← België

ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.12 Rolnummer: C.19.0312.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-04-13 Raadplegingen: 757 - laatst gezien 2026-06-18 01:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 De uitzondering voorzien in artikel 1326, tweede lid Burgerlijk Wetboek voor wat betreft de kooplieden is verbonden met de aard van de verbintenis en niet met de hoedanigheid van de ondertekenaar

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: Onderhands biljet of onderhandse belofte - Voorwaarden voor het geschrift - Uitzondering voor kooplieden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1326, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Onderhands biljet of onderhandse belofte - Voorwaarden voor het geschrift - Uitzondering voor kooplieden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1326, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie ERROR GetNoECLIfromNoROLE - iubel_id arret NOT FOUND ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.12 2020-06-04 C.19.0312.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
  1. Feiten en procedure Tussen partijen rees betwisting over een niet-gedateerde schulderkenning die door eiser werd ondertekend. De schulderkenning kaderde in de organisatie van een festival door de VZW waarvan eiser bestuurder was en waarvoor verweerder financieel was tussengekomen. Daarnaast was eiser ook in de KBO ingeschreven voor een handelsactiviteit inzake aannemingszaken/werken in onroerende staat, een activiteit die evenwel geen uitstaans had met zijn activiteiten in de voornoemde VZW. Na ingebrekestelling gevolgd door aanmaningen tot betaling ging verweerder over tot dagvaarding voor de rechtbank van Koophandel waar de vordering ongegrond werd verklaard. De eerste rechter oordeelde dat de schulderkenning niet voldeed aan het bepaalde in artikel 1326, eerste lid BW gezien de erin vermelde som niet voluit in letters werd uitgedrukt en er onvoldoende bewijs van de verbintenis voorlag. Op het hoger beroep van verweerder hervormen de appelrechters dit vonnis en veroordelen zij eiser tot betaling op de grond dat artikel 1326, eerste lid BW dat een strenge bewijsregel bevat, niet van toepassing is op kooplieden en deze uitzondering gehecht is aan de persoon van de betrokkene en niet aan de aard van de door hem ondertekende akte of de aard van de verbintenis. In een tijdige en regelmatige voorziening voert eiser tegen dit arrest van 4 maart 2019 van het hof van beroep te Antwerpen aan dat de appelrechters met dit oordeel de draagwijdte van deze wettelijke bepaling miskennen nu de in het tweede lid voorziene uitzondering op de strenge bewijsregel van het eerste lid voor wat "kooplieden" betreft niet gehecht is aan de persoon van de ondertekenaar maar wel aan de aard van de verbintenis.
  2. Bespreking Artikel 1326, eerste lid BW bepaalt dat een onderhands biljet of een onderhandse belofte waarbij een enkele partij zich tegenover de andere verbindt om haar een geldsom of een waardeerbare zaak te betalen, geheel geschreven moet zijn met de hand van de ondertekenaar of deze tenminste benevens zijn handtekening, met de hand een goed voor of een goedgekeurd voor moet geschreven hebben, waarbij de som of de hoeveelheid van de zaak voluit in letters is uitgedrukt. Deze bijzondere vormvereisten die in afwijking van het gemeen recht zijn voorzien voor het specifiek geval van een onderhandse akte waarbij één enkele partij zich tegenover een andere verbindt tot betaling van een geldsom, zijn in het bijzonder bedoeld als bescherming van de schuldenaar tegen misbruiken van de schuldeiser. Zo belet de vereiste dat de schuldenaar het document volledig met de hand dient te schrijven dat de schuldeiser na het tekenen van een blanco document de tekst zou kunnen aanvullen met een hoger bedrag dan overeengekomen. De regel van het met de hand geschreven "goed voor" of "goedgekeurd voor" belet dat de schuldeiser na voorlezing van de akte met vermelding van een lager bedrag dan op het document vermeld staat toch de handtekening van de schuldenaar voor een hoger bedrag tracht te bekomen. De regel van het voluit in letters uitdrukken van de som belet dat de schuldeiser achteraf het vermeld bedrag vervalst aangezien in principe hij alleen het document bijhoudt. Enkel onderhandse akten die eenzijdige schuldbekentenissen vaststellen vallen onder de toepassing van artikel 1326 BW. In geval van wederkerige overeenkomsten hebben de beschermingsvereisten van artikel 1326 BW geen bestaansreden omdat het gevaar waartegen de schuldenaar moet worden beschermd dan niet bestaat vermits, krachtens artikel 1325 BW dat in dat geval geldt, elke partij dan in het bezit is van een origineel van de akte en vergelijking van die originelen toelaat de afwezigheid van misbruiken te controleren
(1). Krachtens het tweede lid van dit artikel lijdt deze regel uitzondering wanneer de akte uitgaat van kooplieden, ambachtslieden, landbouwers, wijngaardeniers, dagloners of dienstboden. Over de vraag hoe de term ‘kooplieden', als uitzondering op de strikte bewijsregel in artikel 1326, eerste lid BW en in het licht van de te dezen gevoerde betwisting, moet worden begrepen heeft uw Hof nog geen standpunt ingenomen, ook niet bij arrest van 25 juni 1982
(2)waarnaar verweerder ter ondersteuning van een strikte interpretatie verwijst en die betrekking had op ambachtslieden, landbouwers, wijngaardeniers, dagloners en dienstboden die als groep van de categorie kooplieden moet worden onderscheiden
(3). In rechtspraak en rechtsleer bestaan hierover, net zoals dit het geval was tussen de eerste rechter en de appelrechters, twee verschillende visies
(4). Een eerste strekking
(5)-
(6)is van mening dat de uitzondering van artikel 1362, tweede lid BW gekoppeld is aan de persoon van de ondertekenaar van de akte. Met andere woorden van zodra deze persoon koopman is, - en dan wordt dit begrip ruim geïnterpreteerd als handelaars, industriëlen, bestuurders en belangrijke aandeelhouders van vennootschappen
(7)- vallen al diens verbintenissen - of deze nu gerelateerd zijn aan de uitoefening van de onderneming dan wel zuiver burgerlijk zijn - onder de uitzondering en heeft de aard van de schuld dus geen belang. Deze regel zou ingegeven zijn door de visie dat handelaars in alle omstandigheden - ook in privé aangelegenheden en wanneer zij een burgerrechtelijke verbintenis aangaan - waakzamer zouden zijn en niet zoals andere schuldenaar door de voorschriften moeten worden beschermd. Deze interpretatie gaat uit van een letterlijke lezing van het tweede lid van dit artikel dat gewag maakt van ‘kooplieden' en niet van ‘daden van koophandel'. De tweede strekking
(8)-
(9)is evenwel van mening dat het de aard - commercieel of burgerrechtelijk - van de verbintenis is die van doorslaggevend belang is. Deze regel zou volgens deze strekking niet gemotiveerd zijn door de ‘waakzaamheid' of ‘kunde' van handelaars, maar enkel door de in handelszaken vereiste spoed. Hierbij wordt verwezen naar de voorbereidende werken van de Code Napoléon waarbij de uitzondering in artikel 1326, tweede lid, BW wordt gerechtvaardigd door te verwijzen naar de vereiste snelheid in handelsrelaties
(10). Deze laatste visie, die beter inpasbaar is in de huidige evoluties van het ondernemings- en consumentenrecht, verdient mijns inziens de voorkeur. Zo is het consumentenbegrip eveneens van toepassing op natuurlijke personen die ondernemer zijn, waarbij deze niet bedrijfs- of beroepsmatig optreedt. De bescherming die uitgaat van het consumentenrecht wordt dus niet strikt gekoppeld aan de persoon, zodat ook een ondernemer/handelaar die in zijn privésfeer een transactie doet hiervan geniet. Verder is het vrij bewijs in het handels/ondernemingsrecht juist gekoppeld aan de aard van de rechtshandeling. Zo bepaalt artikel 25 W. Kh. dat handelsverbintenissen vrij kunnen worden bewezen. Het nieuwe artikel 1348bis BW bepaalt dan weer dat het vrije bewijs niet van toepassing is tegen natuurlijke personen die een onderneming uitoefenen inzake het bewijs van rechtshandelingen die kennelijk vreemd zijn aan de onderneming. Hetzelfde wordt vooropgesteld in het toekomstige artikel 8.11 NBW. Het feit dat het vrije bewijs gekoppeld wordt aan de handelsrechtelijke/ondernemingsrechtelijke aard van de rechtshandeling strookt met de visie dat de uitzondering in artikel 1326 BW gerechtvaardigd wordt door de snelheid die commerciële transacties kenmerkt. In alle gevallen is er een versoepeling van de bewijsmogelijkheden door en tegen de handelaar/onderneming die gerechtvaardigd wordt door de snelheid en vlotheid die deze transacties kenmerken. Gelet op wat voorafgaat komt het middel dat aanvoert dat de appelrechters artikel 1326 Burgerlijk Wetboek miskennen door de uitzondering in het tweede lid te koppelen aan de persoon van de betrokkene en niet aan de aard van de door hem ondertekende akte of aard van de verbintenis, gegrond voor. Conclusie: vernietiging met verwijzing. ____________________________
(1)B. CATTOIR, Burgerlijk bewijsrecht, APR, 2013, nr. 587.
(2)Cass. 25 juni 1982, Arr.Cass.1981-82, nr. 646 waarbij Uw Hof oordeelde dat hoewel deze uitzondering steunt op het feit dat de wetgever meende dat de personen van deze categorieën meestal ongeletterden waren, deze bepaling geen onderscheid maakt tussen geletterde en ongeletterde personen.
(3)B. Cattoir, Burgerlijk bewijsrecht, APR, 2013, nr. 590.
(4)Zie hierover zonder stelling in te nemen: L. BALLON, Bewijs in handelszaken, Gent, Story, 2011, 34; C. LEBON, "Ontkenning handtekening en toepassingsgebied artikel 1326 BW" (noot onder Antwerpen 12 januari 2015), NjW 2016, 30.
(5)E. DAUBRESSE, "Des commerçants" en "De la preuve des engagements commerciaux" in Les Novelles Droit Commercial, I, Brussel, Edmond Picard, 1931, 134, nr. 517 en 246, nr. 26; H. DE PAGE, Traité, III, 1967, nr. 816; X. DIEUX, "La preuve en droit commercial belge", TBH 1986,
(84)96; F. LAURENT, Principes de droit civil français, Brussel, Bruylant, 1876, 271, nr. 254; N. VERHEYDEN-JEANMART, Droit de la preuve, Brussel, Larcier, 1991, 265, nrs. 561-562; P. WÉRY, D. GOBERT en L. KERZMANN, "La preuve" in Guide juridique de l'entreprise, II, Luik, Kluwer, 2003,
(43)voetnoot 271.
(6)Antwerpen 12 januari 2015, NjW 2016, 28, noot C. LEBON; Brussel 10 januari 1961, Pas. 1962, II,
  1. Zie ook: Cass. Fr. 19 december 1972, Bull. Cass. Comm. 1972, nr. 336, p.
  2. Zie ook (m.b.t. ambachtslieden ("les artisans"): Cass. Fr. 4 april 1979, Bull. 1979, I, nr. 25, p. 21.
(7)B. CATTOIR, Burgerlijk bewijsrecht, APR, 2013, nr. 590 en de referenties aldaar.
(8)B. CATTOIR, Burgerlijk bewijsrecht, APR, 2013, nr. 590; X. DIEUX, "La preuve libre en droit commercial belge" in C. DELFORGE (ed.), La preuve en droit privé quelques questions spéciales, Brussel, Larcier, 2017,
(7)23; L. FRÉDÉRICQ, Traité de droit commercial belge, I, Gent, Rombaut-Fecheyr, 1946, 282; D. MOUGENOT, "La preuve" in Répertoire Notariale, IV, Les obligations, Livre II, Brussel, Larcier, 2012, 244, nr. 145; B. SAMYN, Privaatrechtelijk bewijs, Gent, Story, 2012, nr. 343; A.-M. STRANART et M. GRÉGOIRE, "Chronique de droit bancaire privé - Les sûretés personnelles (de janvier 1975 à juin 1987), Bank Fin. 1988, 15; I. VAN DEN BOSSCHE e.a., De borgtocht. Een rechtsfiguur met veel facetten, Brussel, Bruylant, 2015, 136, nr. 279; W. VAN GERVEN, m.m.v. A. VAN OEVELEN, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 689, voetnoot 39; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, III, Brussel, Bruylant, 2010, 2365, nr. 1742; J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, III, Brussel, Bruylant, 1981, nr. 51; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS (eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, nr. 1511 (impliciet); M. VAN QUICKENBORNE, Borgtocht in APR, Gent, Story, 1999, nr. 310.
(9)Rb. Hasselt 31 mei 2001, RW 2003-04, 544; Brussel 17 oktober 1960, RW 1960-61, 944.
(10)Zie bv. L. FRÉDÉRICQ, Traité de droit commercial belge, I, Gent, Rombaut-Fecheyr, 1946, 282 en D. MOUGENOT, "La preuve" in Répertoire Notariale, IV, Les obligations, Livre II, Brussel, Larcier, 2012, 244, nr. 145 met verwijzing naar M. LOCRÉ, Législation civile, commerciale et criminelle, Brussel, Tarlier, 1836, t. 6, VIII, nr. 194 en XI, nr. 12. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.