id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200528.1N.18 Rolnummer: C.19.0364.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Overige Invoerdatum: 2020-06-10 Raadplegingen: 765 - laatst gezien 2026-06-18 21:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.18 Fiches 1 - 2 Wanneer wordt geoordeeld dat een vennootschap nietig is, wat haar vereffening met zich meebrengt, en een vereffenaar wordt aangesteld, moet deze vennootschap tegen die nietigheid en de aanstelling van de vereffenaar kunnen opkomen door de middelen bij de wet bepaald
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Commanditaire vennootschappen Vrije woorden: Nietigheid van de vennootschap - Vereffening - Aanstelling van een vereffenaar - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 20 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Rechtsmiddelen - Verzet Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 20 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.19.0364.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: Situering Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende.
- Bij arrest van 1 oktober 2018 van het hof van beroep te Gent, gewezen bij verstek ten aanzien van eiseres, werd het hoger beroep van eerste verweerder tegen een vonnis van 30 april 2018 van de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Brugge, ontvankelijk en gegrond verklaard en werden een tussen eiseres en eerste verweerder gesloten overeenkomst tot aandelenoverdracht en een leningsovereenkomst nietig verklaard. Tevens werd de nietigheid uitgesproken van een vennootschapsovereenkomst van 17 december 2013 tot oprichting van eiseres en van eiseres zelf, welke laatste nietigheid de vereffening van de vennootschap met zich brengt. Een vereffenaar (de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partij) werd aangesteld, met opdracht tot de vereffening van eiseres over te gaan.
- Eiseres tekende verzet aan tegen voormeld arrest. Bij arrest van 25 maart 2019 van het hof van beroep te Gent werd dit verzet onontvankelijk verklaard en werd het arrest van 1 oktober 2018 bevestigd.
- In een tijdige en regelmatige voorziening in cassatie komt eiseres, met één middel met twee onderdelen, op tegen dit arrest. Bespreking Tweede onderdeel
- Eiseres is een gewone commanditaire vennootschap. Het hof van beroep te Gent had bij arrest van 1 oktober 2018, dat bij verstek gewezen was ten aanzien van eiseres, geoordeeld dat eiseres nietig was, wat haar vereffening met zich bracht, en een vereffenaar aangesteld. Eiseres tekende tegen dit arrest, middels haar gewone organen, verzet aan per dagvaardingsexploot betekend op 12 oktober
- De appelrechter heeft dit verzet echter niet ontvankelijk verklaard, nu eiseres niet door het bevoegde orgaan, namelijk de bij arrest van 1 oktober 2018 aangestelde vereffenaar, vertegenwoordigd was.
- Eiseres voert aan dat de appelrechter met zijn beslissing om het verzet van eiseres onontvankelijk te verklaren, de artikelen 17, 18, 20, 848, 1042, 1047 en 1067 Gerechtelijk Wetboek schendt, en in het bijzonder artikel 20 Gerechtelijk Wetboek, waaruit voortvloeit dat de vennootschap waarvan de nietigheid bij een arrest dat bij verstek ten aanzien van haar wordt uitgesproken, met haar in vereffeningstelling tot gevolg en de aanstelling van een vereffenaar, tegen dit arrest moet kunnen opkomen met de middelen door de wet bepaald. Eiseres verwijst in haar voorziening in cassatie naar het arrest van uw Hof van 5 september 2013
(1).
- In voorliggende zaak is de rechtsvraag aan de orde of de gewone organen (zaakvoerders/bestuurders) namens een vennootschap nog een rechtsmiddel kunnen instellen tegen een beslissing tot aanstelling van een organiek vertegenwoordiger die hun bevoegdheden overneemt, dan wel of uitsluitend de door de rechter aangestelde organieke vertegenwoordiger bevoegd is om zulk rechtsmiddel in te stellen.
- Artikel 172, lid 1, Wetboek van vennootschappen, zoals van toepassing, bepaalt dat de nietigheid van een vennootschap bij rechterlijke beslissing moet worden uitgesproken. Krachtens het tweede lid van voormeld artikel heeft de nietigheid gevolg te rekenen van de dag waarop zij is uitgesproken. Overeenkomstig artikel 175, lid 1, Wetboek van vennootschappen, zoals van toepassing, brengt de aldus uitgesproken nietigheid van een vennootschap de vereffening van die vennootschap met zich, zoals bij ontbinding. Hieruit volgt dat de gewone organen vanaf de uitspraak van de nietigheid -of vanaf de ontbinding- niet meer de vereiste bevoegdheid hebben om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen (dit is om een vordering of een rechtsmiddel in te stellen namens de vennootschap). In beginsel is vanaf dat ogenblik de vereffenaar, die optreedt als wettelijk orgaan van de vennootschap in vereffening, de enige die de vennootschap in rechte kan vertegenwoordigen
(2). Uw Hof oordeelde in die zin in zijn arrest van 2 september 2011
(3)dat "overeenkomstig de artikelen 61, §1, 182, §3, en 186 Wetboek van vennootschappen, de vennootschappen waarvan de gerechtelijke ontbinding is uitgesproken door hun wettelijk orgaan handelen, namelijk de door de rechtbank aangewezen vereffenaar die, voor zover de akte van benoeming niet anders bepaalt, alle rechtsvorderingen kan voeren." Als een vennootschap in vereffening aldus een rechtsmiddel instelt en daarbij is vertegenwoordigd door een onbevoegd orgaan, is het rechtsmiddel niet ontvankelijk
(4). De vraag rijst evenwel of de gewone organen van de vennootschap, bij wijze van uitzondering op dit principe, nog een rechtsmiddel mogen instellen tegen de beslissing zelf waarin hun de bevoegdheid wordt ontnomen en een vereffenaar als organiek vertegenwoordiger wordt aangesteld. In een arrest van 5 september 2013
(5)heeft uw Hof, inzake de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder, die uitzondering aanvaard. Er wordt erkend dat een vennootschap wel nog de vereiste hoedanigheid heeft om tegen de beslissing tot aanstelling van de voorlopige bewindvoerder een rechtsmiddel in te stellen. Uw Hof oordeelde immers dat "krachtens artikel 20 Gerechtelijk Wetboek een vonnis alleen (kan) worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Hieruit volgt dat wanneer ter zake van een vennootschap wordt geoordeeld dat een voorlopige bewindvoerder wordt aangesteld, teneinde ‘in de plaats van de zaakvoerders het bestuur waar te nemen met opschorting van alle bevoegdheden van de zaakvoerders', deze vennootschap tegen de aanstelling van een bewindvoerder moet kunnen opkomen door de middelen bij de wet bepaald." Uw Hof oordeelde op die grond dat de appelrechter zijn beslissing niet naar recht verantwoordt, door te oordelen dat het hoger beroep van de vennootschap niet toelaatbaar was omdat zij niet vertegenwoordigd was door haar op dat ogenblik bevoegd orgaan, namelijk de bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking aangestelde voorlopige bewindvoerder. Mijns inziens dient deze oplossing te worden doorgetrokken naar de voorliggende zaak. Een rechterlijke beslissing kan weliswaar met onmiddellijke werking aan de gewone organen de bevoegdheid ontnemen om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, doordat een (organiek) vertegenwoordiger wordt aangesteld (met name een vereffenaar of een voorlopige bewindvoerder). De gewone organen moeten bij wijze van uitzondering echter wel nog de rechterlijke beslissing kunnen aanvechten waarin hun die bevoegdheid werd ontnomen, doordat deze werd overgedragen aan de (organieke) vertegenwoordiger. Ook in de rechtsleer wordt deze opvatting ruim bepleit
(6). Deze opvatting vindt steun in verschillende argumenten. Ten eerste mag, in de procesrechtelijke verhouding tussen de partijen, aan de "onder beheer gestelde" procespartij geen rechtsmiddel worden ontnomen dat haar normaal toekomt
(7). Men moet zich hierbij plaatsen op de toestand zoals deze bestond vóór de bestreden beslissing. Indien men ervan uitgaat dat enkel de in die beslissing aangestelde organieke vertegenwoordiger (vereffenaar of voorlopige bewindvoerder) die beslissing mag aanvechten, zou men zich immers baseren op het gezag van gewijsde dat het rechtsmiddel nu precies ter betwisting stelt
(8). In dezelfde lijn wordt overigens ook in het personenrecht aanvaard dat de wilsonbekwame altijd de bevoegdheid heeft om zelfstandig de opheffing of de wijziging van zijn statuut te vorderen, of om aldus op te komen tegen de beslissing waarin hij wilsonbekwaam werd verklaard
(9). Ten tweede wordt voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een rechterlijke beslissing de hoedanigheid van de vennootschap (of dus de bevoegdheid van de organen) op een autonome wijze beoordeeld, op een manier die verschilt van de toelaatbaarheidsvoorwaarden van de vordering in rechte zelf, krachtens de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek
(10). Zo beschikt een vennootschap vanaf een rechterlijke beslissing met onmiddellijke werking waarin een vereffenaar of voorlopige bewindvoerder wordt aangesteld, niet meer over de vereiste hoedanigheid om, middels haar gewone organen, een nieuwe vordering in rechte in te leiden. Vanaf het ogenblik van de uitspraak is namelijk uitsluitend de vereffenaar of voorlopige bewindvoerder bevoegd. Het volstaat evenwel dat de vennootschap partij is geweest in het geding in eerste aanleg dat geleid heeft tot de aanstellingsbeslissing, opdat zij (middels haar gewone organen) hiertegen hoger beroep kan aantekenen
(11). Op analoge wijze lijkt het in casu te volstaan dat de vennootschap de partij vormt jegens wie de beslissing tot aanstelling van de vereffenaar bij verstek is gewezen, opdat zij hiertegen (middels haar gewone organen) verzet kan aantekenen. Ten slotte lijkt de opvatting dat enkel de door de rechter aangestelde (organieke) vertegenwoordiger een rechtsmiddel kan instellen tegen de aanstellingsbeslissing - en niet de vennootschap middels haar gewone organen - moeilijk verenigbaar met de wettelijke opdracht zelf van die vertegenwoordiger. Zo heeft de vereffenaar als bestaansreden om de vereffening van de vennootschap te verzekeren. Het behoort niet tot zijn taak om namens de vennootschap een rechtsmiddel in te stellen tegen de rechterlijke ontbinding of nietigheid ervan
(12). 8. Verweerders voeren weliswaar aan dat de oplossing in het cassatiearrest van 5 september 2013, op grond waarvan de vennootschap moet kunnen opkomen tegen de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder, niet kan worden doorgetrokken naar de aanstelling van een vereffenaar. Volgens verweerders gaat het bij de voorlopige bewindvoerder en de vereffenaar immers om een verschillende aard van vertegenwoordiging: enerzijds zou de vereffenaar als orgaan van de rechtspersoon gelden, terwijl de voorlopige bewindvoerder een externe dwangvertegenwoordiger over de rechtspersoon zou zijn. Dit verweer lijkt mij om twee redenen niet te overtuigen. Ten eerste lijken de voorlopige bewindvoerder en de vereffenaar geenszins een andere aard van vertegenwoordiging van de vennootschap te vervullen. Enerzijds is het duidelijk dat de vereffenaar een wettelijk orgaan van vertegenwoordiging van de vennootschap is, zoals erkend door uw Hof in zijn arresten van 2 september 2011
(13)en van 28 oktober 2016
(14). In vennootschappen met rechtspersoonlijkheid vormen organen de natuurlijke personen die op bestendige wijze de rechtspersoon tegenover derden vertegenwoordigen. Het eigene van de organieke vertegenwoordiging is gelegen in haar "permanente noodzakelijkheid": zij ligt besloten in de organisatie zelf van de rechtspersoon. Een rechtspersoon kan immers, anders dan een natuurlijke persoon, uitsluitend handelen via zijn vertegenwoordigers, dit wil zeggen zijn organen
(15). Ten opzichte van derden vallen het orgaan en de rechtspersoon met elkaar samen, op voorwaarde dat het orgaan binnen de perken van zijn bevoegdheid handelt
(16). Organen worden vereenzelvigd met de rechtspersoon. Wanneer het orgaan optreedt, is het alsof de rechtspersoon in eigen naam en voor eigen rekening optreedt. De organen vormen op die manier vertegenwoordigers binnen de vennootschap
(17). Anderzijds wordt evenwel erkend dat ook de voorlopige bewindvoerder als wettelijk orgaan van de vennootschap optreedt. De voorlopige bewindvoerder is een onafhankelijke persoon die bij wijze van dringende en voorlopige maatregel door de rechter wordt aangesteld ter vrijwaring van de continuïteit van de onderneming (bij ernstige blokkering of disfunctie van de organen van een vennootschap). Hij wordt gemachtigd tot het stellen van een of meer handelingen van bestuur, in naam en voor rekening van de vennootschap, met het oog op de bescherming van de belangen van de vennootschap, de aandeelhouders, de bestuurders en/of de schuldeisers
(18). Zo kwalificeerde uw Hof in zijn arrest van 4 november 2004
(19)de voorlopige bewindvoerder als orgaan door te oordelen dat de vennootschap niet "door haar bevoegd orgaan was vertegenwoordigd". In een arrest van 8 maart 2019
(20)oordeelde het Hof weliswaar dat de voorlopige bewindvoerder niet de hoedanigheid had van orgaan van een maatschap (en dus afzonderlijk in het geding moest worden betrokken), maar het betrof hier een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid. Ook in de rechtsleer wordt ruim aanvaard dat de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder niet tot gevolg heeft dat de vennootschap handelingsonbekwaam wordt, zodat de voorlopige bewindvoerder als externe dwangvertegenwoordiger over de vennootschap zou optreden. Die aanstelling leidt slechts tot de onbevoegdheid van de gewone organen en tot een wijziging van de interne regels voor de uitoefening van de rechten van de rechtspersoon. De voorlopige bewindvoerder treedt dus op als orgaan, namelijk als vertegenwoordiger binnen de vennootschap
(21). Ten tweede en meer fundamenteel, lijkt mij de aard van de vertegenwoordiging van de vennootschap geen invloed te hebben op de gekozen oplossing. Uit bovenstaande analyse volgt mijns inziens immers dat een vennootschap sowieso, middels haar gewone organen, moet kunnen opkomen tegen de rechterlijke beslissing waarin haar gewone organen onbevoegd wordt verklaard en er een vertegenwoordiger over haar wordt aangesteld, of dit nu een organieke of een conventionele vertegenwoordiger is. De aard van de vertegenwoordiging heeft wel als gevolg dat wanneer de vennootschap een rechtsmiddel instelt tegen een beslissing tot aanstelling van een organieke vertegenwoordiger (bv. een vereffenaar), deze niet in het geding moet worden betrokken. Het orgaan wordt immers geïdentificeerd met de vennootschap zelf, zodat dit automatisch bij het geding betrokken is
(22). Wanneer een vennootschap daarentegen een rechtsmiddel instelt tegen een beslissing tot aanstelling van een conventionele vertegenwoordiger, dient deze laatste wel in het geding te worden betrokken
(23). 9. Uit het bovenstaande volgt dat eiseres in casu wel nog (middels haar gewone organen) verzet mocht aantekenen tegen het arrest waarin bij verstek haar nietigheid werd uitgesproken en een vereffenaar werd aangesteld. Door dit verzet niet ontvankelijk te verklaren, nu eiseres niet door het bevoegde orgaan, namelijk de aangestelde vereffenaar, vertegenwoordigd was, verantwoordt de appelrechter mijns inziens zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel komt mij dan ook gegrond voor. Conclusie: Vernietiging met verwijzing. __________________________
(1)Cass. 5 september 2013, AR C.12.0259.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.1, AC 2013, nr. 422.
(2)B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 64, nr. 107; J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, II, Brussel, Bruylant, 1957, 104.
(3)Cass. 2 september 2011, AR C.10.0185.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110902.1, AC 2011, nr. 446.
(4)A. BOSSUYT, "De noodzakelijke partij in het economisch recht", P&B 2013, 182.
(5)Cass. 5 september 2013, AR C.12.0259.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.1, AC 2013, nr. 422.
(6)A. BOSSUYT, "De noodzakelijke partij in het economisch recht", P&B 2013, 182 en 190; O. CARAPASSE en F. GEORGES, "Responsabilité du gérant et pouvoir de représentation d'une société dissoute: deux opportunités de réflexion sur l'office du juge" (noot onder Kh. Brussel 30 november 1998), JLMB 1999, 716-718; S. SOBRIE, "De rol van de vereffenaar in een appelprocedure tegen een gerechtelijke ontbinding" (noot onder Cass. 2 september 2011), RW 2012, 1512; J. VANANROYE, "Voorlopig bewind: onbevoegdheid van de gewone organen of onbekwaamheid van de rechtspersoon?", TRV 2005, 9-10; J. VANANROYE, "Trekt de hervorming in hoger beroep van een gerechtelijke ontbinding het tapijt weg onder de vereffenaar?" (noot onder Cass. 28 oktober 2016), TRV 2017, 174.
(7)J. VANANROYE, "Voorlopig bewind: onbevoegdheid van de gewone organen of onbekwaamheid van de rechtspersoon?", TRV 2005, 10.
(8)A. BOSSUYT, "De noodzakelijke partij in het economisch recht", P&B 2013, 182; O. CAPRASSE en F. GEORGES, "Responsabilité du gérant et pouvoir de représentation d'une société dissoute", JLMB 1999, 716-717; J. EMBRECHTS, "De vereffenaar: (g)een noodzakelijke partij?", TBH 2011, 903; P. MALHERBE, "Observations - L'appel, l'indivisibilité et les mandataires de justice" (noot onder Cass. 2 september 2011), RPS 2011, 412; J.-P. RENARD, noot onder Kh. Brussel 10 maart 1983, RPS 1983, 282; concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN op datum in Pas., voor Cass. 2 september 2011, AR C.10.0185.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110902.1, AC 2011, nr. 446.
(9)Zie A. WYLLEMAN, Onvolwaardige wilsvorming en onbekwaamheid in het materieel en formeel privaatrecht, proefschrift Gent, 1998, III, 435-436, nr. 1044.
(10)Zie bv. Cass. 24 april 2003, AR C.00.0567.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25, AC 2003, nr. 261; Cass. 13 september 1991, AC 1991-92, 38; J. VANANROYE, "Voorlopig bewind: onbevoegdheid van de gewone organen of onbekwaamheid van de rechtspersoon?", TRV 2005, 10.
(11)Zie over dit vereiste van hoedanigheid: K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van dubbele aanleg in het civiel geding, Antwerpen, Maklu 1995, 183, nr. 401.
(12)O. CAPRASSE en F. GEORGES, "Responsabilité du gérant et pouvoir de représentation d'une société dissoute", JLMB 1999, 718.
(13)Cass. 2 september 2011, AR C.10.0185.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110902.1, AC 2011, nr. 446.
(14)Cass. 28 oktober 2016, AR C.15.0515.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161028.3, AC 2016, nr. 611; B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 168, nr. 338.
(15)P. DAUW, "Het optreden in rechte van de rechtspersoon", CABG 2006/2, 1; B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 163, nr. 330 en 255, nr. 515.
(16)K. GEENS en M. WYCKAERT, Verenigingen en vennootschappen, deel II, De vennootschap, A, Algemeen deel in Beginselen van Belgisch privaatrecht, IV, Mechelen, Kluwer, 2011, 455.
(17)A. BOSSUYT, "De noodzakelijke partij in het economisch recht", P&B 2013, 180; H. BRAECKMANS en R. HOUBEN, Handboek vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 250, nr. 460.
(18)H. BRAECKMANS, "Conflicten in vennootschappen en het wetboek van vennootschappen: de vlag dekt niet de lading", TPR 2010, 1634.
(19)Cass. 4 november 2004, AR C.04.0042.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041104.5, AC 2004, nr. 533.
(20)Cass. 8 maart 2019, AR C.16.0506.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.3, AC 2019, nr. 148.
(21)A. BOSSUYT, "De noodzakelijke partij in het economisch recht", P&B 2013, 177; K. GEENS, M. WYCKAERT, C. CLOTTENS, F. PARREIN, S. DE DIER en S. COOLS, "Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1999-2010)", TPR 2012, 150, nr. 70; J. RONSE, "Vennootschappen. Overzicht van rechtspraak (1964-1967)", TPR 1967, 685, nr. 104; B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 164, nr. 331; J. VANANROYE, "Voorlopig bewind: onbevoegdheid van de gewone organen of onbekwaamheid van de rechtspersoon?", TRV 2005, 20, nr. 11.
(22)In die zin, Cass. 2 september 2011, AR C.10.0185.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110902.1, AC 2011, nr. 446; A. BOSSUYT, "De noodzakelijke partij in het economisch recht", P&B 2013, 182.
(23)In geval van aanstelling van een voorlopig bewindvoerder over een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid: zie Cass. 8 maart 2019, AR C.16.0506.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.3, AC 2019, nr. 148 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200528.1N.18 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.18 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041104.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110902.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130905.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161028.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div