deze specifieke hypothese gesproken. Derhalve dienen de basisprincipes van de Richtlijn en van de Wet EOB te worden onderzocht. De Richtlijn 2014/41/EU poneert duidelijk in art. 14, lid 1, het principe van de gelijkwaardige toepassing van de in het nationaal recht bestaande rechtsmiddelen en artikel 22, §2, Wet EOB vermeldt hierbij de artikelen 28sexies, §§1 tot 5 en 7 en 61quater, §§1 tot 6 en 8. 17. De eerste vraag die derhalve aan de orde is betreft de mogelijkheid in het nationaal recht tot cassatieberoep in het kader van het strafrechtelijk kort geding op basis van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering. Overeenkomstig artikel 418 Wetboek van Strafvordering kan enkel cassatieberoep worden ingesteld tegen gerechtelijke beslissingen die in laatste aanleg zijn gewezen
(16). De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over een hoger beroep tegen een beslissing van de raadkamer in het kader van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering is wel degelijk een beslissing gewezen in laatste aanleg en komt dus principieel in aanmerking voor een cassatieberoep. Evenwel is het zo dat tegen beslissingen alvorens recht te doen, zoals voorbereidende beslissingen of beslissingen van onderzoek, in principe slechts cassatieberoep kan worden ingesteld na het eindvonnis of het eindarrest, behoudens de drie uitzonderingen op deze regel die bepaald zijn in artikel 420, tweede lid, Wetboek van strafvordering
(17). Ingevolge deze regels is het dan ook vaste cassatierechtspraak dat een arrest gewezen bij toe- passing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering geen eindbeslissing is in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en ook niet valt onder de uitzonderingen bepaald in het tweede lid van dit artikel, zodat cassatieberoep tegen een dergelijke beslissing slechts openstaat na het eindarrest en de cassatieberoepen ingesteld vooraleer het eindarrest werd gewezen onontvankelijk worden verklaard wegens voorbarigheid
(18). Ons inziens neemt dit evenwel niet weg dat principieel het cassatieberoep mogelijk is tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet in het kader van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering. 18. Er kan wat dit betreft trouwens worden verwezen naar de wet van 5 augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie ( hierna Wederzijdse Erkenningswet)
(19)dat een min of meer vergelijkbare regeling bevatte als die van artikel 22, §2, Wet Europees Onderzoeksbevel. Ik zeg 'bevatte' omdat de Wet Europees Onderzoeksbevel wat betreft de inbeslagneming van bewijsmateriaal net de overeenkomstige bepalingen uit de wet van 5 augustus vervangt
(20). Artikel 15, §1, Wederzijdse Erkenningswet bepaalde dat elke benadeelde persoon om de opheffing van de inbeslagneming kan verzoeken en dat de toepasselijke procedure die is van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering. Noch uit de parlementaire werkzaamheden van deze wet
(21)noch in de eerste commentaar ervan in de rechtsleer
(22)valt af te leiden dat er tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen op het hoger beroep tegen de beschikking van de onderzoeksrechter geen cassatieberoep zou mogelijk zijn. Weliswaar vermelden M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH in hun handboek met betrekking tot deze procedure dat 'A la différence du mandat d'arrêt européen, aucun recours en cassation n'est prévu ici'
(23), maar dit argument overtuigt niet. Het cassatieberoep wordt inderdaad niet uitdrukkelijk uitgesloten, zodat bij afwezigheid van enige ver- melding terzake het gemeen recht mij van toepassing lijkt.
- Deze redenering geldt dus ook in het kader van artikel 22 Wet EOB. Daar waar in §3 van dit artikel het cassatieberoep uitdrukkelijk wordt uitgesloten, gebeurt dit niet in §2, waar onder andere wordt verwezen naar de overeenkomstige toepassing van artikel 61quater, §§1 tot 6 en 8, Wetboek van Strafvordering en ik meen derhalve dat moet aangenomen worden dat tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, gewezen in het kader van artikel 22, §2, Wet EOB en met toepassing van het artikel 61quater, Wetboek van Strafvordering, een cassatieberoep openstaat.
- Deze stellingname noopt alsdan tot het beantwoorden van twee bijkomende vragen. De eerste bijkomende vraag daarbij is of in de voorliggende casus een onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling. Zoals hierboven reeds uiteengezet is het vaste cassatierechtspraak dat een arrest gewezen bij toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering geen eindbeslissing is in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en ook niet valt onder de uitzonderingen bepaald in het tweede lid van dit artikel, zodat cassatieberoep tegen een dergelijke beslissing slechts openstaat na het eindarrest en de cassatieberoepen ingesteld vooraleer het eindarrest werd gewezen onontvankelijk worden verklaard wegens voorbarigheid. De vraag is evenwel of deze stelling in casu kan worden gehandhaafd? Een eindbeslissing wordt klassiek omschreven als een beslissing die uitspraak doet over de gehele bij de rechter aanhangige vordering en waardoor diens rechtsmacht wordt uitgeput. Specifiek aan de materie van het Europees onderzoeksbevel is dat de strafvordering niet in België aanhangig is maar in de uitvaardigende Staat en dat het enkel in die staat is dat een eindbeslissing mogelijk is. Dat is trouwens ook de reden van de uitsluiting in artikel 22, §2, Wet EOB van de paragrafen 6 en 7 van respectievelijk de artikelen 28sexies en 61quater, Wetboek van Strafvordering. Bij de Belgische rechter is dus de grond van de zaak niet aanhangig zodat hierover in België dan ook geen eindbeslissing kan worden geveld. Ik meen dan ook dat in deze omstandigheden de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling dient te worden beschouwd als een eindbeslissing die derhalve vatbaar is voor onmiddellijk cassatieberoep.
- De tweede bijkomende vraag is of de eiser in cassatie de hoedanigheid en het belang heeft bij het instellen van het rechtsmiddel zoals vereist door artikel 416 Wetboek van Strafvordering?
(24)Eiser in cassatie is partij in het geding en bezit dus de vereiste hoedanigheid. Overeenkomstig artikel 61quater, §1, Wetboek van Strafvordering, kan de opheffing van een onderzoeksmaatregel met betrekking tot de goederen worden gevraagd aan de onderzoeksrechter door eenieder die door die maatregel wordt geschaad. Eiser in cassatie heeft in zijn verweer voor de kamer van inbeschuldigingstelling gesteld dat hij soms 'om den brode' stukken uit zijn collectie verkoopt, hetgeen door de beslagmaatregel onmogelijk is, waardoor hij schade ondervindt. Hij bezit dus het vereiste belang om het rechtsmiddel in te stellen. De conclusie is dus dat het cassatieberoep en in casu het onmiddellijk cassatieberoep ontvankelijk is. B. GEGRONDHEID VAN HET CASSATIEBEROEP. 21. De eiser heeft, zoals hierboven (zie par. 6) reeds aangegeven, één middel ingeroepen dat uiteenvalt in drie onderdelen. Het komt mij voor dat het tweede onderdeel, met name de schending van artikel 149 Grondwet omdat het arrest niet zou antwoorden op de conclusies dat eisers Salduz-rechten en recht van verdediging werden miskend door het verhoor op 17 december 2018 zonder bijstand van een raadsman, gegrond is. Op de zitting van de kamer van inbeschuldigingstelling stelde de eiser bij monde van zijn raadsman met name dat hij door het feit dat hij, omwille van het beslag, geen goederen uit zijn collectie meer kan verkopen, schade leed. Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling beantwoordt dat argument door te poneren dat de stelling van eiser geen steun vindt in de voorliggende stukken maar ook, en vooral, door te verwijzen naar het feit dat in de verklaring van de eiser aan de verbalisanten hij daarover niets vermeldt. Het probleem hier lijkt me te zijn dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling aldus verwijst naar een verhoor waartegen de eiser in zijn appelconclusies bepaalde bezwaren had ingebracht, met name de schending van zijn Salduz-rechten en van zijn recht van verdediging, zonder evenwel dit verweer te beantwoorden, hetgeen ingevolge het tegensprekelijk karakter van de door artikel 22, §2, Wet EOB en artikel 61quater, Wetboek van Strafvordering geregelde procedure nochtans vereist was. Het tweede onderdeel is derhalve in zoverre gegrond. De andere grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie behoeven geen antwoord. CONCLUSIE: ik concludeer derhalve tot cassatie met verwijzing. __________________________
(1)BS 23 mei 2017; M. GIACOMETTI, "La décision d'enquête européenne: la révolution de la coopération judiciaire entre États membres de l'Union est en marche!", JT 2017, 649-660; M. GIACOMETTI en S. NEVEU, "La décision d'enquête européenne: un nouvel instrument destiné à révolutionner la récolte des preuves au sein de l'UE?", Rev.dr.pén. 2016, 861-910; D. VAN DAELE, "België en het Europees onderzoeksbevel in strafzaken; een analyse van de wet van 22 mei 2017", NC 2018, 341-378; G. VERMEULEN, "Het Europees onderzoeksbevel in strafzaken. Het verdriet van België", in P. TRAEST, A. VERHAGE en G. VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderde samenleving?, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017, 405-458; G. VERMEULEN, "Het Europees Onderzoeksbevel. De grote sprong achterwaarts", in S. DEWULF (ed.), la [CVDW] Liber Amicorum Chris Van Den Wyngaert, Antwerpen, Maklu, 2017, 559-585; E. FRANCIS, "Het Europees onderzoeksbevel in strafzaken. Kennismaking met een nieuw rechtsinstrument", in J. ROZIE, F. DERUYCK, L. HUYBRECHTS en F. VAN VOLSEM (eds.), Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia, 2014, 193-212.
(2)Pb.L., 2014, 130/1.
(3)Parl. St., Kamer 2016-2017, nr. 2437/001, 3.
(4)Wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering, BS 24 december 2004; A. WINANTS, "De wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken", in F.DERUYCK (ed.), De groeipijnen van het strafrecht, Die Keure,
- p. 189-
- Bij wet van 15 mei 2014, BS 7 augustus 2014, werd het opschrift van deze wet gewijzigd in 'Wet betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering' en bepaalde artikelen van de wet werden nadien ook nog gewijzigd; zie ook D VAN DAELE, "Verleden, heden en toekomst van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken", Strafblad 2012, 216-224.
(5)Er wordt hier met name ook een lijst gehanteerd van uitzonderingen die overeenstemt met die in het kader van het Europees aanhoudingsbevel.
(6)Richtlijn 2014/41/EU, art. 14, 1, 2 en 4.
(7)De uitgesloten paragrafen 6 van art. 28sexies en 7 van artikel 61quater betreffen de procedure vanaf de aanhangigmaking voor een rechtbank of een hof. Wanneer België de uitvoerende Staat is in het kader van een EOB grijpt evenwel deze aanhangigmaking niet plaats voor Belgische rechtsinstanties.
(8)Parl. St. Kamer 2016-2017, nr.2437/001, Memorie van Toelichting, 30-31.
(9)Zie hierover D. VAN DAELE, o.c., 341-343.
(10)Cass. 4 mei 2015, AR P.15.0332.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150504.5, AC 2015, n° 292. Het betreft weliswaar een beschikking van niet-toelaatbaarheid die in casu het ingestelde cassatieberoep niet ontvankelijk verklaart maar dit omwille van de afwezigheid van betekening, waaruit dus impliciet volgt dat een cassatieberoep wel degelijk mogelijk is; zie M. GIACOMETTI, o.c., 659.
(11)BS 24 juli 2017.
(12)Zie voetnoot 4.
(13)Parl. St. Kamer, 2259/001, Advies van de Raad van State van 28 september 2016, nr. 59.944/23,136.
(14)Parl. St. Kamer 2016-2017, 2437/001, Advies van de Raad van State van 6 april 2017, nr. 61.073/3, 135-136.
(15)Er weze aan herinnerd dat de rechtspraak en de rechtsleer van oordeel zijn dat het strafrechtelijk kort geding niet toepasselijk is in het kader van de uitvoering van internationale rogatoire commissies die aan andere regels zijn onderworpen- zie Cass. 19 januari 2005, AR P.04.1515.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050119.5, AC 2005, nr. 39; Cass. 6 oktober 2004, AR P.04.1119.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041006.11, AC 2004, nr. 463; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, la Charte, 2017, 8ste ed., t. II, p. 1892; zie KI Brussel 4 mei 2011, T. Strafr. 2001/6, 357 en noot F. SCHUERMANS; KI Brussel, 26 juni 2000, RDP 2001, p.
- Maar dit geldt evenwel niet wanneer het gaat om verzoeken die uitgaan van een lidstaat van de Europese Unie met toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken- zie M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, la Charte, 2017, 8ste ed., t. II, p. 1925-
- Dit is met name het geval bij de Wet EOB die daarenboven het strafrechtelijk kort geding uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing verklaart.
(16)R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Kluwer, 6de editie, 2014, p. 1469, nr. 3785; F. VAN VOLSEm, "Het cassatieberoep in strafzaken na 'Potpourri II'", in Procederen voor het Hof van Cassatie, Cassatiebalie, B. MAES & P. WOUTERS (eds.), 201.
(17)F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch Strafprocesrecht, die Keure, 2017, 2de editie, 275-277; S. BERNEMAN, "Het onmiddellijk cassatieberoep van toen, nu en straks" in Liber amicorum Marc De Swaef, Antwerpen, Cambridge, Intersentia, 2013, 33 e.v.
(18)O.m. Cass. 4 november 2015, AR P.15.1146.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151104.4, AC 2015, nr. 652; Cass. 20 mei 2009, AR P.09.0214.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090520.1, AC 2009, nr. 331; Cass. 19 december 2006, AR P.06.1228.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.5, AC 2006, nr. 664; Cass. 23 maart 2005, AR P.05.0148.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050323.25, AC 2005, nr. 181. Tot de aanpassing van artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering door de Potpourri II-wet stond wel een onmiddellijk cassatieberoep open tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling ex artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, in zoverre dit arrest ook uitspraak deed of diende te doen bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering: Cass. 5 februari 2003, AR P.02.1666.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030205.9, AC 2003, nr. 87; Cass. 16 december 2003, P.03.1298.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.45, AC 2003, nr. 652; Cass. 5 oktober 2004, AR P.04.1122.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041005.7, AC 2004, nr. 455; Cass. 8 februari 2005, AR P.04.1579.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.5, AC 2005, nr. 78; Cass. 10 januari 2006, AR P.05.1372.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.9, AC 2006, nr. 27; Cass. 14 mei 2008, AR P.08.0186.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080514.5, AC 2008, nr. 293 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 17 november 1999, AR P.99.1540.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991117.12, AC 1999, nr. 611; Cass. 16 februari 1999, AR P.99.0074.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.5, AC 1999, nr. 89, RW 1998-1999, 1530 en noot B. DE SMET, " Vervroegd cassatieberoep tegen arresten van de Kamer van inbeschuldigingstelling over inzage in het strafdossier".
(19)BS 7 september 2006.
(20)De bepalingen van de wet van 5 augustus 2006 blijven wel van toepassing wat betreft de inbeslagneming van vermogensvoordelen die in aanmerking komen voor verbeurdverklaring en voor de wederzijdse erkenning van geldelijke sancties; zie hierover D. VAN DAELE, o.c., 343.
(21)Parl. St. Kamer 2005-2006, 2106/001 en Senaat 2005-2006, 3/1672.
(22)G. STESSENS, "Nieuwe regels inzake tenuitvoerlegging van buitenlandse beslagen (en verbeurdverklaringen) in het licht van de Wet van 5 augustus 2006", NC 2007, 189 e.v.
(23)M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, la Charte, 2017, 8ste ed., p. 1943.
(24)F. VAN VOLSEM, "Het cassatieberoep in strafzaken na 'Potpourri II'", in Procederen voor het Hof van Cassatie, Cassatiebalie, B. MAES & P. WOUTERS (eds.), 235-245. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200512.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200512.2N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990216.5 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991117.12 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030205.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031216.45 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041005.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041006.11 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050119.5 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.5 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050323.25 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060110.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080514.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090520.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150504.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151104.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.4 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260128.2F.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div