id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200528.1N.8 Rolnummer: C.18.0011.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2020-06-10 Raadplegingen: 1149 - laatst gezien 2026-06-16 16:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.8 Fiches 1 - 2 De medewerking door een derde onderneming aan een contractbreuk, niettegenstaande hij hiervan kennis had of moest hebben, vormt een buitencontractuele fout en een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad, waarvan de staking kan worden bevolen en waarbij de stakingsrechter, om te oordelen of zulke inbreuk op de eerlijke marktpraktijken bestaat, het bestaan van een contractbreuk waaraan de derde onderneming onrechtmatig heeft meegewerkt, mag vaststellen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Buitencontractuele fout - Derde medeplichtigheid aan contractbreuk - Inbreuk op de eerlijke marktpraktijken - Stakingsrechter - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wetboek 28 februari 2013 van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.104 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALLERLEI Vrije woorden: Marktpraktijken - Vordering tot staking - Derde medeplichtigheid aan contractbreuk - Stakingsrechter - Bevoegdheid Vaststellingen - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek 28 februari 2013 van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.104 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 De voorzitter van de ondernemingsrechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de vordering waarvan het voorwerp, zoals omschreven in de dagvaarding, strekt tot de staking van een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad bestaande in de medewerking door een derde onderneming aan een contractbreuk, niettegenstaande hij hiervan kennis moest hebben
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschil inzake bevoegdheid Vrije woorden: Marktpraktijken - Vordering tot staking - Derde medeplichtigheid aan contractbreuk - Vaststelling - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wetboek 28 februari 2013 van economisch recht - 28-02-2013 - Artt. 9, eerste lid, en XVII.1 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.18.0011.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: Feiten en procedure Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende.
- Eiseres, zijnde een bedrijf gespecialiseerd in de verdeling van bandenmateriaal, sloot met een Duitse vennootschap een exclusieve distributieovereenkomst voor onbepaalde duur krachtens dewelke aan eiseres het exclusieve recht werd verleend om de Tip Top bandenproducten te verdelen in België en Luxemburg. Eerste verweerster nam nadien de activiteiten van voornoemde Duitse vennootschap over, derwijze dat eiseres sindsdien een exclusiviteitsovereenkomst had met eerste verweerster.
- Sinds maart 2012 is derde verweerster actief in de distributie van de Tip Top producten op de Belgische en Luxemburgse markt. Eiseres meent dat eerste verweerster hiermee haar exclusiviteitsrecht schendt en dat derde verweerster zich schuldig maakt aan derde-medeplichtigheid aan deze contractbreuk. Tweede verweerster is een dochtervennootschap van eerste verweerster; vierde verweerster is een dochtervennootschap van derde verweerster.
- Eiseres stelde derde en vierde verweerster in gebreke en eiste dat de handelingen die zij als onrechtmatig bestempelde, zouden worden gestaakt. Derde en vierde verweerster betwistten de aanspraken van eiseres.
- Op 2 juli 2015 dagvaardde eiseres de verweersters voor de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel, teneinde de staking te horen bevelen van de vermeende inbreuken op de eerlijke marktpraktijken door derde en vierde verweerster en de gemeenverklaring te horen uitspreken van het tussen te komen vonnis aan eerste en tweede verweerster.
- Bij vonnis van 26 februari 2016 werd de vordering van eiseres ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De staking werd bevolen van de oneerlijke marktpraktijken die in hoofde van derde en vierde verweerster werden vastgesteld en die bestonden uit de schending van de exclusiviteitsrechten van eiseres, op straffe van een dwangsom.
- Eerste en tweede verweerster enerzijds en derde en vierde verweerster anderzijds, stelden hoger beroep in tegen dit vonnis bij het hof van beroep te Brussel. Door eiseres werd incidenteel beroep ingesteld.
- In het arrest van 18 oktober 2017 van het hof van beroep te Brussel worden de hoger beroepen samengevoegd. Zij worden ontvankelijk en gegrond verklaard. Het incidenteel beroep van eiseres wordt evenwel ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De appelrechters oordelen dat "aangezien de stakingsrechter niet bevoegd is om te oordelen over een betwiste contractuele fout (schending van de exclusiviteit) in hoofde van (eerste en tweede verweerster), (...) hij evenmin bevoegd (is) om te oordelen over een extra-contractuele fout (vermeende inbreuk op de eerlijke marktpraktijken) in hoofde van (derde en vierde vereerster), die onlosmakelijk verbonden is met de beweerde contractuele fout (...)". Het vonnis van 26 februari 2016 wordt hervormd en opnieuw recht doende, wordt geoordeeld dat de stakingsrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de oorspronkelijke vordering van eiseres.
- In een tijdige en regelmatige voorziening in cassatie komt eiseres met één middel op tegen dit arrest. Eiseres voert aan dat de appelrechters met hun oordeel de artikelen 1165, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, de artikelen VI. 104 en XVII.
- Wetboek van economisch recht, de artikelen 9, eerste lid en 589, 1° van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 149 van de Grondwet hebben geschonden. Bespreking
- In voorliggende zaak is de rechtsvraag aan de orde of de stakingsrechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot staking van een oneerlijke marktpraktijk in de zin van artikel VI.104 Wetboek van economisch recht, kortweg "WER", bestaande in de medeplichtigheid door een derde onderneming aan andermans contractbreuk, wanneer de contractbreuk betwist wordt en de stakingsrechter aldus, om het bestaan van een oneerlijke marktpraktijk vast te stellen, incidenteel uitspraak moet doen over het bestaan van een contractuele wanprestatie door de schuldenaar, waaraan de derde onderneming onrechtmatig zou hebben meegewerkt.
- In voormelde hypothese wordt de vordering tot staking ingesteld door de benadeelde contractant tegen de derde onderneming die zich schuldig zou hebben gemaakt aan derde-medeplichtigheid aan contractbreuk. Eventueel kan de schuldenaar die de contractuele wanprestatie heeft begaan in de procedure worden betrokken en kan het vonnis van de stakingsrechter aan hem gemeen worden verklaard.
- In casu stelde eiseres -een concessiehouder die op basis van een exclusieve distributieovereenkomst met de eerste en tweede verweerster een exclusief recht had om bandenproducten te verdelen in België en Luxemburg- een vordering tot staking in tegen de derde en vierde verweerster, die parallel actief waren in de distributie van die bandenproducten op de Belgische en Luxemburgse markt. De eiseres meende dat eerste en tweede verweerster een contractbreuk hadden gepleegd door haar exclusiviteitsrecht te schenden en dat de derde en vierde verweerster, als derde ondernemingen, medeplichtig waren aan die contractbreuk.
- Krachtens artikel XVII.1 WER stelt de voorzitter van de ondernemingsrechtbank het bestaan vast en beveelt hij de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dit wetboek. Krachtens artikel VI.104 WER is verboden elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden.
- Een inbreuk op de eerlijke marktpraktijken in de zin van voormeld artikel VI.104 WER vereist een foutief optreden
(1). Voornoemde bepaling vormt immers een toepassing van de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek in het ondernemingsrecht
(2). Dit foutief optreden moet aan twee cumulatieve voorwaarden voldoen: (
- i)de praktijk moet strijdig zijn met de eerlijke handelsgebruiken en (
- ii)moet de belangen van één of meer andere verkopers (kunnen) schaden
(3). Van zulke inbreuken mag de rechter de staking bevelen, krachtens voornoemd artikel XVII.1 WER. 14. Uit de rechtspraak van uw Hof blijkt dat de stakingsrechter daarentegen niet de stopzetting mag bevelen van een contractuele wanprestatie die slechts onrechtmatig is wegens het bestaan van een overeenkomst
(4). Zo oordeelde uw Hof in een arrest van 25 november 1943
(5)- betreffende een stakingsvordering tussen contractanten - dat een dergelijke vordering dient te worden uitgesloten tussen contractpartijen ten aanzien van "handelingen die, op zichzelf niet strijdig zijnde met de eerlijke gebruiken, eigen aan de handel of de nijverheid, slechts krachtens een contract verboden zijn." Volgens het Hof betreft het verbod op oneerlijke marktpraktijken, thans vervat in artikel VI.104 WER, immers "slechts handelingen die laakbaar zijn wegens extracontractuele tekortkomingen" met uitsluiting van "handelingen welke slechts uit het bijzonder oogpunt der contractuele verbintenissen laakbaar zouden zijn." Deze zaak betrof een contractbeding waarbij een oud-werknemer zich ertoe verbonden had zijn vroegere werkgever geen concurrentie aan te doen. Op zichzelf was de contractueel verboden gedraging niet onrechtmatig; zij werd dit maar ten gevolge van de overeenkomst. Bijgevolg mocht de rechter niet de staking bevelen van een schending van dit beding. 15. In een arrest van 4 juni 1993
(6)oordeelde uw Hof bovendien - betreffende een stakingsvordering ingesteld door een derde tegen een contractant - dat "een vordering tot staking door een niet-contractant slechts kan worden ingesteld tegen degene die een contractuele fout begaat, indien die tekortkoming terzelfder tijd en los van het contract schending oplevert van het verbod een met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad te stellen." De zaak betrof een (passieve) co-existentie tussen een contractuele vordering ingesteld door de medecontractant en een stakingsvordering ingesteld door een derde tegen een nalatige contractant
(7). Zoals gesteld, heeft een stakingsvordering een delictuele grondslag
(8). De contractuele wanprestatie bestond uit de niet-naleving door de houder van een havenconcessie (Hessenatie) van de contractuele voorwaarden die de verlener van die concessie (stad Antwerpen) aan hem had opgelegd. Een derde onderneming (NV Seaport Terminal) stelde een vordering tot staking in en voerde aan dat die contractuele wanprestatie ook in strijd was met de concurrentieregels. De appelrechters kenden de stakingsvordering toe, nu de contractuele wanprestatie ook schade had berokkend aan de derde. Uw Hof vernietigde het bestreden arrest echter op de grond dat "het niet onderzoekt of de contractuele tekortkoming los van het contract een schending oplevert van het verbod een met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad te stellen." 16. De memorie van toelichting bij de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument bevestigt voormelde cassatiearresten van 1943 en 1993 door te vermelden dat de "schending van contractuele verbintenissen ontsnap(t) aan dit verbod" op praktijken die in strijd zijn met de eerlijke gebruiken
(9). Van contractuele wanprestaties mag de stakingsrechter dus niet de stopzetting bevelen. 17. De derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk vormt een zelfstandige buitencontractuele fout op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, die moet worden onderscheiden van de contractuele wanprestatie verricht door de schuldenaar. Zij kan dus als een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad worden beschouwd in de zin van artikel VI.104 WER, waarvan de staking kan worden bevolen
(10). Sinds het cassatiearrest van 22 april 1983
(11)wordt aanvaard dat de fout van de derde-medeplichtige erin bestaat dat deze bewust meewerkt aan een schending van een door de derde-medeplichtige gekende of verondersteld gekende contractuele verbintenis door de schuldenaar, in de meeste gevallen door zelf met deze laatste een contract te sluiten
(12). De voorwaarden voor het bestaan van een derde-medeplichtigheid aan contractbreuk zijn dus dat:
(1)er een geldige contractuele verbintenis bestaat;
(2)de contractpartij die schuldenaar is van de verbintenis, die geschonden heeft;
(3)de derde de verbintenis kende of behoorde te kennen en
(4)de derde niettemin heeft deelgenomen aan de contractbreuk, met andere woorden hij wist of behoorde te weten dat hij door zijn handeling aan die contractbreuk deelnam
(13). 18. Uw Hof heeft in een arrest van 12 oktober 2012 in dit licht geoordeeld dat "de derde die zijn medewerking verleent aan een contractbreuk niettegenstaande hij hiervan kennis had of moest hebben, een fout begaat. Hij is hiervoor op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk jegens de benadeelde contractspartij. Het is niet vereist dat de vordering tegen de derde-medeplichtige op andere schade betrekking heeft dan die welke voortvloeit uit de contractbreuk"
(14). In het geval van derde-medeplichtigheid aan contractbreuk is er immers geen sprake van samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid tussen contractpartijen. Bij samenloop is voor een buitencontractuele vordering tussen contractpartijen vereist dat de vordering andere schade betreft dan die voortvloeiend uit de slechte uitvoering van het contract
(15). Bij derde-medeplichtigheid aan contractbreuk kan er daarentegen sprake zijn van (actieve) co-existentie, waarbij de benadeelde contractpartij een vordering wegens contractuele aansprakelijkheid kan instellen tegen haar medecontractant die het contract niet naleefde en een vordering wegens buitencontractuele aansprakelijkheid tegen de derde-medeplichtige aan contractbreuk. Nu geen situatie van samenloop ontstaat, moet niet worden geëist dat de schade veroorzaakt door de derde-medeplichtige een andere schade is dan de schade die voortvloeit uit het contract
(16).
- Het komt mij voor dat de stakingsrechter, bij de beoordeling of een inbreuk op de eerlijke marktpraktijken voorhanden is, bestaande in een derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk, op incidentele wijze het bestaan van een contractuele wanprestatie door de schuldenaar mag beoordelen, als één van de toepassingsvoorwaarden van de derde-medeplichtigheid aan contractbreuk.
- Vooreerst is het de stakingsrechter op grond van de hierboven besproken cassatiearresten van 25 november 1943 en 4 juni 1993 en de parlementaire voorbereiding bij de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, immers uitsluitend verboden de stopzetting te bevelen van een zuiver contractuele wanprestatie. Wat de rechter aldus verboden wordt, is ingaan op een vordering die er alleen op gericht is de gevolgen van een contractuele wanprestatie te doen ophouden. Dit zou immers onrechtstreeks neerkomen op de oplegging van een dwanguitvoering van de overeenkomst
(17). De stakingsrechter kan een tekortkoming aan een contractuele verplichting niet met een sanctie beteugelen
(18). Dit betekent evenwel niet dat hij zich moet onthouden van elke inmenging in de contractuele sfeer. Zo kan hij, in het kader van een vordering tot staking van een onrechtmatige daad, bestaande in een derde-medeplichtigheid aan contractbreuk, wel op incidentele wijze het bestaan van een contractuele tekortkoming vaststellen, zonder nochtans wegens de wanprestatie de voorhanden zijnde burgerlijke sancties te kunnen opleggen
(19). 21. Vervolgens zou de onmogelijkheid voor de stakingsrechter om incidenteel te oordelen over het bestaan van een contractuele tekortkoming door de schuldenaar, in het raam van een vordering wegens derde-medeplichtigheid aan contractbreuk, een uitholling betekenen van de stakingsprocedure bij een dergelijke vordering. Veelal zal het bestaan van een contractuele tekortkoming door de schuldenaar immers nog betwist zijn op het ogenblik dat de benadeelde medecontractant jegens de derde onderneming, op een buitencontractuele grondslag, de staking vordert van zijn medeplichtigheid aan contractbreuk. De contractuele tekortkoming van de schuldenaar zal namelijk vaak nog niet definitief zijn vastgesteld door de bodemrechter, in het kader van een contractuele vordering die de benadeelde partij tegen zijn medecontractant heeft ingesteld. In dit licht kan mijns inziens niet verwacht worden dat de stakingsrechter zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van een vordering tot staking van een derde-medeplichtigheid aan contractbreuk - dan wel dat hij de vordering om die reden ongegrond verklaart - telkens wanneer de contractbreuk door de schuldenaar (ernstig) betwist wordt en nog niet definitief door de bodemrechter is vastgesteld
(20). Wanneer voor de bodemrechter een afzonderlijke procedure hangende is omtrent het bestaan van de contractuele verplichting en van de contractbreuk, zou het evenwel aangewezen kunnen zijn de stakingsprocedure te schorsen totdat in de andere procedure een uitspraak in gezag van gewijsde is getreden
(21). 22. Ten slotte mag niet uit het oog worden verloren dat de stakingsrechter uitspraak doet "zoals in kort geding", en aldus ten gronde oordeelt
(22). Niets belet de stakingsrechter aldus om -in het raam van een vordering tot staking op grond van een derde-medeplichtigheid aan contractbreuk- ook ten gronde het bestaan van een contractuele wanprestatie door de schuldenaar te beoordelen teneinde de derde-medeplichtigheid vast te stellen. Het is immers noodzakelijk dat de stakingsrechter een onderzoek ten gronde voert van het onderliggende geschil, ongeacht of dit al dan niet handelt over een contractuele betwisting. De omstandigheid dat de stakingsrechter "zoals in kort geding" zetelt, mag er aldus niet toe leiden dat hij op een andere wijze kennis neemt van de zaak dan een bodemrechter zou doen in het kader van een vordering tot schadevergoeding op grond van derde-medeplichtigheid
(23). 23. Een uitspraak van de stakingsrechter, die ten gronde uitspraak doet, heeft gezag van gewijsde ten aanzien van de burgerlijke rechter die uitspraak moet doen over een vordering tot schadevergoeding
(24). Deze is gebonden door de vaststelling van de stakingsrechter of er al dan niet een schending is van een bepaling van het Wetboek van economisch recht, en er bijgevolg een extracontractuele fout is, die in voorkomend geval schade aan de beroepsbelangen heeft veroorzaakt
(25)Hieruit volgt dat de bodemrechter, voor wie de benadeelde contractant een buitencontractuele vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld tegen de derde-medeplichtige, gebonden is door de vaststelling van de stakingsrechter dat een derde-medeplichtigheid aan contractbreuk bestaat. Wanneer een stakingsvonnis wegens derde-medeplichtigheid aan contractbreuk gemeen wordt verklaard aan de schuldenaar die een contractuele wanprestatie heeft begaan, is de bodemrechter voor wie de benadeelde contractant een contractuele vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld tegen die schuldenaar, bovendien gebonden door de vaststelling ten gronde van de stakingsrechter dat een contractuele wanprestatie bestaat. Dit lijkt mij geen probleem te vormen: wanneer de schuldenaar in de procedure voor de stakingsrechter wordt geroepen, hebben partijen daadwerkelijk tegenspraak kunnen voeren over het geschilpunt betreffende het bestaan van een contractbreuk. Anders dan de memorie van antwoord van de eerste en tweede verweerster aanvoert, doet deze oplossing evenmin afbreuk aan het bewarend karakter van de gemeenverklaring van het stakingsvonnis aan de schuldenaar. In dat vonnis stelt de rechter het bestaan van een contractbreuk immers louter vast, zonder dat de schuldenaar hiervoor wordt veroordeeld of een sanctie opgelegd krijgt.
- Op grond van het bovenstaande komt het mij voor dat de appelrechters, in zoverre zij oordelen dat "de vermeende inbreuk op de eerlijke marktpraktijken in hoofde van [de derde en vierde verweerster] niet los kan worden gezien van het bestaan van een contractuele fout in hoofde van [de eerste en tweede verweerster]" en dat "voor de vaststelling van deze contractuele fout, die manifest betwist wordt door [de eerste en tweede verweerster] niet de stakingsrechter, maar de bodemrechter bevoegd is" hun beslissing niet naar recht verantwoorden.
- Naast het feit dat de stakingsrechter incidenteel het bestaan van een contractuele wanprestatie door de schuldenaar moet kunnen vaststellen in het raam van een vordering tot staken wegens een derde-medeplichtigheid aan contractbreuk, mag hij zich in geen geval onbevoegd verklaren wanneer in de inleidende dagvaarding uitdrukkelijk de staking wordt gevorderd van een oneerlijke marktpraktijk wegens derde-medeplichtigheid aan contractbreuk.
- Krachtens artikel 9, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, is volstrekte bevoegdheid de rechtsmacht bepaald naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisend karakter van de vordering of de hoedanigheid van de partijen. De materiële bevoegdheid wordt volgens vaste cassatierechtspraak aldus bepaald naar het voorwerp van de eis zoals dit uit de dagvaarding blijkt
(26). 27. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank heeft een volstrekte of exclusieve bevoegdheid in het geval bedoeld in artikel XVII.1 WER
(27). Zijn bevoegdheid wordt dus bepaald naar het voorwerp van de vordering zoals omschreven in de gedinginleidende akte
(28). Vordert de eiser bijgevolg de staking van een volgens hem met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad in de zin van artikel VI.104 Wetboek van economisch recht, dan is de stakingsrechter bevoegd. Indien de stakingsrechter vervolgens vaststelt dat deze daad geen inbreuk uitmaakt op de eerlijke marktpraktijken maar een zuiver contractuele wanprestatie vormt waarvan hij de stopzetting niet mag bevelen, zal hij de vordering als ongegrond moeten afwijzen
(29).
- Hieruit volgt dat de voorzitter van de ondernemingsrechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vordering waarvan het voorwerp, zoals omschreven in de dagvaarding, strekt tot de staking van een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad in de zin van artikel VI.104, WER, bestaande in de medewerking door een derde onderneming aan een contractbreuk, niettegenstaande hij hiervan kennis had of moest hebben. Hij mag zich niet onbevoegd verklaren, louter omdat hij incidenteel zou moeten beoordelen of de schuldenaar een contractuele wanprestatie heeft begaan. Gelet op het bovenstaande, mag de stakingsrechter de vordering om die reden echter evenmin ongegrond verklaren, nu hij wel degelijk incidenteel het bestaan van een contractuele wanprestatie door de schuldenaar mag onderzoeken teneinde de derde-medeplichtigheid - en dus de inbreuk op de eerlijke marktpraktijken - vast te stellen.
- Door te oordelen dat "aangezien de stakingsrechter niet bevoegd is om te oordelen over een betwiste contractuele fout (schending van de exclusiviteit) in hoofde van [eerste en tweede verweerster], (...) hij evenmin bevoegd (is) om te oordelen over een extra-contractuele fout (vermeende inbreuk op de eerlijke marktpraktijken) in hoofde van [derde en vierde verweerster], die onlosmakelijk verbonden is met de beweerde contractuele fout", en zich op die grond onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de stakingsvordering, verantwoorden de appelrechters hun beslissing aldus niet naar recht. Ik meen dan ook dat het middel gegrond is. Conclusie: Vernietiging met verwijzing. ____________________________
(1)J. STUYCK, Handels- en economisch recht, Deel 2, Mededingingsrecht, A, Handelspraktijken in Beginselen van Belgisch privaatrecht, XIII, Mechelen, Kluwer, 2015, 111, nr. 80.
(2)R. STEENNOT en S. DEJONGHE, Handboek consumentenbescherming en handelspraktijken, Antwerpen, Intersentia, 2007, 47, nr. 82; J. STUYCK en B. KEIRSBILCK, Handels- en economisch recht, Deel 2, Mededingingsrecht, A, Handelspraktijken en contracten met consumenten, Mechelen, Kluwer, 2019, 249, nr. 249.
(3)R. STEENNOT en S. DEJONGHE, Handboek consumentenbescherming en handelspraktijken, Antwerpen, Intersentia, 2007, 47, nr. 83.
(4)E. DIRIX, R. STEENNOT en H. VANHEES, Ondernemingsrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Intersentia, 2019, 459, nr. 549.
(5)Cass. 25 november 1943, AC 1944, 32.
(6)Cass. 4 juni 1993, AR 8390, AC 1993, nr. 271.
(7)Zie hierover: J. STUYCK en C. PAUWELS, "Over coëxistentie en samenloop tussen de vordering tot staken en de vordering ex contractu" (noot onder Cass. 4 juni 1993), TBH 1994, 610 e.v.
(8)J. STUYCK, "Derden en contractbreuk, samenloop en vordering tot staking", TBH 2009, 937.
(9)Memorie van toelichting (WHPC), Parl. St., Senaat, 1984-85, nr. 947/1, 46.
(10)R. STEENNOT en S. DEJONGHE, Handboek consumentenbescherming en handelspraktijken, Antwerpen, Intersentia, 2007, 52, nr. 93; R. STEENNOT en D. BRULOOT, "Handelspraktijken en marktpraktijken: van consumenten- tot mededingingsbescherming" in I. CLAEYS, R. STEENNOT en M. TISON (eds.), Economisch recht: ondernemingen, concurrenten en consumenten 2010-2011, XXXVIIste postuniversitaire cyclus Willy Delva, Mechelen, Kluwer, 2011, 327-328, nr. 29; G. STRAETMANS, "Over samenloop en derde-medeplichtigheid aan contractbreuk" in Over grenzen. Liber Amicorum Herman Cousy, Antwerpen, Intersentia, 2011, 1098; J. STUYCK, Handels- en economisch recht, Deel 2, Mededingingsrecht, A, Handelspraktijken in Beginselen van Belgisch privaatrecht, XIII, Mechelen, Kluwer, 2015, 116, nr. 85.
(11)Cass. 22 april 1983, AR 3612, AC 1982, 1022.
(12)J. STUYCK en B. KEIRSBILCK, Handels- en economisch recht, Deel 2, Mededingingsrecht, A, Handelspraktijken en contracten met consumenten, Mechelen, Kluwer, 2019, 295-296, nr. 292.
(13)S. STIJNS en F. VAN LIEMPT, "Derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk" in V. SAGAERT en D. LAMBRECHT (eds.), Actuele ontwikkelingen inzake het verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 61 e.v.
(14)Cass. 12 oktober 2012, AR C.11.0692.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121012.3, AC 2012, 2168, met concl. van advocaat-generaal G. DUBRULLE.
(15)Cass. 17 maart 2017, AR C.16.0283.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170317.1, AC 2017, nr. 194; Cass. 7 juni 2010, AR C.09.0586.N, arrest niet te vertalen; Cass. 29 september 2006, AR C.03.0502.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.9, AC 2006, nr. 447.
(16)In die zin: H. DE WULF, B. KEIRSBILCK en E. TERRYN, "Overzicht van rechtspraak. Handelsrecht en handelspraktijken (2003-2010)", TPR 2011, 1299, nr. 503; S. STIJNS en F. VAN LIEMPT, "Derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk" in V. SAGAERT en D. LAMBRECHT (eds.), Actuele ontwikkelingen inzake het verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 78, nr. 50; G. STRAETMANS, "Over samenloop en derde-medeplichtigheid aan contractbreuk" in Over grenzen. Liber Amicorum Herman Cousy, Antwerpen, Intersentia, 2011, 1099; ook in het raam van een stakingsvordering moet dus geen bijkomende voorwaarde van bewijs van een andere dan contractuele schade aan de traditionele vereisten voor derde-medeplichtigheid worden toegevoegd: A. DE BOECK, V. SAGAERT en V. WITHOFS, "Actualia inzake overdracht van schulden, schuldvorderingen en contracten en inzake derdenwerking van contracten" in S. STIJNS (ed.), Themis verbintenissenrecht, Cahier 95, Brugge, die Keure, 2015, 14, nr. 28.
(17)I. DEMUYNCK, "Rechtshandhaving door de stakingsrechter", RW 2001-02, 1248, nr. 46.
(18)I. VEROUGSTRAETE, "Bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van koophandel rechtdoende op grond van artikel 55 WHPC", RW 1978-79, 832.
(19)I. DEMUYNCK, "Rechtshandhaving door de stakingsrechter", RW 2001-02, 1247, nr. 41 en 1248, nr. 46; J. STUYCK, Handels- en economisch recht, Deel 2, Mededingingsrecht, A, Handelspraktijken in Beginselen van Belgisch privaatrecht, XIII, Mechelen, Kluwer, 2015, 118-119, nr. 91.
(20)Bepaalde lagere rechtspraak lijkt dit verkeerdelijk te vereisen: H. De Wulf, B. KEIRSBILCK en E. TERRYN, "Overzicht van rechtspraak. Handelsrecht en handelspraktijken (2003-2010)", TPR 2011, 1193, nr. 352; R. STEENNOT en S. DEJONGHE, Handboek consumentenbescherming en handelspraktijken, Antwerpen, Intersentia, 2007, 54, nr. 95.
(21)In die zin: B. KEIRSBILCK, "Overzicht van rechtspraak. Marktpraktijken (2011-2014). Deel oneerlijke praktijken en vordering tot staken", TPR 2016, 357-358, nr. 181.
(22)J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 310, nr. 623.
(23)E. MONARD, "De afgrendeling van het stakingsbevel voor derde-medeplichtigheid aan contractbreuk: een dreigende ontsporing?", Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2004, 666-667.
(24)Zie Cass. 15 december 1978, AC 1978-79, 451.
(25)J. STUYCK en B. KEIRSBILCK, Handels- en economisch recht, Deel 2, Mededingingsrecht, A, Handelspraktijken en contracten met consumenten, Mechelen, Kluwer, 2019, 193-194, nr. 182.
(26)Zie bv. Cass. 8 september 1978, AC 1978-79, 26; Cass. 24 september 1979, AC 1979-80, 89; Cass. 4 mei 1981, AC 1980-81, 996; J. LAENENS, "De vordering tot staking herbezocht" in J. STUYCK en P. WYTINCK (eds.), De nieuwe wet handelspraktijken, Brussel, Story-Scientia, 1992, 154, nr. 8.
(27)J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 310, nr. 623.
(28)J. LAENENS, "De vordering tot staking herbezocht" in J. STUYCK en P. WYTINCK (eds.), De nieuwe wet handelspraktijken, Brussel, Story-Scientia, 1992, 154, nr. 9.
(29)H. DE WULF, B. KEIRSBILCK en E. TERRYN, "Overzicht van rechtspraak. Handelsrecht en handelspraktijken (2003-2010)", TPR 2011, 1295, nr. 495; J. LAENENS, "De vordering tot staking herbezocht" in J. STUYCK en P. WYTINCK (eds.), De nieuwe wet handelspraktijken, Brussel, Story-Scientia, 1992, 155-157, nrs. 10 en 11; R. STEENNOT en S. DEJONGHE, Handboek consumentenbescherming en handelspraktijken, Antwerpen, Intersentia, 2007, 297, nr. 573; J. STUYCK, Handels- en economisch recht, Deel 2, Mededingingsrecht, A, Handelspraktijken in Beginselen van Belgisch privaatrecht, XIII, Mechelen, Kluwer, 2015, 118, nr. 90. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200528.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.9 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121012.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170317.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div