id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 juni 2020 ECL
Art. 1154- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1223, § 3, eerste lid, en § 4, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: NOTARIS Vrije woorden: Vereffening en verdeling - Notariële staat van vereffening en verdeling - Bezwaren - Actualisatie - Vordering van kapitalisatie van interest - Bevoegdheid van de vereffeningsrechter Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1154- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1223, § 3, eerste lid, en § 4, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ANATOCISME Vrije woorden: Vereffening en verdeling - Notariële staat van vereffening en verdeling - Bezwaren - Actualisatie - Vordering van kapitalisatie van interest voor de vereffeningsrechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1154- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1223, § 3, eerste lid, en § 4, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: T.Not.-Tijdschrift voor notarissen - 2020, nr. 7-8, p. 649-
- - DECLERCQ, Stefaan; Noot'Anatocisme ook mogelijk na afsluiting bezwaarprocedure' Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.10 2020-06-04 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.10 2020-06-04 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.10 2020-06-04 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.10 2020-06-04 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.10 2020-06-04 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.10 2020-06-04 ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.10 2020-06-04 C.19.0192.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure In het kader van de vereffening-verdeling van het gemeenschappelijk vermogen of de onverdeeldheden die bestonden tussen partijen als echtgenoten werd door eiseres, hierin gevolgd door de notaris-vereffenaar en de eerste rechter, aangevoerd dat zij een recht van natrekking had op de woning gebouwd op de grond die haar exclusief toebehoorde. De appelrechters aanvaarden echter het bestaan van een stilzwijgende afstand van het recht van natrekking door eiseres als grondeigenaar en een daarmee gelijkstaand stilzwijgende vestiging van een onverdeeld opstalrecht van partijen. In een tijdige en regelmatige voorziening voert eiseres 2 middelen aan tegen het arrest van 21 november 2018 van het hof van beroep te Antwerpen.
- Bespreking (...) 2.
- Tweede middel Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat eiseres bij incidenteel beroep een aanpassing vorderde van de staat van vereffening in die zin dat verweerder haar ten titel van recht op tegoed op de gemeenschappelijke rekening een welbepaald bedrag verschuldigd is vermeerderd met interesten sedert 7 april
- Zij vorderde ook te horen zeggen voor recht dat vanaf 8 augustus 2016 toepassing zal worden gemaakt van artikel 1154 BW op het bedrag en de interesten verschuldigd door verweerder. Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van de appelrechters dat de vordering tot kapitalisatie van interesten die eiseres pas instelde bij conclusies in de procedure voor de eerste rechter laattijdig werd ingesteld nu eiseres voor de notaris-vereffenaar nooit de toepassing gevraagd heeft van artikel 1154 BW. Eiseres voert aan dat de appelrechters er hierbij ten onrechte van uitgaan dat de gerechtelijke aanmaning tot kapitalisatie middels conclusie in de fase van beslechting van geschillen of moeilijkheden door de rechtbank een bezwaar is met betrekking tot de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling. Mijns inziens en in lijn met wat eiseres aanvoert komt de redenering van de appelrechters er op neer dat de toepassing van artikel 1154 BW eerst voor de notaris-vereffenaar moet worden gevraagd en de rechter zich alleen dan zou kunnen uitspreken over de vordering tot kapitalisatie. Ze lijken zich hiervoor te baseren op artikel 1223, §4 Ger.W. dat bepaalt dat de rechtbank, behoudens akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang, enkel kennis neemt van de geschillen of moeilijkheden voortvloeiend uit de bezwaren vastgesteld in het proces-verbaal bedoeld in §3, eerste lid., en gaan er van uit dat het gaat om een bezwaar waarvan de rechter enkel kennis kan nemen bij opname in het proces-verbaal. Dit standpunt kan mijns inziens niet gevolgd worden. 2.2.
- Ingeval van gerechtelijke verdeling en veiling van onverdeelde goederen had de wetgever een duidelijke en specifieke taakverdeling tussen notaris en rechter voor ogen waarbij de rechter enerzijds in de aanvangsfase de vereffening-verdeling met aanstelling van een notaris beveelt en anderzijds in de eindfase de eventuele geschillen betreffende de staat van vereffening beslecht en deze homologeert. De door de notaris opgestelde staat van vereffening-verdeling geeft op volledige en nauwkeurige wijze de rechten en plichten van iedere partij weer
(1). Zijn de deelgenoten of enkele onder hen, in ieder geval minstens één, niet akkoord met dit ontwerp verdeling dan kunnen ze hierover opmerkingen formuleren die door de notaris worden opgenomen in een proces-verbaal zoals bedoeld in artikel 1223, §3, eerste lid Ger.W. Dit proces-verbaal van de geschillen of moeilijkheden bevat een beschrijving van de bezwaren en bestaat in beginsel uit een systematische en genummerde opsomming van de verschillende punten van de staat van vereffening-verdeling, waarover de partijen het oneens zijn, evenals een duidelijk, volledig en beknopt exposé van het standpunt en de argumenten van elke partij over de punten waarover zij het oneens is. Door de neerlegging van dit proces-verbaal, samen met de andere stukken bepaald in artikel 1223, §3, vijfde lid Ger.W. wordt de zaak opnieuw aanhangig gemaakt bij de rechtbank. Dit proces-verbaal van geschillen of moeilijkheden vormt in principe de laatste mogelijkheid voor de partijen om bezwaren in verband met de staat van vereffening-verdeling op te werpen, behalve in geval van akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang
(2). Zo kunnen de partijen nieuwe bezwaren voor de rechter aanbrengen, indien zij hieromtrent overeenstemming hebben bereikt
(3). Ook indien een nieuw element aan het licht komt dat voor een partij onbekend was op het ogenblik van het verlijden van het proces-verbaal van geschillen of moeilijkheden, kan die partij zich tot de rechter wenden. Determinerend hierbij is of het voor die partij (on)mogelijk is om tijdig geschillen of moeilijkheden te formuleren. Nieuwe bezwaren die de openbare orde raken, kunnen eveneens nog voor de rechter worden aangebracht
(4). Tot slot kan een partij zich tot de rechter wenden wanneer de notaris in gebreke is gebleven, bv. door geen akte te nemen van een regelmatig opgeworpen twistpunt
(5). De rechter treedt dus enkel nog op wanneer het verdere verloop van de procedure onmogelijk is geworden omdat ernstige problemen zijn ontstaan of wanneer partijen er niet in slagen tot een akkoord te komen. Hij beslecht met toepassing van artikel 1223, §4 Ger.W. de geschillen of moeilijkheden die in de regel enkel door de notaris-vereffenaar kunnen aanhangig gemaakt worden waarna hetzij homologatie volgt hetzij terugzending van de staat van vereffening naar de notaris
(6). Waar onder homologatie in beginsel wordt verstaan het bekrachtigen, goedkeuren na verificatie, van een voorafbestaande rechtshandeling die ontstaan is uit de wilsovereenstemming van de partijen, wordt in deze context met homologatie bedoeld dat de rechtbank een vonnis velt dat precies de betwistingen tussen partijen, ontstaan uit een document dat door de boedelnotaris is opgesteld, oplost. De rechterlijke uitspraak beëindigt de betwisting en maakt de staat van vereffening-verdeling zoals voorgesteld door de boedelnotaris definitief en uitvoerbaar van zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan
(7). Uit de rechtspraak van Uw Hof volgt dat enkel de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen overeenkomstig artikel 1218 Ger.W. in het proces- verbaal van de boedelnotaris door de neerlegging van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt waarbij het volstaat dat een betwisting is uitgedrukt voor de notaris opdat deze verder kan worden gevoerd voor de rechtbank. De overige partijen dienen hun verweer in verband met de betwisting niet noodzakelijk voor de notaris te voeren maar kunnen die voor het eerst voor de rechtbank ontwikkelen
(8). Hieruit volgt dat de saisine van de rechter voor wat betreft de bezwaren met betrekking tot de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling beperkt is tot de bezwaren die zijn opgenomen in het proces-verbaal. Over andere bezwaren met betrekking tot de staat van vereffening die niet werden opgeworpen voor de notaris en niet opgenomen werden in het proces-verbaal kan de rechter zich bijgevolg niet uitspreken
(9). Dit belet mijns inziens evenwel niet dat indien betwistingen/vorderingen die voor het eerst rijzen in het kader van de fase van de beslechting van de geschillen en op zich geen kritiek inhouden op de door de notaris opgestelde staat van vereffening, de rechter wel bevoegd is zich hierover uit te spreken. 2.2.2. De toepassing van kapitalisatie kan naargelang de concrete omstandigheden een bezwaar uitmaken met betrekking tot de staat van vereffening. Dit zal het geval zijn wanneer een partij aan de notaris gevraagd heeft om te kapitaliseren en de notaris dat niet gedaan heeft, of omgekeerd wanneer de notaris gekapitaliseerd heeft, hoewel niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1154 BW. Maar het is niet zo dat de toepassing van kapitalisatie steeds kan worden beschouwd als een bezwaar m.b.t. de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling. Om met toepassing van artikel 1154 BW aanspraak te kunnen maken op de kapitalisatie van interesten dient aan drie voorwaarden voldaan te zijn. Het moet gaan om vervallen interesten van geldschulden die over ten minste een heel jaar verschuldigd zijn en in een bijzondere overeenkomst zijn bedongen of in een gerechtelijke aanmaning zijn gevorderd waarbij deze overeenkomst of aanmaning bij iedere jaarlijkse vervaldag moet worden hernieuwd. Wat onder "gerechtelijke aanmaning" wordt verstaan blijkt niet uit deze wetsbepaling, maar er wordt aangenomen dat het gaat om een eenzijdige rechtshandeling van de schuldeiser waarbij hij de betaling van interest vordert en er in het bijzonder de aandacht van de schuldenaar op vestigt dat bij niet betaling van de verschuldigde interest er zal worden overgegaan tot kapitalisatie van de vervallen interesten
(10). De aanmaning gebeurt bij dagvaarding of een andere gedinginleidende akte. Uw Hof oordeelt in dit verband dat de neerlegging van een conclusie ter griffie ook als gerechtelijke aanmaning in de zin van artikel 1154 BW kan worden beschouwd
(11)indien in die conclusie in het bijzonder de aandacht wordt gevestigd op de kapitalisatie van de interest
(12)maar zonder dat is vereist dat het bedrag van de vervallen interesten in de conclusie wordt vermeld
(13). Het is pas vanaf de dag waarop de conclusie ter griffie is neergelegd dat de interest begint te lopen
(14), wat impliceert dat telkens er nieuwe interesten vervallen zijn die minstens over een heel jaar verschuldigd zijn de schuldeiser die de kapitalisatie wil hernieuwen een nieuwe daartoe strekkende conclusie zal moeten neerleggen. Er geldt geen verplichting om te kapitaliseren. Eenieder is vrij om kapitalisatie te vragen wanneer hij dit wil, voor zover uiteraard aan de voorwaarden van artikel 1154 BW is voldaan. Een vordering tot kapitalisatie maakt, zoals dit ook te dezen het geval is, een toebehoren uit van een vordering omdat ze niet op zichzelf bestaat en ze kan binnen het kader de artikelen 807 en 808 Ger.W. in elke stand van het geding gevorderd worden. De interesten op de interest zullen uiteraard slechts beginnen te lopen vanaf het ogenblik dat de kapitalisatie in een bijzondere overeenkomst is bedongen of in een gerechtelijke aanmaning wordt gevorderd
(15). Er kunnen aldus geen interesten worden toegekend voor de periode die daaraan voorafgaat
(16). Het is dus goed mogelijk dat een partij gedurende de notariële fase nog geen kapitalisatie wenst te vragen en aldus wat dat betreft geen kritiek heeft op de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling, maar wel kapitalisatie wenst in de fase van de beslechting van de geschillen of moeilijkheden, in welk geval de interesten eerst vanaf dan beginnen te lopen en dus niet reeds in de notariële fase. 2.2.3. De vraag of een vordering tot kapitalisatie nog kan na de notariële fase hangt samen met de interpretatie van artikel 1223, §4 Ger.W. volgens hetwelk de rechtbank, behoudens akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang, enkel kennisneemt van de geschillen of moeilijkheden voortvloeiend uit de bezwaren vastgesteld in het proces-verbaal bedoeld in §3, eerste lid. Indien deze bepaling zo wordt geïnterpreteerd dat de rechter in het kader van de procedure van vereffening en verdeling enkel kennis kan nemen van betwistingen die zijn opgeworpen voor de notaris-vereffenaar, ook wanneer het gaat om betwistingen/vorderingen die eerst in de fase van beslechting van de geschillen zijn ontstaan en aldus geen kritiek inhouden op de door de notaris-vereffenaar opgestelde staat van vereffening, kon de rechter te dezen inderdaad geen kennis kan nemen van de vordering tot kapitalisatie. Dergelijke opvatting is echter niet alleen weinig proceseconomisch nu een andere rechter met die vordering zou moeten worden gevat of er bij dezelfde rechter een nieuwe procedure zou moeten worden opgestart. Bovendien zouden partijen worden aangespoord om reeds in de notariële fase kapitalisatie te vragen, willen ze een nieuwe procedure (en dus bijkomende kosten) vermijden, waardoor veel sneller en veel meer om kapitalisatie zal worden gevraagd, terwijl het uitgangspunt net een verbod op anatocisme is, ter bescherming van de schuldenaar. De interpretatie dat artikel 1223, §4 Ger.W. enkel voor wat betreft de bezwaren met betrekking tot de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling de saisine van de rechter beperkt tot de bezwaren die werden opgenomen in het proces-verbaal en deze bepaling er niet aan in de weg staat dat voor het eerst in de fase van de beslechting van de geschillen of moeilijkheden kapitalisatie wordt gevorderd van de interesten die ten minste over een geheel jaar verschuldigd zijn, verdient evenwel de voorkeur. Bovendien kan er op gewezen worden dat in de rechtsleer en de rechtspraak wordt aanvaard dat artikel 1154 BW inzake de kapitalisatie van de interesten een bepaling van openbare orde is die rechtstreeks bij de vereffeningsrechter aanhangig kan worden gemaakt, zelfs al werd ze niet geformuleerd bij de notaris-vereffenaar naar aanleiding van het opmaken van het proces-verbaal van geschillen of moeilijk heden
(17). Ook op die grond kon de vordering dus op ontvankelijke wijze voor de rechter geformuleerd worden. 2.2.4. De appelrechters die er van uitgaan dat de vordering tot kapitalisatie die slechts ontstaat in de fase van de beslechting van de geschillen of moeilijkheden een bezwaar is m.b.t. de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling dat niet werd opgeworpen voor de notaris en niet opgenomen werd in het proces - verbaal en op die grond die vordering als laattijdig afwijzen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het tweede middel is gegrond. Conclusie: gedeeltelijke vernietiging met verwijzing. ____________________________
(1)C. DECLERCK en S. MOSSELMANS, De rechtspleging inzake gerechtelijke vereffening-verdeling, in Handboek Familieprocesrecht, P. SENAEVE (ed), Wolters Kluwer, nr. 1941.
(2)Artikel 1223, §4, tweede lid Ger.W.
(3)Cass. 9 mei 1997, AR C.94.0369.N, AC 1997, nr. 223; Cass. 6 april 1990, AR nr. 6958, AC 1990, nr. 474.
(4)J. VERSTRAETE en J. FACQ, "De procedure van de gerechtelijke verdeling" in De vereffening van de nalatenschap, W. PINTENS (ed.), Antwerpen, Intersentia, 2007,
(155)184.
(5)C. DECLERCK en S. MOSSELMANS, De rechtspleging inzake gerechtelijke vereffening-verdeling, in Handboek Familieprocesrecht, P. SENAEVE (ed), Wolters Kluwer, nr.1947; Th. VAN SINAY, Verdeling en veiling van onverdeelde goederen, Commentaar bij artikel 1223 Ger.W., OGR, afl. 56, 2002, p. 465.
(6)B. VAN DEN BERGH, Rol van de notaris-vereffenaar, in Patrimonium 2017, W. PINTENS en C. DECLERCQ (eds), Die Keure, 2017, p. 265-266.
(7)Th. VAN SINAY, Verdeling en veiling van onverdeelde goederen, Commentaar bij artikel 1223 Ger.W., OGR, afl. 56, 2002, p. 461.
(8)Cass. 7 juni 2018, AR C.17.0473.N, AC 2018, nr. 364.
(9)Cass. 6 april 1990, AR nr. 6958, AC 1990, nr. 474.
(10)A. VAN OEVELEN, Recente jurisprudentiële ontwikkelingen inzake het anatocisme, in Liber amicorum H. Bocken, Die Keure, 2009, 205.
(11)Cass. 7 oktober 2011, AR C.10.0227.F, AC 2011, nr. 529.
(12)Cass. 13 oktober 2005, AR C.04.0442.N, AC 2005, nr. 508.
(13)Cass. 7 oktober 2011, AR C.10.0227.F, AC 2011, nr. 529; Cass. 26 april 2001, AR C.99.0004.F, AC 2001, nr. 234.
(14)Cass. 5 februari 1998, AR C.94.0342.N, AC 1998, nr. 74.
(15)Cass. 13 oktober 2005, AR C.04.0442.N, AC 2005, nr. 508 ; Cass. 29 januari 1990, AR 8623, AC 1989-90, nr. 332.
(16)Zie Cass. 5 februari 1998, AR C.94.0342.N, AC 1998, nr. 74.
(17)C. DECLERCK en S. MOSSELMANS, De rechtspleging inzake gerechtelijke vereffening-verdeling, in Handboek Familieprocesrecht, P. SENAEVE (ed), Wolters Kluwer, nr.1947 met verwijzing naar Brussel 4 oktober 2011. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div